Brief regering : Voortgang aanpak cyberweerbaarheid in het vervolgonderwijs
26 643 Informatie- en communicatietechnologie (ICT)
31 524
Beroepsonderwijs en Volwassenen Educatie
31 288
Hoger Onderwijs-, Onderzoek- en Wetenschapsbeleid
29 240
Veiligheid op school
Nr. 1535
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 24 juni 2026
In deze brief informeer ik uw Kamer over de voortgang van de aanpak voor verhoging
van de cyberweerbaarheid in het vervolgonderwijs. Het digitale dreigingslandschap
wordt steeds diverser en onvoorspelbaarder. Technologische ontwikkelingen, zoals die
van generatieve Artificial Intelligence (AI), gaan razendsnel en er is een grote verscheidenheid
aan aanvallen door statelijke actoren, cybercriminelen en andere kwaadwillenden.1 Ook onderwijsinstellingen zijn doelwit van deze cyberaanvallen, of vormen een tussenstap
naar aanvallen in het bredere digitale ecosysteem.2 Het is daarom van belang voor Nederland en voor de sectoren dat de instellingen in
het vervolgonderwijs goed voorbereid zijn op deze cyberdreiging. Dit is niet alleen
nodig om ongewenste overdracht van kennis en technologie tegen te gaan (kennisveiligheid)
maar ook vanwege de bescherming van (privacygevoelige) gegevens waar deze voor de
instellingen, hun studenten en medewerkers cruciaal zijn voor het primaire proces
van onderwijs en onderzoek.
De mbo-instellingen, hogescholen en universiteiten werken al langere tijd aan de verhoging
van hun cyberweerbaarheid.3 Daarbij zetten zij goede stappen om cyberaanvallen zoveel mogelijk voor te zijn en
om adequaat te reageren als een aanval niet kan worden voorkomen. Dit is geen eenvoudige
opgave. Cyberincidenten zijn nu eenmaal onvermijdelijk, ook in het onderwijs, waardoor
digitale veiligheid doorlopende aandacht vraagt. Bovendien zijn digitale risico’s
complex en met elkaar verbonden. Dit laat bijvoorbeeld ook de recente cyberaanval
op Instructure, de leverancier van onderwijsplatform Canvas, zien.4
Via deze brief informeer ik uw Kamer specifiek over de nadere uitwerking van de aanwijzing
van de bekostigde hogescholen en universiteiten als entiteiten zoals bedoeld in de
Cyberbeveiligingswet (hierna: Cbw). Uw Kamer is op 24 april 2025 geïnformeerd over
het besluit om de bekostigde hogescholen en universiteiten onder de reikwijdte van
deze wet te brengen, vanwege het belang van een brede en duurzame beheersing van cyberrisico’s.5 Daarmee komt er voor deze instellingen een registratieplicht, een meldplicht van
significante incidenten en het recht op bijstand en advies door een Computer Security
Incident Response Team (CSIRT) bij dreigingen en incidenten en komt er op termijn
een wettelijke zorgplicht voor het nemen van passende en evenredige beveiligingsmaatregelen.6 Ik zet dit beleid voort en tref hiervoor momenteel de voorbereidingen. Ook informeer
ik uw Kamer via deze brief over de stappen die worden gezet in het mbo en de afspraken
die ik maak met het mbo.
1. Uitwerking aanwijzing hogescholen en universiteiten als entiteiten zoals bedoeld
in de Cyberbeveiligingswet (Cbw)
Cyberbeveiligingsregeling hoger onderwijs
Om de bekostigde hogescholen en universiteiten onder de reikwijdte van de Cbw te brengen
werk ik momenteel aan een sectorspecifieke ministeriële regeling waarin de aanwijzing
van deze instellingen als zogenoemde belangrijke entiteiten zal zijn opgenomen. Deze Cyberbeveiligingsregeling hoger onderwijs bevat
daarnaast een aantal andere onderdelen, namelijk de vaststelling van de drempelwaarden
voor de meldplicht van significante incidenten en de aanwijzing van het CSIRT voor
deze instellingen. Ook wordt via deze regeling het extern toezicht op de verplichtingen
in de Cbw en de daaronder vallende regelgeving belegd bij de Inspectie van het Onderwijs.7 Een ontwerp van de Cyberbeveiligingsregeling hoger onderwijs is sinds 12 juni jl.
