Brief regering : Routekaart 7 GW Kernenergie
32 645 Kernenergie
Nr. 177
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ECONOMISCHE ZAKEN EN KLIMAAT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 19 juni 2026
Inzet op kernenergie, naast andere bronnen, vergroot de robuustheid van het Nederlandse
energiesysteem. Kernenergie is namelijk in staat om energie te leveren als de zon
niet schijnt of de wind niet waait. Ik zie een grote toegevoegde waarde van het toevoegen
van stabiel productievermogen aan het energiesysteem. Daarnaast wordt met een grotere
inzet van kernenergie de energiemix gediversifieerd, wat het Nederlandse energiesysteem
weerbaarder maakt. Door in te zetten op kernenergie kan er daarnaast een bijdrage
worden geleverd aan het reduceren van CO2-uitstoot in moeilijk te verduurzamen sectoren.
Om deze redenen heb ik in de beleidsbrief van 24 april 2026 (Kamerstuk 36 800 XXIII, nr. 57) aangegeven dat ik een routekaart kernenergie ontwikkel, waarin ik de mogelijke uitbouw
tot 7 GW kernenergie in 2050 neerzet. Hiermee geef ik concreet invulling aan de passage
uit het Coalitieakkoord «We versterken het nucleaire cluster in Nederland, versnellen het SMR-programma en
ondersteunen maritieme nucleaire innovaties. Met het beschikbare budget uit het Klimaatfonds
en in samenwerking met marktpartijen wordt doorgewerkt aan de bouw van tenminste vier
nieuwe kerncentrales. Dit kunnen conventionele en ook modulaire reactoren (SMRs) zijn.
Hier zetten we samen met regionale overheden en industriële clusters op in».
Met de ingezette richting voor mogelijk 7 GW kernenergie in 2050, die deels ook met
kleine modulaire kernreactoren (SMR’s) ingevuld kan worden, verbreed ik de inzet op
kernenergie nadrukkelijk van het nieuwbouwproject, bedrijfsduurverlenging van de kerncentrale
Borssele en het versterken van het ecosysteem, naar een bredere programma-aanpak kernenergie.
Om deze capaciteit te kunnen bereiken, zet ik in op de versterking van de Nederlandse
nucleaire capaciteit langs vier sporen en daarnaast op versterkte aandacht voor het
nucleaire ecosysteem:
– Spoor 1: bestaat uit het realiseren van de eerste twee grootschalige kerncentrales
en het inzetten op de bedrijfsduurverlenging van de kerncentrale in Borssele. De bouw
van de eerste twee grootschalige kernreactoren is een belangrijke stap om de ambitie
van 7 GW in 2050 mogelijk te maken.
– Spoor 2: inzet op verdere opschaling van kernenergieproductie; dit kunnen grote kerncentrales
(de derde en vierde kerncentrale) zijn maar mogelijk ook (seriegeschakelde) SMR’s.
– Spoor 3: met dit spoor wil ik concretiseren in welke mate en wanneer private SMR-initiatieven
een bijdrage leveren aan de 7 GW kernenergie in Nederland en hoe ik deze initiatieven
kan ondersteunen. Het gaat hier bijvoorbeeld om private SMR-initiatieven die achter
de meter zorgen voor industriële warmte of elektriciteit.
– Spoor 4: met dit spoor wil ik kansrijke innovaties in Nederland stimuleren. Hierbij
valt te denken aan nieuwe SMR-technologie zowel gericht op de productie van energie,
maar in sommige gevallen ook op het verminderen van nucleair afval.
– Om deze inzet te realiseren is het van belang om in de basis naast deze sporen het
nucleaire ecosysteem in Nederland blijvend te versterken. Dit betekent genoeg personeel
opleiden, het (nucleaire) bedrijfsleven voorbereiden op de groeiende vraag en toekomstige
innovaties benutten.
Deze sporen moeten de uitbouw tot de 7 GW ambitie gezamenlijk mogelijk maken waarbij
het zowel om elektrisch als thermisch uitgekoppeld vermogen gaat. Deze sporen voer
ik in een geïntegreerde aanpak uit. Het concreet invullen van de 7 GW ambitie in 2050
is een uitdagend en het kabinet zet hiertoe alle mogelijke stappen. De uitdaging blijkt
ook uit de brief die ik parallel stuur over de eerste twee kerncentrales. Daarom is
het van belang om op alle sporen vol in te zetten. Met deze brief neem ik uw Kamer
mee in hoe ik deze ambitie dit vormgeef.
Ambitie en invulling
Het kabinet is ambitieus in het vergroten van het aandeel kernenergie in de energiemix.
Tegelijkertijd zijn deze trajecten complex omdat het gaat om inpassing en ontsluiting
in een dichtbevolkt land met daarbij horende ruimtelijke complexiteit t.a.v. de inpasbaarheid,
zoals de brief over de inpassing van de eerste twee kerncentrales (die gelijktijdig
met deze routekaart met uw Kamer gedeeld is) ook laat zien. De ambitie van 7 GW moet
uiteraard passen binnen de bredere strategie voor ons toekomstige energiesysteem en
de verwachte vraag naar energie. Na de zomer zal het kabinet dan ook de actualisatie
van het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE) publiceren waarbij wordt ingezoomd op
2040 en zal het kabinet schetsen hoe de ontwikkeling van kernenergie past binnen de
bredere context van het toekomstige Nederlandse energiesysteem. Voor de benodigde
omvang van CO2-vrij aanbod, waaronder kernenergie, is de verwachte toekomstige elektriciteits- en
warmtevraag immers leidend.
Het huidige beeld van de ontwikkeling in het energiesysteem is dat elektrificatie
de dominante route is voor de verduurzaming van de warmtevraag in de gebouwde omgeving,
wegvervoer en lage- en midden-temperatuur proceswarmte in de industrie. Het tempo
waarmee deze elektrificatie plaats zal vinden is echter onzeker. SMR’s kunnen, indien
op de juiste locaties ontwikkeld, bijdragen aan het verlichten van netcongestie en
daarmee het faciliteren van elektrificatie. Tegelijkertijd wordt er minder elektriciteitsvraag
voorzien voor elektrolyse dan voorheen werd verwacht en ontstaan er geleidelijk aan
meer mogelijkheden om hogere temperatuurprocessen te elektrificeren. De verwachte
rol van elektrificatie blijft daardoor dominant maar de totale vraag minder hoog dan
eerder verwacht. Mogelijk kunnen SMR’s op termijn ook voor hogere temperatuurprocessen
een bijdrage leveren aan warmtevoorziening al is dat nog afhankelijk van de verdere
ontwikkeling van de techniek. Hierbij kan afhankelijk van de nabijheid van gebouwde
omgeving ook getrapt warmte worden uitgekoppeld t.b.v. warmtenetten.
