Brief regering : Stand van zaken Ruimte voor de Rivier 2.0
31 710 Deltaprogramma
Nr. 88
BRIEF VAN DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 22 juni 2026
Het programma Ruimte voor de Rivier 2.0 (RvdR 2.0) is op 3 april 2025 van start gegaan
met als doel om in 2026 tot een aantal belangrijke besluiten te komen over de toekomst
van het rivierengebied. Onze grote rivieren zijn maatschappelijk-economisch van groot
belang voor Nederland: ze voeren hoogwater veilig af, ze voeren zoetwater aan en verdelen
het in tijden van droogte. Rivieren zijn essentieel voor de scheepvaart, landbouw
en natuur, en ze vormen een uniek Nederlands cultuurlandschap waarin volop gerecreëerd
wordt. Het riviersysteem staat echter onder toenemende druk. We krijgen steeds vaker
te maken met steeds extremer laag water, wat gevolgen heeft voor de bevaarbaarheid
en de zoetwaterbeschikbaarheid voor onder andere natuur en de landbouw. Ook zullen
we vaker extreem hoogwater veilig moeten afvoeren met zo min mogelijk impact op mens
en economie.
Daarnaast hebben eerdere ingrepen – zoals kribben en dijken – de rivier vastgelegd.
Daardoor kan de rivier minder goed meebewegen en treedt op veel plekken erosie van
de rivierbodem op. Op sommige trajecten van de Waal is de bodem in de afgelopen decennia
anderhalve tot twee meter uitgesleten en de waterstanden dalen mee met de lager gelegen
rivierbodem. De gevolgen daarvan worden steeds zichtbaarder: er ontstaan drempels
in de vaarweg waardoor deze minder betrouwbaar wordt bij lage afvoeren, grondwaterstanden
in de omgeving dalen mee met de rivier met schade aan landbouw, natuur en funderingen
tot gevolg en de verdeling van zoetwater raakt uit balans. Vooral dat laatste is zorgelijk,
omdat het IJsselmeer in droge perioden een cruciale bron van zoetwater is voor een
groot deel van Nederland.
Economische schade droogte
Vanaf 2018 zijn 6 van de 8 zomers droog geweest. Dit levert economische schade op.
Zo werd de financiële impact op de binnenvaartsector (vervoerders en verladers) van
de droogte in 2018 ingeschat op € 295 miljoen1. Hierbij is de economische impact op de maatschappij niet meegenomen, waardoor de
totale schade hoger zal uitvallen. Daarnaast werd er in 2018 9% minder vervoerd over
water vanwege de lage waterstanden. Eén schip dat niet kan varen zorgt voor 110–660
extra vrachtwagens op de weg. Dit zorgt dus ook voor extra belasting van het wegennet.
De economische schade op de landbouw in 2018 werd geschat tussen de € 560 miljoen
en € 1,9 miljard2. Niet bekend is welk deel daarvan werd veroorzaakt door het niet optimaal verdelen
van het rivierwater en gedaalde grondwaterstanden, als gevolg van rivierbodemdaling.
In de zomerperiode levert de Rijn 80% van de zoetwateraanvoer van Nederland. Dit maakt
duidelijk dat het van groot belang is dat het water dat in droge zomers via de Rijn
Nederland binnenkomt optimaal verdeeld en benut wordt om de schade op zijn minst enigszins
te beperken.
Het vorige kabinet heeft daarom in het Programma Integraal Riviermanagement (Kamerstukken
31 710, nr. 86) besloten dat de rivierbodemdaling moet worden gestopt. De urgente vraag die nu voorligt,
is op welke manier dat het beste kan. Het programma RvdR 2.0 heeft de afgelopen anderhalf
jaar onderzoek gedaan naar de wijze waarop de rivierbodem kan worden gestabiliseerd
en naar hoeveel ruimte de rivier in de toekomst nodig heeft om veilig hoogwater af
te voeren in combinatie met de andere rivierfuncties.
Conform planning zijn alle benodigde onderzoeken voor de rivierbodem inmiddels afgerond.
De onderzoeksrapporten worden als bijlage bij deze brief met de Kamer gedeeld. Er
zijn twee oplossingsrichtingen onderzocht om rivierbodemdaling te stoppen: structureel
suppleren – het (terug)storten van sediment om de erosie te compenseren – en het anders
inrichten van de rivier, door extra geulen aan te leggen zodat de erosieve kracht
van het water afneemt. Uit deze onderzoeken komt een duidelijke voorkeursrichting
naar voren die zich richt op het stoppen van de bodemdaling en het herstellen van
de balans in het riviersysteem.
Voor de Maas komt uit de onderzoeken dat er op de Gemeenschappelijke Maas (het traject
van de Maas op de grens met België) jaarlijks sediment moet worden toegevoegd (suppleren).
Dit suppleren is hier noodzakelijk, omdat de Maas nauwelijks sediment ontvangt vanuit
het bovenstroomse deel en daardoor versneld erodeert. Daarnaast moet nader onderzoek
worden gedaan naar de opbouw van de rivierbodem. Vanwege de urgentie van deze problematiek
en de doorlooptijd van dit onderzoek is het besluit genomen om dit onderzoek versneld
te starten. Ook moet vervolgonderzoek worden gestart naar structurele maatregelen
om het ontstaan van diepe erosiekuilen, zoals onder andere bij het hoogwater in 2021,
te voorkomen.
Voor de Waal komt uit de onderzoeken dat een structurele ingreep noodzakelijk is om
de voortgaande en grootschalige erosie te stoppen. De aanleg van een meergeulensysteem
(MGS) gecombineerd met het aanvullen van sediment (suppleren) komt naar voren als
de enige maatregel die de bodem structureel kan stabiliseren én tegelijkertijd bijdraagt
aan bevaarbaarheid, natuurherstel en een betere verdeling van zoetwater.
Het alternatief van uitsluitend structureel suppleren blijkt geen integrale oplossing
voor de problematiek, omdat deze niet de noodzakelijke verbetering levert voor bevaarbaarheid,
natuurherstel en zoetwaterverdeling. De onderzoeken onderstrepen de urgentie om direct
te starten met suppleren en voortvarend uitvoering te geven aan de (eerste fase van)
de aanleg van het meergeulensysteem, zodat verdere bodemdaling en de daarmee samenhangende
risico’s en schade worden voorkomen. Een gefaseerde aanleg biedt de mogelijkheden
om te leren en bij te sturen. Uit de onderzoeken blijkt dat de totale kosten van de
voorgestelde maatregelen (inclusief 100 jaar beheer en onderhoud) worden geraamd op
€ 4 tot 5 miljard. Voor alleen aanleg is een bedrag van € 2,5 miljard euro geraamd.
Op dit moment is er in de beleidsreservering voor RvdR 2.0 op het Deltafonds (DF)
tot en met 2039 in totaal € 702 miljoen en op het Mobiliteitsfonds (MF) € 100 miljoen
beschikbaar. Met de huidige middelen op het DF en MF kan een betekenisvolle eerste
stap worden gerealiseerd door de aanleg van het eerste deel van het MGS in combinatie
met het suppleren van de rivierbodem op zowel Rijntakken als Maas. Deze eerste stap
draagt bij aan verbetering van de waterveiligheid en bevaarbaarheid en is daarmee
ook in zichzelf een goede maatregel.
De voorgestelde richting is op 16 april jl. bestuurlijk besproken in de Stuurgroep
Ruimte voor de Rivier 2.0. De Stuurgroep en ook het Bestuurlijk Overleg Water onderschrijven
de uitkomsten van de onderzoeken en adviseren het kabinet om de beleidsreservering
RvdR 2.0 op het DF en MF aan te wenden voor een eerste no-regret fase. Met daarbij de aantekening dat er voldoende beschikbaar moet blijven voor lopende
projecten. In de beleidsbrief van IenW van 24 april 2026 (Kamerstukken 36 800 XII, nr. 34) is aangekondigd dat de Kamer in juni zou worden geïnformeerd over de eerste keuzes
van het kabinet voor Ruimte voor de Rivier 2.0. Dit duurt echter iets langer, ik verwacht
de Kamer hierover in juli te informeren.
Later dit jaar volgt nog een tweede keuze over het rivierengebied, te weten een besluit
over het reserveren van binnendijkse ruimte voor de lange termijn in samenhang met
een besluit over de afvoerverdeling bij extreem hoogwater over de Rijntakken. Deze
samenhangende besluiten kunnen gevolgen hebben voor plannen bij gemeenten die aan
de rivier liggen. Juist daarom nemen we hier meer tijd voor. Enerzijds om nog aanvullend
onderzoek (gevoeligheidsanalyses) uit te voeren. Anderzijds om, met het oog op de
impact op lokaal niveau, het gesprek met gemeenten te voeren en gemeenten meer tijd
te geven aandachtspunten mee te geven ten aanzien van het besluit. We zijn hierover
met de gemeenten constructief in gesprek. Ik verwacht de Kamer eind dit jaar over
dit besluit te kunnen informeren. Beide keuzes worden uiteindelijk verankerd in het
Nationaal Waterprogramma 2028–2033, waarvan het ontwerp eind van dit jaar wordt vastgesteld.
Ambitie laagwaterafvoerverdeling
Door toenemende verdamping, neerslagtekorten in de zomer en afnemende rivierafvoeren
wordt het wateraanbod kleiner en het risico op watertekorten groter. Daarbij is elke
watertekortsituatie anders. Het is daarom belangrijk om flexibel te zijn en het beschikbare
water zo optimaal mogelijk te verdelen, afhankelijk van de specifieke droogtesituatie.
Dit doen we door situationeel te sturen in het watersysteem, met name met de stuw
Driel. Zo kan bijvoorbeeld via de IJssel de zoetwaterbuffer in het IJsselmeer (aan)gevuld
worden als de situatie daarom vraagt. En bij (extreem) lage rivierafvoeren en oprukkende
verzilting in de Rijn-Maasmonding kan er bijvoorbeeld meer water via de Nederrijn-Lek
naar West-Nederland worden gestuurd.
Door de bodemdaling op de Waal gaat er in laagwatersituaties steeds meer water naar
de Waal en steeds minder water naar het Pannerdensch Kanaal, de IJssel en het IJsselmeergebied.
Om beter situationeel te kunnen sturen, wordt voor laagwatersituaties de ambitie uitgesproken
om de afvoerverdeling zodanig te herstellen dat zo lang mogelijk, tot een afvoer van
1.300 m3/s te Lobith, minimaal 315 m3/s over het Pannerdensch Kanaal wordt afgevoerd. Dit komt overeen met hoe de afvoerverdeling
in het verleden was. Over deze ambitie is overeenstemming bereikt in het Bestuurlijk
Platform Zoetwater. Deze ambitie wordt als vertrekpunt gehanteerd voor bovengenoemde
maatregelen in het programma Ruimte voor de rivier 2.0.
De Minister van Infrastructuur en Waterstaat,
V.P.G. Karremans
Ondertekenaars
V.P.G. Karremans, minister van Infrastructuur en Waterstaat