te raadplegen in het kader van de openbare internetconsultatie.8
Ik vind het van belang dat de aanwijzing van de instellingen onder de Cbw en de verplichtingen
die daaruit voortvloeien uitvoerbaar zijn voor zowel de instellingen zelf, alsook
voor de Inspectie van het Onderwijs als de beoogde toezichthoudende instantie, en
SURFcert als het beoogde CSIRT. Bij het opstellen van de wet- en regelgeving is naast
uitvoerbaarheid ook proportionaliteit een belangrijk uitgangspunt en is er nadrukkelijk
oog voor de administratieve last die entiteiten ervaren als gevolg van de wet- en
regelgeving. Zo schrijft de Cbw een risicogebaseerde aanpak voor waarmee de instellingen
eigen risico’s dienen te identificeren en de ruimte hebben om op basis daarvan passende
en evenredige beveiligingsmaatregelen te nemen. Bij de uitwerking van de aanwijzing
in de sectorspecifieke regeling voor de hogescholen en universiteiten heb ik ook nadrukkelijk
aandacht voor de uitvoerbaarheid en proportionaliteit. Daartoe betrek ik relevante
stakeholders zoals de sectorverenigingen, SURF, Inspectie van het Onderwijs en experts
bij deze uitwerking en vindt er vanuit mijn ministerie intensief overleg plaats met
deze partijen.
Mijn streven is om de inwerkingtreding van de ministeriële regeling, en daarmee de
aanwijzing van de hogescholen en universiteiten als belangrijke entiteit in de zin
van de Cbw, zo snel mogelijk na inwerkingtreding van de Cbw te laten plaatsvinden.9 Hieronder licht ik de uitwerking van de aanwijzing van de hogescholen en universiteiten
per onderdeel nader toe.
Aanwijzing als «belangrijke» entiteit
De Cbw geeft de mogelijkheid om de hogescholen en universiteiten onder de Cbw te brengen
als ofwel essentiële entiteit ofwel belangrijke entiteit. De Cbw veronderstelt hierbij
dat het proportioneel is om belangrijke entiteiten minder te belasten met administratieve
lasten die volgen uit toezicht dan essentiële entiteiten vanwege hun omvang, de door
hen verleende diensten en de sectoren waarin zij actief zijn. Ik kies ervoor om alle
bekostigde instellingen in het hoger onderwijs als belangrijke entiteit onder de Cbw aan te wijzen en beschouw dit als passend voor de sector.10 Gelet op de aard van de sector, die niet rechtstreeks onder de werking van de Cbw
valt maar vanuit de mogelijkheid die de wet daartoe biedt, en gelet op de proportionaliteit
van de uitvoeringslast voor de instellingen, ligt het niet in de rede om te kiezen
voor het zwaarste toezichtsregime voor de onderwijssector. De aanwijzing als belangrijke
entiteiten betekent dat de instellingen te maken krijgen met uitsluitend extern toezicht
achteraf (ex-post) en niet met extern toezicht vooraf (ex-ante), zoals dat bij essentiële
entiteiten wel het geval is.
Meldplicht en registratieplicht
Direct na hun aanwijzing als belangrijke entiteit onder de Cbw gaat voor de instellingen
een registratieplicht en een meldplicht gelden. De registratieplicht verplicht de instellingen om zich in te schrijven bij
het nationaal register van entiteiten.11 Dit verloopt in de praktijk via het digitale portaal van het Nationaal Cyber Security
Centrum (NCSC) van het Ministerie van Justitie en Veiligheid.
Bij de meldplicht gaat het om het melden van significante incidenten bij het CSIRT en de bevoegde toezichthouder.12 Om te bepalen wanneer er sprake is van een significant incident worden voor de instellingen
criteria (drempelwaarden) vastgesteld. Aan de hand daarvan kunnen zij beoordelen of
een incident significant is, en zodoende moet worden gemeld. Om tot heldere drempelwaarden
te komen zijn bij de uitwerking de relevante stakeholders alsook experts vanuit de
instellingen geraadpleegd. De drempelwaarden voor het melden van significante incidenten
worden opgenomen in de ministeriële regeling.