Om de ambitie voor kernenergie in het energiesysteem in te vullen, is een gefaseerde
aanpak noodzakelijk waarbij nu de stappen worden gezet die nodig zijn en tegelijkertijd
flexibiliteit wordt behouden om bij te sturen aan de hand van de ontwikkeling van
de elektriciteits- en warmtevraag, het elektriciteitsnet en het bredere energiesysteem,
vergelijkbaar met het proces van de routekaart wind op zee. De aanpak bestaat uit
een ritmiek van mijlpalen, uitvoeren, en vooruitkijken naar de volgende stap om de
ambitie in te vullen. Hierbij kijk ik ook steeds nadrukkelijk naar de effecten door
de keten heen, zoals bijvoorbeeld effecten op de brandstofketen of de opslag van radioactief
materiaal.
Met onderstaande sporen geef ik deze ambitie vorm, in bijlage 1 is de routekaart ook
visueel weergeven.
Spoor 1: eerste opschaling kernenergie
Het eerste spoor wordt ingevuld door middel van grootschalige elektriciteitsproductie.
Het doel hierbij is om zo snel mogelijk en op basis van bewezen nucleaire technologie
het eerste significante deel van de ambitie in te vullen. Naast de bouw van nieuwe
centrales zet ik stappen om kerncentrale Borssele langer open te houden.
Hieraan geef ik concreet invulling met twee trajecten.
1. Grootschalige kerncentrales 1 en 2: het realiseren van de eerste twee nieuwe grootschalige kerncentrales (op zijn vroegst
eind jaren 30). Afhankelijk van welke technologieleverancier er wordt geselecteerd,
wordt met de nieuwbouw tussen de 2,2 en 3,2 GWe ingevuld. De in dit jaar opgerichte
beleidsdeelneming Nucleaire Energie Organisatie Nederland (NEO NL) is volop aan de
slag met voorbereidende werkzaamheden om zo snel mogelijk een technologieleverancier
voor grootschalige kerncentrales te selecteren en daarna te kunnen starten met de
bouw. Zelf werk ik de locatiekeuze en het financieringspakket voor de eerste twee
centrales ondertussen verder uit. In de brief die ik parallel met deze brief naar
uw Kamer heb verzonden ga ik nader in op de voortgang.
2. Bedrijfsduurverlenging: het inzetten op bedrijfsduurverlenging van de kerncentrale Borssele met 485 MWe
aan opgesteld vermogen (na 2033). Mede hierom loopt het traject voor de mogelijke
verwerving van de aandelen in ZEH Energy B.V., welke vennootschap op haar beurt 70%
van de aandelen in EPZ houdt. Om bedrijfsduurverlening mogelijk te maken heeft u Kamer
het wetsvoorstel voor wijziging van de Kernenergiewet aangenomen (Kamerstuk: 36 847, nr. 2). Door EPZ worden onderzoeken uitgevoerd om na te gaan of bedrijfsduurverlenging
veilig mogelijk is en welke investeringen daarvoor nodig zijn.
Spoor 2: verdere opschaling grootschalige kernenergieproductie
Met dit spoor wil ik grootschalige elektriciteitsproductie voor levering aan het landelijke
hoogspanningsnet met kernenergie verder opschalen. Dit kan ingevuld worden met grote
kerncentrales, maar dat kan mogelijk ook met (seriegeschakelde) SMR’s. Daarbij leveren
seriegeschakelde SMR’s wel dezelfde effecten op het nationale elektriciteitsnetwerk
als conventionele kerncentrales, zowel in bijdragen aan het energiesysteem als ook
in de uitdaging om deze ruimtelijk en energetisch in passen. Het gaat hierbij om de
inzet van bestaande technologie (Gen III+), waarbij grootschalige kerncentrales in
de westerse wereld daadwerkelijk gebouwd zijn en Gen III+SMR’s in aanbouw zijn. Hiermee
verbreed ik de inzet nadrukkelijk ten opzichte van de SMR-strategie die op 17 oktober
2025 naar uw Kamer is verzonden (Kamerstuk: 32 645 nr. 162), door voor grootschalige elektriciteitsproductie aanvullend op de eerste twee kerncentrales
ook naar SMR’s te kijken. Afhankelijk van de exacte invulling (grote kerncentrales
en/of SMR’s) kan er aanvullend op het eerste spoor naar verwachting een additioneel
vermogen tot 3,2 GWe worden gerealiseerd1.
Om grootschalige kernenergie verder op te kunnen schalen zet het kabinet alvast stappen
mede ook n.a.v. de motie Van den Berg en Flach (Kamerstuk 32 645, nr. 172), in het verlengde van de realisatie van de eerste twee grootschalige kerncentrales.
Het gaat dan om:
1. Energetische en ruimtelijke inpassing;
2. Techniek(selectie);
3. Financiering en rol van NEO NL.
Ad 1. Energetische inpassing:
De ontwikkeling van aanvullende kerncentrales gericht op grootschalige kernenergieproductie
moet zoals aangegeven passen bij de toekomstige vraag naar elektriciteit en bijdragen
aan een systeemefficiënte en robuust aanbodportfolio. In de actualisatie van het NPE
en in de verdere NPE-cyclus schetst het kabinet richting 2029 de rol van kernenergie
in de bredere context van het hele energiesysteem en de daarin verwachte vraagontwikkeling
naar elektriciteit (zowel in volume als in mate van flexibiliteit) om op basis daarvan
stapsgewijs besluiten te kunnen nemen over de bouw van aanvullende kerncentrales en
aanvullend productievermogen in de breedte. Het kabinet publiceert de actualisatie
van het NPE na de zomer. In het volledig herziene NPE in 2029 zal een doorkijk gegeven
worden over doorgroei van CO2-vrij aanbod na 2040 en de mogelijke rol en omvang van kernenergie en hernieuwbare
bronnen daarbinnen.
Ruimtelijke inpassing
Over de ruimtelijke inpassing van kerncentrales 1 en 2 bent u in de separate brief
geïnformeerd. In de Kamerbrief over kernenergie van mei 2025 (Kamerstuk 32 645 nr. 156) is aangegeven dat het wenselijk is om vanuit de totale opgave voor ons toekomstige
energiesysteem, en in samenhang met andere ruimtelijke ambities, andere uitgangspunten
te gaan gebruiken voor de inpassing van nieuwe kerncentrales. Het kabinet kijkt daarom
naast kustlocaties ook naar inlandse locaties.
