Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over het eindrapport 'Evaluatie subsidieregeling opvang kinderen van ouders met een trekkend of varend bestaan' (Kamerstuk 29214-112)
29 214 Subsidiebeleid VWS
Nr. 114
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 22 juni 2026
De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft een aantal vragen
en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport over
de brief van 23 maart 2026 over het eindrapport «Evaluatie subsidieregeling opvang
kinderen van ouders met een trekkend of varend bestaan» (Kamerstuk 29 214, nr. 112).
De vragen en opmerkingen zijn op 15 mei 2026 aan de Minister van Langdurige Zorg,
Jeugd en Sport voorgelegd. Bij brief van 22 juni 2026 zijn de vragen beantwoord.
De voorzitter van de commissie, Mohandis
Adjunct-griffier van de commissie, Sjerp
Inhoudsopgave
I.
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
2
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
2
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
2
Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractie
2
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
3
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
4
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
5
Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower
5
II.
Reactie van de Minister
5
I. Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van het eindrapport inzake de evaluatie
subsidieregeling opvang kinderen van ouders met een trekkend of varend bestaan.
De leden van de D66-fractie lezen dat de huidige bekostigingsstructuur momenteel nog
doelmatig is, maar dat deze volgens de evaluatie in de toekomst, waarin meer krimp
wordt verwacht, beproefd wordt. Deze leden constateren dat het huidige bekostigingsmodel
volledig gebaseerd is op het aantal kinderen, terwijl een deel van de lasten van internaten
zoals huisvesting, onderhoud en basisbezetting een vast of semi-vast karakter kent
en niet flexibel kan worden afgebouwd bij dalende deelname. De Minister geeft aan
de uitkomsten van de evaluatie te betrekken bij de vormgeving van de nieuwe regeling.
De leden van de D66-fractie vragen de Minister hoe zij concreet invulling geeft aan
de aanbeveling om het financieringsmodel nader te bezien, zodat ook in de toekomst
kwaliteit geborgd blijft. Zij vragen daarbij ook of de Minister bereid is een hybride
model, bestaande uit een vast basisbedrag per locatie en een variabele kindgebonden
bijdrage, te overwegen. Tot slot vragen de leden van de D66-fractie welke concrete
maatregelen de Minister overweegt om de financiële continuïteit van internaten bij
verdere krimp te waarborgen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het eindrapport
en de kabinetsreactie. Zij hebben geen verdere vragen of opmerkingen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractie
De leden van de PRO-fractie hebben kennisgenomen van het eindrapport inzake de evaluatie
van de subsidieregeling voor de opvang van kinderen van ouders met een trekkend of
varend bestaan. Zij hebben hier nog enkele vragen over.
De leden van de PRO-fractie lezen dat de Minister naar verwachting de Kamer in het
najaar zal informeren over de ontwerpregeling. Is de Minister eventueel bereid om
bij het aanleveren van de ontwerpregeling ook nader te reflecteren op de voor- en
nadelen van de in het rapport gesuggereerde alternatieve mogelijkheden voor onderwijs,
huisvesting en financiering?
De leden van de PRO-fractie lezen in het eindrapport dat er naar aanleiding van het
onderzoek nog bredere vraagstukken aan de orde zijn gekomen, die relevant zijn voor
de toekomst maar niet tot de kern van het onderzoek behoren. Dit gaat in het bijzonder
om vraagstukken omtrent samenwerking en clustering en vastgoedstructuren. Hoe reflecteert
de Minister hierop en is zij bereid de vraagstukken nader te onderzoeken? Zo ja, welke
concrete vervolgstappen worden hiervoor gezet en welk tijdspad heeft zij voor ogen?
Zo nee, waarom niet?
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de brief van
de Minister inzake de evaluatie van de subsidieregeling opvang kinderen van ouders
met een trekkend of varend bestaan en van het bijbehorende evaluatierapport.
Deze leden lezen dat de subsidieregeling op hoofdlijnen als doeltreffend en doelmatig
wordt beoordeeld en dat de Minister voornemens is de regeling te verlengen. Tegelijkertijd
bevat de evaluatie verschillende aandachtspunten ten aanzien van de toekomstbestendigheid
van de regeling, de positie van specifieke subdoelgroepen en de financieringssystematiek.
Daarover hebben deze leden nog enkele vragen en opmerkingen.
De leden van de PVV-fractie lezen dat in de evaluatie wordt gesproken over het heroverwegen
van de noodzaak om bepaalde subdoelgroepen binnen de regeling te handhaven. Deze leden
vragen de Minister welk concreet vangnet is voorzien voor kinderen en ouders als de
regeling voor bepaalde subdoelgroepen wordt aangepast of beëindigd. Deze leden vragen
de Minister te garanderen dat geen enkel kind tussen wal en schip valt bij een eventuele
heroverweging van de regeling voor specifieke subdoelgroepen.
Voorts vragen genoemde leden de Minister op welke bestaande voorzieningen deze gezinnen
in dat geval zouden kunnen terugvallen en in hoeverre die voorzieningen in de praktijk
daadwerkelijk toegankelijk en passend zijn voor gezinnen met een trekkend of varend
bestaan.
De leden van de PVV-fractie vragen de Minister of in kaart is gebracht hoeveel kinderen
en ouders in de knel komen als de regeling voor specifieke subdoelgroepen wordt beperkt
of beëindigd. Indien dat niet het geval is, vragen deze leden waarom niet en of de
Minister daartoe alsnog bereid is.
Deze leden vragen de Minister welke risico’s zij ziet voor de ontwikkeling, de stabiliteit
van de opvang en het welzijn van deze kinderen wanneer bestaande opvangvoorzieningen
zouden wegvallen. Voorts vragen zij hoe wordt voorkomen dat ouders noodgedwongen stoppen
met werken of informele, mogelijk minder stabiele of minder veilige, opvang moeten
organiseren als de regeling wordt beperkt.
De leden van de PVV-fractie vragen de Minister hoe een eventuele afbouw of beperking
van de regeling zich verhoudt tot de culturele en economische waarde van de betrokken
sectoren.
Deze leden vragen de Minister of zij het risico ziet dat bepaalde groepen in de praktijk
feitelijk geen gebruik meer kunnen maken van internaatvoorzieningen wanneer zij buiten
de regeling zouden komen te vallen.
Voorts vragen deze leden of in de evaluatie rekening is gehouden met mogelijke toekomstige
groei van het aantal kinderen uit deze subdoelgroepen. Zij vragen de Minister tevens
hoe flexibel het beleid is ingericht om in te spelen op een eventuele stijging van
de vraag naar internaatopvang. De leden van de PVV-fractie vragen de Minister of zij
het risico onderkent dat nu capaciteit of maatwerk wordt afgebouwd, terwijl dit op
een later moment mogelijk met extra kosten weer moet worden opgebouwd.
Deze leden vragen de Minister in hoeverre zij erkent dat de verschillende subdoelgroepen
binnen de regeling structureel andere behoeften kunnen hebben dan reguliere gezinnen
en dat juist daarom maatwerk binnen deze regeling van belang kan zijn. Voorts vragen
deze leden of het heroverwegen van de positie van bepaalde subdoelgroepen vooral is
ingegeven door inhoudelijke afwegingen of door financiële overwegingen. Zij vragen
de Minister daarop helder in te gaan.
De leden van de PVV-fractie vragen de Minister hoe wordt voorkomen dat noodzakelijk
maatwerk verdwijnt onder het mom van vereenvoudiging of stroomlijning van beleid.
Genoemde leden vragen de Minister of zij bereid is de regeling in de huidige vorm
te laten voortbestaan zolang niet overtuigend is aangetoond dat aanpassing geen nadelige
gevolgen heeft voor kinderen en ouders die van deze regeling afhankelijk zijn. Indien
de Minister daartoe niet bereid is, vragen deze leden dat uitvoerig te motiveren.
De leden van de PVV-fractie lezen daarnaast in de evaluatie dat het huidige bekostigingsmodel
onvoldoende aansluit op de werkelijke kostenstructuur van internaten en dat een hybride
financieringsmodel wordt aanbevolen. Deze leden vragen de Minister welke richting
zij op dit punt voor ogen heeft bij de vormgeving van de nieuwe regeling en op welke
wijze zij daarbij de continuïteit van opvanglocaties wil waarborgen.
Tot slot vragen deze leden hoe de Kamer voorafgaand aan de nieuwe ontwerpregeling
wordt meegenomen in de keuzes ten aanzien van de financieringssystematiek, mede gezien
het voornemen van de Minister om de regeling per 2027 te verlengen en de Kamer in
het najaar te informeren.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de evaluatie van de subsidieregeling
opvang kinderen van ouders met een trekkend of varend bestaan. Deze leden hebben hierover
nog enkele vragen.
De leden van de CDA-fractie vragen in hoeverre de daling van het aantal kinderen structureel
van aard is. Deze leden vragen hoeveel internaten er momenteel zijn en welke gevolgen
dit heeft voor het aantal internaten of locaties van internaten. Dreigen er op dit
moment internaten of internaatlocaties te sluiten en zo ja, welke? En verwacht de
Minister dat er daardoor in de toekomst minder budget nodig is voor de subsidieregeling,
en zo ja, hoeveel minder?
De leden van de CDA-fractie vragen hoe de Minister reageert op de aanbevelingen uit
het onderzoek. Is de Minister voornemens om de aanbeveling over te nemen om een hybride
financieringsmodel in te voeren, om de (financiële) stabiliteit van internaten te
versterken? En hoe kijkt de Minister naar de aanbeveling om de huurcomponent expliciet
te erkennen en (deels) te subsidiëren? Deze leden vragen ook hoe de Minister naar
meerjarige subsidietoekenning kijkt, aangezien verschillende stakeholders aangeven
dat dit niet aansluit bij de behoefte aan voorspelbaarheid.
De leden van de CDA-fractie vragen wat de reactie van de Minister is op de overige
bevindingen uit het onderzoek, zoals de bevindingen over de toegankelijkheid van internaten
en de bevindingen over de ouderbijdrage.
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben met belangstelling het rapport van de evaluatie
subsidieregeling opvang kinderen van ouders met een trekkend of varend bestaan gelezen.
Deze leden vinden het geruststellend dat de regeling als doeltreffend wordt beoordeeld.
Dat ouders de nabijheid van scholen, de continuïteit in onderwijs en de sociale omgeving
van internaten waarderen is belangrijk en goed om te lezen. Dat ook de doelmatigheid
als goed beoordeeld wordt, is een goed teken.
De leden van de BBB-fractie vinden het positief dat in dit onderzoek de ervaringen,
wensen en inzichten van ouders van met name schipperskinderen (die het meest van deze
opvang gebruik maken) nadrukkelijk zijn meegenomen. Juist deze ouders weten als geen
ander wat voor hun kinderen werkt in de praktijk. Dat zij aangeven dat internaten
voor hun kinderen vaak de meest stabiele en passende oplossing zijn, zien deze leden
als een belangrijk signaal dat de huidige opvangstructuur in veel gevallen goed aansluit
bij de behoeften van schippersgezinnen. De leden van de BBB-fractie lezen het rapport
dus als overwegend zeer positief.
Uit het onderzoek ontstaat het beeld dat internaten voor schipperskinderen in de praktijk
nog altijd voorzien in een duidelijke behoefte en dat volwaardige alternatieven veelal
ontbreken of in elk geval niet dezelfde stabiliteit en uitvoerbaarheid bieden voor
schippersgezinnen. Deze leden zien in het rapport dan ook geen aanleiding om de huidige
systematiek ingrijpend te wijzigen.
De leden van de BBB-fractie hebben daarom geen nadere vragen over het rapport zelf,
maar vernemen wel graag hoe de Minister de uitkomsten van dit onderzoek beoordeelt.
Deelt de Minister de conclusie dat internaten voor veel schippersgezinnen nog altijd
een passende en noodzakelijke voorziening vormen? Kan de Minister tevens bevestigen
dat zij voornemens is deze voorziening ook in de toekomst op vergelijkbare wijze te
blijven ondersteunen en geen wijzigingen voorbereidt die afbreuk doen aan de huidige
praktijk?
Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower
De leden van Groep Markuszower hebben kennisgenomen van de voorliggende stukken en
wachten de beantwoording van de Minister met belangstelling af en hebben voor nu geen
vragen en/of opmerkingen.
II. Reactie van de Minister
D66
De leden van de D66-fractie vragen de Minister hoe zij concreet invulling geeft aan
de aanbeveling om het financieringsmodel nader te bezien, zodat ook in de toekomst
kwaliteit geborgd blijft. Zij vragen daarbij ook of de Minister bereid is een hybride
model, bestaande uit een vast basisbedrag per locatie en een variabele kind gebonden
bijdrage, te overwegen. Tot slot vragen de leden van de D66-fractie welke concrete
maatregelen de Minister overweegt om de financiële continuïteit van internaten bij
verdere krimp te waarborgen.
Ik ben naar aanleiding van de aanbevelingen van Improven een nieuwe regeling aan het
vormgegeven. Hierover voer ik ook gesprekken met de schippersinternaten en de LOVT.
Ik overweeg daarbij een hybride model, bestaande uit een vast basisbedrag (gerelateerd
aan de vaste kosten van de internaten) en een variabele kind-gebonden bijdrage. Daarbij
wordt ook op verzoek van beide schippersinternaten gekeken naar de huidige verdeling
van de subsidiemiddelen.
Hiermee sluit ik aan bij de aanbeveling van Improven. Zij doet immers de aanbeveling
in de nieuwe regeling een hybride financieringsmodel te introduceren, bestaande uit
een vast basisbedrag per locatie en een variabele kind-gebonden bijdrage. Zij stelt
dat: «een dergelijk model leidt tot meer stabiliteit van de opbrengsten, doet recht
aan de vaste kosten van internaten en biedt de internaten tegelijkertijd prikkels
om tijdig beleid te maken bij krimp. Ook biedt dit volgens Improven een betere basis
om de huidige spreiding van internaten te waarborgen».
Bij het verkennen van mogelijkheden is ook expliciet aandacht voor het (verzachten
van het) effect van krimp op één locatie. Tegelijkertijd is er altijd een omslagpunt
dat het kinderaantal op een locatie dusdanig krimpt dat het bedrijfseconomisch niet
meer rendabel is om het internaat open te houden.
PRO
De leden van de PRO-fractie lezen dat de Minister naar verwachting de Kamer in het
najaar zal informeren over de ontwerpregeling. Is de Minister eventueel bereid om
bij het aanleveren van de ontwerpregeling ook nader te reflecteren op de voor- en
nadelen van de in het rapport gesuggereerde alternatieve mogelijkheden voor onderwijs,
huisvesting en financiering?
Ik ben daartoe uiteraard bereid en vooruitlopend daarop kan ik u alvast een korte
toelichting geven. In haar rapport verkent Improven enkele andere groepen in Nederland
voor wie het ook niet altijd mogelijk is om onderwijs te volgen op een reguliere school
dichtbij huis. De wijze waarop onderwijs voor deze groepen kinderen wordt georganiseerd
worden in het rapport geschetst. Echter, de situatie van genoemde voorbeelden (Topsporttalent
en Waddeneilanden) verschilt wezenlijk van die van kinderen van trekkende of varende
ouders. Verder wordt beschreven dat hybride onderwijs slechts tijdelijk en/of voor
een deel van de doelgroep soelaas kan bieden als alternatief, mede vanwege het ontbreken
van vergelijkbare mogelijkheden voor sociale ontwikkeling én omdat ouders niet (continu)
beschikbaar zijn tijdens het varen voor het geven en/of ondersteunen bij hybride onderwijs.
De leden van de PRO-fractie lezen in het eindrapport dat er naar aanleiding van het
onderzoek nog bredere vraagstukken aan de orde zijn gekomen, die relevant zijn voor
de toekomst maar niet tot de kern van het onderzoek behoren. Dit gaat in het bijzonder
om vraagstukken omtrent samenwerking en clustering en vastgoedstructuren. Hoe reflecteert
de Minister hierop en is zij bereid de vraagstukken nader te onderzoeken? Zo ja, welke
concrete vervolgstappen worden hiervoor gezet en welk tijdspad heeft zij voor ogen?
Zo nee, waarom niet?
Improven beschrijft in haar rapport dat clustering tussen locaties en de intensivering
van samenwerking kan bijdragen aan continuïteit, kennisdeling, professionalisering
en efficiënter (doelmatiger) gebruik van personeel en voorzieningen. Dergelijke afwegingen
vallen primair onder de verantwoordelijkheid van de besturen van de twee schippersinternaten.
Het is aan hen om daarover te besluiten.
PVV
De leden van de PVV-fractie lezen dat in de evaluatie wordt gesproken over het heroverwegen
van de noodzaak om bepaalde subdoelgroepen binnen de regeling te handhaven. Deze leden
vragen de Minister welk concreet vangnet is voorzien voor kinderen en ouders als de
regeling voor bepaalde subdoelgroepen wordt aangepast of beëindigd. Deze leden vragen
de Minister te garanderen dat geen enkel kind tussen wal en schip valt bij een eventuele
heroverweging van de regeling voor specifieke subdoelgroepen.
Voorts vragen genoemde leden de Minister op welke bestaande voorzieningen deze gezinnen
in dat geval zouden kunnen terugvallen en in hoeverre die voorzieningen in de praktijk
daadwerkelijk toegankelijk en passend zijn voor gezinnen met een trekkend of varend
bestaan.
De leden van de PVV-fractie vragen de Minister of in kaart is gebracht hoeveel kinderen
en ouders in de knel komen als de regeling voor specifieke subdoelgroepen wordt beperkt
of beëindigd. Indien dat niet het geval is, vragen deze leden waarom niet en of de
Minister daartoe alsnog bereid is.
Deze leden vragen de Minister of zij het risico ziet dat bepaalde groepen in de praktijk
feitelijk geen gebruik meer kunnen maken van internaatvoorzieningen wanneer zij buiten
de regeling zouden komen te vallen.
Improven adviseert om de noodzaak om de kermis- en circuskinderen binnen de regeling
te handhaven te heroverwegen. Zij ziet de betreffende doeltreffendheid van de regeling
als zeer beperkt, gezien het minimale gebruik van internaten door deze subdoelgroep
en het bestaan van beter passende onderwijsvoorzieningen. Ik deel met de PVV-fractie
dat dit zou kunnen leiden tot een complexe situatie, specifiek voor de kinderen die
binnen deze doelgroep vallen en waarvoor het internaat niet langer subsidie zou ontvangen
indien op deze wijze de regeling wordt aangepast. Daarbij is de groep kermis- en circuskinderen
die gebruik maakt van de internaten beperkt. Ik ben daarom niet voornemens om deze
aanbeveling over te nemen.
Deze leden vragen de Minister ook welke risico’s zij ziet voor de ontwikkeling, de
stabiliteit van de opvang en het welzijn van deze kinderen wanneer bestaande opvangvoorzieningen
zouden wegvallen. Voorts vragen zij hoe wordt voorkomen dat ouders noodgedwongen stoppen
met werken of informele, mogelijk minder stabiele of minder veilige, opvang moeten
organiseren als de regeling wordt beperkt.
Improven heeft geen onderzoek gedaan naar de invloed van opvang op de ontwikkeling
en het welzijn van kinderen. Echter, de insteek bij de evaluatie was om de effectiviteit
en doelmatigheid in de situatie van krimp te bezien. Daaruit zijn verschillende aanbevelingen
naar voren gekomen die beter inspelen op de specifieke situatie van de internaten.
Ik ben op dit moment aan het kijken op welke wijze ik opvolging kan geven aan deze
aanbevelingen, waarbij ik zoek naar een vorm die niet leidt tot een herverdeling tussen
internaten, maar wel meer financiële zekerheid biedt bij krimp. Hierbij denk ik aan
de introductie van een vaste component in de regeling. Verder geldt dat ik voornemens
ben de regeling te verlengen.
De leden van de PVV-fractie vragen de Minister hoe een eventuele afbouw of beperking
van de regeling zich verhoudt tot de culturele en economische waarde van de betrokken
sectoren.
Voorts vragen deze leden of in de evaluatie rekening is gehouden met mogelijke toekomstige
groei van het aantal kinderen uit deze subdoelgroepen. Zij vragen de Minister tevens
hoe flexibel het beleid is ingericht om in te spelen op een eventuele stijging van
de vraag naar internaatopvang. De leden van de PVV-fractie vragen de Minister of zij
het risico onderkent dat nu capaciteit of maatwerk wordt afgebouwd, terwijl dit op
een later moment mogelijk met extra kosten weer moet worden opgebouwd.
De evaluatie benoemt dat door de opbouw van de huidige regeling, waarbij de internaten
bijna volledig gefinancierd worden o.b.v. het aantal kinderen, kwetsbaar is in de
situatie van krimp (capaciteitsveranderingen). Aan de hand van de aanbevelingen van
Improven wordt bekeken hoe hier anders mee om kan worden gegaan. De prognoses van
het aantal kinderen de komende vijf jaar wordt ook gebruikt om te bekijken hoe hernieuwing
van de regeling zal uitpakken. De verwachting op basis van deze prognoses is dat er
in de toekomst sprake zal zijn van verdere krimp.
Deze leden vragen de Minister in hoeverre zij erkent dat de verschillende subdoelgroepen
binnen de regeling structureel andere behoeften kunnen hebben dan reguliere gezinnen
en dat juist daarom maatwerk binnen deze regeling van belang kan zijn. Voorts vragen
deze leden of het heroverwegen van de positie van bepaalde subdoelgroepen vooral is
ingegeven door inhoudelijke afwegingen of door financiële overwegingen. Zij vragen
de Minister daarop helder in te gaan.
Ik herken dat de behoefte van de doelgroepen die onder de regeling vallen anders zijn
dan die van reguliere gezinnen. Dat is ook waar de subsidieregeling op inspeelt. Ten
aanzien van het heroverwegen van bepaalde subdoelgroepen in de regeling stelt Improven
in haar onderzoek dat: «…voor kermis- en circusgezinnen gelden andere patronen. Deze
doelgroepen lossen huisvesting en onderwijs doorgaans op via meereizende vormen, seizoen
gerichte opvang of flexibele onderwijsroutes. Dit verklaart waarom zij slechts beperkt
gebruikmaken van internaten en waarom alternatieven voor deze groepen in de praktijk
beter aansluiten bij hun mobiliteitspatroon». Gezien het beperkte aantal kinderen
zal de financiële consequentie van een eventuele aanpassing van doelgroepen binnen
de subsidieregeling beperkt zijn. Ik ben overigens niet voornemens om deze aanbeveling
over te nemen.
De leden van de PVV-fractie vragen de Minister hoe wordt voorkomen dat noodzakelijk
maatwerk verdwijnt onder het mom van vereenvoudiging of stroomlijning van beleid.
De subsidieregeling voorziet in maatwerk voor deze gezinnen en ik heb aangegeven voornemens
te zijn deze te verlengen. De subsidieregeling, zowel de huidige als de nieuwe, biedt
ook de ruimte aan de schippersinternaten zelf om te bepalen hoe de huisvesting, verzorging
en opvoeding van de bijna 400 kinderen op de schippersinternaten vorm te geven.
Genoemde leden vragen de Minister of zij bereid is de regeling in de huidige vorm
te laten voortbestaan zolang niet overtuigend is aangetoond dat aanpassing geen nadelige
gevolgen heeft voor kinderen en ouders die van deze regeling afhankelijk zijn. Indien
de Minister daartoe niet bereid is, vragen deze leden dat uitvoerig te motiveren.
De leden van de PVV-fractie lezen daarnaast in de evaluatie dat het huidige bekostigingsmodel
onvoldoende aansluit op de werkelijke kostenstructuur van internaten en dat een hybride
financieringsmodel wordt aanbevolen. Deze leden vragen de Minister welke richting
zij op dit punt voor ogen heeft bij de vormgeving van de nieuwe regeling en op welke
wijze zij daarbij de continuïteit van opvanglocaties wil waarborgen.
Ik ben voornemens om de subsidieregeling te verlengen en overweeg de introductie van
een hybride financieringsmodel dat beter aansluit bij de huidige uitvoeringspraktijk
van de subsidieontvangers. Tegelijkertijd is er altijd een omslagpunt dat het kinderaantal
op een locatie dusdanig krimpt dat het bedrijfseconomisch niet meer rendabel is om
het internaat open te houden.
Tot slot vragen deze leden hoe de Kamer voorafgaand aan de nieuwe ontwerpregeling
wordt meegenomen in de keuzes ten aanzien van de financieringssystematiek, mede gezien
het voornemen van de Minister om de regeling per 2027 te verlengen en de Kamer in
het najaar te informeren.
Ik zal de Kamer na de zomer informeren over de voorgenomen verlenging van de regeling
per 2027 en de verdere wijzigingen die ik dan zal doorvoeren in de subsidieregeling.
Daarbij zal de ontwerpregeling, conform de geldende procedure, aan de Kamer worden
voorgehangen. Tijdens deze voorhangprocedure heeft de Kamer de mogelijkheid om vragen
te stellen en eventuele wensen of aandachtspunten kenbaar te maken voordat de regeling
definitief wordt vastgesteld.
CDA
De leden van de CDA-fractie vragen in hoeverre de daling van het aantal kinderen structureel
van aard is. Deze leden vragen hoeveel internaten er momenteel zijn en welke gevolgen
dit heeft voor het aantal internaten of locaties van internaten. Dreigen er op dit
moment internaten of internaatlocaties te sluiten en zo ja, welke? En verwacht de
Minister dat er daardoor in de toekomst minder budget nodig is voor de subsidieregeling,
en zo ja, hoeveel minder?
Sinds 2000 is het aantal schipperskinderen gedaald van 1.600 naar 399 (2026). De twee
schippersinternaten hebben in 2026 in totaal acht internaatlocaties voor het huisvesten,
verzorgen en opvoeden van kinderen. De krimp kan ook effect hebben op het aantal locaties,
zeker waar het locaties met beperkte kind-aantallen betreft. Het kan dan op een gegeven
moment niet meer rendabel zijn om een locatie open te houden. Voor wat betreft het
toekomstige budget kan worden gesteld dat krimp haar weerslag hierop zal hebben. Echter,
het exacte verwachte financiële effect is nog niet bekend.
De leden van de CDA-fractie vragen hoe de Minister reageert op de aanbevelingen uit
het onderzoek. Is de Minister voornemens om de aanbeveling over te nemen om een hybride
financieringsmodel in te voeren, om de (financiële) stabiliteit van internaten te
versterken? En hoe kijkt de Minister naar de aanbeveling om de huurcomponent expliciet
te erkennen en (deels) te subsidiëren? Deze leden vragen ook hoe de Minister naar
meerjarige subsidietoekenning kijkt, aangezien verschillende stakeholders aangeven
dat dit niet aansluit bij de behoefte aan voorspelbaarheid.
Ik ben voornemens om de subsidieregeling te verlengen en om daarbij ook de aangehaalde
aanbevelingen te betrekken. De nieuwe subsidieregeling zal voor een volgende periode
verlengd worden, zodat hierover duidelijkheid aan de schippersinternaten wordt gegeven.
De subsidieregeling blijft gebaseerd op de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS
en blijft voorzien in het verstrekken van instellingssubsidie aan de internaten.
De leden van de CDA-fractie vragen wat de reactie van de Minister is op de overige
bevindingen uit het onderzoek, zoals de bevindingen over de toegankelijkheid van internaten
en de bevindingen over de ouderbijdrage.
In het rapport van Improven staan de overige bevindingen in bijlage 2. Dit betreft
bevindingen die voortkomen uit interviews, maar die verder niet zijn beoordeeld of
gestaafd door Improven. De toegankelijkheid hangt samen met spreiding van locaties
die de keuzevrijheid kan beïnvloeden. De ouderbijdrage bestaat op het moment uit een
inkomensafhankelijke bijdrage inclusief een vaste component. Uit interviews komt naar
voren dat ouders met sterk wisselende of dalende inkomens aangeven dat de bijdrage
niet altijd aansluit bij hun actuele financiële realiteit, omdat deze wordt vastgesteld
op basis van het inkomen in een voorafgaand jaar. Echter, Improven benadrukt daarbij
ook de praktische beperkingen van uitvoerbaarheid en voorspelbaarheid, waardoor er
weinig alternatieven voorhanden zijn.
BBB
De leden van de BBB-fractie hebben daarom geen nadere vragen over het rapport zelf,
maar vernemen wel graag hoe de Minister de uitkomsten van dit onderzoek beoordeelt.
Deelt de Minister de conclusie dat internaten voor veel schippersgezinnen nog altijd
een passende en noodzakelijke voorziening vormen? Kan de Minister tevens bevestigen
dat zij voornemens is deze voorziening ook in de toekomst op vergelijkbare wijze te
blijven ondersteunen en geen wijzigingen voorbereidt die afbreuk doen aan de huidige
praktijk?
De evaluatie laat zien dat er nog altijd een behoefte is aan een dergelijke regeling
en om deze voorziening te continueren. Het is aan het kabinet om periodiek te evalueren
of continuering nog voor de hand ligt. Zoals eerder aangegeven ben ik voornemens de
subsidieregeling te verlengen.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
M. Mohandis, voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport -
Mede ondertekenaar
E.M. Sjerp, adjunct-griffier