Nota n.a.v. het (nader/tweede nader/enz.) verslag : Nota naar aanleiding van het verslag
36 923 Wijziging van de Wet op het kindgebonden budget en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met het verhogen van het afbouwpercentage voor ouders met een toetsingsinkomen vanaf € 57.950
Nr. 7
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Ontvangen 29 juni 2026
De regering heeft met belangstelling kennisgenomen van het verslag van de vaste commissie
voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid inzake bovengenoemd wetvoorstel. Zij is de Kamerfracties
erkentelijk voor hun inbreng. De beantwoording van de vragen in deze nota volgt de
inhoudsopgave van het verslag.
Inhoudsopgave
1.
Inleiding
1
2.
Hoofdlijnen van het wetsvoorstel
5
3.
Wijziging Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
19
4.
Verhouding tot hoger recht
20
5.
Inkomenseffecten
21
6.
Financiële gevolgen voor het Rijk
25
7.
Caribisch Nederland
26
8.
Regeldrukeffecten, waaronder gevolgen voor de burger
26
9.
Toetsing en consultatie
27
10.
Evaluatie
28
11.
Overgangsrecht en inwerkingtreding
28
1. Inleiding
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat opeenvolgende verhogingen van het kindgebonden budget ertoe hebben geleid
dat steeds meer gezinnen kindgebonden budget ontvangen, en dat dat niet doelmatig
is. Deze leden kunnen de beschreven redenering volgen dat rijkere ouders het kindgebonden
budget wellicht niet nodig hebben om in het levensonderhoud van hun kinderen te voorzien,
deze leden merken daarbij wel op dat de «ondoelmatigheid» wat hen betreft alleen opgaat
in zoverre het gaat om daadwerkelijk rijke ouders, en niet wanneer het gaat om mensen
met een middeninkomen die net niet afhankelijk zijn van het kindgebonden budget om
niet in armoede terecht te komen. Daarnaast merken deze leden op dat de kinderbijslag
volgens deze redenering nog een stuk ondoelmatiger is, aangezien die helemaal niet
inkomensafhankelijk is en dus voor een groter deel ten goede komt aan ouders die het
extra bedrag niet nodig hebben. Deze leden pleiten er zeker niet voor om op de kinderbijslag
te bezuinigen, maar zijn wel benieuwd waarom nu precies gekozen wordt voor een bezuiniging
op het kindgebonden budget. De kinderbijslag is een voorbeeld dat het dichtst bij
het kindgebonden budget in de buurt komt, maar in de fiscaliteit zijn vele regelingen
te vinden die niet doelmatig zijn – het lage tarief in de vennootschapsbelasting is
bijvoorbeeld extreem ondoelmatig als het gaat om het ondersteunen van het midden-en
kleinbedrijf (mkb), omdat het bedrag dat het Rijk door die regeling misloopt voor
een groot deel terechtkomt bij de allerrijksten en grote bedrijven.
Kan de regering toelichten wat het kindgebonden budget geschikter maakt om op te bezuinigen
dan andere niet-doelmatige regelingen?
De keuze voor deze maatregel vloeit voort uit de budgettaire opgave waarvoor het departement
zich gesteld zag. Voor deze opgave is conform de begrotingsregels binnen de SZW-begroting
dekking gevonden en is daarmee ook het kindgebonden budget gerichter gemaakt.
Voorts merken de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie op dat de regering voornemens
is het kindgebonden budget en de kinderbijslag samen te voegen, waarbij het inkomensafhankelijke
deel (vergelijkbaar met het huidige kindgebonden budget) kleiner wordt en het inkomensonafhankelijke
deel groter. Dat betekent dat juist rijkere ouders een hogere toelage zullen krijgen,
wat volgens de bij het voorliggende wetsvoorstel geleverde toelichting niet doelmatig
is.
Deze leden vragen de regering om te reflecteren op deze twee voorstellen in relatie
tot elkaar.
Ook vragen de leden zich af hoe het genoemde voornemen tot samenvoeging van de kindregelingen
zich tot de hier gegeven argumentatie om op het kindgebonden budget te bezuinigen?
Met het wetsvoorstel tweede knikpunt zorgt dit kabinet ervoor dat het kindgebonden
budget zich meer richt op ouders die op basis van hun draagkracht extra financiële
ondersteuning nodig hebben om in de kosten van kinderen te voorzien, voor wie de regeling
oorspronkelijk ook bedoeld was.
Daarnaast betreft het een ombuiging vanwege een per saldo tegenvaller op de SZW-begroting
bij de voorjaarsbesluitvorming 2025, waardoor onder meer de bezuiniging op de kinderopvang
voor werkenden is teruggedraaid. De per saldo tegenvaller op de SZW-begroting was
voornamelijk het gevolg van hogere arbeidsongeschiktheidsuitgaven, in het bijzonder
de WIA.
Met het wetsvoorstel wordt het huidige stelsel gerichter gemaakt in aanloop naar de
samenvoeging van de kinderbijslag en het kindgebonden budget tot één regeling. Het
kabinet heeft uw Kamer op 18 juni 20261 over deze nieuwe regeling geïnformeerd. De komende jaren zullen een transitie vormen.
Deze leden zijn overigens van mening dat er goede andere redenen zijn om minder inkomensafhankelijke
regelingen te willen, ook als dat niet doelmatig is – bijvoorbeeld om de complexiteit
voor zowel de ontvangers van die regelingen als de uitvoerders terug te dringen, of
meer zekerheid voor ontvangers te bewerkstelligen. In het specifieke geval van de
kindregelingen kan ook herverdeling tussen ouders enerzijds en mensen zonder kinderen
anderzijds een overweging zijn. Deze leden staan daarom in principe positief tegenover
het voorstel om de kindregelingen samen te voegen en daarbij een groter «vast» (inkomensonafhankelijk)
deel uit te keren.
Deze leden menen echter ook dat de som van een maatregelenpakket vooral positief uit
moet pakken voor lage inkomens en middeninkomens, en niet voor hoge inkomens. Deze
leden vragen of de regering het daarmee eens is. Ook vragen zij de regering om de
gevolgen van dit wetsvoorstel op het gebied van zekerheid en stabiliteit voor ouders
toe te lichten, en aan te geven in hoeverre de regering deze gevolgen wenselijk acht.
Zoals altijd let het kabinet op de inkomenseffecten voor verschillende groepen. Daarbij
wordt bij de koopkrachtraming niet alleen gekeken naar wijzigingen in de kindregelingen,
maar naar het totale effect van alle beleidsmatige wijzigingen en de ontwikkeling
van lonen en prijzen voor verschillende inkomensgroepen. Het kabinet publiceert deze
koopkrachtraming op Prinsjesdag. Het kabinet heeft uw Kamer op 18 juni 20262 geïnformeerd over de ambities ten aanzien van de nieuwe kindregeling. Zekerheid en
voorspelbaarheid voor ouders spelen hierin een belangrijke rol. Voor het einde van
2026 verwacht het kabinet uw Kamer over de uitwerking te kunnen informeren.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn ook benieuwd naar de timing van het wetsvoorstel
in relatie tot het voornemen tot samenvoeging van de kindregelingen. Het voorstel
uit het coalitieakkoord lijkt namelijk gedeeltelijk het tegenovergestelde effect te
hebben van het voorliggende wetsvoorstel.
Deze leden vragen daarom of het niet logischer was de twee voorstellen te combineren,
en de genoemde bezuinigingsopgave, indien de regering het per se wenselijk acht deze
met het kindgebonden budget in te vullen en niet met één van de vele ondoelmatige
regelingen die ten goede komen aan de allerrijksten, simpelweg te verwerken in het
voorstel uit het coalitieakkoord.
Het kabinet wil het beter richten van het kindgebonden budget per 1 januari 2027 doorvoeren.
Een combinatie met de nieuwe kindregeling zou dit proces onnodig vertragen, omdat
de verwachting is dat de nieuwe kindregeling per 2030 in werking kan treden. Een dergelijke
combinatie heeft daarom niet de voorkeur van het kabinet.
Deze leden merken op dat dit zowel voor huishoudens als voor uitvoeringsorganisaties
wellicht een prettigere optie was geweest – huishoudens zouden zich immers minder
met een sterk fluctuerende toeslag geconfronteerd zien, terwijl uitvoeringsorganisaties
niet twee keer een majeure wijziging zouden hoeven doorvoeren.
Kan de regering toelichten waarom zij daar niet voor heeft gekozen?
De betrokken uitvoerders geven aan dat dit wetsvoorstel uitvoerbaar is en bovendien
weinig impact heeft op de uitvoeringscapaciteit. Zij geven aan dat impact op de uitvoering
een gevolg is van samenloop tussen verschillende trajecten. Uit de reacties van particulieren
in de internetconsultatie blijkt overigens niet dat ouders zich zorgen maken over
toeslagbedragen die van jaar op jaar veranderen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen ook wat € 57.950 prijspeil 2024 is
in het prijspeil van 2026. Om welke bedrag gaat het naar verwachting in 2027 (op basis
van de voorspelde cumulatieve tabelcorrectiefactor voor de periode 2025 tot en met
2027)? Deze leden willen daarnaast graag weten welke plaats huishoudens met dit inkomen
hebben in de inkomensverdeling, zowel voor alleenstaanden als koppels. Gaat het hier
volgens de regering om lage inkomens, lage middeninkomens, middeninkomens, hoge middeninkomens
of hoge inkomens? En indien de regering het eens is dat het hier gedeeltelijk gaat
om mensen met een laag middeninkomen: in hoeverre vindt de regering het «ondoelmatig»
om lage middeninkomens te ondersteunen bij het dragen van de kosten van het levensonderhoud
van kinderen?
Voor de beantwoording van deze vraag is gebruik gemaakt van de door het CPB geprognosticeerde
tabelcorrectiefactor (bron: CEP 2026). Een tweede afbouwgrens van € 57.950 (prijspeil
2024) komt daarbij naar verwachting overeen met een bedrag van € 60.347 (prijspeil
2026) en € 61.856 (prijspeil 2027).
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen welke plaats huishoudens met dit inkomen
hebben in de inkomensverdeling zowel voor alleenstaanden als koppels en of met de
maatregel lage, lage middeninkomens, middeninkomens, hoge middeninkomens of hoge inkomens
worden geraakt. Zij vragen of de regering het ondoelmatig vindt om lage middeninkomens
te ondersteunen. Er is geen eenduidige definitie van lage, midden of hoge inkomens.
Onderstaande tabel toont de verdeling van het mediane inkomenseffect verdeeld naar
inkomensgroepen in 2028. Hierbij is zichtbaar dat de laagste 60% van de inkomens geen
of een beperkt inkomenseffect heeft van deze maatregel en dat inkomenseffect het hoogst
is bij de hoogste 20% van de inkomensverdeling (vijfde inkomenskwintiel).
In sommige huishoudsituaties verliezen huishoudens met een hoger inkomen het recht
op het kindgebonden budget door deze maatregel. Hiermee wordt het kindgebonden budget
meer gericht op lage en middeninkomens.
Tabel 1: Verdeling van het mediane inkomenseffect voor huishoudens met effect naar
inkomensgroepen in 2028
Inkomensgroep
Mediaan inkomenseffect
Aantal huishoudens met effect1
Totaal aantal huishoudens
1e (<=106% WML)
–
0
1.640.000
2e (106–172% WML)
–
0
1.640.000
3e (172–257% WML)
– 0,3%
100.000
1.640.000
4e (257–382% WML)
– 1,0%
280.000
1.640.000
5e (>382% WML)
– 1,1%
100.000
1.640.000
Bron: Berekening SZW op basis van CEP 2026-raming.
X Noot
1
Deze doorrekening van de inkomenseffecten is gemaakt met het microsimulatiemodel Mimosi.
Op basis van dit model heeft de maatregel effect op 480.000 huishoudens tegenover
456.000 huishoudens in de budgettaire raming van het Ministerie van SZW. In de budgettaire
raming worden ook inzichten uit realisatiedata meegenomen, daarom komt de budgettaire
raming op een lager aantal huishoudens. De budgettaire raming is leidend.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen ook of de regering van mening dat het
kindgebonden budget alleen doelmatig is als het directe kinderarmoede voorkomt of
is de doelstelling van deze toeslag wat de regering betreft breder?
Het kindgebonden budget is een tegemoetkoming van de overheid in de kosten van kinderen
voor lagere en middeninkomens. Het doel hiervan is het bevorderen van de ontplooiingskansen
van kinderen en op basis van draagkracht een financiële bijdrage te leveren aan de
kosten voor kinderen. Dit wetsvoorstel maakt het kindgebonden budget doelmatiger,
omdat het meer wordt gericht op lagere en middeninkomens.
Deze leden van de Groep Markuszower
vragen waarom de regering ondanks deze structurele problemen opnieuw kiest voor aanpassing
van een complex toeslageninstrument in plaats van vereenvoudiging van het stelsel.
De leden van de Groep Markuszower vragen daarnaast waarom juist gezinnen met een midden-
of hoger inkomen extra worden geraakt door een hoger afbouwpercentage.
Vanwege de budgettaire opgave van de SZW-begroting wordt het kindgebonden budget met
deze maatregel gerichter gemaakt. Het kindgebonden budget richt zich weer meer op
de oorspronkelijke doelgroep: de lage en middeninkomens. Met de naar verwachting in
2030 in werking tredende nieuwe kindregeling wordt beoogd het stelsel te vereenvoudigen.
De leden van de Groep Markuszower vragen of de regering erkent dat werkende gezinnen
hierdoor opnieuw geconfronteerd worden met hogere marginale druk en lagere koopkracht.
Het effect op de marginale druk hangt af van de inkomenshoogte. Voor werkende ouders
met een toetsingsinkomen tot € 57.950 (prijzen 2024) verandert de marginale druk niet.
De marginale druk loopt beperkt op (met circa 4%-punt) voor werkenden met een inkomen
vanaf € 57.950. Voor huishoudens die het recht op kindgebonden budget verliezen, daalt
de marginale druk (met 8,5%-punt in 2028). Het wetsvoorstel leidt ook tot inkomenseffecten.
Huishoudens met een hoger inkomen verliezen (een deel van) het recht op kindgebonden
budget. Het kabinet vindt de beperkte stijging van de marginale druk voor de werkenden
met een inkomen op het tweede afbouwpad en de negatieve inkomenseffecten (voor met
name hogere inkomens) aanvaardbaar.
2. Hoofdlijnen van het wetsvoorstel
De leden van de D66-fractie vragen of de regeringen de marginale druk van huishoudens kan uitsplitsen naar inkomensgroep.
Onderstaande figuur 1 toont de gemiddelde marginale druk naar inkomenshoogte voor
werkenden in 2028. Waar de paarse lijn zichtbaar is, zorgt het wetsvoorstel voor een
wijziging van de gemiddelde marginale druk.
Figuur 1: Gemiddelde marginale druk naar inkomenshoogte voor werkenden in 2028
Bron: Berekening SZW op basis van CEP2026-raming.
De leden van de D66-fractie vragen hoe dit wetsvoorstel zich verhoudt tot de voorgenomen
nieuwe kindregeling uit het coalitieakkoord «Aan de slag». Kan de regering dit nader
toelichten, zo vragen deze leden.
Met het wetsvoorstel tweede knikpunt zorgt dit kabinet ervoor dat het kindgebonden
budget zich meer richt op ouders die op basis van hun draagkracht extra financiële
ondersteuning nodig hebben om in de kosten van kinderen te voorzien, voor wie de regeling
oorspronkelijk ook bedoeld was. Daarnaast betreft het een ombuiging vanwege een per
saldo tegenvaller op de SZW-begroting bij de voorjaarsbesluitvorming 2025, waardoor
onder meer de bezuiniging op de kinderopvang voor werkenden is teruggedraaid. De per
saldo tegenvaller op de SZW-begroting was voornamelijk het gevolg van hogere arbeidsongeschiktheidsuitgaven,
in het bijzonder de WIA.
Met het wetsvoorstel wordt het huidige stelsel gerichter gemaakt in aanloop naar de
samenvoeging van de kinderbijslag en het kindgebonden budget tot één regeling. Het
kabinet heeft uw Kamer op 18 juni 20263 over deze nieuwe regeling geïnformeerd. De komende jaren zullen een transitie vormen.
De leden van de D66-fractie vragen waarom niet is gekozen voor (gedeeltelijke) aansluiting
bij de afbouwpaden van de huurtoeslag of zorgtoeslag. Welke opties heeft de regering
in deze trant verkend, zo vragen deze leden.
Het kabinet verhoogt het afbouwpercentage van het kindgebonden budget vanaf een inkomen
vanaf € 63.094 in 2028 (prijzen 20284), zodat de afbouw niet samenvalt met de afbouw van de zorgtoeslag en grotendeels
de afbouw van de huurtoeslag. Bij de samenloop met de afbouwpaden van de zorgtoeslag
en huurtoeslag zouden lagere inkomens te maken krijgen met een stapeling van marginale
druk, waarbij het tweede afbouwpercentage van het kindgebonden budget optelt bij het
afbouwpercentage van de zorgtoeslag en huurtoeslag. Het kabinet heeft daarom de optie
om het tweede afbouwpunt te verlagen en te laten aansluiten bij de afbouwpunten van
de zorgtoeslag en huurtoeslag niet overwogen. Een samenloop van afbouwpaden zonder
stapeling van marginale druk kan alleen worden bereikt bij een verdergaande stelselwijziging,
zoals een basisbehoeftentoeslag. Hierbij worden de zorgtoeslag, huurtoeslag en het
kindgebonden budget samengevoegd tot één toeslag met één afbouwpercentage5.
De zorgtoeslag is afgebouwd bij een inkomen van circa € 44.300 voor alleenstaanden
en € 56.000 voor paren in 2028 (prijzen 2028). De huurtoeslag is afgebouwd bij een
inkomen van maximaal circa € 64.000 in 2028. Werkenden met een inkomen tussen € 63.094
en circa € 64.000 hebben als gevolg van de nota van wijziging te maken met de samenloop
met de afbouw van de huurtoeslag. Het kabinet verlaagt met de nota van wijziging het
tweede knikpunt in de afbouw van het kindgebonden budget als dekking om gegevensdeling
ten behoeve van de algemene bijstand binnen het wetsvoorstel proactieve dienstverlening
in werking te laten treden.
Hierbij heeft het kabinet gekozen voor de verlaging van het tweede knikpunt in plaats
van een verhoging van het (tweede) afbouwpercentage, omdat alle werkenden met een
inkomen op het (tweede) afbouwpad dan te maken hebben met een hogere marginale druk.
Het kabinet plaatst kanttekeningen bij verdere verlaging van de vermogensgrenzen,
omdat dit kan leiden tot meer hoge terugvorderingen doordat het hele recht op de toeslag
vervalt bij overschrijding van de vermogensgrens. Daarnaast zorgt een verdere verlaging
van de vermogensgrenzen ervoor dat de vermogenstoets aanzienlijk strenger wordt dan
de inkomenstoets. Deze afruilen zijn ook beschreven in de memorie van toelichting.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de regering een «geleidelijk oplopend» afbouwpercentage vanaf het tweede
afbouwpunt voorstelt. Begrijpen deze leden goed dat het hier gaat om een verhoging
van het afbouwpercentage van 4,3%-punt in 2027 en nog eens 0,45%-punt in 2028? In
hoeverre vindt de regering dat hier sprake is van een «geleidelijke» verhoging?
Met de invoer van het tweede knikpunt wordt een vaste verhoging van 4,3%-punt voorgesteld.
Per 2027 wordt het afbouwpercentage vanaf dit tweede knikpunt verhoogd van 8,05% naar
12,35%. In 2028 wordt het afbouwpercentage verhoogd van 8,5% naar 12,80%.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen ook dat de regering naar aanleiding
van de motie Flach c.s. (Kamerstuk. 36 725, nr. 23) enkele alternatieven heeft overwogen, maar uiteindelijk besloten heeft niet af te
wijken van het oorspronkelijke plan. Deze leden merken op dat de genoemde motie Flach
c.s. niet verzoekt om alternatieven te overwegen, maar om het oorspronkelijke voorstel
aan te passen. Klopt het dat de regering er dus voor kiest om deze aangenomen motie
naast zich neer te leggen? De leden van de GroenLinks-PvdA merken op dat zij dat problematisch
vinden, en vragen de regering of zij deze keuze wil heroverwegen. Ook vragen zij de
regering wat het nieuwe afbouwpercentage zou worden als budgetneutraal gekozen wordt
voor een tweede afbouwpunt van € 75.000 (prijspeil 2024) en een vermogensgrens gelijk
aan het heffingvrij vermogen in box 3. Kan de regering toelichten in hoeverre zij
deze variant wenselijk vindt? En hoe verhoudt dat oordeel zich tot het voornemen in
het coalitieakkoord om de vermogensgrens in de zorgtoeslag gelijk te stellen aan het
heffingsvrij vermogen in box 3?
Het kabinet heeft de motie zorgvuldig afgewogen. Na weging van relevante aspecten
is de meest evenwichtige keuze gemaakt. Indien ervoor gekozen zou worden om het tweede
afbouwpunt budgetneutraal te verhogen naar € 75.000 (prijspeil 2024) in combinatie
met een vermogensgrens gelijk aan het heffingsvrij vermogen in box 3 dan dient het
nieuwe afbouwpercentage structureel met circa 1,3%-punt extra verhoogd te worden van
12,8% naar 14,1%. Ook in dit scenario komt de totale structurele opbrengst van het
tweede knikpunt in de Wkb uit op circa € 333 miljoen (prijspeil 2025). De regering
plaatst kanttekeningen bij deze maatregel, omdat de vermogensgrenzen een alles-of-niets
criterium zijn. De verwachting is dan ook dat een dergelijke variant leidt tot meer
hoge terugvorderingen.
De leden van GroenLinks/PvdA vragen ook hoe dit zich verhoudt tot het voornemen in
het coalitieakkoord om de vermogensgrens in de zorgtoeslag gelijk te stellen aan het
heffingsvrij vermogen in box 3. Het kabinet staat terughoudend tegenover het verder
verlagen van de vermogensgrens in het kindgebonden budget, omdat dit leidt tot een
aanzienlijk strengere norm voor vermogen dan voor inkomen in deze regeling. Door de
recente verhogingen van het kindgebonden budget hebben namelijk steeds meer huishoudens
met een hoger inkomen recht op kindgebonden budget. Hierdoor kunnen huishoudens met
een laag inkomen en een vermogen dat (op de peildatum) boven de vermogensgrens ligt
geen kindgebonden budget krijgen, terwijl huishoudens met een hoog inkomen en een
laag vermogen wel kindgebonden budget ontvangen. In de zorgtoeslag speelt dit minder
omdat de zorgtoeslag al bij een lager inkomen is afgebouwd.
De leden van GroenLinks/PvdA vraagt of de regering het wenselijk om vermogensgrenzen
over verschillende regelingen te harmoniseren, en zo meer zekerheid te bieden aan
de ontvangers van onder andere toeslagen?
Het harmoniseren van de vermogensgrenzen in de verschillende toeslagen leidt niet
per definitie tot meer zekerheid. De begrijpelijkheid van het stelsel gaat er weliswaar
op vooruit door de vermogensgrenzen te harmoniseren. Maar daar staat tegenover dat
bij geharmoniseerde lagere vermogensgrenzen er meer en hogere terugvorderingen kunnen
ontstaan. De vermogensgrenzen in de toeslagen zijn vormgegeven als een harde grens.
Het hanteren van een harde grens betekent dat bij een kleine overschrijding van die
grens (bijvoorbeeld door een erfenis of afkoop van pensioen) mensen direct het recht
op de volledige toeslag verliezen. In een situatie met geharmoniseerde (lagere) vermogensgrenzen
verliezen meer toeslagontvangers dan niet één, maar meerdere volledige toeslagen tegelijkertijd.
Het kabinet kiest er dan ook niet voor om de vermogensgrenzen in de toeslagen te harmoniseren.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen voorts of voor de nota van wijziging
ook is overwogen het afbouwpercentage te verhogen in plaats van het afbouwpunt te
verlagen, en waarom de regering daar niet voor gekozen heeft. Is de regering het ermee
eens dat dat de doelmatigheid van de regeling ten goede zou komen?
Het kabinet heeft gekeken naar het verhogen van het afbouwpercentage. Dit heeft als
gevolg dat dat de marginale druk toeneemt voor alle werkende ouders met een inkomen
op het afbouwpad. Zowel het verhogen van het afbouwpercentage, als verlagen van het
tweede afbouwpunt maakt de regeling gerichter.
In tabel 1 staan de inkomensafbouwpunten in lopende prijzen voor komende jaren. De
leden van de CDA-fractie vragen om een actualisering van deze tabel naar aanleiding van de verlaging van het
inkomensafbouwpunt zoals voorgesteld als alternatieve dekking voor de bezuiniging
op proactieve dienstverlening bij Voorjaarsnota 2026.
In de onderstaande tabel is een geactualiseerd beeld geschetst van de (voorlopige6) ontwikkeling van de inkomensafbouwgrenzen en percentages, naar de beoogde omvang
per 2028 als gevolg van de (verwachte) reguliere indexering, de geleidelijke oploop
van het 1e afbouwpercentage in het basispad en de beleidsmatige mutaties die onderdeel uitmaken
van de onderhavige nota van wijziging.
Tabel 2: Overzicht (voorlopige) inkomensafbouwgrenzen- en percentages Wkb in de periode
2025 t/m 2028 (in lopende prijzen)
WKB-parameters
2025
2026
2027
2028
1e inkomensafbouwgrens alleenstaanden
28.406
29.736
30.809
31.898
1e inkomensafbouwgrens paren
37.545
39.141
40.450
41.732
1e inkomensafbouwpercentage
7,10%
7,60%
8,05%
8,50%
2e inkomensafbouwgrens alleenstaanden
61.856
63.094
2e inkomensafbouwgrens paren
61.856
63.094
2e inkomensafbouwpercentage
12,35%
12,80%
Daarnaast vragen de leden van de CDA-fractie om inzichtelijk te maken, met een rekenvoorbeeld, wat de verlaging van het inkomensafbouwpunt
(van € 60.000 euro naar € 57.950) op jaarbasis betekent voor gezinnen.
In de onderstaande tabel is voor een paar met 2 jonge kinderen inzichtelijk gemaakt
wat de verlaging van het inkomensafbouwpunt in de onderhavige nota van wijziging (lees:
van € 60.000 naar € 57.950 in prijspeil 2024) op jaarbasis betekent voor gezinnen.
Tabel 3: Impact NvW tweede knikpunt op totale jaarrecht WKB voor een paar met 2 jonge
kinderen (bedragen in prijzen 2028, op jaarbasis)
Toetsingsinkomen1
Oorspronkelijke wetsvoorstel – 2e knikpunt
nota van wijziging – 2e knikpunt
Verschil
€
60.000
€ 3.633
€ 3.537
– € 96
€
70.000
€ 2.239
€ 2.143
– € 96
€
80.000
€ 845
€ 749
– € 96
€
90.000
–
–
–
X Noot
1
Toetsingsinkomens zijn in prijspeil 2024 gepresenteerd i.v.m. vergelijkbaarheid met
het oorspronkelijke wetsvoorstel. De jaarbedragen zijn gepresenteerd in prijzen 2028.
Voor alle voorbeeldhuishoudens in bovenstaande tabel geldt dat het jaarrecht op het
kindgebonden budget vanaf een inkomen dat € 2.050 (in prijspeil 2024) lager ligt,
versneld wordt afgebouwd. Voorheen werd er tussen een inkomen van € 57.950 (nota van
wijziging) en € 60.000 over iedere extra verdiende euro structureel 8,5 cent afgebouwd,
dat wordt na implementatie van de onderhavige nota van wijziging 12,8 cent. Daarbij
geldt dat € 2.050 (in prijspeil 2024) vermenigvuldigd met 4,3% overeenkomt met een
vaste derving van € 96 op jaarbasis (in prijspeil 2028), een derving van € 8 per maand.
Voor alle huishoudens met een inkomen vanaf het nieuwe tweede knikpunt is de derving
dus gelijk.
De leden van de CDA-fractie vragen of de regering ook kan actualiseren hoeveel gezinnen
hun recht op kindgebondenbudget zullen verliezen.
In het oorspronkelijke wetsvoorstel was het de verwachting dat als gevolg van het
hogere afbouwpercentage van 12,8% vanaf een toetsingsinkomen vanaf € 60.000 (prijspeil
2024) structureel circa 114.000 ouders het recht op kindgebonden budget volledig zullen
verliezen. In de onderhavige nota van wijziging vindt de steilere afbouw reeds bij
een toetsingsinkomen vanaf € 57.950 (prijspeil 2024) plaats. De verwachting is dat
hierdoor structureel circa 7.000 extra ouders het recht op kindgebonden budget volledig
zullen verliezen.
De leden van de BBB-fractie merken op dat de regering stelt dat dit geen effect heeft
op kinderarmoede, aangezien deze huishoudens «primaire levensbehoeften zelfstandig
kunnen dragen». Echter, volgens deze leden wordt hiermee voorbijgegaan aan het feit
dat de lasten voor gezinnen met kinderen juist in de middengroep torenhoog zijn, onder
andere door stijgende woonlasten, oplopende kosten van levensonderhoud en de complexiteit
van het toeslagenstelsel. De bezuiniging treft juist de werkende middenklasse, waarop
volgens deze leden steeds meer druk wordt uitgeoefend om de maatschappelijke solidariteit
te bekostigen. Het overgrote deel van de getroffen huishoudens betreft paren, waarvan
velen bovendien reeds worstelen met een veranderlijk besteedbaar inkomen door inkomensafhankelijke
regelingen. De leden van BBB-fractie vragen de regering of zij erkent dat nu het kindgebonden
budget bij hogere inkomens volledig verdwijnt, er voor deze gezinnen geen structurele
compensatie bestaat voor de stijgende lasten van kinderen, terwijl zij tegelijkertijd
geen aanspraak kunnen maken op andere inkomensafhankelijke regelingen?
Is de regering bereid te onderzoeken welke effecten dit heeft op het besteedbaar inkomen
van de middenklasse?
Het kindgebonden budget is een tegemoetkoming van de overheid in de kosten van kinderen
voor lagere en middeninkomens, waarmee zij naar draagkracht worden ondersteund. Door
de recente verhogingen van het kindgebonden budget hebben steeds meer huishoudens
met een hoger inkomen recht op kindgebonden budget. Hogere inkomens zijn tegelijkertijd
minder aangewezen op deze tegemoetkoming en zijn doorgaans beter in staat om de kosten
van kinderen te kunnen dragen. De introductie van een hoger afbouwpercentage vanaf
een toetsingsinkomen van € 60.000 (prijspeil 2024) maakt het kindgebonden budget gerichter.
Daarnaast ontvangen ook hoge inkomens een inkomensonafhankelijke kinderbijslag om
ook tegemoet te komen in de kosten van kinderen, en krijgen ze een vergoeding voor
kinderopvangkosten met de kinderopvangtoeslag.
De leden van de BBB-fractie vragen of de regering tevens bereid is te onderzoeken
welke effecten dit wetsvoorstel heeft op het besteedbaar inkomen van de middenklasse.
Dat heeft het kabinet onderzocht. Onderstaande tabel toont de mediane inkomenseffecten
voor huishoudens met een effect in verschillende inkomensgroepen in 2028. Het mediane
inkomenseffect voor huishoudens met een effect in de derde inkomensgroep is bijvoorbeeld
– 0,3% in 2028.
Tabel 4: Mediane inkomenseffecten voor huishoudens met een effect in verschillende
inkomensgroepen in 2028
Inkomensgroep
Mediaan inkomenseffect
Aantal huishoudens met effect1
Totaal aantal huishoudens
1e (<=106% WML)
–
0
1.640.000
2e (106–172% WML)
–
0
1.640.000
3e (172–257% WML)
– 0,3%
100.000
1.640.000
4e (257–382% WML)
– 1,0%
280.000
1.640.000
5e (>382% WML)
– 1,1%
100.000
1.640.000
Bron: Berekening SZW op basis van CEP 2026-raming.
X Noot
1
Deze doorrekening van de inkomenseffecten is gemaakt met het microsimulatiemodel Mimosi.
Op basis van dit model heeft de maatregel effect op 480.000 huishoudens tegenover
456.000
huishoudens in de budgettaire raming van het Ministerie van SZW. In de budgettaire
raming worden ook inzichten uit realisatiedata meegenomen, daarom komt de budgettaire
raming op een lager aantal huishoudens. De budgettaire raming is leidend.
De leden van de BBB-fractie vraagt hoe de regering waarborgt dat het doelmatigheidsprincipe
niet verwordt tot een kale bezuinigingsoperatie waarbij vooral de werkende gezinnen
met kinderen aan het eind van het huidige afbouwpad de rekening betalen? Ook vragen
de leden of het beleid vooral gericht op de begroting of ook op de werkelijke draagkracht
van gezinnen? Tot slot vragen deze leden de regering of zij van mening is dat het
uitgangspunt «werken loont» voldoende is geborgd binnen deze maatregel. De marginale
druk zal juist stijgen voor de middengroep.
Tijdens de voorjaarsbesluitvorming 2025 heeft het kabinet een aantal keuzes gemaakt
om tegenvallers op te vangen en investeringen te doen, onder meer is de bezuiniging
op de kinderopvang voor werkenden teruggedraaid. In het kader van de bredere budgettaire
opgave is besloten om het kindgebonden budget gerichter te maken. Het wetsvoorstel
zorgt ervoor dat het kindgebonden budget zich meer richt op gezinnen die op basis
van de hoogte van hun inkomen extra financiële ondersteuning nodig hebben. Voor deze
groep is de regeling oorspronkelijk bedoeld. Hogere inkomens zijn minder aangewezen
op de tegemoetkoming.
De leden van de BBB-fractie vragen de regering of zij van mening is dat het uitgangspunt
«werken loont» voldoende is geborgd binnen deze maatregel. De marginale druk van werkende
ouders met een inkomen op het tweede afbouwpad stijgt door deze maatregel. Voor huishoudens
die het recht op kindgebonden budget verliezen, daalt de marginale druk. Onderstaande
figuur toont het effect van de maatregel op de gemiddelde marginale druk. Met dit
wetsvoorstel loont het nog steeds voor werkende ouders om meer uren te gaan werken.
De totale marginale druk van een huishouden en in hoeverre werken loont, hangt overigens
af van veel factoren. Bijvoorbeeld van de hoogte van het inkomen, het bijbehorende
tarief in de inkomstenbelasting en het recht op en de afbouw van heffingskortingen
of andere toeslagen.
Figuur 2
Bron: Berekening SZW op basis van CEP 2026-raming.
De leden van de SGP-fractie constateren dat het oorspronkelijke voorstel is gewijzigd als gevolg van een nota
van wijziging. Het tweede afbouwpunt wordt hiermee nog lager gelegd. Klopt het dat
dit is gedaan met het oog op het invoeren van de Wet proactieve dienstverlening?
Met de nota van wijziging wordt het tweede afbouwpunt verlaagd naar € 57.950. Hiermee
worden middelen vrijgemaakt om ervoor te zorgen dat de algemene bijstand weer onderdeel
wordt van de Wet proactieve dienstverlening.
De leden van de SGP-fractie wijzen erop dat de Wet proactieve dienstverlening is bedoeld
om toeslaggerechtigden te wijzen op hun aanspraak op toeslagen. Deze leden vinden
de dekking van dat wetsvoorstel, via een beperken van het kindgebonden budget, op
zijn minst opmerkelijk. Vooral omdat de doelen van beide voorstellen elkaar tegenwerken.
Enerzijds wordt gestimuleerd om het recht op toeslagen te verzilveren, anderzijds
wordt het recht op toeslagen ingeperkt. Kan de regering hierop reflecteren? Waarom
is niet voor een dekking buiten het toeslagendomein gekozen om deze interactie te
voorkomen?
De leden van de SGP-fractie vragen naar een reflectie van de regering op het feit
dat de marginale druk als gevolg van het voorliggende wetsvoorstel met 4,3%-punt stijgt,
ook in het licht van de breed gedeelde wens om de marginale druk te doen dalen.
De leden van de SGP-fractie vragen waarom ervoor is gekozen om het extra knikpunt
te leggen bij een verzamelinkomen van € 60.000. Is dit enkel om budgettaire redenen
of is er bewust gekozen voor € 60.000?
De aanpassingen in beide wetsvoorstellen hebben betrekking op andere groepen en hebben
een ander doel. Met proactieve dienstverlening worden mensen die hulp kunnen gebruiken
beter en sneller bereikt. Het kindgebonden budget wordt met voorliggend wetsvoorstel
meer gericht op lage en middeninkomens omdat door de recente verhogingen van het kindgebonden
budget steeds meer huishoudens met een hoger inkomen recht op kindgebonden budget
hebben. Voor sommige hogere inkomens leidt dit wetsvoorstel tot minder of geen kindgebonden
budget. Conform de begrotingsregels is binnen de SZW-begroting dekking gevonden.
Zoals blijkt uit de memorie van toelichting zijn verschillende alternatieven overwogen.
De gekozen oplossing acht het kabinet de meest evenwichtige oplossing voor het bereiken
van de doelen, waarbij de marginale druk voor huishoudens beperkt oploopt.
De leden van de SGP-fractie vragen naar de budgettaire gevolgen van het verhogen van
de afbouwgrens naar € 65.000, € 70.000, € 75.000 en € 80.000, met gelijkblijvend afbouwpercentage
van 12,80%?
In de onderstaande tabel is inzichtelijk gemaakt wat de structurele (additionele)
budgettaire gevolgen zijn van het verhogen van de afbouwgrens naar de genoemde inkomensniveaus,
waarbij het nieuwe afbouwpercentage constant wordt gehouden op 12,80%.
Tabel 5: Budgettaire gevolgen varianten hogere tweede afbouwgrens – SGP
Afbouwgrens tweede afbouwpunt (in prijzen ’24)
Budgettaire derving (structureel, in prijzen ’25)
€ 65.000
€ 95 miljoen
€ 70.000
€ 149 miljoen
€ 75.000
€ 192 miljoen
€ 80.000
€ 226 miljoen
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering om een nadere toelichting over de effecten op de marginale druk.
Dit wetsvoorstel laat zien dat het huidige belasting- en toeslagenstelsel zorgt voor
een hoge marginale druk. Dit illustreert de noodzaak voor een totale herziening van
het belasting- en toeslagenstelsel. Ziet de regering dit ook zo? Zo nee, waarom niet?
De leden van de ChristenUnie-fractie zijn sterk voorstander van een totale herziening
van het belasting- en toeslagenstelsel om het totale stelsel eenvoudiger en rechtvaardiger
te maken zonder risico op terugvorderingen.
Deze regering werkt aan de samenvoeging van de kinderbijslag en het kindgebondenbudget.
Wat is hiervoor het tijdpad en wanneer wordt wetgeving verwacht? De leden van de ChristenUnie-fractie
vragen de ambities van dit kabinet zijn voor totale herziening van het stelsel, naast
de kinderbijslag en het kindgebondenbudget?
De verwachting is dat het wetsvoorstel van de nieuwe kindregeling per 2030 in werking
kan treden. Op dit moment werkt het kabinet verschillende onderdelen van de nieuwe
regeling samen met de betrokken organisaties verder uit. Het kabinet heeft u op 18 juni
20267 geïnformeerd over de ambities ten aanzien van de nieuwe kindregeling. In het vierde
kwartaal van 2026 informeert het kabinet uw Kamer over de verdere uitwerking. Tot
aan 2030 blijven we stappen zetten om de kindregelingen in het bestaande stelsel te
verbeteren.
De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen daarnaast wat de ambities van het
kabinet zijn voor een totale herziening van het stelsel, naast de kinderbijslag en
het kindgebonden budget. Het kabinet wil het toeslagenstelsel hervormen. De ambitie
is om het systeem eenvoudiger, duidelijker en zekerder te maken. De wens om het belasting-
en toeslagenstelsel te hervormen en vereenvoudigen wordt breed gedeeld in de samenleving.
De rapporten en analyses zijn beschikbaar. Deze worden gebruikt voor de hervormingsagenda
die de Kamer voor het eind van 2026 ontvangt van de Staatssecretaris van Financiën.
Met een hervormingsagenda heeft het kabinet stappen gezet naar een beter stelsel dat
past bij het huidige tijdsbeeld en toekomstbestendig is. Dat kost tijd. Daarom kiest
het kabinet voor een stapsgewijze aanpak. Parallel aan de uitwerking van de nieuwe
kindregeling richt het kabinet zich in ieder geval op realisatie van de nieuwe financiering
van de kinderopvang. De directe financiering van kinderopvangorganisaties geeft ouders
meer overzicht en duidelijkheid. Ook wordt de mogelijkheid om toeslagen in de toekomst
direct definitief en automatisch toe te kennen onderzocht. Het kabinet werkt daarnaast
aan het verbeteren van de toeslagen in het hier en nu, bijvoorbeeld door te streven
naar eenvoudigere en meer uniforme begrippen en het aansluiten van Dienst Toeslagen
bij de Betalingsregeling Rijk. Daarmee kunnen mensen die bij verschillende overheidsinstanties
schulden hebben deze overzichtelijk via één betalingsregeling aflossen.
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen in de memorie van toelichting dat de marginale
druk voor sommige huishoudens met 4,7% toeneemt en dat de marginale druk voor andere
huishoudens verdwijnt. Kan de regering deze twee situaties illustreren aan de hand
van voorbeelden?
De marginale druk is het deel van de stijging van de brutoinkomsten dat niet resulteert
in een toename van het besteedbare inkomen. Onderstaande tabel illustreert het effect
van dit wetsvoorstel op de marginale druk van de minstverdienende partner in twee
voorbeeldhuishoudens in 2028. Hierbij wordt uitgegaan van een situatie zonder aftrekposten,
maar met een pensioenpremie voor de werknemer van circa 6%.
Om het toetsingsinkomen voor toeslagen bij dit voorbeeldhuishouden te bepalen wordt
het brutoinkomen verminderd met de pensioenpremie voor de werknemer. Door de pensioenpremie
is het effect op de marginale druk niet exact gelijk aan de wijziging van het afbouwpercentage.8
Bij het eerste huishouden stijgt de marginale druk met 4,0%-punt door dit wetsvoorstel,
dit huishouden heeft een inkomen boven het tweede knikpunt waar het afbouwpercentage
stijgt met 4,3 procentpunt (van 8,5% naar 12,8%). Bij het tweede huishouden daalt
de marginale druk met 8,0%-punt doordat zij geen recht meer hebben op kindgebonden
budget. Hierdoor vervalt de afbouw van 8,5% die zou gelden zonder dit wetsvoorstel.
Tabel 6: Effect op marginale druk van de minstverdienende partner in twee voorbeeldhuishoudens
in 2028
Situatie
Marginale druk partner 2
Voor wetsvoorstel
Na wetsvoorstel
Verschil
Huishouden 1
Partner 1 verdient € 45.000 (voltijds)
14,2%
18,2%
4,0%
Partner 2 verdient € 27.000 (3 dagen werk) en gaat 3% meer verdienen
Huishouden 2
Partner 1 verdient € 60.000 (voltijds)
52,3%
44,4%
– 8,0%
Partner 2 verdient € 36.000 (3 dagen werk) en gaat 3% meer verdienen
Bron: Berekening SZW op basis van CEP2026-raming.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering hoeveel extra gezinnen het
kindgebondenbudget hebben ontvangen sinds 2021, als gevolg van de verhogingen van
het kindgebondenbudget.
Zie onderstaand een overzicht van het cumulatieve aantal extra huishoudens dat in
de praktijk Wkb krijgt ten opzichte van de situatie waarbij het Wkb-beleid van 2021
ongewijzigd zou zijn doorgezet:
• in 2022 gaat het om 7.000 extra gezinnen (t.o.v. 2021) als gevolg van de verhoging van het (maximale) kindbedrag vanaf het
tweede kind met € 70.
• in 2023 gaat het om 110.000 extra gezinnen (t.o.v. 2021) als gevolg van de verhoging van alle kindbedragen en de extra tegemoetkoming
voor alleenstaande ouders.
• in 2024 gaat het om 145.000 extra gezinnen (t.o.v. 2021). De kindbedragen zijn verder verhoogd ten opzichte van 2023, daarnaast
zijn de bedragen van de leeftijdsafhankelijke verhoging verhoogd. Tegelijkertijd is
de extra tegemoetkoming voor alleenstaande ouders verlaagd, evenals de inkomensafbouwgrens
voor paren.
• in 2025 gaat het om 137.000 extra gezinnen (t.o.v. 2021). De kindbedragen zijn licht verhoogd ten opzichte van 2024, terwijl
de alleenstaande ouderkop verder is verlaagd en het kindgebonden budget enigszins
sneller wordt afgebouwd naarmate het inkomen stijgt.
Daarnaast vragen deze leden om cijfers over terugvorderingen. Hoeveel terugvorderingen
zijn er per jaar sinds 2021 geweest?
• Voor het toeslagjaar 2021 zijn nagenoeg alle toeslagen definitief vastgesteld. Daarbij
is in 19% van de gevallen sprake van een terugvordering. Het gaat om 254.000 terugvorderingen.
• Voor het toeslagjaar 2022 zijn nagenoeg alle toeslagen definitief vastgesteld. Daarbij
is in 22% van de gevallen sprake van een terugvordering. Het gaat om 304.000 terugvorderingen.
• Voor het toeslagjaar 2023 is 99% van de toeslagen definitief vastgesteld. Daarbij
is in 18% van de gevallen sprake van een terugvordering. Het gaat om 253.000 terugvorderingen.
• Voor het toeslagjaar 2024 is 95% van de toeslagen definitief vastgesteld. Daarbij
is in 16% van de gevallen sprake van een terugvordering. Het gaat om 227.000 terugvorderingen.
• Voor het toeslagjaar 2025 zijn de aantallen van terugvorderingen nog niet bekend gezien
pas vanaf juni 2026 de inkomensgegevens beschikbaar zijn om de toeslagen definitief
mee vast te kunnen stellen. Het proces van definitief vaststellen voor het toeslagjaar
2025 is nog niet afgerond.
In de periode 2022–2024 is het inkomen (zowel het wettelijk minimumloon als het modaal
inkomen) sterk toegenomen, daardoor is ook de hoogte van terugvorderingen toegenomen.
Terugvorderingen ontstaan immers wanneer het daadwerkelijke inkomen hoger uitvalt
dan het inkomen waarop het voorschot is gebaseerd.
Wat was de gemiddelde hoogte van deze terugvorderingen en is er een bepaalde verdeling
over het aantal terugvorderingen en de hoogte daarvan te zien over verschillende inkomensgroepen?
In de tabel hieronder worden de terugvorderingen vanaf 2021 uitgesplitst in hoogte.
Hierbij is het van belang om op te merken dat voor het jaar 2024 momenteel 95% van
alle toeslagen definitief zijn beschikt, waardoor de aantallen nog iets kunnen oplopen.
Daarnaast hoeven sinds 2021 kleine terugvorderingen (tot € 121) niet terugbetaald
te worden.
Tabel 7: Terugvorderingen vanaf 2021 uitgesplitst in hoogte
Daarnaast staan in de tabel hieronder de aantallen per terugvorderingscategorie van
het kindgebonden budget uitgesplitst per toeslagjaar en inkomensgroep. In de groep
van 1–2x Modaal zitten ook de meeste huishoudens die kindgebonden budget ontvangen.
Tabel 8: Aantallen per terugvorderingscategorie van het kindgebonden budget uitgesplitst
per toeslagjaar en inkomensgroep
Inkomensgroep
Toeslagjaar
Terugvordering
1. < WML
2. WML-Modaal
3. 1–2x Modaal
4. >2x Modaal
2021
100 tot 499
1.400
20.000
119.000
27.000
500 of meer
3.300
5.000
55.000
26.000
2022
100 tot 499
1.400
26.000
136.000
26.000
500 of meer
3.200
7.000
74.000
30.000
2023
100 tot 499
1.400
17.000
94.000
30.000
500 of meer
3.700
6.000
63.000
39.000
2024
100 tot 499
1.400
23.000
68.000
28.000
500 of meer
4.400
6.000
61.000
43.000
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen in de memorie van toelichting een reactie
op de motie Flach c.s. Deze leden vragen de regering hier dieper op in te gaan. Wat
levert een verlaging van vermogensgrenzen financieel op?
De budgettaire opbrengst van een verlaging van de vermogensgrenzen van het kindgebonden
budget is afhankelijk van de gekozen maatvoering. Indien de vermogensgrenzen van het
kindgebonden budget bijvoorbeeld zouden worden verlaagd naar het niveau van heffingsvrij
vermogen in box 39 dan gaat dit gepaard met een budgettaire opbrengst van circa € 155 miljoen in 2027
oplopend naar circa € 165 miljoen structureel (prijspeil 2026).
Hoeveel terugvorderingen worden er in dat geval verwacht en kan dat op een andere
manier worden voorkomen?
Een verlaging van de vermogensgrenzen met € 30.000 betekent naar verwachting 25.000
minder rechthebbenden. Dit leidt niet per definitie tot terugvorderingen, als het
voorschot tijdig wordt gestopt. Doordat bij een overschrijding van de vermogensgrens
het gehele jaarrecht op toeslagen vervalt, zullen terugvorderingen gemiddeld wel hoog
zijn (gemiddelde jaarrecht in 2026 is € 4.735).
De inschatting is dat het aantal terugvorderingen beperkt kan worden tot ongeveer
een kwart (6.250). Dienst Toeslagen zet zich op verschillende manieren in om terugvorderingen
zoveel mogelijk te voorkomen, zowel qua hoogte als qua aantal. Burgers worden zo goed
als mogelijk geïnformeerd via informatie op de website van Toeslagen, communicatiecampagnes
en de Toeslagen app. Burgers worden gevraagd hun gegevens zo actueel mogelijk te houden.
Daarnaast kunnen burgers ook persoonlijk worden geattendeerd en gevraagd worden om
hun inkomen te controleren en eventueel aan te passen. In sommige situaties worden
ook wijzigingen voor de burger gedaan.
Is de regering er ten principale niet van overtuigd dat een verlaging van vermogensgrenzen
een wenselijkere maatregel is dan het verhogen van een tweede afbouwpunt? Zo nee,
waarom niet?
Het kabinet plaatst kanttekeningen bij verdere verlaging van de vermogensgrenzen,
omdat dit kan leiden tot meer hoge terugvorderingen doordat het hele recht op de toeslag
vervalt bij overschrijding van de vermogensgrens.
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben vragen over voorliggend wetsvoorstel in
relatie tot het wetsvoorstel vereenvoudiging partnerbegrip toeslagen. Het wetsvoorstel
vereenvoudiging partnerbegrip toeslagen heeft een beoogde inwerkingtredingsdatum op
1 januari 2027. De kosten voor de wetswijzigingen worden gedekt door een verlaging
van de vermogensgrens van het kindgebondenbudget. Deze leden vragen tot welk punt
de vermogensgrens wordt verlaagd bij de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel.
In het wetsvoorstel vereenvoudiging partnerbegrip toeslagen wordt voorgesteld om per
1 januari 2027 de kosten van de wetswijzigingen te dekken door een verlaging van de
vermogensgrenzen van het kindgebonden budget en de zorgtoeslag. De verlaging in de
zorgtoeslag staat daarbij overigens los van het voornemen van dit kabinet om de vermogensgrens
in de zorgtoeslag vanaf 2028 te harmoniseren met het heffingsvrij vermogen in box
3, waarvoor het kabinet een apart wetsvoorstel zal voorbereiden.
Deze verlaging houdt in dat de vermogensgrenzen binnen het kindgebonden budget en
de zorgtoeslag per 1 januari 2027 worden verlaagd met een bedrag van € 29.908 (prijspeil
2026) en per 1 januari 2030 worden opgehoogd met een bedrag van € 1.539 (prijspeil
2026). Dit komt per 2027 naar verwachting neer op een vermogensgrens voor alleenstaanden
van circa € 116.100 (was circa € 146.000) en een vermogensgrens voor paren van circa
€ 154.700 (was circa € 184.600). Ook deze bedragen zijn in prijspeil 2026 uitgedrukt.
NB: de prijzen in tabel 9 wijken iets af omdat die in lopende prijzen (inclusief verwachte
indexatie) is.
Hoe komt het kindgebondenbudget eruit te zien na de inwerkingtreding van beide wetsvoorstellen?
Kan de regering een overzicht schetsen van afbouwpunten en vermogensgrenzen met dit
wetsvoorstel, in combinatie met het wetsvoorstel vereenvoudiging partnerbegrip?
De exacte parameters voor het kindgebonden budget na inwerkingtreding van beide wetsvoorstellen
zijn nog niet beschikbaar. Dat komt doordat de Wkb-parameters jaarlijks worden geïndexeerd
en de indexatiefactoren van toekomstige jaren nog niet definitief zijn vastgesteld.
Voor de beantwoording van deze vraag is voor de verwachte indexatie van de Wkb-tarieven
daarom gebruik gemaakt van de prognoses uit het Centraal Economisch Plan (CEP) 2026
van het CPB.
Zie in onderstaande tabel 9 een (voorlopig) overzicht van hoe de parameters in het
kindgebonden budget zich daarbij naar verwachting ontwikkelen in de komende jaren
(incl. verwerking van het aangekondigde nieuwe beleid).
Tabel 9: Overzicht (voorlopige) Wkb-parameters in de periode 2025 t/m 2028 (in lopende
prijzen)
Tarieven Wkb
2025
2026
2027
2028
1e kindbedrag
2.511
2.580
2.713
2.819
2e kindbedrag e.v.
2.511
2.580
2.713
2.819
Verhoging 12–15 jarigen
703
724
743
758
Verhoging 16–17 jarigen
936
964
989
1.009
Alleenstaande ouderkop
3.389
3.416
3.502
3.552
1e Inkomensafbouwgrens alleenstaanden
28.406
29.736
30.809
31.898
1e Inkomensafbouwgrens paren
37.545
39.141
40.450
41.732
1e Inkomensafbouwpercentage
7,10%
7,60%
8,05%
8,50%
2e Inkomensafbouwgrens alleenstaanden
–
–
61.856
63.094
2e Inkomensafbouwgrens paren
–
–
61.856
63.094
2eInkomensafbouwpercentage
–
–
12,35%
12,80%
Vermogen afbouwgrens alleenstaanden
141.896
146.011
119.006
121.387
Vermogen afbouwgrens paren
179.429
184.633
158.593
161.765
Aanvullend vragen de leden van de ChristenUnie-fractie hoe de regering de toekomst
inziet van de alleenstaande ouderkop (ALO-kop), ook in relatie tot het coalitieakkoord,
waarin samenvoeging van het kindgebondenbudget en de kinderbijslag is beoogd.
In de verdere uitwerking van de regeling is er aandacht voor specifieke groepen, zoals
alleenstaande ouders. Eind 2026 wordt uw Kamer nader geïnformeerd.
De leden van de Groep Markuszower verzoeken de regering nader uiteen te zetten hoeveel huishoudens exact worden geraakt
door het verhogen van het afbouwpercentage van het kindgebonden budget.
In het oorspronkelijke wetsvoorstel is eerder ingeschat dat als gevolg van de introductie
van een tweede knikpunt voor ouders met een toetsingsinkomen vanaf € 60.000 (prijspeil
2024) circa 340.000 ouders gemiddeld op jaarbasis circa € 670 minder aan kindgebonden
budget ontvangen. Als gevolg van de onderhavige nota van wijziging loopt de derving
voor deze groep op van circa € 670 naar gemiddeld circa € 760 minder aan kindgebonden
budget op jaarbasis.
Verder is het de verwachting dat als gevolg van het hogere afbouwpercentage structureel
circa 114.000 ouders het recht op kindgebonden budget volledig verliezen. In de onderhavige
nota van wijziging vindt de steilere afbouw reeds bij een toetsingsinkomen vanaf € 57.950
(prijspeil 2024) plaats. De verwachting is dat hierdoor structureel circa 7.000 extra
ouders het recht op kindgebonden budget volledig zullen verliezen. In totaal gaat
het dus om circa 121.000 ouders die geen Wkb meer ontvangen.
De leden van de Groep Markuszower vragen de regering tevens om een overzicht per inkomenscategorie van:
• het gemiddelde verlies aan kindgebonden budget;
• de gemiddelde marginale druk;
• het netto koopkrachteffect voor werkende gezinnen.
Onderstaande figuur toont de gemiddelde marginale druk in 2028 naar inkomenshoogte
voor werkenden. Waar de paarse lijn zichtbaar is, zorgt voor wetsvoorstel voor een
wijziging van de gemiddelde marginale druk.
Figuur 3: Gemiddelde marginale druk in 2028 naar inkomenshoogte voor werkenden
Bron: Berekening SZW op basis van CEP2026-raming.
Onderstaande tabel toont het mediane inkomenseffect in 2028 voor huishoudens met een
effect bij verschillende inkomensgroepen bij gezinnen waar dit wetsvoorstel zorgt
voor een inkomenswijziging. Daarnaast wordt het mediane effect in euro’s per jaar
getoond.
Tabel 10: Mediane inkomenseffect in 2028 voor huishoudens met effect
Inkomensgroep
Mediaan inkomenseffect
Mediaan effect in euro’s
Aantal huishoudens met effect1
Totaal aantal huishoudens
1e (<=106% WML)
–
–
0
1.640.000
2e (106–172% WML)
–
–
0
1.640.000
3e (172–257% WML)
– 0,3%
– € 208
100.000
1.640.000
4e (257–382% WML)
– 1,0%
– € 726
280.000
1.640.000
5e (>382% WML)
– 1,1%
– € 1.110
100.000
1.640.000
Bron: Berekening SZW op basis van CEP 2026-raming
X Noot
1
Deze doorrekening van de inkomenseffecten is gemaakt met het microsimulatiemodel Mimosi.
Op basis van dit model heeft de maatregel effect op 480.000 huishoudens tegenover
456.000 huishoudens in de budgettaire raming van het Ministerie van SZW. In de budgettaire
raming worden ook inzichten uit realisatiedata meegenomen, daarom komt de budgettaire
raming op een lager aantal huishoudens. De budgettaire raming is leidend.
De leden van de Groep Markuszower vragen hoeveel gezinnen als gevolg van dit wetsvoorstel
geheel uit het recht op kindgebonden budget vallen.
Het is de verwachting dat als gevolg van de introductie van het tweede knikpunt structureel
in totaal circa 121.000 ouders het recht op kindgebonden budget volledig zullen verliezen.
Het gaat daarbij om het gezamenlijke effect van het oorspronkelijke wetsvoorstel (circa
114.000 ouders) en de onderhavige nota van wijziging (circa 7.000 ouders).
Voorts vragen deze leden of de regering inzichtelijk kan maken hoeveel gezinnen met
één werkende ouder worden geraakt ten opzichte van tweeverdieners.
In circa 87% van de huishoudens met effect (zowel met een lager Wkb-bedrag als geen
recht op Wkb meer) werken twee ouders, 9% van de huishoudens is een alleenstaande
ouder en 4% bestaat uit een paar met één werkende ouder.
Van de huishoudens die geen recht meer hebben op het kindgebonden budget door dit
wetsvoorstel bestaat 94% uit tweeverdieners, zowel alleenstaanden en alleenverdieners
beslaan beide 3%.
De leden van de Groep Markuszower vragen waarom is gekozen voor de inkomensgrens van
€ 60.000. Welke alternatieve inkomensgrenzen zijn onderzocht en waarom zijn die verworpen?
Tijdens de keuze voor de vormgeving van het tweede afbouwpunt zijn verschillende alternatieven
overwogen. Hierbij zijn verschillende inkomensgrenzen onderzocht, te weten € 65.000,
€ 70.000, € 75.000 en € 80.000. Een hoger afbouwpunt gaat gepaard met een hoger afbouwpercentage.
De gekozen oplossing, een tweede afbouwpunt vanaf € 57.950 (prijspeil 2024), acht
de regering de meest evenwichtige oplossing voor het bereiken van de doelen, waarbij
de marginale druk voor de huishoudens beperkt oploopt.
De leden van de Groep Markuszower vragen eveneens of de regering erkent dat gezinnen
in regio’s met hoge woonlasten, hoge energiekosten en hoge kinderopvangkosten relatief
harder worden geraakt door dit wetsvoorstel.
Het kindgebonden budget is een toeslag die landelijk geldt, de hoogte van de toeslag
of de afbouw hangt niet af van de regio waar het huishouden woont. Dit wetsvoorstel
raakt dus huishoudens in regio’s met hoge woonlasten, hoge energiekosten en hoge kinderopvangkosten
in euro’s niet harder dan andere huishoudens. Dit wetsvoorstel zorgt ervoor dat het
kindgebonden budget weer sterker op lage en middeninkomens wordt gericht, dit zijn
groepen die het meest ondersteuning nodig hebben. Daarnaast ondersteunt het kabinet
huishoudens ook met andere regelingen, zoals de kinderopvangtoeslag en de kinderbijslag.
3. Wijziging Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
De leden van de Groep Markuszower verzoeken de regering nader toe te lichten waarom wijziging van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering noodzakelijk is binnen dit wetsvoorstel.
De wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is nodig omdat de aanpassing
van het afbouwpercentage van het kindgebonden budget gevolgen heeft voor de berekening
van de beslagvrije voet. In de systematiek van de beslagvrije voet wordt rekening
gehouden met inkomensondersteunende regelingen, waaronder het kindgebonden budget.
Omdat dit wetsvoorstel een extra afbouwpunt en afbouwpercentage introduceert voor
huishoudens met een hoger toetsingsinkomen, dient ook de rekenformule van de beslagvrije
voet hierop aangepast te worden. Als dit niet zou gebeuren, zou voor alleenstaande
ouders of gehuwden met kinderen de beslagvrije voet lager worden vastgesteld.
Met de voorgestelde wijziging van artikel 475da, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering wordt geregeld dat de snellere afbouw van het kindgebonden budget
vanaf het extra afbouwpunt gespiegeld wordt overgenomen in de berekening van de beslagvrije
voet.
Deze leden vragen of de voorgestelde wijziging gevolgen heeft voor beslagvrije voet,
verrekeningen of incassotrajecten bij gezinnen die te maken krijgen met terugvorderingen
van toeslagen.
De voorgestelde wijziging is juist om inhoudelijke gevolgen voor verrekeningen of
incassotrajecten bij terugvorderingen te voorkomen. Zonder deze aanpassing zou er
sprake zijn van doorwerking. De rekenwijze van de beslagvrije voet wordt wel aangepast
voor alleenstaande ouders en gehuwden met kinderen, zoals in het vorige antwoord is
toegelicht.
Daarnaast vragen deze leden hoeveel huishoudens jaarlijks te maken krijgen met gerechtelijke
procedures of dwanginvordering vanwege toeslagenschulden.
Op basis van bekende informatie is niet te zeggen hoeveel huishoudens jaarlijks te
maken krijgen met gerechtelijke procedures of dwangvordering vanwege toeslagenschulden.
Voor burgers met toeslagschulden wordt momenteel door Dienst Toeslagen zelf geen dwanginvorderingsmaatregelen
toegepast. Dit is het gevolg van motie Azarkan10, waardoor er werd gevraagd tijdens de coronacrisis meer lucht te geven aan burgers
die al schulden hadden. Er wordt momenteel gewerkt aan het opstarten van verschillende
dwanginvorderingsmaatregelen. Het streven is dat een tweetal maatregelen per 1 januari
2027 weer functioneel is, waarna Dienst Toeslagen deze vanaf dat moment kan toepassen.
4. Verhouding tot hoger recht
De leden van de Groep Markuszower vragen of de regering heeft onderzocht of verdere afbouw van inkomensondersteuning
voor werkende gezinnen spanning oplevert met het evenredigheidsbeginsel.
Het kabinet heeft bij de voorbereiding van het wetsvoorstel bezien of de voorgestelde
maatregel evenredig is. Het kabinet onderkent dat huishoudens boven het tweede afbouwpunt
minder kindgebonden budget ontvangen en dat inkomenswijzigingen in die groep sterker
kunnen doorwerken in het uiteindelijke recht. Ook onderkent het kabinet dat de maatregel
gevolgen kan hebben voor de marginale druk en voor het risico op terugvorderingen.
Deze gevolgen zijn betrokken bij de voorbereiding van het wetsvoorstel. Daartegenover
staat dat de maatregel bijdraagt aan het gerichter maken van het kindgebonden budget
en aan de invulling van de budgettaire opgave.
Het evenredigheidsbeginsel beschermt mensen tegen de voor hen onevenredige gevolgen
van overheidshandelen. Zoals in de toelichting bij de nota van wijziging is aangegeven,
is het inkomenseffect van dit wetsvoorstel voor werkenden geraamd op -0,8%. 11 In de grafieken 1 tot en met 4 is verder te zien dat het wetsvoorstel zeer weinig
effect heeft voor de werkende gezinnen met een inkomen net boven het tweede afbouwpunt.
Voor de hoogste inkomens is het effect het grootst, waarmee de sterkste schouders
de zwaarste lasten dragen. Daarmee mag worden aangenomen dat er geen sprake is van
onevenredige gevolgen voor werkende gezinnen.
De leden van de Groep Markuszower vragen tevens of de regering juridisch heeft getoetst
of de stapeling van inkomensafhankelijke regelingen kan leiden tot onevenredige marginale
druk voor bepaalde huishoudtypen.
Het kabinet heeft bij het ontwerp van het wetsvoorstel getoetst wat de effecten zijn
van de maatregel voor de marginale druk. De marginale druk loopt beperkt op voor werkenden
met een inkomen op het afbouwpad vanaf € 63.094 in 2028 (prijzen 2028). Omdat de zorgtoeslag
is afgebouwd bij een inkomen van circa € 44.300 voor alleenstaanden en € 56.000 voor
paren in 2028, ontstaat er geen samenloop met de afbouw van de zorgtoeslag. De huurtoeslag
is afgebouwd bij een belastbaar inkomen van maximaal circa € 64.000 in 2028.
Afhankelijk van de huurhoogte kunnen werkenden met een inkomen tussen € 63.094 en
circa € 64.000 als gevolg van de nota van wijziging te maken hebben met de samenloop
met de afbouw van de huurtoeslag. Het kabinet vindt de beperkte stijging van de marginale
druk voor de werkenden met een inkomen op het tweede afbouwpad van het kindgebonden
budget aanvaardbaar. Voor huishoudens die het recht op kindgebonden budget verliezen,
daalt de marginale druk. Onderstaande figuur toont daarnaast de gemiddelde marginale
druk naar inkomenshoogte voor werkenden in 2028. Waar de paarse lijn zichtbaar is,
zorgt het wetsvoorstel voor een wijziging van de gemiddelde marginale druk. De maximale
hoogte van de marginale druk voor werkenden met een inkomen tussen het tweede knikpunt
van het kindgebonden budget (€ 63.094 in prijzen 2028) en het punt waar de huurtoeslag
maximaal is afgebouwd is (circa € 64.000), is maximaal circa 80%. Aangezien dit over
slechts een klein deel van het inkomensbereik gaat, is het kabinet van mening dat
het wetsvoorstel niet zorgt voor een onevenredige gemiddelde marginale druk.
Figuur 4
Bron: Berekening SZW op basis van CEP2026-raming.
5. Inkomenseffecten
De leden van de D66-fractie constateren dat de memorie van toelichting inkomenseffecten rapporteert in de tabellen.
Gaat het hier om de gemiddelde of om de mediane inkomenseffecten per inkomensgroep,
zo vragen deze leden. En kan de regering de spreiding van de inkomenseffecten binnen
deze inkomenseffecten door middel van een boxplot of op andere wijze inzichtelijk
maken?
De memorie van toelichting toont de mediane inkomenseffecten per (inkomens)groep.
Achter deze mediane inkomenseffecten gaat spreiding schuil. De spreiding wordt getoond
in onderstaande tabel met per groep de verdeling naar inkomenseffect in 2028.
Tabel 11: Spreiding mediane inkomenseffecten
<-5%
– 5 tot – 2%
– 2 tot 0%
Geen effect
0 tot 2%
2 tot 5%
>5%
Totaal
Mediaan
Aantal (x1.000)
Inkomensgroepen
1e (<=106% WML)
0%
0%
0%
100%
0%
0%
0%
100%
0,0%
1.640
2e (106–172% WML)
0%
0%
0%
100%
0%
0%
0%
100%
0,0%
1.640
3e (172–257% WML)
0%
0%
6%
94%
0%
0%
0%
100%
0,0%
1.640
4e (257–382% WML)
0%
0%
17%
83%
0%
0%
0%
100%
0,0%
1.640
5e (>382% WML)
0%
1%
5%
94%
0%
0%
0%
100%
0,0%
1.640
Inkomensbron1
werkenden
0%
0%
8%
91%
0%
0%
0%
100%
0,0%
5.300
uitkeringsgerechtigden
0%
0%
1%
99%
0%
0%
0%
100%
0,0%
620
gepensioneerden
0%
0%
0%
100%
0%
0%
0%
100%
0,0%
2.210
Huishoudtype
tweeverdieners
0%
1%
10%
89%
0%
0%
0%
100%
0,0%
3.960
alleenstaanden
0%
0%
1%
99%
0%
0%
0%
100%
0,0%
3.930
alleenverdieners
0%
1%
5%
94%
0%
0%
0%
100%
0,0%
330
Kinderen2
met kinderen
0%
1%
26%
73%
0%
0%
0%
100%
0,0%
1.780
zonder kinderen
0%
0%
0%
100%
0%
0%
0%
100%
0,0%
4.260
Alle huishoudens
0%
0%
6%
94%
0%
0%
0%
100%
0,0%
8.220
Bron: Berekening SZW op basis van CEP2026-raming.
X Noot
1
Indeling op basis van belangrijkste inkomensbron. Bij gepensioneerden: aanvullend
inkomen naast AOW
X Noot
2
Indeling naar kinderen op basis van aanwezigheid kinderen tot 18 jaar en exclusief
gepensioneerden
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat er inclusief de nota van wijziging sprake is van een negatief inkomenseffect
in het derde inkomenskwintiel. Deze leden vinden het niet wenselijk dat er bezuinigd
wordt op lagere middeninkomens, terwijl de allerrijksten wederom de dans ontspringen.
Deze leden vragen de regering of zij echt geen andere opties ziet om de budgettaire
opgave in te vullen, waarbij niet middeninkomens maar (zeer) hoge inkomens meer gaan
bijdragen.
De gekozen oplossing, een tweede afbouwpunt vanaf € 57.950 (prijspeil 2024), acht
de regering de meest evenwichtige oplossing voor het bereiken van de doelen, waarbij
de marginale druk voor de huishoudens beperkt oploopt.
De leden van de CDA-fractie vragen de regering in hoeverre gezinnen erop vooruit gaan als gevolg van de extra
inzet uit het coalitieakkoord in de kindregelingen van € 300 miljoen in 2027 en € 600
miljoen structureel vanaf 2028, waar tegelijkertijd meer zekerheid en verlaging van
de marginale druk voor gezinnen mee wordt nagestreefd door verhoging van de niet-inkomensafhankelijke
bedragen.
Het kabinet streeft met een nieuwe kindregeling naar meer zekerheid en eenvoud.
Het kabinet werkt momenteel aan de vormgeving hiervan, zoals aangegeven in de brief
van 18 juni 202612 aan uw Kamer. De invulling van de in de vraag genoemde middelen is nog niet bekend.
Om die reden zijn ook de inkomenseffecten nog niet bekend. Uiteraard let het kabinet
bij de invulling op de inkomenseffecten voor verschillende groepen. Daarbij kijken
we bij de koopkrachtraming niet alleen naar wijzigingen in de kindregelingen, maar
naar het totale effect van alle beleidsmatige wijzigingen en de ontwikkeling van lonen
en prijzen voor verschillende inkomensgroepen. Het kabinet publiceert deze koopkrachtraming
op Prinsjesdag.
De leden van de CDA-fractie vragen het kabinet ook hoe deze bedragen het best kunnen worden ingezet binnen de
kindregelingen om de marginale druk voor gezinnen komende jaren te beperken, en om
daarbij ook de steeds hogere kinderopvangtoeslag in verband met «bijna» gratis kinderopvang
per 2029 te betrekken.
Hoe de genoemde bedragen het beste kunnen worden ingezet binnen de kindregelingen
wordt momenteel onderzocht. Hierbij zal het kabinet ook aandacht besteden aan de marginale
druk. En aan andere factoren die van invloed zijn op de kans dat ouders de stap zetten
naar werken, of naar meer uren werken.
Wat is het gemiddelde, absolute effect in euro’s voor de vierde inkomensgroep, zo
vragen de leden van de SGP-fractie. Kan de regering de spreiding in absolute inkomenseffecten toelichten?
Het gemiddelde inkomenseffect in euro’s voor huishoudens in de vierde inkomensgroep
met een effect bedraagt € 720 per jaar.
De spreiding in absolute inkomenseffecten wordt veroorzaakt door verschillen in het
afbouwtraject. Dit verschilt voor alleenstaanden en paren en is afhankelijk van het
aantal kinderen en de leeftijd van kinderen vanwege opslagen voor kinderen van 12
jaar en ouder. Het inkomenseffect in absolute euro’s neemt toe naarmate het inkomen
verder voorbij het tweede knikpunt ligt en is maximaal waarbij het huishouden geen
recht meer heeft op kindgebonden budget. Daarna neemt het effect weer af met een hoger
inkomen.
De leden van de Groep Markuszower verzoeken de regering om uitgebreid inzicht te geven in de cumulatieve inkomenseffecten
van:
• deze maatregel;
• wijzigingen in huurtoeslag;
• wijzigingen in zorgtoeslag;
• wijzigingen in kinderopvangtoeslag;
• stijgende lasten voor energie en wonen.
In 2027 vinden geen wijzigingen plaats op de huurtoeslag. Voor de zorgtoeslag vinden
er in 2027 drie wijzigingen plaats:
• Verlaging van de vermogensgrenzen met 29.908 euro ter dekking van wetsvoorstel vereenvoudigen
partnerbegrip toeslagen.
• Verhoging van normpercentages met 0,018% ter dekking van de oplossing keteneffecten
bij nabetalingen en langjarige bezuiniging.
• Verhogen afbouwpercentages met 0,03% als gevolg van een langjarige bezuiniging.
Voor de kinderopvangtoeslag heeft het kabinet het Wetsvoorstel verbetering kinderopvangtoeslag
ingediend met 1 januari 2027 als beoogde ingangsdatum. Dit wetsvoorstel wordt behandeld
in de Tweede Kamer.
Om een inzicht te krijgen op wat het effect van beleidsmatige wijzigingen en de ontwikkeling
van lonen en prijzen op huishoudens is, wordt een koopkrachtraming opgesteld door
het kabinet en het CPB. De rechterkolom uit onderstaande figuur toont de meest actuele
koopkrachtraming voor 2027. Op Prinsjesdag publiceren het kabinet en het CPB een actualisatie
van de koopkrachtraming op basis van de dan beschikbare inzichten.
Figuur 5
Bron: CEP2026-raming van het CPB.
De leden van de Groep Markuszower vragen hoeveel gezinnen door de stapeling van maatregelen
er netto op achteruitgaan.
Voorts vragen de leden van de Groep Markuszower of de regering kan aangeven wat het
marginale drukpercentage wordt voor gezinnen met:
• één kind;
• twee kinderen;
• drie of meer kinderen.
Er is niet één marginaal drukpercentage te noemen voor de genoemde huishoudens. De
marginale druk hangt namelijk van veel factoren af. De marginale druk die voortvloeit
uit dit wetsvoorstel is afhankelijk van het afbouwtraject. De lengte van het afbouwtraject
is mede afhankelijk van het aantal kinderen. Met een groter aantal kinderen stijgt
het maximale toeslagbedrag, waardoor het afbouwtraject tot een hoger inkomen doorloopt.
Ongeacht het aantal kinderen ligt met dit wetsvoorstel het afbouwpercentage vanaf
2028 op 12,8% vanaf een toetsingsinkomen van € 57.950 (prijzen 2024). Onderstaande
figuur toont het afbouwpercentage voor en na het wetsvoorstel in de gevraagde huishoudsituaties
in 2030, uitgaande van kinderen onder de 12 jaar oud.
Figuur 6
Bron: Berekening SZW op basis van CEP2026-raming.
De leden van de Groep Markuszower vragen daarnaast hoeveel gezinnen door deze maatregel
minder uren gaan werken volgens de ramingen van het kabinet.
Het effect op het arbeidsaanbod van dit wetsvoorstel is naar verwachting beperkt.
Er is geen precies effect bekend. De beslissing om meer of minder uren te werken wordt
ook beïnvloed door andere factoren, zoals de beschikbaarheid en betaalbaarheid van
kinderopvang, de stand van de economie en de verdeling van zorgtaken binnen het huishouden.
6. Financiële gevolgen voor het Rijk
De leden van de SGP-fractie zijn kritisch op het wetsvoorstel, mede omdat het leidt
tot een bezuiniging op kindregelingen van € 330 miljoen. Hiermee wordt dus financieel
gekort op gezinnen. Klopt het dat hier geen directe investering in gezinnen tegenover
staat?
Tijdens de voorjaarsbesluitvorming 2025 heeft het kabinet een aantal keuzes gemaakt
om tegenvallers op te vangen en investeringen te doen, onder meer is een bezuiniging
van € 254 miljoen teruggedraaid op de kinderopvangtoeslag in 2026. Naar aanleiding
van de voorjaarsbesluitvorming 2026 is € 30 miljoen extra vrijgemaakt om de algemene
bijstand onderdeel te laten worden van de Wet proactieve dienstverlening. Door bijstand
onderdeel te laten worden van de Wet proactieve dienstverlening wordt er direct geïnvesteerd
in gezinnen.
De leden van de SGP-fractie wijzen er ook op dat uit de budgettaire bijlage van het
coalitieakkoord «Aan de slag» is voorgesteld om te investeren in gezinnen, dat juichen
deze leden toe. Volgend jaar, in 2027, is de investering echter € 300 miljoen. Het
huidige wetsvoorstel draait deze investering dus meer dan terug. Dit leidt tot de
vraag of het voorliggende wetsvoorstel de ambities van de regering niet meer dan teniet
maakt.
Met het wetsvoorstel tweede knikpunt zorgt dit kabinet ervoor dat het kindgebonden
budget zich meer richt op ouders die op basis van hun draagkracht extra financiële
ondersteuning nodig hebben om in de kosten van kinderen te voorzien, voor wie de regeling
oorspronkelijk ook bedoeld was. Daarnaast betreft het een ombuiging vanwege een per
saldo tegenvaller op de SZW-begroting bij de voorjaarsbesluitvorming 2025, waardoor
onder meer de bezuiniging op de kinderopvang voor werkenden is teruggedraaid. De per
saldo tegenvaller op de SZW-begroting was voornamelijk het gevolg van hogere arbeidsongeschiktheidsuitgaven,
in het bijzonder de WIA.
Met het wetsvoorstel wordt het huidige stelsel gerichter gemaakt in aanloop naar de
samenvoeging van de kinderbijslag en het kindgebonden budget tot één regeling. Het
kabinet heeft uw Kamer op 18 juni 202613 over deze nieuwe regeling geïnformeerd. De komende jaren zullen een transitie vormen.
De leden van de Groep Markuszower vragen hoeveel structurele opbrengst de regering
verwacht te realiseren met dit wetsvoorstel.
De totale structurele opbrengst van het tweede knikpunt in het kindgebonden budget
bedraagt circa € 333 miljoen (prijspeil 2025).
Deze leden verzoeken de regering tevens uiteen te zetten welk deel van deze opbrengst
voortkomt uit lagere uitgaven aan gezinnen met kinderen.
De besparing vloeit volledig voort uit een aanpassing van het uitgavenniveau voor
deze doelgroep.
Daarnaast vragen deze leden hoeveel extra uitvoeringskosten gemoeid zijn met de wijziging
van systemen, communicatie en handhaving door de Dienst Toeslagen.
De kosten voor systeemtechnische aanpassingen zoals aan de berekeningswijze van het
kindgebonden budget bedragen incidenteel € 110.000. De communicatie vindt plaats via
de reguliere kanalen, wel wordt verwacht dat er extra telefonisch contact van toeslaggerechtigden
zal zijn. Voor dienstverleningskosten zijn de uitvoeringskosten incidenteel € 860.000.
Met betrekking tot handhavingskosten zijn de uitvoeringskosten incidenteel € 690.000,
maar zal er structureel € 990.000 worden bespaard gezien er minder toekenningen van
toeslagen zullen plaatsvinden naar aanleiding van dit wetsvoorstel. De incidentele
uitvoeringskosten bedragen in totaal € 1,7 miljoen en de structurele besparing op
de uitvoeringskosten zijn in totaal € 990.000.
7. Caribisch Nederland
De leden van de Groep Markuszower vragen waarom dit wetsvoorstel geen directe gevolgen heeft voor Caribisch Nederland
en of vergelijkbare inkomensondersteunende regelingen daar bestaan.
De Wet op het kindgebonden budget is niet van toepassing in Caribisch Nederland. Gezinnen
in Caribisch Nederland ontvangen ondersteuning via de Kinderbijslagvoorziening BES.
Daarom heeft dit wetsvoorstel geen directe gevolgen voor gezinnen in Caribisch Nederland.
8. Regeldrukeffecten, waaronder gevolgen voor burgers
De leden van de D66-fractie constateren dat Dienst Toeslagen constateert dat er een
vergrote kans is op (hoge) terugvorderingen door een steilere afbouw. Welke maatregelen
treft de regering om dit risico te verkleinen, zo vragen deze leden.
Dienst Toeslagen zet zich zoals altijd in om terugvorderingen te voorkomen door bijvoorbeeld
het voorschot tijdig te stoppen. Naast de bestaande maatregelen, worden geen aanvullende
maatregelen getroffen.
De leden van de Groep Markuszower vragen of de regering erkent dat wijzigingen in
toeslagenregelingen leiden tot meer onzekerheid voor gezinnen doordat voorschotten
achteraf kunnen afwijken van het definitieve recht.
Met het uitkeren van voorschotten houdt Dienst Toeslagen rekening met aangepaste wetgeving.
Daarnaast informeert Dienst Toeslagen ouders actief over de wijziging Als gevolg van
de voorschotsystematiek kunnen voorschotten achteraf afwijken van het definitieve
recht, dit kan tot terugvorderingen leiden. Dit kabinet wil het toeslagenstelsel stapsgewijs
vereenvoudigen, waaronder het verkleinen van het risico op terugvorderingen.
De leden van de Groep Markuszower vragen hoeveel extra bezwaar- en beroepsprocedures
worden verwacht als gevolg van dit wetsvoorstel. Voorts vragen deze leden hoeveel
burgers naar verwachting met terugvorderingen te maken krijgen als gevolg van schommelingen
in inkomen rondom de grens van € 60.000.
Voor zowel het verliezen van recht op kindgebonden budget, als een lager recht op
kindgebonden budget verwacht Dienst Toeslagen naar aanleiding van dit wetsvoorstel
circa 800 bezwaren en circa 50 beroepschriften.
Ook wordt er gevraagd hoeveel burgers naar verwachting met terugvorderingen te maken
krijgen als gevolg van schommelingen in inkomen rondom de grens van € 60.000. Dienst
Toeslagen keert op basis van een inschatting van het inkomen een voorschot uit. In
de praktijk betekent dit dat boven het afbouwpunt ongeveer de helft een (iets) te
laag en de andere helft een (iets) te hoog wordt ingeschat qua inkomen. Op basis van
een ruwe schatting zijn er 100.000 huishoudens met kindgebonden budget met een draagkracht
tussen € 55.000 en € 65.000. Dit betekent dat er grofweg circa 50.000 nabetalingen
en 50.000 terugvorderingen zullen ontstaan. Bijvoorbeeld wanneer iemand een inkomens-onderschatting
heeft van € 8.000 zal dit momenteel leiden tot een terugvordering van € 600. Na inwerkingtreding
van dit wetsvoorstel zal deze terugvordering € 1.000 bedragen.
9. Toetsing en consultatie
De leden van de SGP-fractie lezen in de Uitvoeringstoets dat het wetsvoorstel uitvoerbaar is, mits er wordt geaccepteerd
dat er een vergrote kans is op (hoge) terugvorderingen. De mate en hoogte van deze
terugvorderingen wordt echter niet gekwantificeerd. Graag ontvangen deze leden meer
kwantitatieve duiding van deze terugvorderingen, zowel in aantallen als in hoogten.
Zoals beschreven in het antwoord op de vraag hierboven zijn er circa 100.000 huishoudens
met kindgebonden budget met een draagkracht tussen € 55.000 en € 65.000 en zullen
er op basis van een ruwe schatting 50.000 nabetalingen en 50.000 terugvorderingen
zijn. Doordat de inkomens-gevoeligheid toeneemt van 7,5% naar 12,5%, zullen deze terugvorderingen
naar verwachting circa 2/3 hoger worden dan dat ze in de huidige systematiek zijn.
Bijvoorbeeld wanneer iemand een inkomens-onderschatting heeft van € 8.000 zal dit
momenteel leiden tot een terugvordering van € 600. Na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel
zal deze terugvordering € 1.000 bedragen.
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen in het coalitieakkoord dat de regering voornemens is om gezinnen te ondersteunen
en meer zekerheid te geven, onder andere door het verminderen van het risico op terugvorderingen.
Echter blijkt uit de consultatie dat de Dienst Toeslagen een grotere kans op (hoge)
terugvorderingen verwacht door een steilere afbouw. De verwachting is dat het aantal
terugvorderingen na twee jaar kleiner is, maar dat de hoogte van de terugvorderingen
toe kan nemen. Deze leden vragen de regering of er alleen de ambitie is om het risico
op terugvorderingen te verminderen, of dat er ook wordt gekeken naar de hoogte van
terugvorderingen.
Dienst Toeslagen zet zich op verschillende manieren in om terugvorderingen zoveel
mogelijk te voorkomen zowel qua hoogte als qua aantal. Burgers worden zo goed als
mogelijk geïnformeerd via informatie op de website van Toeslagen, communicatiecampagnes
en de Toeslagen app. Burgers worden gevraagd hun gegevens zo actueel mogelijk te houden.
Daarnaast kunnen burgers ook persoonlijk worden geattendeerd en gevraagd worden om
hun inkomen te controleren en eventueel aan te passen. In sommige situaties worden
ook wijzigingen voor de burger gedaan.
De leden van de Groep Markuszower verzoeken de regering om alle uitvoeringstoetsen van de Dienst Toeslagen integraal
openbaar te maken indien deze nog niet volledig openbaar beschikbaar zijn.
De uitvoeringstoets van dit wetsvoorstel is per 22 april 2026 openbaar gemaakt. Alle
voorgaande uitvoeringstoetsen zijn reeds openbaar gemaakt.
De leden van de Groep Markuszower vragen daarnaast welke kritiekpunten uitvoeringsinstanties
hebben geuit over de uitvoerbaarheid van dit wetsvoorstel.
Vanuit Dienst Toeslagen is meegegeven dat er door dit wetsvoorstel een vergrote kans
is op (hoge) terugvorderingen door de steilere afbouw. Daarbij is aangegeven dat dit
haaks staat op de doelstelling van Dienst Toeslagen om (hoge) terugvorderingen te
voorkomen.
Voorts vragen deze leden of maatschappelijke organisaties, belangenorganisaties voor
gezinnen of armoedeorganisaties hebben gewaarschuwd voor negatieve effecten van deze
maatregel op middeninkomens.
Het Nationaal Fonds Kinderhulp heeft gereageerd op het wetsvoorstel. De meegegeven
aandachtspunten zijn uitgewerkt in de memorie van toelichting.
10. Evaluatie
De leden van de Groep Markuszower vragen binnen welke termijn de regering voornemens is deze wetswijziging te evalueren.
Deze leden vragen of daarbij specifiek zal worden gekeken naar:
• arbeidsparticipatie;
• marginale druk;
• terugvorderingen;
• schuldenproblematiek;
• koopkrachteffecten voor gezinnen.
Het beleid gericht op de tegemoetkoming van ouders wordt eens in de vier tot zeven
jaar periodiek geëvalueerd. De huidige aanpassingen van het kindgebonden budget zullen
onderdeel uitmaken van de volgende evaluatie. Daarbij zal ook de vraag naar de doeltreffendheid
en doelmatigheid aan de orde komen, waaronder genoemde punten geschaard kunnen worden.
11. Overgangsrecht en inwerkingtreding
De leden van de fractie van de SGP-fractie lezen dat de beoogde datum van inwerkingtreding 1 januari 2027 is. De leden wijzen
erop dat deze termijn ambitieus is, mede gezien het stadium waarin het wetsvoorstel
zich thans parlementair bevindt. Voor welke datum moet het wetsvoorstel volgens het
kabinet door beide Kamers aanvaard zijn, om de beoogde inwerkingtreding te halen?
Daarnaast wijzen de leden van de SGP-fractie erop dat de beoogde datum van inwerkingtreding
hoe dan ook zal betekenen dat gezinnen kort voor deze datum pas duidelijkheid kunnen
krijgen over de hoogte van het kindgebonden budget waar zij recht op hebben. Waarom
is er niet voor een latere inwerkingtreding gekozen? Hoe kunnen gezinnen anticiperen
om de voorgenomen bezuiniging?
De leden van de Groep Markuszower vragen waarom is gekozen voor de voorgestelde datum van inwerkingtreding.
Daarnaast vragen de leden van de Groep Markuszower of gezinnen tijdig en actief worden
geïnformeerd over de gevolgen voor hun besteedbaar inkomen.
Voor Dienst Toeslagen dient uiterlijk op 1 oktober 2026 duidelijkheid te zijn of het
wetsvoorstel doorgaat. De planning is erop gericht tijdig uitvoering te geven aan
de maatregel, zodat de beoogde budgettaire effecten vanaf 1 januari 2027 gerealiseerd
kunnen worden. Op de website van Dienst Toeslagen wordt toegelicht wanneer er wel/geen
recht op kindgebonden budget bestaat. Daarnaast wordt bij de jaarovergang een pagina
toegevoegd met extra informatie over de wijzigingen in het komende jaar. Daarin wordt
de burger geïnformeerd over het extra knikpunt en de gevolgen daarvan. De doelgroep
die het recht op kindgebonden budget verliest, zal daarover tijdens het voortzetten
van de toeslag naar het komende jaar persoonlijk geïnformeerd worden. De datum van
1 januari 2027 past bij het kalenderjaar en het toeslagen-/berekeningsjaar. Een latere
datum binnen het jaar zou uitvoeringstechnisch onwenselijker zijn, omdat binnen één
berekeningsjaar dan met verschillende regimes zou moeten worden gewerkt. Ook is 1 januari
het vaste verandermoment. Bij de totstandkoming van het wetsvoorstel is aandacht besteed
aan de noodzaak van overgangsrecht. Afzonderlijk overgangsrecht wordt niet noodzakelijk
geacht omdat het wetsvoorstel niet leidt tot een grote inkomensterugval. Het kindgebonden
budget wordt via de afbouwsystematiek verminderd. Ook wordt verwacht dat de hogere
inkomensgroepen die minder of geen kindgebonden budget gaan ontvangen, in staat zijn
de kosten van primaire levensbehoeften voor hun kinderen zelfstandig te dragen.
De Minister van Werk en Participatie, A.A. Aartsen
Indieners
A.A. Aartsen, minister van Werk en Participatie