In september 2026 verwacht het kabinet een aanvullende concept Notitie Reikwijdte
en Detailniveau (cNRD) te publiceren in het kader van het Programma Energiehoofdstructuur
II (PEH II).2 In PEH worden voor nieuwe elektriciteitsproductie (kernenergie maar ook ander grootschalige
elektriciteitsproductie) eerste ruimtelijke keuzes in samenhang gemaakt (ook met andere
ruimtelijke opgave). In de aanvullende cNRD wordt opgenomen welke gebieden voor aanvullende
kerncentrales (inclusief SMR’s) worden onderzocht en geeft daarmee een eerste integraal
ruimtelijk beeld van potentiële geschikte gebieden. SMR's zijn er in verschillende
soorten en maten. Het gaat bij PEH II om de SMR's die impact hebben op het nationale
energienetwerk. SMR’s áchter de meter komen aan bod en worden beschreven in spoor
3. Het PEH II is daarmee een belangrijke mijlpaal waarmee het kabinet integraal kan
beoordelen in welke gebieden additionele kernenergie op nationaal niveau (spoor 2)
het beste tot stand kan komen. Zodra deze voorkeursgebieden zijn vastgelegd, kan een
projectprocedure worden gestart om daadwerkelijk op basis van eerste technische specificaties
een locatie te selecteren voor aanvullende grootschalige elektriciteitsproductie.
Op basis van de locatieselectie van kerncentrales 1 en 2 blijkt dat netcapaciteit
een belangrijke voorwaarde is voor de inpasbaarheid van grootschalig elektriciteitsaanbod.
Om de uitrol van grootschalige elektriciteitsproductie betaalbaar en weerbaar te houden,
is het cruciaal om zorgvuldig nieuwe locaties te kiezen voor grootschalige elektriciteitsproductie,
waaronder kernenergie. Spreiding van deze bronnen (volgens uitgangpunt van de ontwerp
Nota Ruimte: vraag en aanbod in samenhang) is een randvoorwaarde voor de uitvoerbaarheid
om dit op het elektriciteitsnet (op een efficiënte wijze) in te kunnen passen. Ook
is het van belang om hierbij zorgvuldig te kijken naar o.a. de beschikbaarheid van
voldoende koelwater (waar in elk geval voor conventionele centrales landinwaarts onvoldoende
capaciteit voor is, zonder gebruik te maken van koeltorens) conform de ontwerp Nota
Ruimte en de relevante veiligheidseisen en crisismaatregelen. In het PEH II zullen
deze uitgangspunten ook als randvoorwaarden worden meegenomen. Zo kunnen nieuwe gebieden
voor kernenergie, ook als dat met SMR’s wordt ingevuld, zo compleet mogelijk op ruimtelijke
effecten worden gewogen.
Ad 2. Techniek(selectie)
Voor de bouw van de eerste twee kerncentrales hanteer ik de werkwijze om zoveel mogelijk
te kiezen voor een standaardontwerp en bewezen techniek om daarmee projectrisico’s
te reduceren. SMR's verschillen hierin van grootschalige kerncentrales omdat hier
nog maar zeer beperkt sprake is van een standaardontwerp, hoewel er sprake is van
een snelle ontwikkeling in de markt. Daarom wil ik bezien of in een volgend techniekselectieproces
SMR’s kunnen worden genomen. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van kennis die is
en nog op wordt gedaan bij de voorbereiding op de bouw van de eerste twee kerncentrales.
Daarbij houd ik de internationale ontwikkelingen nauwlettend in de gaten om de technische
gereedheid van SMR-leveranciers in kaart te brengen. In Canada wordt begin jaren 30
de eerste operationele SMR verwacht in de westerse wereld. Binnen Europa bereidt het
Verenigd Koninkrijk de bouw van SMR’s voor en kijkt Zweden eveneens naar elektriciteitsproductie
met SMR’s. Gesprekken met deze landen en hun technologieleveranciers leveren waardevolle
inzichten op. Uit de marktconsultatie voor SMR's, die ik in juni ben gestart, verwacht
ik ook een nader beeld op te halen van beschikbare SMR-technologieën en op basis van
de consultatie de mogelijke versnellingen en belemmeringen die zijn te voorzien. Dat
betekent dat ik later dit jaar hiermee de motie Van den Berg en Flach (Kamerstuk 32 645, nr. 172) kan afdoen. Ik zal dan ook ingaan op versnellingen en belemmeringen breder dan alleen
de markt, maar ook kijken naar mogelijkheden zoals (internationale) samenwerking,
procedures en vergunningen. Voor een indicatieve visualisatie van dit stappenplan
verwijs ik u naar bijlage 2. Over het vervolg van dit spoor, waar het kabinet op zijn
vroegst 2028 over kan besluiten, kijk ik naar ontwerpen die dicht genoeg bij de markt
staan en kunnen voldoen aan andere eisen zoals vergunbaarheid. Ik bezie daarom of
en zo ja hoe ik vergunbaarheidsanalyses door SMR-ontwikkelaars kan laten ondersteunen
zoals mogelijk zelfevaluaties om daarmee een ontwikkelrisico waar mogelijk weg te
kunnen nemen. Dergelijke zelfevaluaties geven de ANVS de gelegenheid om een doorkijk
te geven over de vergunbaarheid van het betreffende ontwerp. Hierbij neemt de ANVS
ook inzichten uit andere landen mee om dit zo efficiënt als mogelijk te doen zonder
af te doen aan de veiligheidseisen.
Ad 3. Financiering van kernenergie voor grootschalige elektriciteitsproductie
Het kabinet kiest voor volledig publieke financiering van de eerste twee nieuwe grootschalige
kerncentrales, in ieder geval in de eerste fases van hun levenscyclus. Dit omdat uit
eerdere marktconsultaties is gebleken dat private partijen alleen bereid zijn om met
significante publieke bijdragen en/of garanties te investeren. Ik zie vergelijkbare
financieringskeuzes in alle westerse landen waar wordt ingezet op nieuwe kerncentrales
of dat nu om grootschalige kerncentrales of SMR’s gericht op grootschalige elektriciteitsproductie
gaat. Door middel van de keuze voor volledige publieke financiering kan de nucleaire
ambitie zo snel mogelijk worden gefaciliteerd. Hoewel nu initieel gekozen is voor
volledig publieke financiering van de eerste twee nieuwe grootschalige kerncentrales,
blijf ik kijken waar en wanneer private financiering een rol kan spelen, bijvoorbeeld
als de bouw van de centrales grotendeels is gerealiseerd. Ook wil ik voor de volgende
kerncentrales bezien in hoeverre er gezamenlijk met het bedrijfsleven of ontwikkelaars
geïnvesteerd kan worden in kernenergie, naar Zweeds voorbeeld waar de industrie gezamenlijk
met de overheid participeert. Naar budget voor aanvullende kerncentrales zal actief
gezocht worden, waarbij ik voortbouw op de marktconsultatie en eventueel vervolgonderzoek.
Daarmee zal het kabinet zo snel mogelijk (naar verwachting in of na 2028) integraal
besluiten over de bouw van de aanvullende kerncentrales, gericht op grootschalige
elektriciteitsproductie.
Hierbij zie ik versnellingsmogelijkheden voor de nieuwe centrales door te leren van
de ervaringen die nu worden opgedaan bij de eerste twee kerncentrales.
Spoor 3: mogelijkheden van en voor private initiatieven
Via het derde spoor stimuleer ik de inzet van SMR's voor het bedrijfsleven, achter
de meter of voor het regionale energiesysteem. SMR’s kunnen ingezet worden voor de
industriële uitkoppeling van warmte. De SMR’s die nu worden ontwikkeld kennen een
temperatuurbereik van 300 °C. Generatie IV SMR’s, ook wel Advanced Modular Reactors
(AMR's) genoemd, bereiken naar verwachting een temperatuur van 400–800 °C en kunnen
daarmee op termijn een nog hoogwaardiger deel van de industriële warmtevraag afdekken.
Een eerste commerciële toepassing voor AMR’s wordt echter niet voor 2040 verwacht.
Naast warmte-uitkoppeling kan een SMR elektriciteit, al dan niet achter de meter,
leveren aan grootgebruikers of ingezet worden voor de productie van waterstof.
Recent zijn er verdiepende analyses uitgevoerd, zoals de detailstudie inpassing van
SMR’s bij industrie en na de zomer verwacht ik een studie van TNO inzake warmtetoepassing
te kunnen delen. Op basis hiervan breng ik in kaart waar de mogelijkheden liggen voor
SMR's en hoe deze in Nederland toegepast kunnen worden. Deze onderzoeken gebruik ik
ook om projectontwikkelaars en energiegebruikers bij elkaar te brengen en waar mogelijk
ondersteuning te bieden in het proces. Door o.a. kennisdeling, neem ik een faciliterende
rol op me waarmee ik zowel energieafnemers, aanbieders, medeoverheden en instanties
als vergunningverleners bij elkaar breng. Onder het kopje financiering ga ik in op
de vraag hoe ik dergelijk initiatieven wil faciliteren.
Ruimte: verkenningen regionaal
Een aantal provincies laat grote inzet en ambitie zien om de realisatie van SMR's
te faciliteren en te versnellen, zoals bijvoorbeeld de provincies Gelderland, Zeeland
en Noord-Brabant die al in 2025 de mogelijkheden voor SMR's in het provinciale energiesysteem
hebben onderzocht. De ambitie om regionaal te onderzoeken waar SMR’s een bijdrage
kunnen leveren, moedig ik aan en wil ik ondersteunen. Ik heb dan ook afspraken gemaakt
met het IPO en de provincies om te starten met potentieonderzoeken, om de toegevoegde
waarde van SMR's in het regionale energiesysteem te onderzoeken. Ik zal de provincies
waar nodig ondersteunen bij het in kaart brengen van mogelijke locaties binnen het
regionale energiesysteem. In het PEH II, zullen SMR’s in het nationale energiesysteem
ruimtelijk onderzocht worden.
Daarnaast werk ik samen aan een beleidsontwikkeltraject specifiek om provincies richting
te bieden om SMR’s op regionaal niveau integraal mee te nemen in hun beleid, zoals
bijvoorbeeld in energie- en omgevingsvisies. De potentieonderzoeken, hebben tot doel
om op basis van de (toekomstige) energievraag, zoals bijvoorbeeld de RES-opgaven en
CES’en voor industrieclusters, te bepalen waar de potentie voor SMR’s het grootst
is.
Bovendien zie ik dat gemeenten, zoals Opmeer en Den Helder, initiatieven ontplooien.
Deze voorbeelden laten zien dat regionale schaal relevant en nodig is, bijvoorbeeld
voor het vinden van voldoende afnemers om tot een business case te kunnen komen. De
schaalvoordelen zijn makkelijker te vinden op regionaal niveau. Daarom kies ik ervoor
om provinciale overheden te ondersteunen in de uitvoering van regionale potentieonderzoeken.
Tegelijkertijd wil ik met de marktconsultatie inzicht krijgen in de kosten en onrendabele
top van de toepassing van SMR’s als industriële verduurzamingsroute. Hiermee geef
ik invulling aan zowel de motie Vermeer (Kamerstuk 32 645, nr. 169) als de motie Van den Berg en Flach (Kamerstuk 32 645, nr. 170).
Met provincies is afgesproken dat het PEH II de voorkeursgebieden voor SMR’s in het
nationale energiesysteem aanwijst. Dit betreft grootschalige SMR’s vanaf 100 MW uitgekoppeld
vermogen op het nationale elektriciteitsnet. Het is mogelijk dat er vanuit provincies
potentiële gebieden naar voren komen (relevant voor het regionale energiesysteem)
ook potentieel gebied zijn voor SMR’s voor de nationale hoofdstructuur, waar PEH II
expliciet naar kijkt (spoor 2). Vice versa is het belangrijk dat in het PEH II rekening
wordt gehouden met de regionale en lokale ruimtelijke ontwikkeling. Hierover organiseer
ik na de zomer gesprekken met gemeenten en provincies om koppelkansen tijdig te kennen.
Provincies hebben de mogelijkheid om de huidige inzichten vanuit de potentieonderzoeken
voor het einde van het jaar mee te geven aan PEH II.
Financiering
De markt voor SMR’s is nog volop in ontwikkeling en de behoefte van de verschillende
partijen om projecten een stap verder te brengen verschilt. Als ik kijk naar de daadwerkelijke
investering per SMR is deze in absolute zin minder groot dan bij grootschalige centrales
(per opgewekte GW is dat echter niet per definitie het geval). Ook is de bouwtijd
mogelijk korter waardoor financiering door de markt eerder haalbaar zou kunnen zijn.
Tegelijkertijd voorzie ik dat de fundamentele (gepercipieerde) politieke en financiële
risico’s niet wezenlijk anders zijn bij de financiering van SMR’s en dat hier eveneens
sprake kan zijn van een markt- en coördinatie-falen, net zoals bij de bouw van grootschalige
kerncentrales. Hoewel ik zeker kansen zie voor marktpartijen verwacht ik dat initiatieven
voor SMR’s gegeven deze (gepercipieerde) risico’s behoefte hebben aan een vorm van
publieke ondersteuning; dit ga ik met een markconsultatie objectief toetsen. Vervolgens
zal ik bezien of en in welke mate publieke ondersteuning van dergelijke private initiatieven
gepast is. In juni ben ik gestart met een markconsultatie gericht op het financieringsvraagstuk
van SMR’s. De marktconsultatie heeft onder ander tot doel om inzicht te krijgen in
de onrendabele top van initiatieven en hoe publieke financiële instrumenten hier toegepast
kunnen worden, maar ook welke bereidheid de markt zelf heeft om financieel bij te
dragen. Hiermee beoog ik meer duidelijkheid te verkrijgen over de initiatieven die
nu worden ontwikkeld, in welke mate – en wanneer – deze kansrijk en levensvatbaar
zijn zonder hierbij (alle) risico’s bij marktpartijen op voorhand weg te nemen.
Ontwikkelfase
Zoals aangegeven in de Kamerbrief van juni 2025 (Kamerstuk 32 645 nr. 159), is er afgelopen jaar tijdens de gesprekken tussen het ministerie en de SMR-ontwikkelaars
verkend op welke manier de initiatieven kunnen worden gefaciliteerd. Op basis van
gesprekken met initiatieven die het dichtst bij de markt zijn, bleek concreet dat
ontwikkelaars aangeven ondersteuning te behoeven in de fase ter voorbereiding op vergunningverlening,
o.a. in het uitvoeren van pre-assessment onderzoeken. Daarom leg ik in eerste instantie
de focus op het ontwikkelen van ondersteuning in de ontwikkelfase voorafgaand aan
de vergunningverlening, omdat hier nog niet te verwachten is dat private partijen
financiering bieden voor deze voorbereidende fase. Met de marktconsultatie wil ik
daarom helder krijgen hoe ontwikkelrisico’s voldoende weggenomen kunnen worden bij
vergunbaarheidsanalyses en technische haalbaarheidsstudies. Eventuele financiering
hiervoor zal ik vormgeven binnen bestaande wet- en regelgeving, waaronder de staatssteunregels.
Voor ondersteuning van dergelijke onderzoeken is € 20 miljoen beschikbaar uit het
SMR-programma. Om zowel transparant naar de verschillende partijen als uw Kamer te
zijn wanneer het opportuun is om initiatieven financieel te ondersteunen wil ik, aan
de hand van de marktconsultatie, een toetsingskader ontwikkelen om een helder beeld
te schetsen aan welke voorwaarden initiatieven moeten voldoen om in aanmerking te
komen voor mogelijke ondersteuning. Dit toetsingskader zal ik gezamenlijk met de marktconsultatie
aan uw Kamer zenden.
Bouw en exploitatie
De marktconsultatie gaat ook een doorkijk schetsen van een behoefte aan vervolgondersteuning
om de realisatie van SMR's te kunnen versnellen. Door middel van de consultatie geef
ik alle partijen die zich melden de kans om kenbaar te maken welke reële initiatieven
ze op welke termijn denken te ontplooien en of, en zo ja welke mate van ondersteuning
daarbij noodzakelijk is. Ik neem hierin ook de adviezen uit eerdere marktconsultaties
voor conventionele kerncentrales en de ontwikkelingen in landen als het Verenigd Koninkrijk
en Zweden mee. Hierin komen financieringsinstrumenten als een lening onder gunstige
voorwaarden, garanties vanuit de overheid en Contract for Difference veelal terug voor het daadwerkelijk financieren van de bouw of ondersteunen van de
operaties.
Omdat het hier gaat om de ontwikkeling van SMR’s op of nabij private industriële installaties
gelinkt aan hun specifieke productieproces wil ik het initiatief dan ook nadrukkelijker,
dan bij grootschalige elektriciteitsproductie, bij deze partijen laten. Eventuele
publieke ondersteuning erop wil ik inrichten om randvoorwaarden te creëren voor marktontwikkeling,
waarbij het zeker niet de bedoeling is om alle project- en investeringsrisico’s volledig
over te nemen van private partijen. Vanwege deze specifieke industriële en private
inpassing en ook verschillende initiatieven past een rol als initiatiefnemer niet
bij het Rijk of een beleidsdeelneming als NEO NL. Ik zal in mijn keuzes rekening houden
met bestaande wet- en regelgeving, waaronder staatssteunregels. De uitkomsten van
de marktconsultatie worden benut om te beoordelen of publieke interventie in deze
markt gerechtvaardigd en doelmatig is. Op dit moment zijn hier nog geen middelen voor
beschikbaar. Uiteraard zal, indien inzet van eventuele aanvullende instrumenten noodzakelijk
is, nadere (budgettaire) besluitvorming moeten plaatsvinden in het kabinet. Ik zal
de vervolgstappen die ik voorzie verder uitwerken en uw Kamer daarover informeren.
De eerste stap hierin is de marktconsultatie die ik eind 2026 naar uw Kamer verwacht
te sturen.
De bijdrage vanuit dergelijke private initiatieven aan de ambitie van 7 GW kernenergie
is daarmee op dit moment nog onzeker. De ingezette marktconsultatie gaat helpen om
hier een beter beeld van te krijgen.
Spoor 4: van innovatie naar commerciële inzet.
Met het vierde spoor stimuleer ik innovatieve nucleaire ontwerpen in Nederland. Dit
zijn SMR’s die technische validatie nodig hebben. Pas na demonstratie van (veilige
toepassing van) de techniek kan een ontwerp op de markt gebracht worden; de First-of-a-Kind
commerciële fase. Ik wil de kansrijke innovatieve ontwerpen die er zijn in Nederland
steunen bij de ontwikkeling naar een eerste commerciële toepassing. De innovatieve
ontwerpen die zich nu nog in een ontwikkelingsstadium bevinden, kunnen op termijn
bijdragen aan het bereiken van de 7 GW kernenergie.
Naast een potentiële bijdrage aan het lokale energiesysteem (bij afnemers), bieden
de innovatieve ontwerpen andere voordelen. Er zijn ontwerpen die bijvoorbeeld gebruik
maken van bestaand nucleair afval en gebruik maken van passieve systemen om meer veiligheid
te bieden in de operatie. Daarnaast is de toeleveringsketen minder gevestigd dan voor
de grootschalige kerncentrales waardoor er meer kansen zijn voor het Nederlandse bedrijfsleven
om een rol te spelen in de (internationale) waardeketen. Ook levert de ontwikkeling
van dergelijke innovatieve technologieën waardevolle kennis en kunde op die we kunnen
inzetten voor de verdere ontwikkeling van de Nederlandse (nucleaire) economie.
