Brief regering : Uitvoering van de gewijzigde motie van de leden Clemminck en Nobel over onderzoeken of de Rotterdamse aanpak voor dakloze arbeidsmigranten landelijk kan worden toegepast (Kamerstuk 32847-1426)
29 861 Arbeidsmigratie en sociale zekerheid
Nr. 210
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ASIEL EN MIGRATIE
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 23 juni 2026
Met deze brief informeer ik, mede namens de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
en de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport (VWS), uw Kamer over de uitvoering
van de motie Clemminck en Nobel.1 In de motie wordt de regering verzocht te onderzoeken of de Rotterdamse aanpak landelijk
kan worden toegepast, inclusief het actief inzetten op terugkeer wanneer arbeidsmigranten
geen perspectief hebben op werk en verblijf in Nederland. Ook ga ik met deze brief
in op de tijdens het Tweeminutendebat Arbeidsmigratie van 18 juni jl. ingediende motie
van Ceulemans waarin wordt verzocht om in kaart te brengen hoe verplichte terugkeer
van overlastgevende dakloze EU-migranten bespoedigd en vereenvoudigd kan worden (Kamerstuk
29 861, nr. 204).
Landelijke aanpak, ruimte voor lokale invulling
Sinds 2022 werken ministeries samen om het Plan van Aanpak kwetsbare dakloze EU-burgers
uit te voeren.2 Sinds 2023 is er een landelijke aanpak voor kortdurende opvang en begeleiding van
niet-rechthebbende dakloze EU-burgers.3 In tegenstelling tot rechthebbende EU-burgers, kan deze groep geen gebruik maken
van reguliere maatschappelijke opvang in het kader van de Wmo. Het doel van de landelijke
aanpak is snelle activering richting werk of, wanneer duurzaam verblijf en werk in
Nederland niet haalbaar is, vrijwillige terugkeer naar het land van herkomst.
Sinds 2023 wordt deze aanpak in 6 gemeenten uitgevoerd (Amsterdam, Rotterdam, Den
Haag, Utrecht, Eindhoven en Venlo). In de voorjaarsbesluitvorming 2025 is besloten
de financiering voor deze aanpak te verlengen tot en met 2028 en het bedrag te verhogen.4 Daarmee zijn sinds begin 2026 8 nieuwe gemeenten c.q. regio’s aangesloten voor beter
landelijke dekking (Almere, Arnhem, Bergen op Zoom, Den Bosch/Oss, Groningen, Leiden,
Nijmegen en Tilburg).
Binnen het landelijke kader van een decentrale overheid waarbij gemeenten beleidsvrijheid
hebben en gezien het karakter van de financiering, een decentralisatie-uitkering,
is expliciet ruimte voor lokale invulling door gemeenten. Dat betreft onder meer dat
gemeenten zelf keuzes kunnen maken over de maximale verblijfsduur en het type opvang,
ondersteuning en uitvoerende organisaties. Gemeenten differentiëren waar nodig, passend
bij lokale casuïstiek en capaciteit.
Terugkeerondersteuning is een vast onderdeel van de landelijke aanpak wanneer duurzaam
verblijf en werk in Nederland niet haalbaar zijn. Gemeenten werken daarbij samen met
maatschappelijke organisaties zoals stichting Barka, Leger des Heils en de Regenbooggroep
voor informatievoorziening, praktische hulp bij de reis en, waar mogelijk, een warme
overdracht in het herkomstland.
Als de IND vaststelt dat geen rechtmatig verblijf (meer) bestaat op grond van Richtlijn
2004/38/EG (de Vrij-verkeerrichtlijn) volgt in beginsel een vertrektermijn van 28
dagen om zelfstandig te vertrekken. Vaststelling dat het verblijfsrecht is vervallen,
gaat volgens een juridisch kader op basis van de Vrij-verkeerrichtlijn en nationale
regelgeving. Registraties van overlast en openbare orde worden hierbij betrokken.
De IND werkt hierbij nauw samen met de politie en gemeenten.
Indien de EU-burger vervolgens niet meewerkt aan zelfstandig vertrek, kan gedwongen
terugkeer volgen. De DTenV regelt de gedwongen terugkeer van EU-burgers nadat door
de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM) van de politie
een vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd. Vreemdelingenbewaring kan worden ingezet
om terugkeer te organiseren als door de IND is vastgesteld dat de betrokken EU-burger
geen rechtmatig verblijf (meer) heeft, uitzetbaar is en dat een lichter middel niet
zal leiden tot het vertrek van de vreemdeling. Zo wordt binnen het geldende kader
maximaal ingezet op het realiseren van terugkeer.
Uit de eerste evaluatie van de kortdurende opvang blijkt dat gemiddeld 62% van de
dakloze EU-burgers in de pilots positief uitstroomt.5 Dit kan zijn naar werk en huisvesting in Nederland, terugkeer naar het herkomstland
of een andere vervolgvoorziening.
Maandelijks vindt overleg plaats met deelnemende gemeenten, de VNG en de Ministeries
van JenV, SZW en VWS om succesvolle werkwijzen te delen en knelpunten te adresseren
in de landelijke aanpak. In steden met veel casuïstiek (o.a. Amsterdam, Rotterdam
en Den Haag) is een vaste overlegstructuur ingericht met de IND, DTenV en AVIM om
casuïstiek te bespreken.
Bevindingen Rotterdamse aanpak
Naar aanleiding van de bovengenoemde motie is de Rotterdamse aanpak tweemaal geagendeerd
en besproken in het maandelijkse overleg met deelnemende gemeenten. Uit deze gesprekken
blijkt dat de Rotterdamse invulling aansluit op de landelijke aanpak. Rotterdam zet,
conform de landelijke lijn, in op actieve benadering van dakloze EU-burgers, een snelle
beoordeling van perspectief op werk en huisvesting en, indien gewenst, begeleiding
bij terugkeer. De gemeente past een integrale aanpak toe voor dakloze EU-arbeidsmigranten,
met onder meer 24-uursopvang, begeleiding in eigen taal en cultuur, toegang tot NA/AA-bijeenkomsten,
aanwezigheid van een verpleegkundige en straatarts op locatie, koppeling met (zorg)instellingen
in het land van herkomst voor medische repatriëring, inzet van verslavingszorg en
de mogelijkheid tot consultatie van een psychiater. Deze elementen dragen bij aan
de relatief succesvolle begeleiding naar een nieuw toekomstperspectief. De meerkosten
van deze aanvullende onderdelen bovenop de basisaanpak worden grotendeels door de
gemeente Rotterdam gedragen.
De onderdelen van deze aanpak passen binnen het landelijke beleid en worden ook in
andere gemeenten toegepast. Andere gemeenten tonen met name belangstelling voor de
intensieve inzet van verslavingszorg in Rotterdam, maar geven aan dat de schaalbaarheid
afhankelijk is van lokale capaciteit en voorzieningen. Het is aan de deelnemende gemeenten
om hierin keuzes te maken.
Het kabinet is blij met de uitbreiding van de kortdurende opvang en ondersteuning
voor niet-rechthebbende dakloze EU-burgers. De constructieve samenwerking met gemeenten
en tussen gemeenten onderling is hierbij essentieel gebleken en wij zetten die onverminderd
voort. Wij beschouwen hiermee de motie van de leden Clemminck en Nobel als afgedaan.
De Minister van Asiel en Migratie,
G. van den Brink
Ondertekenaars
G. van den Brink, minister van Asiel en Migratie