Aanwijzing CSIRT (Computer Security Incident Response Team)
Direct na de aanwijzing hebben de instellingen vanuit de wet recht op bijstand en
advies bij cyberdreigingen en incidenten door een als CSIRT aangewezen instantie. De aanwijzing
van het CSIRT zal worden opgenomen in de ministeriële regeling. Het CSIRT heeft onder
meer tot taak om belangrijke entiteiten in geval van dreigingen, kwetsbaarheden en
incidenten vroegtijdig te waarschuwen, daarover informatie te verstrekken, en bijstand
te verlenen. Ik ben, gelet op de bestaande kennis, expertise en ervaring van SURF
en SURFcert (als huidig computercrisisteam voor het vervolgonderwijs), in vergevorderd
gesprek met SURF over de uitoefening van de wettelijke taken van het CSIRT als bedoeld
in de Cbw. Daarvoor zou door SURF een nieuwe privaatrechtelijke rechtspersoon opgericht
dienen te worden bij wie de wettelijke taak door mij wordt belegd. De Comptabiliteitswet
vereist dat in het geval van het doen oprichten van een privaatrechtelijke rechtspersoon,
het voornemen daartoe voor voorhang wordt voorgelegd aan de Tweede en Eerste Kamer.13 Deze procedure verwacht ik na de zomer te kunnen starten.
Voorbereiding op de zorgplicht
Met de aanwijzing onder de Cbw komt er op termijn ook een wettelijke zorgplicht voor de instellingen om, op basis van risicoanalyses, passende en evenredige maatregelen
te treffen om de risico’s voor de beveiliging van de netwerk- en informatiesystemen
te beheersen, incidenten te voorkomen en de gevolgen van eventuele incidenten voor
de afnemers van hun diensten te beperken. De sectorverenigingen Universiteiten van
Nederland (UNL) en Vereniging Hogescholen (VH) hebben eerder hun zorgen geuit over
de tijd, inzet en middelen die het vraagt van instellingen om te voldoen aan de nieuwe
verplichtingen als gevolg van de aanwijzing als entiteit in de zin van de Cbw. Om
die reden is door mijn voorganger, in samenspraak met de Minister van Justitie en
Veiligheid, reeds besloten en in de Cbw geregeld dat de zorgplicht 36 maanden na de
aanwijzing van de hogescholen en universiteiten van toepassing zal zijn. Deze gefaseerde
aanpak biedt de instellingen tijd om zich zorgvuldig hierop voor te bereiden.14
De bekostigde hogescholen en universiteiten hebben de afgelopen jaren ingezet op het
verhogen van de cyberweerbaarheid van de instellingen en hebben daar in lijn met de
bestuurlijke afspraken en bijbehorende middelen een belangrijke basis voor gelegd.
Aan de hand van deze bestuurlijke afspraken hebben de instellingen sinds 2021 gewerkt
aan onder andere het vergroten van het bewustzijn over risico’s, het vergroten van
de gehele systeemvolwassenheid en de versterking van de ketensamenwerking. De instellingen
blijven hier onverminderd op inzetten.
In voorbereiding op de aanwijzing en de wettelijke zorgplicht werken de bekostigde
instellingen en SURF momenteel intensief samen aan de implementatie van de Cbw. Daarbij
wisselen zij kennis uit over de belangrijkste stappen die nodig zijn voor succesvolle
implementatie. Twee keer per jaar voer ik met de sector een bestuurlijk overleg over
de voortgang van de implementatie van de Cbw en de voorbereiding op de zorgplicht.
Vanaf dit jaar ontvangen de hogescholen en universiteiten in totaal circa € 9 mln.
structureel in hun lumpsum voor hun aanpak op cyberveiligheid. Om de sector verder
tegemoet te komen investeert het kabinet tot en met 2031 € 80 miljoen om de instellingen15 op weg te helpen bij hun uitdagingen op het vlak van (kennis)veiligheid en cyberweerbaarheid.16 De middelen worden via de rijksbijdrage beschikbaar gesteld en kunnen ook worden
aangewend voor voorbereidingswerkzaamheden rond de Cbw. Hierna verwacht ik dat de
hogescholen en universiteiten in staat zijn om de kosten voor deze uitdagingen te
kunnen financieren uit de bestaande middelen van de lumpsum.17
Ik gebruik de komende periode om met de relevante stakeholders en experts in gesprek
te gaan over de nadere uitwerking van de zorgplicht in de ministeriële regeling, in
aanvulling op wat hierover is opgenomen in het Cyberbeveiligingsbesluit. Mijn vertrekpunt
hierbij is om zoveel mogelijk aan te sluiten bij bestaande werkwijzen en normen in
de onderwijssector. Dit draagt bij aan de uitvoerbaarheid en beoogde proportionaliteit.