Wereldwijd zijn er inmiddels tientallen generatie AMR-initiatieven in ontwikkeling.
In Nederland zie ik bijvoorbeeld Thorizon (100 MW gesmoltenzoutreactor) en Allseas
(25 MW hoge temperatuur gasgekoelde reactor). Het opschalen van dergelijke innovaties
met elk eigen karakteristieken, uitdagingen en een verschillend ontwikkelstadium waarin
ze zich bevinden vraagt om een zo gericht mogelijke aanpak zoals ook genoemd in o.a.
het Rapport Wennink3. Naast de ontwikkeling en kwalificatie van de technologie, komen hier aspecten zoals
het opbouwen van de brandstofketen (toelevering en afvalverwerking) aan de orde. Hierbij
verken ik mogelijkheden om partijen te ondersteunen op thema's als locatiekeuze, vergunningsroute,
financiering en het tijdpad, toegespitst op de initiatieven.
Ik zie dat dergelijke initiatieven op dit moment concrete stappen ondernemen om toe
te werken naar demonstratie en uiteindelijk realisatie van een commerciële reactor.
Thorizon, als Frans-Nederlands bedrijf, heeft recent in april 2026 een Memorandum
of Understanding gepubliceerd4.
Allseas is een Nederlands-Zwitsers offshorebedrijf dat een type reactor ontwikkelt
voor maritieme toepassingen met bijbehorende brandstofketen (TRISO). De first-of-a-kind reactor wil Allseas op korte termijn in Nederland op land gaan bouwen, als eerste
stap voor toepassing in de maritieme sector. In lijn met het Rapport Wennink5 bezie ik hoe ik deze ontwikkeling kan helpen versnellen.
Ik zet mij in om de realisatie van deze innovatieve reactoren te ondersteunen. Bij
die ondersteuning kan het bijvoorbeeld gaan om vergunningverlening, ondersteuning
bij de ontwikkeling, de brandstofketen en internationale regelgeving.
Er zijn investeringen nodig om het doel van first-industrial-deployment te kunnen halen voor deze initiatieven. Het kabinet werkt daarom aan verschillende
subsidie-instrumenten gericht op aan kernenergie gerelateerde projecten. Voorbeelden
daarvan zijn de MOOI-kernenergie en de verkenning van Nederlandse deelname aan een
Important Project of Common European Interest (IPCEI) op het gebied van SMR's en radioactief afval, dat laatste op initiatief van mijn collega
van IenW. Daarnaast bekijk ik hoe ik op andere wijze de ontwikkeling van innovatieve
projecten kan versnellen. Bijvoorbeeld door op te komen voor de belangen van deze
projecten op internationaal niveau. Via bovengenoemde inzet geef ik invulling van
de Motie van den Berg en Flach (Kamerstuk 32 645, nr.173).
Versterking nucleair ecosysteem
Nederland beschikt over een relatief klein, maar breed en goed georganiseerd nucleair
ecosysteem, waarin vrijwel alle onderdelen van de nucleaire waardeketen vertegenwoordigd
zijn met organisaties zoals Urenco, NRG PALLAS en het Reactor Instituut Delft die
een (inter)nationaal leidende rol vervullen. De sector biedt een solide basis, maar
was lange tijd primair gericht op onderhoud en continuïteit in plaats van op groei.
Voor het verwezenlijken van de ambities op het gebied van kernenergie en om mee te
kunnen bewegen met de nucleaire ontwikkelingen is het dan ook noodzakelijk om het
nucleair ecosysteem te versterken. Hierbij gaat speciale aandacht uit naar het opleiden
en behouden van voldoende gekwalificeerd personeel op mbo-, hbo- en wo-niveau voor
de bouw en exploitatie van kerncentrales, het versterken van de nucleaire kennisbasis
via onderzoek en innovatie, en het (her)organiseren van de nucleaire waardeketen en
brandstofketen. Dit doe ik in samenwerking met sectorpartijen, kennis- en onderzoeksinstellingen,
brancheverenigingen, bedrijven en andere belanghebbenden. Op deze manier wordt een
stevig fundament gelegd voor het nieuwbouwproject en de toekomstige ontwikkeling van
SMR’s in Nederland, zoals beschreven in de Kamerbrief van juni 2025 (Kamerstuk: 32 645 nr. 162). Dit biedt Nederlandse partijen een goede uitgangspositie om zich aan te sluiten
bij en te profiteren van de internationale nucleaire ontwikkelingen.
Ik werk daarom voortdurend aan kennisopbouw, netwerkontwikkeling en het uitvoeren
van concrete activiteiten op onderstaande, samenhangende terreinen:
– De nucleaire kennisbasis en -infrastructuur
– De nucleaire brandstof- en waardeketen
– Internationale samenwerking
Met het oog op de verdere versterking van het nucleaire ecosysteem wil ik deze activiteiten
de komende jaren voortzetten.
Nucleaire kennisbasis en -infrastructuur
Ik zet in op het versterken van de gehele breedte van de nucleaire kennisbasis en
infrastructuur. Op (fundamenteel) wetenschappelijk niveau doe ik dat samen met de
Staatssecretaris van IenW o.a. door calls for proposals uit te zetten via het Nationaal onderzoeksprogramma kernenergie bij NWO gericht op
reactor- en splijtstofcyclustechnologie (€ 6,1 miljoen, call eind 2025 opengesteld);
stralingsveiligheid en eindberging van radioactief afval (€ 16,5 miljoen van IenW,
inclusief beheerslasten van NWO; call opent na zomer); en een derde call van € 8 miljoen
op een nog nader te bepalen onderwerp.
Daarnaast zet ik mij via verschillende instrumenten in om innovatie bij bedrijven
te faciliteren o.a. via de «MOOI Kernenergie» regeling (€ 12,6 miljoen; € 10 miljoen
vanuit EZK en € 2,6 miljoen vanuit IenW) die zich richt op de thema's reactor- en
splijtstofcyclustechnologie, en radioactief afval en geologische eindberging. Rond
de zomer zal bekend worden welke voorstellen worden gehonoreerd. Daarnaast is er nog
€ 8,5 miljoen beschikbaar vanuit het Meerjarig Missiegedreven Innovatieprogramma (MMIP)
Kernenergie voor het verder stimuleren van innovaties, waarvan de reikwijdte nog moet
worden vastgesteld. Ik verwacht uw Kamer hierover in een volgende brief te informeren.
Ook zal in de tweede helft van het jaar een start worden gemaakt om de techno-economische
haalbaarheid van waterstofproductie met kernenergie voor de Nederlandse markt te onderzoeken.
Eerder is hiervoor € 1 miljoen beschikbaar gesteld.
Bovengenoemde instrumenten geven een impuls aan publiek-private samenwerking om innovatie
binnen het nucleaire domein te stimuleren. De samenwerking tussen kennisinstellingen
en bedrijven kent verschillende uitdagingen. In het verlengde daarvan is het kabinet
op verzoek van de leden Flach en Erkens (Kamerstuk: 32 645 nr.151) in gesprek gegaan met de TU Delft en het betrokken bedrijfsleven om eventuele belemmeringen
voor samenwerking te identificeren. Hieruit kwam naar voren dat de samenwerking over
het algemeen naar tevredenheid verloopt. Middels onderzoeks- en innovatieregelingen
wordt invulling gegeven aan de behoefte aan aanvullende (financierings)mogelijkheden
om onderlinge samenwerkingen te versterken.
Om te zorgen voor voldoende toekomstige arbeidskrachten en kennis om kernenergie tot
bloei te brengen stimuleer ik onder andere het instellen van practoraten rondom nucleaire
thema's in het mbo, lectoraten en kennishubs in het hbo en nieuwe hoogleraarsposities
aan universiteiten. HZ University of Applied Sciences heeft samen met de Nuclear Academy
(opgericht door NRG PALLAS en TU Delft, gefinancierd door EZK) een nucleaire minor
ontwikkeld die inmiddels al voor de tweede keer van start is gegaan. Mbo-instellingen
Scalda en Nova College hebben ook beiden in samenwerking met de Nuclear Academy nucleaire
keuzedelen ontwikkeld die respectievelijk voor de vierde en eerste keer van start
zijn gegaan. De minor en de keuzedelen zijn een succes en zullen naar verwachting
opnieuw worden aangeboden. Verder hebben de zes verkenningen bij hogescholen rondom
het instellen van regionaal ingebedde hubs onlangs vruchten afgeworpen. Maar liefst
alle deelnemende hogescholen zagen potentie in de regio voor het instellen van een
hub. Er is besloten dat HZ en Avans gezamenlijk voor de regio Zeeland en West-Brabant
een hub gericht op nucleaire veiligheid en inpassing van grootschalige energieopwekking
in het energiesysteem gaan instellen en Saxion voor Oost-Nederland/Twente een hub
gericht op digitalisering van decentrale/SMR-inpassing in het energiesysteem, gekoppeld
aan hoge temperatuur industriële toepassing en waterstofproductie. Nog een derde hub
is in ontwikkeling en zal later ingesteld worden. De komende tijd zullen de hubs worden
ingericht met als eerste stap het aanstellen van kwartiermakende lectoren en het openstellen
van praktijkgerichtonderzoeksregelingen. Met deze stap wordt een breed, gedragen nucleair
kennisnetwerk gecreëerd, waar onderzoek, onderwijs en beroepspraktijk samenkomen.
Aanvullend aan deze stappen zal er tot slot ook gekeken worden naar het ontwikkelen
van een landelijke learning community. Deze learning community faciliteert kennisdeling,
kennisvermeerdering, bouwt voort op het reeds ontstane landelijke netwerk en verbindt
de hogescholen die zich bezig (gaan) houden met nucleaire kennis en educatie. In het
onderstaand kader ga ik in op de motie Krul (Kamerstuk 33 626, nr. 39) over hoe de opgedane ervaring bij de bouw van de PALLAS-reactor zal worden behouden
en ingezet.
Motie Krul (Kamerstuk
33 626 Nr. 39
) berichtgeving PALLAS-reactorproject
In de motie van het lid Krul wordt het kabinet verzocht voor de zomer van 2026 een
reactie aan de Kamer te sturen op het SEO-rapport «Bouwen op Ervaring» over de lessen
van de bouw van de PALLAS-reactor voor toekomstige kerncentrales in Nederland. Het
rapport is op 10 februari 2026 aangeboden aan de toenmalige Ministers van KGG en van
VWS. Via voorliggende «routekaartbrief» van de Staatssecretaris van KGG en de brief
van de Minister van VWS wordt aan deze oproep van de Kamer tegemoetgekomen.
Uit het rapport blijkt dat het PALLAS-programma, als eerste grootschalige nucleaire
project in Nederland sinds de jaren ’70, belangrijke leereffecten oplevert op het
gebied van vergunningsverlening, veiligheidsdocumentatie, supply-chain-kwalificatie
en samenwerking met toezichthouders.
Het kabinet zet zich samen met betrokken partners reeds op verschillende manieren
in om de geleerde kennis en kunde van het PALLAS-programma vast te houden voor de
bouw van toekomstige Nederlandse kerncentrales. Een belangrijke pijler is kennisdeling
en duurzame netwerkvorming. Hiervoor werd op 24 november 2025 het evenement Made for Nuclear georganiseerd, dat in het teken stond van het opbouwen van een sterke nucleaire toeleveringsketen
in Nederland. In het programma was veel aandacht voor de ontwikkeling van de PALLAS-reactor
en (toekomstige) kansen voor bedrijven in (of met potentie voor) de nucleaire toeleveringsketen
inclusief benodigde kwalificatie-vereisten om hieraan bij te dragen. Het evenement
bleek een groot succes en op dit moment wordt o.a. samen met de vereniging Nucleair
Nederland en Energy Innovation NL (voorheen: topsector energie) verkend hoe opvolging
hieraan te geven om het opgebouwde momentum vast te houden.
Ook op de terreinen van vergunningsverlening en veiligheidsdocumentatie worden stappen
gezet om zorg te dragen voor kennisborging. Zo heeft de ANVS in een vroeg stadium
extra personeel aangetrokken om het toezicht op PALLAS in de verschillende fases zorgvuldig
in te kunnen vullen. Een andere ontwikkeling (en ook geleerd vanuit zowel PALLAS als
internationale nucleaire trajecten) is het actualiseren en vastleggen van de vernieuwde
Handreiking VOBK die vooraf duidelijk de kaders schetst en waarbij zoveel mogelijk
bij internationale richtlijnen is aangesloten. Beoogd is de in het VOBK opgenomen
onderdelen in een verordening van de ANVS op te nemen. Met de opgedane kennis en ervaring
bereidt de ANVS zich tevens voor op toekomstige nucleaire initiatieven, zoals nieuwe
kerncentrales en SMR’s. Ik heb een actieve bijdrage geleverd aan dit proces en blijf
hierin ook nauw betrokken.
Verder worden kennis en ervaring opgedaan rondom de PALLAS-reactor, zowel als het
gaat om de voorbereiding, bouwfase als ontmanteling. Deze kennis is geborgd in de
TSO van NEO NL, waar NRG PALLAS onderdeel van uitmaakt. Tot slot zetten de Ministeries
van VWS en van EZK hun samenwerking rondom de versterking van het nucleaire ecosysteem
voort.
De nucleaire brandstof- en waardeketen
Een toekomstbestendige brandstof- en waardeketen is noodzakelijk voor de haalbaarheid
van het nieuwbouwproject en de toekomstige ontwikkeling van kernenergie in Nederland.
Daarom zet ik verschillende stappen om ook hier een sterk fundament te leggen.
De nucleaire ambities van het kabinet bieden kansen om het aandeel van in Nederland
gevestigde bedrijven binnen de nucleaire keten te vergroten. Het toeleveringspotentieel
varieert bij verschillende nucleaire sporen. Zo zijn er bij conventionele centrales
en SMR’s voornamelijk kansen in het niet-nucleaire deel, maar is er tegelijkertijd
ook al sprake van gevormde ketens. Bij AMR’s zijn de ketens minder gevormd, maar kent
het aan de andere kant veel onzekerheden en is er vooralsnog vaak geen haalbare businesscase
door het innovatieve karakter.6 Hier moedig ik ook een actieve rol van mede-overheden aan.
Om de nucleaire sector structureel als aantrekkelijke sector voor de Nederlandse industrie
te positioneren en de Nederlandse industrie optimaal voor te sorteren op de ontwikkelingen
in de (inter)nationale nucleaire sector, heeft het kabinet een sterke basis gelegd
door de nucleaire waardeketen te (her)organiseren. De nucleaire keten wordt momenteel
versterkt door 1) het versterken en bestendig maken van het netwerk en 2) te verkennen
welke ondersteuning bedrijven nodig hebben om toe te treden tot de keten. De activiteiten
zijn gericht op de conventionele centrales, levensduurverlenging, SMR’s en AMR’s.
Hoewel nu nog ver weg is het ook goed om nu al aandacht te hebben voor de ontmanteling
van de nieuw te bouwen centrales. Hierbij kijk ik ook naar de ervaringen die COVRA
gaat opdoen met de ontmanteling van de kerncentrale Dodewaard en de ervaring met de
opbouw van benodigde middelen gedurende operatie ten behoeve van de ontmanteling.
Daarnaast kijk ik ook naar ervaringen die in het buitenland hiermee worden opgedaan
en zal deze ook meenemen.
Netwerk versterken:
Het kabinet faciliteert in samenwerking met de sector verschillende bijeenkomsten
en de ontwikkeling van informatieproducten om het netwerk te versterken en tegelijkertijd
het gezamenlijke inzicht met betrekking tot kansen en mogelijkheden voor de Nederlandse
industrie te vergroten. Ook is onder leiding van Nucleair Nederland de «Made for Nuclear»
werkgroep gestart in afstemming met o.a. VNO-NCW, FME en de Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen
(ROM’s) om praktische stappen te zetten in het verder ontwikkelen van de nucleaire
keten.
Brandstofstrategie:
De kabinetsambities hebben ook gevolgen voor de productie- en opslag van nucleaire
brandstoffen. Het kabinet behandelt de brandstofcyclus integraal met betrekking tot
de conventionele nucleaire energievoorziening en het nieuwbouwproces, aangezien deze
twee onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. De groeiende belangstelling in kernenergie
zal de komende jaren resulteren in een mondiaal grotere vraag naar uranium (front-end
van de brandstofcyclus). Ook zullen er meer en mogelijk ook andere soorten radioactief
afval ontstaan (back-end van de brandstofcyclus). Het kabinet werkt aan een plan van
aanpak waarin uiteen wordt gezet welke stappen er genomen moeten worden om uiteindelijk
te komen tot een bestendige brandstofstrategie (Kamerstuk 25 422 nr. 302).
De brandstofstrategie richt zich in de eerste plaats op het versterken van de brandstofketen
voor de eerste twee nieuw te bouwen kerncentrales.
SMR’s/AMR’s introduceren een breed scala aan nieuwe brandstof(vormen) die verschillende
nieuwe productieprocessen en technologieën vereisen. In sommige gevallen zijn delen
van de toeleveringsketen al wel beschikbaar, maar de volledige productie op commerciële
schaal nog niet. De ontwikkelingen van nieuwe brandstoffen en de afvalstromen die
hiermee gepaard gaan moeten nauwgezet gevolgd worden om vroegtijdig te kunnen anticiperen
en onderzoeken welke (on)mogelijkheden en kosten er zijn om deze nieuwe brandstoffen
en afvalstromen te kunnen faciliteren in Nederland. Het kabinet verkent welke faciliteiten
nodig zijn voor de opslag en eindberging van het radioactieve afval. Voor de eindberging
is het streven om rond 2050 een besluit te nemen over de locatie en beheermethode.
Het kabinet werkt deze plannen uit, in lijn met het tweede Nationale Programma voor
het beheer van radioactief Afval en verbruikte splijtstoffen (NPRA).7
Internationale samenwerking
De komende tijd zal ik mij inzetten op het behouden en verder versterken van de internationale
positionering van Nederland op het gebied van nucleaire energie. Er wordt ingezet
op internationale samenwerking in internationale gremia (IAEA, OECD NEA), met internationale
partners (waaronder de Verenigde Staten en Canada) en Europese partners. Zo wordt
de relatie met België verder verdiept op basis van de afspraken gemaakt tijdens BENENUC
2026 (12 mei jl.), dit betreft onder andere samenwerking op het vlak van SMR-ontwikkeling
en versterking van de waardeketen. Ook zal de relatie met het Verenigd Koninkrijk
verder uitgebouwd worden naar aanleiding van de afspraken die in 2025 gemaakt werden
via een memorandum of understanding (MoU). Voor beide landen zal in samenwerking met RVO een innovatiemissie georganiseerd
worden in 2026.
Tot slot
Met bovenstaande inzet beoog ik voor kernenergie een nadrukkelijkere rol in het Nederlandse
energiesysteem, een rol die past bij de eigenschappen van kernenergie. Hiermee doe
ik recht aan de hoogwaardige nucleaire kennis in Nederland, versterk ik deze basis
en positioneer ik het bedrijfsleven in Nederland en innovatieve initiatieven zo optimaal
mogelijk. Hiermee werken we aan kernenergie als stabiele basis in de energiemix van
de toekomst.
De staatsecretaris van Economische Zaken en Klimaat, J. de Bat
Indieners
J. de Bat, staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat