Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over Rapport 'Gevolgen groot, opbrengsten onbekend; Onderzoek naar de anti-witwasaanpak in de bankensector' (Kamerstuk 31477-122)
31 477 Bestrijden witwassen en terrorismefinanciering
Nr. 128
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 23 juni 2026
De vaste commissie voor Financiën heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd
aan de Minister van Financiën over de brief van 11 maart 2026 over Rapport «Gevolgen
groot, opbrengsten onbekend; Onderzoek naar de anti-witwasaanpak in de bankensector»
(Kamerstuk 31 477, nr. 122).
De vragen en opmerkingen zijn op 24 april 2026 aan de Minister van Financiën voorgelegd.
Bij brief van 23 juni 2026 zijn de vragen beantwoord.
De voorzitter van de commissie, Jansen
Adjunct-griffier van de commissie, Lips
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van de bewindspersoon
Met belangstelling heb ik kennisgenomen van de vragen en opmerkingen van de leden
van de fracties van de VVD, PVV, CDA en BBB ten aanzien van het rapport van de Algemene
Rekenkamer over hun onderzoek naar de antiwitwasaanpak in de bankensector. Bij de
volgorde van de beantwoording is de volgorde van de inbreng van het schriftelijk overleg
aangehouden.
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het rapport
van de Algemene Rekenkamer «Gevolgen groot, opbrengsten onbekend; Onderzoek naar de
antiwitwasaanpak in de bankensector». Deze leden danken de Algemene Rekenkamer voor
het gedegen onderzoek en delen de hoofdconclusie dat de huidige antiwitwasaanpak onvoldoende
effectief en efficiënt is. Deze leden zien in het rapport een stevige onderbouwing
van de noodzaak om het stelsel te hervormen.
De leden van de VVD-fractie stellen voorop dat het bestrijden van witwassen van groot
belang is. Witgewassen geld staat niet los van criminaliteit die de samenleving ontwricht,
en een effectief antiwitwasstelsel is daarmee van een groot publiek belang. Juist
daarom vinden deze leden het zorgelijk dat de Algemene Rekenkamer vaststelt dat met
aanzienlijke inzet van mensen en middelen honderdduizenden meldingen worden gedaan,
zonder dat inzichtelijk is wat dit concreet oplevert in het voorkomen en opsporen
van witwassen. Die disbalans tussen inzet en aantoonbaar resultaat raakt de kern van
een doelmatig stelsel en raakt tegelijkertijd bonafide ondernemers en particulieren
die onnodig last ervaren van controles. Deze leden vragen de Minister hoe de hij deze
disbalans weegt en welke lessen hij hieruit trekt voor de verdere inrichting van het
stelsel.
In haar rapport stelt de Algemene Rekenkamer (AR) dat er te weinig inzicht is in de
resultaten van de antiwitwasaanpak. Ik vind ook dat het inzicht in de resultaten van
de antiwitwasaanpak beter kan. Daarom heb ik, samen met de Minister van Justitie en
Veiligheid, in de voortgangsbrief van 16 december 2025 toegelicht dat wij inzetten
op het inzichtelijker maken van de resultaten.1 Daarbij is het ook belangrijk om context te bieden.
Poortwachters, waaronder banken, hebben een sleutelrol in ons financiële stelsel.
Eerder stelden het Openbaar Ministerie (OM) en De Nederlandsche Bank (DNB) vast dat
verschillende banken tekortschoten in het naleven van hun verplichtingen uit de Wet
ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) om witwassen tegen
te gaan.2 Dit leidde destijds tot forse schikkingen tussen banken en het OM, en ingrijpende
hersteltrajecten voor sommige banken. Hierna hebben zij veel geïnvesteerd om de naleving
van de Wwft op orde te brengen. De afgelopen jaren zijn er veelvuldig signalen binnengekomen
dat banken hierin doorschoten. Klanten kregen soms onterecht vragen en ervoeren moeilijkheden
bij de toegang tot een betaalrekening. In sommige gevallen werd er door klanten ook
discriminatie ervaren. Sinds 2022 zet DNB nadrukkelijk in op een risicogebaseerde
aanpak, door henzelf en de banken. De Wwft vraagt hier ook om. Dit betekent dat maatregelen
die in het kader van de Wwft door banken worden genomen in verhouding moeten staan
tot het risico. Dit is ook onze inzet. Deze transitie kost tijd, en banken werken
daar nu nog steeds hard aan. Gezien de essentiële rol die banken hebben in het schoonhouden
van ons financiële stelsel vind ik het belangrijk dat zij die poortwachtersrol goed
invullen. Banken moeten kosten maken om hun verplichtingen goed na te leven, maar
een juiste risicogebaseerde inzet zorgt er voor dat die kosten lager zijn.
Er zijn de laatste jaren stappen gezet om dit inzicht in de resultaten te verbeteren.
Jaarlijks publiceert de Financial Intelligence Unit Nederland (FIU-Nederland) het
jaaroverzicht waarin zij inzicht geeft in de resultaten van haar werkzaamheden.3 Ook het OM publiceert tegenwoordig cijfers, waaronder over witwassen.4 In 2025 bracht DNB meerdere publicaties uit die inzicht geven in de resultaten van
de antiwitwasaanpak.5,
6 De betrokken ministeries publiceren statistieken over de antiwitwasaanpak op de website
van de Rijksoverheid.7 Daarnaast wordt de Nederlandse aanpak van witwassen en financiering van terrorisme
in internationaal verband geëvalueerd door de Financial Action Task Force (FATF).
De FATF heeft de Nederlandse bestrijding van witwassen bij de vorige evaluatie positief
beoordeeld.8
Toch benadruk ik dat er meer inzicht moet komen in de resultaten. Daarom is er een
werkgroep opgericht om de meetbaarheid van de resultaten te verbeteren. Alle partijen
(banken, DNB, FIU-NL, OM, FIOD) die hieraan deelnemen dienen daar hun bijdrage aan
te leveren. Net als de witwasaanpak zelf is het inzichtelijk maken van de resultaten
een gezamenlijke opgave. In het najaar stuur ik samen met de Minister van Justitie
en Veiligheid een nieuwe voortgangsbrief naar de Kamer. Hierin zal ik ook ingaan op
de voortgang van het meetbaar maken van de resultaten van de antiwitwasaanpak.
De leden van de VVD-fractie hebben vertrouwen in de inzet van de Minister om het antiwitwasstelsel
te hervormen, met als richtinggevend principe hogere barrières voor criminelen en
minder onnodige lasten voor bonafide partijen. Deze leden vragen de Minister of hij
in het rapport van de Algemene Rekenkamer een bevestiging ziet van zijn inzet en van
de ambitie in het coalitieakkoord op dit dossier en op welke concrete punten het rapport
aanleiding geeft tot aanscherping of versnelling van de ingezette koers.
Het rapport van de AR zie ik zeker als bevestiging van het belang van de nieuwe antiwitwasaanpak
die ik samen met de Minister van Justitie en Veiligheid vorig jaar mei naar uw Kamer
heb gestuurd.9 Veel van de conclusies van de AR worden geadresseerd in deze aanpak. Mede naar aanleiding
van het rapport zie ik reden om verdere stappen te zetten om de resultaten inzichtelijker
te maken, zoals genoemd in het antwoord op de vorige vraag. Daarnaast zal ik in de
voortgangsbrief van dit najaar ingaan op de aanbeveling van de AR om de Kamer te informeren
hoe de risicogebaseerde aanpak concreet wordt ingericht.
De leden van de VVD-fractie zijn een groot voorstander van risicogericht toezicht,
omdat daarmee zowel de effectiviteit van de aanpak wordt vergroot als onnodige lasten
voor bonafide klanten worden voorkomen. Deze leden vinden het kwalijk wanneer klanten
op grond van herkomst, religie of andere persoonskenmerken anders worden behandeld.
De Algemene Rekenkamer constateert hierover dat er aanwijzingen zijn voor discriminatie.
Tegelijkertijd stellen deze leden vast dat risicogericht werken per definitie betekent
dat niet alle klanten op dezelfde manier worden gecontroleerd. Het onderscheid tussen
legitieme, onderbouwde risico-indicatoren en verboden onderscheid op basis van persoonskenmerken
is daarmee het cruciale punt. Deze leden vragen de Minister hoe de hij dit onderscheid
in het hervormde stelsel borgt, welke waarborgen hij inbouwt tegen discriminatie en
welke eisen aan de onderbouwing van risicoprofielen worden gesteld, zodat deze aantoonbaar
zien op daadwerkelijke risico’s.
Een risicogebaseerde aanpak zoals de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren
van terrorisme (Wwft) vraagt betekent dat poortwachters meer moeten doen waar de risico’s
op witwassen en terrorismefinanciering hoger zijn en minder waar de risico’s lager
zijn. Uit onderzoek blijkt dat banken soms vragen stellen waar de Wwft helemaal niet
om vraagt, bijvoorbeeld hoelang iemand in Nederland woont en in welke buurt.10 Samen met banken en toezichthouders werk ik aan verschillende acties om (ervaren)
discriminatie aan te pakken. Ik heb uw Kamer in september 2025 geïnformeerd over de
voortgang11 en zal u na de zomer weer informeren. Een voorbeeld is dat de Nederlandse Vereniging
van Banken (NVB) een sectorstandaard opstelt die banken moet helpen om ervoor te zorgen
dat discriminerende vragen niet meer worden gesteld, doordat banken een beter onderscheid
kunnen maken in wat relevante vragen zijn om het witwasrisico te bepalen.
De leden van de VVD-fractie hechten eraan dat Europese regelgeving beleidsarm wordt
omgezet en dat nationale koppen zoveel mogelijk worden voorkomen, juist ook op dit
dossier waar de regeldruk groot is en de effectiviteit onduidelijk. Deze leden vragen
de Minister op welke onderdelen het Nederlandse antiwitwasbeleid verder gaat dan Europeesrechtelijk
vereist, wat de kosten en de aantoonbare meerwaarde van deze nationale koppen zijn
en of het schrappen ervan dan wel een beleidsarme invoering van nieuwe regels kan
bijdragen aan een effectiever en efficiënter stelsel.
Op 10 juli 2027 zal het nieuwe Europese antiwitwaspakket in werking treden. De Wwft
zal dan worden vervangen door de Implementatiewet ter voorkoming van witwassen en
terrorismefinanciering (Iwt). Bij de implementatie van het pakket is gekozen voor
een lastenluwe implementatie. De nieuwe wet ligt momenteel ter advisering voor bij
de Raad van State.
In de huidige situatie geldt de Wwft en daarin zijn er enkele punten waarop Nederland
afwijkt van de Europese antiwitwasrichtlijn. Ten eerste heeft Nederland jaren geleden
al gekozen voor het door poortwachters laten melden van ongebruikelijke transacties
in plaats van verdachte transacties. De gedachte hierbij was dat de poortwachter dan
geen diepgravend onderzoek hoeft te doen om te bepalen of een transactie verdacht
is, maar dat de opsporing dat onderzoek doet. Daarnaast zijn de voorwaarden voor zogenoemd
introducerend cliëntenonderzoek (waarbij een andere poortwachter onder voorwaarden
het cliëntenonderzoek kan doen) op grond van artikel 5 van de Wwft strenger dan de
voorwaarden die de vierde antiwitwasrichtlijn stelt. In de praktijk blijkt dat poortwachters
hier weinig gebruik van maken en vaak zelf alsnog het cliëntonderzoek doen, wat mogelijk
leidt tot dubbele lasten voor de klant. Ik moedig poortwachters aan om van de mogelijkheid
tot introducerend cliëntonderzoek gebruik te maken, om zo de lasten voor klanten te
verlagen.
Wat betreft de inhoud van het cliëntenonderzoek laat het Europese kader en de Wwft
juist veel ruimte aan poortwachters, waaronder banken, om de risicogebaseerde aanpak
uit de Wwft zelf in te vullen. Poortwachters vinden dit moeilijk, omdat dit betekent
dat de poortwachter zelf moet bepalen of een maatregel proportioneel is ten opzichte
van het risico. Dat is echter precies de bedoeling van de Europese wetgever. Poortwachters
vullen de open normen bij de uitvoering hiervan soms te streng in, wat tot aanvullende
lasten voor klanten kan leiden, maar ook voor henzelf. Daarom heb ik in de nieuwe
antiwitwasaanpak aandacht voor de risicogebaseerde benadering en de proportionaliteit
van maatregelen.12 DNB heeft recent een verkenning uitgevoerd naar de proportionaliteit van maatregelen
die banken toepassen in het kader van de Wwft.13 Uit de verkenning blijkt dat banken zich bewust zijn van het belang van proportionaliteit
en op dit gebied al concrete stappen zetten. Banken tonen welwillendheid om maatregelen
beter af te stemmen op het risicoprofiel van hun klanten. Tegelijkertijd zijn er nog
verbeteringen mogelijk en nodig. Samen met banken en andere partijen in de keten spreken
onze ministeries maandelijks om de (risicogebaseerde) antiwitwasaanpak in de praktijk
te verbeteren. De actie ligt primair bij de banken. Wij ondersteunen hen samen met
DNB, ieder vanuit onze eigen rol. Zo brengen we in kaart welke concrete verbeteringen
door banken zijn doorgevoerd, welke verbeteringen nog volgen en welke concrete resultaten
hieruit voortkomen, om zo de risicogebaseerde aanpak te verbeteren.
De leden van de VVD-fractie vragen hoe de kosten, uitgedrukt in fte en euro’s, voor
financieel toezicht in Nederland zich verhouden tot die in andere EU-lidstaten, zowel
absoluut als afgezet tegen de omvang van de bankensector. Voorts vragen deze leden
hoe deze inzet zich verhoudt tot de inzet voor toezicht en handhaving op andere nationale
beleidsterreinen. Welke conclusies trekt de Minister uit die vergelijking?
Een vergelijking van de inzet voor financieel toezicht in Nederland met andere nationale
beleidsterreinen is helaas niet voorhanden. Zo’n vergelijking zou bovendien van beperkte
toegevoegde waarde zijn, omdat de economische omvang en de risico’s in andere nationale
beleidsterreinen – en daarmee de inzet op toezicht en handhaving – van elkaar verschillen.
Meer relevantie wordt gezien in een internationale vergelijking om in kaart te brengen
hoe de toezicht- en nalevingskosten voor startups, scale-ups, kleine en mobiele ondernemingen
in Nederland zich verhouden tot andere Europese landen. Die vergelijking wordt op
dit moment gemaakt. Uw Kamer wordt na de zomer geïnformeerd over de resultaten van
dit onderzoek en de conclusies die daaruit kunnen worden getrokken.
De leden van de VVD-fractie vragen naar de actuele stand van zaken van de Implementatiewet
ter voorkoming van witwassen en terrorismefinanciering (Iwt). Wanneer verwacht de
Minister de wet aan de Kamer te kunnen aanbieden en op welke wijze zijn de bevindingen
van de Algemene Rekenkamer in deze wet verwerkt, in het bijzonder waar het gaat om
het voorkomen van onnodige lasten voor bonafide ondernemers en particulieren?
De verplichtingen voor poortwachters vloeien straks rechtstreeks voort uit de Europese
antiwitwasverordening14, die onderdeel is van het bredere Europese antiwitwaspakket (AML-pakket). Deze verplichtingen
worden niet omgezet in nationale regelgeving. Poortwachters moeten de antiwitwasverordening
dus toepassen. De antwitwasverordening biedt vrijwel geen ruimte voor een andere invulling
door Nederland. Veel onderdelen van de antiwitwasverordening zullen nog nader worden
ingevuld door gedelegeerde regelgeving van ofwel de Europese Commissie, ofwel van
de nieuwe Europese antiwitwasautoriteit AMLA. Nederland zet hierbij in op een risicogebaseerde
invulling, met oog voor de lasten van poortwachters, burgers en bedrijven. Als lidstaat
kan Nederland op deze regelgeving geen directe invloed uitoefenen. Deze worden vastgesteld
door de nieuwe Europese antiwitwastoezichthouder AMLA, waar DNB en FIU Nederland wel
aan tafel zitten. De richtlijn15, ook behorende tot het AML-pakket, dient wel omgezet te worden in nationale regelgeving
en wordt geïmplementeerd door de Iwt. De Iwt ziet hoofdzakelijk op de taken van publieke
partijen, zoals de handhavingsmogelijkheden voor toezichthouders, dat er een UBO-register
moet zijn en een Financiële Inlichtingen eenheid (FIU-Nederland). De richtlijn biedt
wel beperkt mogelijkheden voor een lastenluwe implementatie. In de bijlage bij de
hiervoor genoemde Kamerbrief over de nieuwe antiwitwasaanpak nam ik reeds een overzicht
op met de lastenluwe implementatiekeuzes. Ik heb deze doorgevoerd in de Iwt.
De Iwt is op 7 mei aangeboden aan de Raad van State voor advies. Ik streef ernaar
om het wetsvoorstel na ontvangst en verwerking van het advies zo snel mogelijk naar
de Tweede Kamer te sturen. Ik verwacht dat dit voor het eind van het jaar is.
Het feit dat de verplichtingen voor poortwachters straks direct uit de antiwitwasverordening
volgen maakt de acties voor de risicogebaseerde benadering overigens niet minder relevant.
Daar zit wat mij betreft nog steeds de grootst mogelijke winst in om onnodige lasten
voor burgers en bedrijven te verlagen. De open normen voor het cliëntonderzoek blijven
immers bestaan in de antiwitwasverordening. Het blijft dus van belang dat poortwachters
ervoor zorgen dat maatregelen proportioneel en risicogebaseerd zijn.
De leden van de VVD-fractie constateren dat het rapport niet ingaat op bedrijven die
actief zijn in de vastgoedsector en hun moeilijkheden bij het openen van bankrekeningen.
Deze leden vragen de Minister of hij signalen heeft dat ook deze sector last ervaart
van de antiwitwascontroles en zo ja, op welke wijze hij deze signalen weegt en adresseert.
Ik heb zelf geen signalen ontvangen van de vastgoedsector. Ik ben wel bekend met signalen
van verenigingen van eigenaren (vve’s) die tegen problemen aanlopen bij banken en
dat dit met name ziet op de UBO-identificatie. Zo begrijp ik dat vve’s zelf uitgezonderd
zijn om zich te registreren in het UBO-register, maar dat banken wel bij het verlenen
van een betaalrekening de UBO dienen te identificeren. Ik begrijp dat de banken in
gesprek zijn geweest met Vereniging Eigen Huis over hoe dit beter kan.
Ik vind het ook belangrijk dat sectoren hun ervaren problemen doorgeven en zich daarbij
ook richten tot de toezichthouder. In het geval van banken is dit DNB. DNB houdt toezicht
hoe banken aan hun wettelijke verplichtingen voldoen. Banken moeten deze verplichtingen
op een risicogebaseerde manier invullen. Daarnaast geldt op dit moment de Beleidsregel Integriteitbeleid ten aanzien van zakelijke vastgoedactiviteiten. Deze beleidsregel bepaalt dat DNB een zakelijke vastgoedrelatie die een Wwft-instelling
aangaat aanmerkt als hoog risico. Dat betekent in feite dat Wwft-instellingen zakelijke
vastgoedrelaties standaard als hoog risico moeten classificeren en verplicht zijn
om deze zakelijke relaties aan verscherpt cliëntenonderzoek te onderwerpen. DNB houdt
het nut en de noodzaak van deze beleidsregel momenteel tegen het licht. DNB zegt het
ook tegen banken als zij teveel maatregelen nemen of vragen stellen die niet in verhouding
staan tot het risico. Daarnaast is mijn ministerie regelmatig in gesprek met ondernemers,
verenigingen en stichtingen over eventuele lasten die zij ervaren ten gevolge van
de antiwitwasaanpak van poortwachters.
Op verzoek van de Minister van Justitie en Veiligheid en mijzelf organiseert het Financieel
Expertise Centrum16 dialoogsessies over de risicogebaseerde aanpak. Hierbij zijn toezichthouders, banken
en de FIU aanwezig. In de eerste sessie is onder andere besproken dat het wenselijk
is om meer inzicht te krijgen in de risico’s van (zakelijk) vastgoed. Opvolging van
de dialoog wordt opgepakt door de deelnemers.
De leden van de VVD-fractie vinden het positief dat er een sectorconvenant tot stand
komt. Deze leden vragen hoe het convenant «verbeteren toegang zakelijke betaalrekeningen»,
gesloten door de NVB en VNO-NCW/MKB-Nederland, zal leiden tot concrete en zo nodig
afdwingbare verbeteringen voor ondernemers, in het bijzonder in het mkb. Welke waarborgen
bouwt de Minister in om te borgen dat dit convenant niet vrijblijvend is en welke
rol ziet hij voor zichzelf indien ondernemers hier onvoldoende resultaat van ondervinden?
In december 2025 sloten de banken en ondernemers een convenant om de toegang van zakelijke
klanten tot een betaalrekening te verbeteren. In de periode nam de Tweede Kamer een
amendement aan dat een wettelijk recht op een basisbetaalrekening voor zakelijke klanten
introduceert. Dit amendement is op 19 mei aangenomen door de Eerste Kamer als onderdeel
van de Wet chartaal betalingsverkeer en aanpassing van het toepassingsbereik van het
bonusplafond. Het amendement zorgt voor toegang tot een basisbetaalrekening voor zakelijke
klanten. Het is aan de sector om het vervolg van het convenant te bepalen. Er wordt
in overleg met de toezichthouder op de wettelijke basisbetaalrekening (de AFM) gekeken
naar de verhouding tussen het convenant en het amendement.
Het amendement bevat geen grondslag om nadere regels bij algemene maatregel van bestuur
vast te stellen. Er zijn verder in de Wet op het financieel toezicht (Wft) geen andere
grondslagen om het amendement in te vullen met nadere regels. Ik kan zelf dus geen
nadere regels stellen.
De leden van de VVD-fractie wijzen op het wettelijk recht op een basisbetaalrekening.
Deze leden vinden het goed dat het kabinet zich inzet om dit recht voor ondernemers
beter te borgen. Deze leden vragen of het kabinet dit ook regelt voor particulieren
en waar ondernemers en particulieren die een bankrekening wordt ontzegd kunnen aankloppen.
Vindt de Minister dat de huidige voorzieningen hiertoe toegankelijk en laagdrempelig
genoeg zijn?
Voor consumenten is de toegang tot een basisbetaalrekening gewaarborgd via een convenant
en wetgeving. Sinds 2001 is in Nederland het Convenant inzake een pakket primaire
betaaldiensten (het Convenant Basisbankrekening) in werking getreden om personen,
die om bepaalde redenen niet over een betaalrekening konden beschikken, daar alsnog
toegang toe te bieden.17 In het convenant hebben vijf banken en verschillende convenantpartners, zoals hulpverleningsinstanties,
afgesproken dat iedereen in Nederland boven de 18 jaar met een bekend verblijfsadres
een betaalrekening moet kunnen openen. Een consument moet een aanvraag indienen bij
de bank waar de consument het laatste klant was. Als deze bank niet is aangesloten
bij het Convenant Basisbankrekening, dan kan de consument terecht bij een van de banken
die wel deelneemt aan het convenant.
Daarnaast is er de Europese Richtlijn betaalrekeningen (2014/92/EU).18 Onder deze richtlijn is een bank die in Nederland aan consumenten een betaalrekening
aanbiedt verplicht om consumenten die rechtmatig in de Europese Unie verblijven op
verzoek de gelegenheid te bieden om een basisbetaalrekening te openen indien de reguliere
rekening is gesloten. In Nederland is het recht op het openen van een basisbetaalrekening
in 2016 in de Wft geïmplementeerd. Naar aanleiding van de Europese Richtlijn is het
Convenant Basisbankrekening aangepast.
Het Convenant Basisbankrekening is een toegevoegde waarde voor consumenten, voornamelijk
voor personen aan wie een basisbetaalrekening onder de Richtlijn betaalrekeningen
wordt geweigerd of beëindigd. Onder de Richtlijn betaalrekeningen is een bank verplicht
om een aanvraag voor een basisbetaalrekening te weigeren als zij niet kan voldoen
aan de Wwft. Daarnaast staan er in de Wft een aantal optionele weigeringsgronden op
basis waarvan de bank de basisbetaalrekening kan weigeren. Als het openen van een
basisbetaalrekening op basis van de weigeringsgronden van de betaalrekeningenrichtlijn
door banken wordt geweigerd, bijvoorbeeld omdat een persoon minder dan 8 jaar geleden
onherroepelijk is veroordeeld voor een misdrijf, dan kan de consument een aanvraag
indienen voor een basisbetaalrekening onder het Convenant Basisbankrekening. Ik heb
geen signalen dat consumenten moeite ervaren met het openen of behouden van een betaalrekening.
Het amendement zakelijke betaalrekeningen borgt daarnaast een wettelijk recht op een
basisbetaalrekening voor zakelijke klanten. Deze wettelijke verankering sluit aan
bij de bestaande regelgeving voor consumenten zoals eerder omschreven.
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de conclusie van de Algemene
Rekenkamer dat er beperkt inzicht is in de effectiviteit van de antiwitwasaanpak.
Deze leden achten dit een zeer zorgelijke constatering, zeker gezien de hoge kosten
die gemoeid zijn met Customer Due Diligence (CDD) en Know Your Customer (KYC). De
leden van de VVD-fractie vragen of het kabinet naar aanleiding van dit rapport beter
in kaart gaat brengen wat de opbrengsten van de grootschalige antiwitwasaanpak zijn.
Is het naar het oordeel van de Minister mogelijk om te sturen op een effectieve aanpak,
met een hoge drempel voor criminelen, als de resultaten niet duidelijk zijn? Hoe weegt
de Minister dit, mede in het licht van de hoge kosten van CDD en KYC voor banken en
hun klanten?
Ik vind dat er meer inzicht moet komen in de resultaten van de antiwitwasaanpak. In
de voortgangsbrief over de antiwitwasaanpak die ik samen met de Minister van Justitie
en Veiligheid eind vorig jaar naar de Kamer heb gestuurd noemen wij dit ook als een
van de acties voor de komende periode.
Ondanks een beperkt inzicht in de effectiviteit van de algehele antiwitwasaanpak,
is er wel inzicht in het functioneren van partners binnen de antiwitwasaanpak, zoals
genoemd in mijn antwoord op de eerste vraag van de VVD-fractie. In dat antwoord schrijf
ik ook dat de Nederlandse bestrijding van witwassen positief is beoordeeld door de
FATF, waarbij de effectiviteit van de bestrijding een belangrijke factor is. Daarnaast
ben ik regelmatig in gesprek met relevante partijen waarmee ik een goed beeld krijg
van de effectiviteit, en de impact op ondernemers en burgers. Zo is er sinds 2022
een «Maatschappelijk Overleg Betalingsverkeer de-risking», waarin de negatieve gevolgen
van de antiwitwasaanpak op ondernemers, verenigingen en stichtingen worden besproken.
Mede op basis van deze signalen heb ik samen met de Minister van Justitie en Veiligheid
in mei 2025 de nieuwe antiwitwasaanpak vormgegeven. Hierin wordt nadrukkelijk gestuurd
op een risicogebaseerde aanpak, waarvoor ook breed draagvlak is binnen de sector.
De afgelopen jaren moesten banken grootschalige hersteltrajecten uitvoeren, omdat
zij de basis van de antiwitwasaanpak niet op orde hadden.19 Deze hersteltrajecten waren nodig om onder andere een goede basis te leggen voor
de risicogebaseerde aanpak. Ik begrijp dat hiermee kosten gepaard gingen, aangezien
er grote aanpassingen moesten worden gedaan. Ik ga ervan uit dat die kosten omlaag
kunnen als banken de risicogebaseerde benadering echt goed toepassen.
De leden van de VVD-fractie constateren dat de Algemene Rekenkamer stelt dat de Minister
geen integraal beeld heeft van kosten, baten en effecten van de antiwitwasaanpak.
Deze leden vragen de Minister wat er naar zijn oordeel voor nodig is om dit integrale
beeld wel te verkrijgen. Op welke termijn acht de Minister het realistisch dat de
Kamer over een dergelijk integraal beeld kan beschikken en welke concrete stappen
zet hij hiertoe?
In haar rapport noemt de Algemene Rekenkamer onder andere dat er geen inzicht is in
preventie, waarbij de AR erkent dat het lastig is om dat inzicht te verkrijgen. De
preventieve werking van een goed functionerende antiwitwasaanpak zorgt ervoor dat
er minder wordt witgewassen. Aangezien witwassen inherent een verhullende activiteit
is, is het erg moeilijk om periodiek een concreet kwantitatief beeld te krijgen hoeveel
er wordt witgewassen en hoeveel dat verminderd is door de antiwitwasaanpak. Waar mogelijk
wordt nu al inzicht gegeven door verschillende partners in de publicaties die zijn
genoemd in het antwoord op een eerdere vraag van de VVD-fractie.
Desalniettemin worden er stappen gezet om meer inzicht te bieden in de resultaten
en impact van de antiwitwasaanpak. Onder de nieuwe richtlijn van het nieuwe Europese
antiwitwaspakket moeten organisaties ook meer statistieken bijhouden, bijvoorbeeld
over het UBO-register. Daarnaast is er sinds eind 2025 een werkgroep opgezet om, waar
mogelijk, inzicht te verkrijgen in de resultaten en impact van de antiwitwasaanpak.
Hierbij wordt gekeken naar de effectiviteit van verschillende partners in de antiwitwasketen
en ook naar de gevolgen voor burgers en ondernemers. Aangezien de uitvoering, het
toezicht en de opsporing bij deze partners liggen beschikken zij over de relevante
informatie en expertise. Een integraal beeld zal dan ook goede samenwerking met alle
betrokken partijen vereisen. In de voortgangsbrief van dit najaar zal ik ingaan op
de voortgang van deze werkgroep.
De leden van de VVD-fractie constateren dat de Algemene Rekenkamer vaststelt dat de
Ministers van Financiën en van Justitie en Veiligheid op grote afstand staan van respectievelijk
DNB en de FIU en dat zij in de praktijk te weinig sturen op de doelmatige en doeltreffende
taakuitvoering. Deze leden vragen de Minister hoe hij deze constatering duidt en welke
concrete stappen hij zet om zijn stelselverantwoordelijkheid steviger in te vullen.
DNB is onafhankelijk in de uitvoering van de taken die de wet haar opdraagt. Zij oordeelt
zelfstandig over individuele gevallen en is niet hiërarchisch ondergeschikt aan de
Minister van Financiën. Deze onafhankelijkheid is een internationale toezichtstandaard.
De uitvoering van de opgedragen taken is primair de verantwoordelijkheid van DNB zelf;
aan haar komt een grote mate van zelfstandigheid toe. Die zelfstandigheid strekt zich
ook uit tot het realiseren van een doeltreffende en doelmatige taakuitoefening. Ik
vind die onafhankelijkheid belangrijk en wil hier niet aan tornen.
Dat laat onverlet dat de Minister van Financiën de systeemverantwoordelijkheid draagt
voor het functioneren van het toezichtsysteem en de toezichthouders. Om deze verantwoordelijkheid
te kunnen dragen moet de Minister kunnen beoordelen of DNB haar taken op doeltreffende
en doelmatige wijze uitvoert. De Minister oefent hiertoe toezicht uit op DNB (en de
AFM). Dit toezicht heeft het karakter van «toezicht op afstand», waarmee tot uitdrukking
wordt gebracht dat de Minister, anders dan bij taken die in ondergeschiktheid worden
uitgeoefend, geen directe of allesomvattende zeggenschap heeft. De wijze waarop de
relatie tussen de Minister van Financiën en DNB is vormgegeven staat uitgebreid beschreven
in de visie «Toezicht op afstand», die begin 2025 is geactualiseerd en met de Tweede
Kamer is gedeeld.20
Er vindt iedere vijf jaar een evaluatie plaats van de zbo-taken van DNB. Ik bied u
binnenkort de resultaten van de meest recente evaluatie aan. Daarnaast spreekt het
ministerie regelmatig met DNB over de uitvoering van haar toezichttaken bij de beoordeling
van haar zbo-verantwoording. Er wordt daarmee zowel tussentijds inzicht gegeven in
het reilen en zeilen van het zbo, als na elke vijf jaar integraal. Tevens vinden er
regelmatig gesprekken plaats met DNB over de uitvoering van haar taken, mede naar
aanleiding van signalen uit politiek en maatschappij. Daarmee is er voldoende toezicht
op de doeltreffende en doelmatige taakuitvoering, mede gelet op de zbo-status van
DNB.
Wanneer het specifiek gaat over het de taakuitvoering van de Wwft deel ik de lezing
dat meer inzicht in de doelmatigheid en doeltreffendheid van het integriteitstoezicht
op banken wenselijk kan zijn. Daarom ga ik in gesprek met DNB over hoe zij in bestaande
publicaties en/of kanalen meer inzicht kan geven in het Wwft-toezicht en de doelmatigheid
en doeltreffendheid hiervan.
In tegenstelling tot DNB is de FIU-NL geen zbo, maar is de FIU-NL wel operationeel
zelfstandig.21 De FIU-NL is beheersmatig ondergebracht bij de politie. De FIU-NL rapporteert over
haar werkzaamheden in de eerdergenoemde jaaroverzichten. De FIU-NL werkt op basis
van een jaarplan, en stelt iedere vier maanden managementrapportages op die worden
besproken en vastgesteld met en door de Ministeries van JenV en Financiën en de politie.
Deze informatievoorziening van de FIU-NL aan de ministeries is grondig en accuraat.
Verder is het goed om op te merken dat in de Implementatiewet voor de nieuwe Europese
regelgeving de positionering van de FIU-NL wordt geborgd, ter vervanging van de grondslag
in de Wwft.
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de bevindingen
over de ketensamenwerking. Deze leden constateren dat de Algemene Rekenkamer stelt
dat geen enkele partij het mandaat heeft om de keten van opsporing en vervolging aan
te sturen of te optimaliseren. Deze leden vragen de Minister hoe hij, gezien zijn
rol als stelselverantwoordelijke, zijn rol ziet om wel een partij een stevig mandaat
hiertoe te geven. Gaat de Europese anti-witwasautoriteit (AMLA) hier een rol in spelen
en zo ja, welke?
De Algemene Rekenkamer concludeert dat er beter kan worden samengewerkt in de antiwitwasketen,
waaronder tussen FIU-NL en DNB. Om witwassen te voorkomen en criminele geldstromen
te verstoren wordt er gebruikt gemaakt van een keten van partijen. Als poortwachter
beschikken banken over veel informatie over transactiegedrag van klanten. Zij doen
meldingen van ongebruikelijke transacties bij de FIU-NL, die vervolgens bepaalt of
er sprake is van een verdachte transactie. De opsporing neemt vervolgens het stokje
van de FIU-NL weer over. Een goed functionerende keten heeft dus baat bij nauwe samenwerking.
De FATF noemde in haar evaluatie van de Nederlandse aanpak van witwassen de samenwerking
tussen de verschillende stakeholders als een van de positieve eigenschappen van de
robuuste Nederlandse antiwitwasaanpak. Niettemin zetten wij, in lijn met de aanbeveling
van de Algemene Rekenkamer, in op het verder verbeteren van de samenwerking. Hiertoe
zijn wij sinds begin 2025, bij de introductie van onze nieuwe antiwitwasaanpak, begonnen
met een overleg tussen een aantal belangrijke ketenpartners. Maandelijks komen de
NVB, drie grootbanken (ABN AMRO, ING en de Rabobank), DNB, de FIU-NL, het OM, het
Financieel Expertise Centrum (FEC), de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) en onze ministeries
samen om de antiwitwasaanpak risicogebaseerder en effectiever te maken, met minder
lasten voor klanten en banken.
De nieuwe Europese antiwitwastoezichthouder AMLA zal niet de nationale opsporing en
vervolging gaan aansturen. AMLA zal in eerste instantie het antiwitwastoezicht op
financiële instellingen uitvoeren en coördineren. AMLA zal daarnaast ook een rol gaan
spelen in de uitvoering van gezamenlijke analyses door de Europese FIU’s, en kan indien
daar reden toe is ook informatie delen met bijvoorbeeld Europol. Ook zal AMLA er zorg
voor dragen dat de activiteiten van FIU’s collegiaal worden getoetst om de consistentie
van de FIU-activiteiten te versterken en de uitwisseling van beste praktijken tussen
de FIU’s te faciliteren. Een dergelijke collegiale toets zal ook een beoordeling bevatten
van de mate waarin de analyse en verspreiding door de FIU tegemoetkomen aan de operationele
behoeften van de autoriteiten die bevoegd zijn voor het onderzoek naar en de vervolging
van witwassen, daarmee verband houdende basisdelicten en terrorismefinanciering.
De leden van de VVD-fractie onderschrijven de aanbeveling van de Algemene Rekenkamer
dat de Minister van Financiën de Kamer proactief informeert over de gevolgen van de
Europese ontwikkelingen voor het nieuwe stelsel. Deze leden vragen de Minister of
hij bereid is om dit te doen en op welke wijze en met welke frequentie de Minister
de Kamer hierover zal informeren.
In het najaar zal ik samen met de Minister van Justitie en Veiligheid een voortgangsbrief
sturen over de antiwitwasaanpak. Net als in de voorgaande Kamerbrieven over de nieuwe
antiwitwasaanpak zal ik hierin ook ingaan op de ontwikkelingen van het Europese AML-pakket.
Ik zal hierin ook, net als afgelopen voortgangsbrief, ingaan op het werk van AMLA,
omdat hier de grootste ontwikkelingen plaatsvinden. Deze voortgangsbrieven lijken
mij een goede plek om dit jaarlijks aan bod te laten komen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van het rapport «Gevolgen groot,
opbrengsten onbekend; Onderzoek naar de antiwitwasaanpak in de bankensector» van de
Algemene Rekenkamer. Naar aanleiding hiervan hebben de leden van de PVV-fractie nog
enkele vragen.
Allereerst willen de leden van de PVV-fractie weten hoe te rechtvaardigen is dat banken
in 2024 circa 13.000 fte hebben ingezet om witwassen te bestrijden, terwijl uit het
rapport blijkt dat de feitelijke opbrengsten en de effectiviteit van deze grote personele
inzet onbekend zijn. Tevens vragen de leden van de PVV-fractie naar een update van
het aantal fte dat de banken in 2025 hebben ingezet om witwassen te bestrijden.
Het is voor mij niet mogelijk om objectief vast te stellen wat de personele inzet
is van banken op het terrein van witwassen. Banken leveren hiervoor jaarlijks cijfers
aan bij DNB. Hieruit blijkt dat banken in 2024 ongeveer 16.000 FTE op het bestrijden
van witwassen en terrorismefinanciering hadden werken. In 2025 daalde dit naar minder
dan 14.000. Het is niet mogelijk te controleren hoe accuraat deze aantallen zijn,
en hoeveel van hun werkzaamheden wordt besteed aan Wwft-verplichtingen. Banken rapporteren
zelf dus wel een daling van dit aantal in 2025.
De leden van de PVV-fractie vragen voorts welke maatregelen de Minister bereid is
te treffen, nu uit het onderzoek blijkt de kosten voor banken om aan de Wwft te voldoen
tussen 2021 en 2024 met 16,7 procent zijn gestegen tot circa 1,6 miljard euro, wetende
dat een deel van deze lasten worden doorberekend aan de burgers.
Banken bepalen zelf hun inzet voor hun poortwachtersrol. De Wwft bepaalt alleen wat
het resultaat van het cliëntenonderzoek moet zijn, niet de weg ernaar toe. Er is sinds
de publicatie van het rapport «Van herstel naar balans» door DNB nadrukkelijk ingezet
op een verbeterde risicogebaseerde toepassing van de Wwft, zowel door de toezichthouder
als door poortwachters zoals banken. Dit betekent dat de inzet hoger moet zijn als
de witwasrisico’s hoger zijn. Als de witwasrisico’s lager zijn moet de inzet van de
banken ook lager zijn en de maatregelen beperkter. Een verbetering van de risicogebaseerde
aanpak zorgt ervoor dat banken minder maatregelen nemen die niet noodzakelijk zijn
ten opzichte van het geconstateerde witwasrisico. Dit kan ertoe leiden dat banken
minder kosten maken. De uitvoering van de risicogebaseerde benadering ligt primair
bij de banken. DNB houdt hier toezicht op en geeft ook terug aan banken wanneer hun
inzet niet proportioneel is.
Vervolgens willen de leden van de PVV-fractie weten hoe het kan dat de FIU slechts
64 fte en DNB 20 fte beschikbaar hebben, terwijl banken 13.000 fte inzetten om witwassen
te bestrijden. Kan de ineffectiviteit van het aanpakken van witwassen mede hierdoor
worden verklaard?
Er is geen sprake van ineffectiviteit van het aanpakken van witwassen. De Algemene
Rekenkamer stelt dat er te weinig inzicht is in de effectiviteit en ik zet mij in
om dat inzicht te verbeteren. De Nederlandse aanpak van witwassen en terrorismefinanciering
heeft een goede beoordeling gekregen door de FATF.22 Dit is een belangrijke beoordeling, waarbij ook uitgebreid de effectiviteit van de
bestrijding van witwassen is geëvalueerd.
Een zinnige vergelijking tussen de personele inzet van deze publieke en private instellingen
is niet te maken. Banken moeten grote hoeveelheden transacties monitoren, terwijl
de FIU-NL alleen de door de banken gemelde ongebruikelijke transacties moet analyseren.
DNB controleert of financiële ondernemingen, waaronder banken, voldoen aan hun wettelijke
verplichtingen. Bovendien gaan banken zelf over de wijze waarop zij invulling geven
aan de naleving van de Wwft en daarmee aan de kosten die ze ervoor maken. Daar komt
bij dat veel banken grote inhaalslagen moesten maken in het op orde brengen van door
de toezichthouder geconstateerde onvolkomenheden in hun antiwitwasbeleid, wat extra
personele inzet vergde en soms nog vergt.
Voorts vragen de leden van de PVV-fractie naar een reactie van de Minister op de conclusie
dat DNB door een strikte toezichtfilosofie zelf heeft bijgedragen aan een risicomijdende
houding bij banken, waardoor controles vaak doorslaan of dusdanig worden ervaren.
In het verleden hadden banken hun antiwitwascontroles niet altijd op orde, zoals blijkt
uit de feitenrelazen van het OM ten aanzien van een aantal grootbanken. Dit had grote
schikkingen met het OM als gevolg. Sommige banken kwamen ook in door DNB opgedragen
hersteltrajecten terecht, die nog niet in alle gevallen tot een einde zijn gekomen.
Ik kan mij goed voorstellen dat dergelijke ingrijpende gevolgen tot een risicomijdende
houding bij banken hebben geleid. Nu banken de basis op orde hebben, of in sommige
gevallen daar nog mee bezig zijn, is er gelukkig weer ruimte om na te denken over
proportionaliteit.
DNB publiceerde in 2022 het rapport «Van herstel naar balans», waarmee ze de risicogebaseerde
aanpak nadrukkelijk op de agenda zette. In het rapport reflecteert DNB ook op haar
eigen toezicht en hoe zij dit risicogebaseerd wil vormgeven.23 In het toezicht benadrukt DNB dat poortwachters de verplichtingen uit de Wwft risicogebaseerd
moeten uitvoeren, zoals onder meer blijkt uit DNB’s leidraad (de Q&A en Good Practices Wwft).24 Voorts hebben DNB en het ministerie bijgedragen aan de totstandkoming van de eerder
genoemde risicogebaseerde sectorstandaarden van de NVB, en heeft DNB in 2025 onderzoeken
gedaan naar het tegengaan van discriminatie25 en de proportionele toepassing van de Wwft door banken.26 De FATF noemt in haar richtsnoeren over financiële inclusie (juni 2025) Nederland
diverse malen als positief voorbeeld.27
Ten slotte vragen de leden van de PVV-fractie naar hoeveel meldingen van ongebruikelijke
transacties er in 2025 door banken bij de FIU zijn gedaan. Bij hoeveel zaken heeft
dit geleid tot strafrechtelijke vervolging? Graag verzoeken deze leden om de meest
recente cijfers te benoemen.
De FIU-NL rapporteert ieder jaar over het aantal gemelde ongebruikelijke transacties,
en splitst dat ook uit naar meldergroep. Het jaaroverzicht 2025 wordt voor de zomer
aan de Tweede Kamer aangeboden. In 2025 was het totale aantal gemelde ongebruikelijke
transacties 3.055.362, waarvan er 630.461 van banken afkomstig waren.28
Het OM heeft geen specifieke cijfers over de strafrechtelijke opvolging van verdacht
verklaarde transacties bij banken. Het OM houdt wel statistieken bij over het anti-witwasbeleid29 en doet daarvan melding in zijn jaarberichten.30 De FIU-NL stelt verdacht verklaarde transacties beschikbaar aan de (bijzondere) opsporingsdiensten
en inlichtingen- en veiligheidsdiensten. De opsporingsdiensten kunnen deze verdacht
verklaarde transacties gebruiken als startinformatie of aanvullende informatie in
hun strafrechtelijk onderzoek. Deze transacties hebben daarmee niet alleen tot doel
om tot een strafzaak te komen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben bij publicatie met zorg kennisgenomen van het Algemene
Rekenkamer rapport «Gevolgen groot, opbrengsten onbekend» en hebben daar navenant
een set schriftelijke vragen over ingediend op 13 maart 2026. Op 7 april 2026 heeft
de Kamer de beantwoording daarvan ontvangen.
De leden van de CDA-fractie constateren dat er ontwijkend is gereageerd op het in
kaart brengen van de kosten en impact op concurrentievermogen van banken. Is de Minister
alsnog bereid om hierover in gesprek te gaan met banken om dit beter in beeld te krijgen?
Vanaf juli 2027 vloeien de antiwitwasverplichtingen voor poortwachters rechtstreeks
voort uit de Europese antiwitwasverordening, onderdeel van het Europese antiwitwaspakket.
Een van de hoofddoelen van de antiwitwasverordening is het harmoniseren van de regelgeving.
Daarnaast zal de nieuwe Europese antiwitwasautoriteit AMLA het toezicht uniformeren
en regels verder harmoniseren. Op deze manier wordt beoogd dat voor poortwachters
overal in de Europese Unie dezelfde eisen gelden.
In het kader van de nieuwe antiwitwasaanpak spreek ik, samen met de Minister van Justitie
en Veiligheid, met bestuurders van banken en andere partijen in de antiwitwasketen.
Daarnaast spreekt mijn ministerie regelmatig met de bankensector, waarbij het concurrentievermogen
ook onderwerp is van gesprek.
De leden van de CDA-fractie lezen daarnaast in de beantwoording van de schriftelijke
vragen dat de Wwft-verplichtingen voornamelijk tijd kosten. Los van het feit dat tijd
voor vrijwilligersorganisaties een zeer belangrijke factor is, geeft het onderliggende
rapport ook aan dat er veel onbegrip heerst over de aanpak en dat de huidige vormgeving
slecht werkbaar is. Eén van de aanbevelingen van het SIRA-onderzoek was destijds om
specifiek voor de AVG en de Wwft te onderzoeken of het mogelijk is om een deel van
de doelgroep uit te zonderen. Is dit destijds onderzocht? In hoeverre wordt er actief
gestuurd om vrijwilligers organisaties zo veel mogelijk te ontlasten?
De Wwft is implementatie van Europese regelgeving. Afwijken van Europese regelgeving
is alleen mogelijk wanneer de Europese wetgever hier de ruimte voor biedt. De Europese
regelgeving biedt geen mogelijkheid tot het uitzonderen van doelgroepen, zoals bijvoorbeeld
vrijwilligersorganisaties. Het uitzonderen van doelgroepen zou ook niet verstandig
zijn, omdat criminelen in de uitzonderingen mogelijkheden zien om de antiwitwasregelgeving
te ontduiken. Er is een reactie gestuurd op het SIRA- onderzoek, waarbij aangegeven
is dat de risicogebaseerde benadering ook hier de oplossing is.31 Ik begrijp van de vrijwilligersorganisaties dat zij voorzichtig positief zijn over
de ontwikkelingen in de risicogebaseerde aanpak. Onder toezicht van het Ministerie
van Volksgezondheid, Welzijn en Sport loopt er ook een traject «aanpak regeldruk bij
vrijwilligersorganisaties en filantropische instellingen». Daaruit komt naar voren
dat deze organisaties verbetering ervaren wat betreft de antiwitwascontroles vanuit
banken. Ik zie wel dat verdere verbetering door poortwachters, die vrijwilligersorganisaties
benaderen ten behoeve van het cliëntonderzoek, nog steeds mogelijk is. Vandaar dat
ik, in het kader van de nieuwe antiwitwasaanpak, de banken ook wil helpen om dit verder
te verbeteren. Mijn ministerie spreekt maandelijks met de banken over de voortgang
van de antiwitwasaanpak en om te helpen de risicogebaseerde aanpak te verbeteren.
De leden van de CDA-fractie zijn van mening dat een risicogebaseerde aanpak nodig
is en kijken daarom uit naar de voortgangsbrief waarin de Kamer geïnformeerd wordt
over de nieuwe antiwitwasaanpak. Wat betreft de leden van de CDA-fractie is dit echter
een gezamenlijke verantwoordelijkheid van banken, DNB als toezichthouder en het Ministerie
van Financiën. Dit kan niet eenzijdig bij banken worden neergelegd. Graag zien deze
leden een continuering van de aanpak, waarbij banken via de NVB in samenwerking met
DNB standaarden opstellen. Wat is hierop de inzet van de Minister? Waar ziet de Minister
ruimte voor verbetering?
Daar ben ik het mee eens. De risicogebaseerde aanpak wordt breed gedragen door de
partners in de antiwitwasketen en zal dan ook een belangrijke pijler blijven in de
nieuwe antiwitwasaanpak. Maandelijks spreekt mijn ministerie met, onder andere, DNB
en de bankensector over de risicogebaseerde aanpak en hoe die te verbeteren. Ik zie
mogelijkheden om de resultaten van de risicogebaseerde aanpak concreter te maken.
DNB heeft een verkenning uitgevoerd naar de proportionele toepassing van de Wwft.32 Hieruit blijken al positieve resultaten, maar DNB doet ook aanbevelingen voor verbeteringen.
Hierover blijf ik in gesprek met zowel de banken als DNB.
De leden van de CDA-fractie zijn tot slot benieuwd hoe de voorgestelde risicogebaseerde
aanpak van Nederland wordt meegenomen in de nieuwe Europese pakket (AML pakket) ter
voorkoming van witwassing. Hoe borgt het kabinet de Nederlandse werkwijze in deze
Europese aanpak? Hoe wordt voorkomen dat een sterke focus op harmonisatie ten koste
gaat van de positieve stappen richting een meer risicogebaseerde aanpak? Wat is de
strategie van de Minister om andere lidstaten hierin te betrekken?
De verplichtingen voor poortwachters vloeien straks rechtstreeks voort uit de Europese
antiwitwasverordening. Deze verplichtingen worden niet omgezet in nationale regelgeving.
De verordening biedt vrijwel geen ruimte voor een andere invulling in Nederland of
andere lidstaten. De Europese antiwitwasautoriteit AMLA heeft mandaat om de verplichtingen
van de antiwitwasverordening verder uit te werken. Dit doet zij door middel van richtsnoeren
en technische reguleringsnormen. Een deel van de uitleg is al in concept beschikbaar,
bijvoorbeeld over hoe het cliëntenonderzoek moet worden uitgevoerd.33 Hierin komt de risicogebaseerde aanpak naar voren. Het is belangrijk dat dit ook
verankerd wordt in de verdere mandaten die AMLA gaat uitwerken. De Nederlandse toezichthouders,
vertegenwoordigd door DNB, en de FIU-NL zitten onafhankelijk in de general board van AMLA, samen met vertegenwoordigers van de toezichthouders en FIU’s van de andere
26 lidstaten, en besluiten mee over deze mandaten. De inzet van de toezichthouders
en de FIU-NL is hierbij om de verdere uitwerking zo risicogebaseerd mogelijk te laten
zijn. De risicogebaseerde benadering is voor veel lidstaten de afgelopen jaren steeds
belangrijker geworden. Desalniettemin zijn er ook lidstaten die liever duidelijke
regels hebben waarin veel voorgeschreven wordt, dan open normen om risicogebaseerd
te werken. Ik bespreek mijn uitgangspunt van een risicogebaseerde benadering met andere
gelijkgestemde lidstaten en de Europese Commissie. Uiteindelijk keurt de Commissie
de mandaten van AMLA goed.
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben met verbijstering kennisgenomen van het rapport
van de Algemene Rekenkamer. Deze leden constateren dat de huidige antiwitwasaanpak
onvoldoende effectief en efficiënt is.
De leden van de BBB-fractie maken zich grote zorgen over de verregaande inbreuk op
de privésfeer van burgers, zoals beschreven in de casestudies in het rapport. Hoe
beoordeelt de Minister het feit dat ondernemers, die al twintig jaar probleemloos
zaken doen, plotseling diepgaande vragen krijgen over transacties uit het verleden,
waarbij de toon van de bank volgens het rapport is: «Je bent schuldig totdat je je
onschuld hebt bewezen»? Vindt de Minister het acceptabel dat een horecaondernemer
bij een incidentele storting van een enkel briefje van 200 euro al mondeling moet
verklaren waar dit geld vandaan komt?
De Algemene Rekenkamer heeft niet vastgesteld dat de antiwitwasaanpak onvoldoende
effectief en efficiënt is, maar constateert een gebrek aan inzicht in de resultaten
van de antiwitwasaanpak.
Ik wil niet dat ondernemers onnodige vragen krijgen van een bank die niet in lijn
zijn met het geconstateerde witwasrisico. De afgelopen jaren is de antiwitwasaanpak
door banken helaas vaak doorgeschoten. Daarom zijn de Minister van Justitie en Veiligheid
en ik in mei 2025 met een nieuwe antiwitwasaanpak gekomen. Hierin is het verlagen
van lasten voor ondernemers en burgers een van de hoofddoelen. Hiervoor is het verbeteren
van de risicogebaseerde aanpak een van de belangrijkste voorwaarden. Dat betekent
dat poortwachters, waaronder banken, maatregelen nemen die proportioneel zijn in relatie
tot het risico en dat bonafide ondernemers dus niet onnodige vragen krijgen. Om banken
te helpen met hun klantenonderzoek heeft de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB)
in samenwerking met het ministerie en DNB standaarden opgesteld. Deze standaarden
zijn in 2025 geëvalueerd. De resultaten daarvan zijn positief, zo meldt de NVB. In
2025 heeft de NVB ook een standaard over contant geld gepubliceerd, die banken helpt
met de risicogebaseerde aanpak inzake contant geld. In deze standaard staat ook dat
een incidentele storting van een biljet van 200 euro geen reden is voor aanvullende
vragen, wanneer deze storting past binnen het klantprofiel en er geen aanvullende
risicofactoren zijn.
Uit het onderzoek onder politiek prominente personen (PEP’s) blijkt dat 60 procent
aangeeft dat hun familieleden ook zijn gecontroleerd door de bank. Hoe beoordeelt
de Minister het in het rapport genoemde voorbeeld van een 83-jarige moeder die door
de bank werd gesommeerd uit te leggen waar het vermogen vandaan kwam dat zij ooit
als erfenis heeft ontvangen?
Het is voor mij niet mogelijk om in te gaan op individuele casussen. Tegelijkertijd
herken ik wel de signalen dat PEPs last ervaren van uitgebreide vragen. De NVB heeft
daarom een standaard opgesteld die banken helpen bij hun klantenonderzoek naar PEPs.
Uit de evaluatie van de NVB blijkt dat dit tot positieve resultaten heeft geleid.
Uit een recente studie van DNB blijkt ook dat een aantal banken PEPs minder vaak als
hoog risico classificeert en meer kijkt naar aanvullende risicofactoren. Uit de verkenning
van DNB blijkt helaas ook dat niet alle banken de standaard al hebben geïmplementeerd
en er dus nog ruimte voor verbetering is. Hierover blijf ik in gesprek met de betrokken
partijen.
De leden van de BBB-fractie constateren dat de (maatschappelijke) kosten van deze
aanpak hoog zijn: de onderzochte banken zetten in 2024 alleen al ongeveer 13.000 fte
in voor witwasbestrijding. Tegelijkertijd stelt de Algemene Rekenkamer vast dat de
Ministers van Financiën en Justitie en Veiligheid niet kijken naar de resultaten van
de aanpak en dat de effectiviteit van het toezicht door DNB niet wordt geëvalueerd.
Is de Minister bereid te erkennen dat de huidige aanpak, die door de Ministers zelf
al als «doorgeslagen» is bestempeld, leidt tot een situatie waarin bonafide burgers
de lasten dragen terwijl zij weinig risico op witwassen opleveren? Wanneer gaat de
Minister de aanbeveling van de Algemene Rekenkamer opvolgen om de Kamer concreet te
informeren over hoe deze aanpak risicogebaseerd wordt ingericht, aangezien dit voornemen
al sinds 2019 bekend is maar nog niet is gerealiseerd?
Ik vind dat de afgelopen jaren teveel burgers en ondernemers lasten hebben ervaren
van onnodige antiwitwascontroles. Daarom zijn de Minister van Justitie en Veiligheid
en ik met een nieuwe antiwitwasaanpak gekomen. Hierover ben ik maandelijks in gesprek
met de banken en DNB. Dit najaar stuur ik samen met de Minister van Justitie en Veiligheid
een voortgangsbrief aan de Tweede Kamer, waarmee ik u informeer over hoe de risicogebaseerde
aanpak concreet is ingericht.
Ten slotte merken de leden van de BBB-fractie op dat het aantal meldingen van ongebruikelijke
transacties explosief is gestegen naar ruim 530.000 in 2024. De Algemene Rekenkamer
stelt echter vast dat de FIU niet weet welke meldingen niet bekeken zijn en de kwaliteit
van meldingen niet beoordeelt. De Algemene Rekenkamer concludeert dat de concrete
opbrengsten zoals aanhoudingen of veroordelingen onbekend zijn. Deelt de Minister
de conclusie dat de focus momenteel ligt op kwantiteit boven kwaliteit en wat gaat
de Minister doen om de kwaliteit van meldingen centraal te stellen in plaats van deze
papieren berg aan informatie die de opsporing niet effectief dient?
De Minister van Justitie en Veiligheid onderschrijft het belang dat de Algemene Rekenkamer
geeft aan kwalitatief goede meldingen door poortwachters. Zo gaat de FIU-NL in diens
jaaroverzicht uitgebreid in op de meldingen die worden gedaan, waaronder de verdacht
verklaarde meldingen.34 Gedurende het jaar publiceert de FIU-NL op diens website over witwasmethoden, zoals
bijvoorbeeld het «cash compensatie model», zodat poortwachters en andere partijen
die inzichten kunnen benutten in hun werk.35 Het nieuwe Europese antiwitwaspakket biedt de FIU-NL vanaf juli 2027 meer mogelijkheden
om informatie te verstrekken aan toezichthouders en feedback te geven aan poortwachters.
Dit zal een verdere impuls geven aan het verbeteren van de kwaliteit van de meldingen.
AMLA zal ook nog richtsnoeren verstrekken inzake indicatoren voor verdachte activiteiten
of gedragingen. De FIU-NL bereidt zich momenteel voor op de implementatie van deze
wetgeving.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
C.A. (Chris) Jansen, voorzitter van de vaste commissie voor Financiën -
Mede ondertekenaar
W.A. Lips, adjunct-griffier