In het kader van de ministeriële regeling is de regeldruk voor de instellingen als
gevolg van de nieuwe verplichtingen in kaart gebracht. De uitkomsten hiervan zijn
opgenomen in het ontwerp van de regeling dat ter internetconsultatie voorligt. Bij
de uitwerking van de zorgplicht bij ministeriële regeling breng ik ook daarvan de
regeldruk in kaart.
Extern toezicht
Het onafhankelijk extern toezicht op de naleving van de verplichtingen in de Cbw en de daarop gebaseerde regelgeving
beleg ik bij de Inspectie van het Onderwijs. Het toezicht op de Cbw wordt voor de
inspectie een nieuwe, eigenstandige aan hen opgedragen taak. De inspectie bereidt
zich hier momenteel op voor en heeft aangegeven hierin samen met de hogescholen en
universiteiten op te willen trekken. Bij de inrichting van het toezicht wordt er rekening
gehouden met de hiervoor genoemde gefaseerde aanpak, wat betekent dat er gedurende
de eerste 36 maanden vanaf de aanwijzing nog geen sprake zal zijn van extern toezicht
op de zorgplicht in het kader van de Cbw.
Niet-bekostigd onderwijs
De versterking van cyberweerbaarheid is ook in de niet-bekostigde onderwijssector
van belang. Aanwijzing van de niet-bekostigde entiteiten onder de Cbw wordt tegelijkertijd
niet passend geacht vanuit de nadruk die in de NIS2-richtlijn in dit verband wordt
gelegd op kritieke onderzoeksactiviteiten en vanuit het oogpunt van proportionaliteit.
Voor het niet-bekostigd onderwijs investeert de NRTO, de brancheorganisatie van de
niet-bekostigde instellingen, in maatregelen om de digitale weerbaarheid van haar
leden te verhogen. Dit doet zij door onder andere het creëren van bewustzijn en het
faciliteren van trainingen voor haar leden. De NRTO-audit verplicht de leden jaarlijks
de basisscan «cyberweerbaarheid» van het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) uit
te voeren. Daarnaast heeft NRTO een samenwerking met Samen Digitaal Vaardig waarbij
de leden worden voorzien van relevante informatie vanuit onder andere de NCSC.
2. Verhoging cyberweerbaarheid mbo
Vanzelfsprekend is ook voor het mbo een verdere verhoging van de cyberweerbaarheid
en bescherming van (privacy)gevoelige gegevens nodig. De sector mbo zal niet onder
de werking van de Cbw vallen omdat met betrekking tot onderwijsinstellingen vanuit
de NIS2-richtlijn, en daarmee ook de Cbw, de nadruk ligt op instellingen die kritieke
onderzoeksactiviteiten verrichten. Hieronder beschrijf ik hoe de aanpak in het mbo
vorm krijgt.
Bestuurlijke afspraken tot aan 2027 voor het mbo
Het mbo heeft sinds de gemaakte bestuurlijke afspraken in 2021 fors ingezet op een
verbetering van de cyberveiligheid. Onder de vlag van mbo-digitaal is het programma
Cyberveiligheid mbo inmiddels vier jaar bezig en zijn er verschillende tastbare resultaten
geboekt.18 De bestuurlijke afspraken met de mbo-instellingen blijven in elk geval tot aan het
eind van het programma in 2027 van kracht en we scherpen de ambities hierin aan. Over
de voortgang houd ik nauw contact met de sector via het reguliere bestuurlijk overleg
dat ik voer met de vertegenwoordigers van de mbo-instellingen, de hogescholen en de
universiteiten.
Op basis van de bestuurlijke afspraken werken de mbo-instellingen gezamenlijk aan
de verhoging van de cyberbeveiliging langs drie lijnen: (1) vergroten van het bewustzijn
over risico’s, (2) vergroting van de gehele systeemvolwassenheid door toepassing van
een gedeeld toetsingskader en een meer risico gebaseerde werkwijze en (3) versterking
van de ketensamenwerking.
Om het bewustzijn te vergroten zijn de afgelopen jaren op een groot deel van de mbo-instellingen
verschillende oefeningen uitgevoerd. Onder andere door de inzet van red-teaming19, pentesten, mystery guests en crisisoefeningen wordt er blijvend gewerkt aan het
bewustzijn en het lerend vermogen van de instellingen. De ambities rond de systeemvolwassenheid
scherpen we aan met de afspraak dat de mbo-sector in 2029 gemiddeld op een minimaal
volwassenheidsniveau van 3 uit komt.20 Voor individuele mbo-instellingen kan dit niveau een jaar later, voor 2030, worden
bereikt. Om op dit volwassenheidsniveau te komen, wordt er veel van de instellingen
gevraagd. Dit blijkt onder meer uit de resultaten van de eerste ronde externe security
audits.21 De organisatie en de governance op cyberbeveiliging scoort binnen de mbo-instellingen
naar verwachting. Echter, op het gebied van de risicomanagement en identiteits- en
toegangsbeheer zijn nog flinke stappen nodig. Een gezamenlijke inzet onder de vlag
van mbo-digitaal, in de keten en gebruik makend van de ondersteuningsstructuur van
SURF, is hierbij belangrijk.
Gezamenlijke ambitie voor het mbo na 2027
Om weerstand te kunnen bieden aan de toenemende cyberdreiging, zullen de mbo-instellingen
hun gezamenlijke inzet, vanuit het fundament van zelfregulering, moeten blijven continueren.
Om dit concreet handen en voeten te geven en een vervolg te geven aan de activiteiten
uit het huidige programma, heeft de mbo-sector het initiatief genomen een cyberweerbaarheidspool
op te zetten.22 Binnen deze pool maken de mbo-instellingen afspraken over hun inzet en resultaten
op het gebied van cyberveiligheid en worden ter ondersteuning van alle mbo-instellingen
centraal voorzieningen ingericht.
Mocht het voorkomen dat een mbo-instelling het slachtoffer wordt van een hack, dan
ondersteunen de instellingen elkaar door middel van deze pool. Op basis van heldere
spelregels kan dat, indien noodzakelijk, ook in financiële zin. De cyberweerbaarheidspool
dient zo meerdere doelen: alle instellingen committeren zich aan heldere ambities
en verantwoorden zich naar elkaar op basis van scherpe afspraken, er worden gezamenlijk
diensten en voorzieningen ingericht en de instellingen staan voor elkaar klaar op
het moment dat het nodig is. Het streven is deze cyberweerbaarheidspool in oktober
2027 te starten. Ik steun deze ontwikkeling van harte en ben voornemens afspraken
over deze pool ook op te nemen in de bestuurlijke afspraken voor na 2027.
De samenhang met de aanpak in het hbo en wo blijft de komende periode essentieel.
Daarom zal de in de Cyberbeveiligingsregeling hoger onderwijs opgenomen meld- en zorgplicht
voor hogescholen en universiteiten, ook het uitgangspunt zijn voor de aanpak in het
mbo als het gaat om cyberweerbaarheid. Na de beoogde wettelijke aanwijzing van SURFcert
als CSIRT voor de hogescholen en universiteiten, blijft de dienstverlening door SURFcert
aan de mbo-instellingen in stand.
Tot slot
De digitale dreigingen nemen toe en dit raakt ook het onderwijs. Het is essentieel
dat de instellingen in het vervolgonderwijs nu en in de toekomst goed voorbereid zijn
op de risico’s die de cyberdreiging met zich meebrengt en dat zij, als onderdeel van
het bredere digitale ecosysteem, blijvend inzetten op verhoging van de cyberweerbaarheid.
Samenwerking tussen de sectoren is hierin van belang. Ik ga er vanuit dat de instellingen
de komende jaren de noodzakelijke stappen hierop blijven zetten. Ik blijf dit nauwlettend
volgen en informeer uw Kamer bij relevante ontwikkelingen.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
R.M. Letschert
Indieners
R.M. Letschert, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap