Brief regering : Reactie op verzoek commissie over actualisatie op (van) de eerdere kabinetsreactie op de initiatiefnota ‘Ons land is beperkt’
24 170 Gehandicaptenbeleid
36 282
Initiatiefnota van het lid Westerveld: ons land is beperkt
Nr. 404
BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANGDURIGE ZORG, JEUGD EN SPORT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 16 juni 2026
Op 20 december 2022 heeft het lid Westerveld de initiatiefnota «Ons land is beperkt»
aangeboden aan uw Kamer, waarna er op uw verzoek op 11 juli 20251 een kabinetsreactie is gegeven. In de procedurevergadering van 8 april jl. heeft
de commissie besloten om een nota-overleg te plannen over de initiatiefnota van lid
Westerveld. Daarbij heeft de commissie ook gevraagd om een actualisatie op de eerdere
kabinetsreactie.
Met deze brief bied ik u deze actualisatie aan, waarin alleen de punten zijn opgenomen
waar daadwerkelijk een actualisatie op te vermelden is. Voor de niet gewijzigde punten
verwijs ik u naar de kabinetsreactie van 11 juli 2025.
Algemene beslispunten
1. Het «facultatief protocol» van het VN-verdrag wordt geratificeerd
Op 27 januari 2026 heeft de voormalig Staatssecretaris Langdurige en Maatschappelijke
Zorg bij de Verenigde Naties het Facultatief Protocol bij het VN-Verdrag Handicap
ondertekend. Op 1 april 2026 heeft het kabinet het advies van de Raad van State van
het Koninkrijk ontvangen. Het kabinet werkt nu aan het opstellen van het Nader rapport
waarin ingegaan wordt op de opmerkingen die de Raad van State van het Koninkrijk heeft
gemaakt.
3.Het CBS gaat gegevens bijhouden over de positie van mensen met een beperking
Het RIVM gevraagd om vanuit de Nationale Strategie een monitor in te richten die bestaat
uit twee kwantitatieve dataverzamelingen uit bestaande databronnen en één kwalitatieve
dataverzameling. De monitor loopt van 2026 tot en met 2029, waarbij er jaarlijks door
het RIVM een rapportage wordt gemaakt. De eerste monitorrapportage ontvangt uw Kamer
eind 2026 bij de voortgangsbrief over de werkagenda VN-verdrag Handicap. Daarnaast
zet het Ministerie van VWS zich in om de beschikbaarheid van data over mensen met
een beperking te vergroten.
Artikel 31 van het VN-verdrag Handicap geeft de overheid een belangrijke taak bij
het monitoren van de positie van mensen met een beperking, onder meer via dataverzameling.
Een knelpunt in de huidige dataverzameling is dat gegevens vaak niet kunnen worden
uitgesplitst naar mensen met en zonder beperking. Daarom worden er gesprekken gevoerd
met het CBS, het RIVM en andere onderzoeksinstellingen over het verbeteren van de
beschikbaarheid van deze data. Het doel van deze gesprekken is om voor verschillende
onderzoeken en enquêtes afspraken te maken over het opnemen van een vraag naar ervaren
beperkingen.
Inkomen en werk
2. Pas de zorgverzekeringswet (Zvw) aan. Houd zorgkosten voor een chronische aandoening
of beperking na één jaar buiten het eigen risico. Zodat iedereen maar één keer eigen
risico betaalt voor elke aandoening.
Het kabinet heeft een andere keuze gemaakt. Onze zorg is gebouwd op solidariteit en
gezonde mensen betalen mee aan de zorgkosten van mensen die ziek zijn of langdurig
afhankelijk zijn van zorg en ondersteuning. We betalen veel samen, en als je daadwerkelijk
zorg of ondersteuning gebruikt hoort daar ook een eigen bijdrage bij. Zo verhoogt
het kabinet onder andere het eigen risico, wat voor iedereen tot lagere zorgpremies
leidt. Daarnaast wil het kabinet vanaf 2028 het verplicht eigen risico maximeren op
€ 150 per behandelprestatie in de medisch-specialistische zorg. Het kabinet acht een
gerichtere inzet van het eigen risico voor chronisch zieken, niet goed uitvoerbaar,
mede omdat er geen eenduidige definitie van chronisch zieken en mensen met een beperking
bestaat. Om chronisch zieken tegemoet te komen in hun zorgkosten wordt een envelop
van 350 miljoen euro structureel gereserveerd. Deze middelen worden beschikbaar gesteld
aan gemeenten. In augustus zal de integrale weging worden gemaakt hoe deze enveloppe
het beste ingezet kan worden.
4. We kijken of meer mensen met een beperking in aanmerking kunnen komen voor de banenafspraak.
We maken een afspraak voor een vast aantal mensen dat zo een baan zouden moeten krijgen.
Dit punt is onderdeel van de werkagenda. Voor de banenafspraak geldt dat dit wordt
gedaan met een beperkte verbreding van de doelgroep. Vanaf 1 januari 2026 zijn mensen
die met loondispensatie werken vanuit de IVA en de Wajong toegevoegd aan het doelgroepregister.
Daarnaast wordt momenteel gewerkt aan een wetsvoorstel waarmee de doelgroep banenafspraak
wordt verbreed met mensen in de WIA en WW die niet zelfstandig het wettelijk minimumloon
per uur kunnen verdienen. De Kamer wordt hierover geïnformeerd voor de zomer van 2026.
Tegelijkertijd is er een meer fundamentele herziening nodig omdat nog steeds teveel
mensen met een beperking niet onder de doelgroep banenafspraak vallen.
5. Toegankelijke banen en begeleiding naar werk
Er zijn de afgelopen tijd veel maatregelen getroffen om de arbeidsmarkt toegankelijker
te maken voor mensen met een arbeidsbeperking.2
De komende tijd zet het kabinet verder in op het harmoniseren van het re-integratiebeleid,
waaronder de inzet van werkvoorzieningen, zodat de verschillen tussen UWV en gemeenten
en tussen gemeenten onderling afnemen en werkzoekenden en werkgevers sneller krijgen
wat nodig is.
De werkagenda omschrijft meer maatregelen voor de komende vijf jaar. Zo wordt er verder
gewerkt aan:
– Verbeteringen binnen de banenafspraak zoals bij punt 4 gemeld.
– Een Sociaal Innovatiefonds om inclusief werkgeverschap aan te moedigen.
– Het structureel maken van het instrument Individuele Plaatsing en Steun waar budget
voor is.
– De financiering per beschutte werkplek is vanaf 2024 verhoogd (een structurele investering
van 65 miljoen per jaar).
– Daarnaast heeft het kabinet in 2025, in het kader van de Voorjaarsnota, besloten om
structureel € 90 miljoen extra per jaar beschikbaar te stellen voor beschut werk.
Hiermee wordt de loonkostensubsidie verbeterd en vereenvoudigd. Daartoe gaat dit voorjaar
een wetsvoorstel voor een forfaitaire loonkostensubsidie in consultatie.
– Een subsidieregeling inclusieve technologie. Werkgevers kunnen subsidie aanvragen
voor inclusieve technologie om mensen met een beperking aan het werk te helpen en
te houden. In 2026 is hiervoor € 1 miljoen beschikbaar.
– Tot stand komen van sectorale Ontwikkelpaden in bijvoorbeeld de techniek-, bouw-,
zorg- of kinderopvang-sector die laten zien hoe mensen zich in een sector kunnen ontwikkelen
of starten met een nieuwe functie.
– De implementatie van de wet «van school naar duurzaam werk» die begin 2026 in werking
is getreden.
– Getroffen maatregelen in de Participatiewet3 ter bevordering van uitstroom naar werk. In het verlengde hiervan werkt het kabinet
nu aan een meer fundamentele hervorming van de Participatiewet.
Met de komst van Werkcentra, waarop bij punt 6 nader wordt ingegaan, is er één loket
in arbeidsmarktregio’s waar werknemers, werkzoekenden en werkgevers terecht kunnen
met vragen over betaald werk. Daarnaast werkt het kabinet aan een agenda over inclusief
werkgeverschap, die zal ingaan op hoe de informatievoorziening verder kan worden vergroot.
Ook op het gebied van jobcoaching worden stappen gezet. Per 1 januari 2025 kan jobcoaching
worden ingezet bij kleinere arbeidscontracten en kan de jobcoach bij een naderend
baaneinde begeleiden naar ander werk. Tevens is een deel van de formulierenstroom
vereenvoudigd, evenals het taalgebruik in de formulieren.
Tot slot kunnen werkzoekenden per 1 maart 2026 ook gebruikmaken van een vereenvoudigde
manier om de externe jobcoach via de UWV-website aan te vragen.
6. Er komt één werkloket waar iedereen terecht kan met vragen over werk, loopbaan,
scholing en begeleiding naar werk en het ontwikkelingsbudget. De loketten worden georganiseerd
door gemeenten en het UWV.
Per arbeidsmarktregio komt er één gezamenlijk regionaal loket: het Werkcentrum. Vooruitlopend
op de herziene wetgeving zijn de Werkcentra in vrijwel alle arbeidsmarktregio’s al
van start. De lancering is ondersteund door landelijke- en regionale publiciteitscampagnes.
8. Het wordt gewoon dat werkgevers inclusief denken en doen. We vervangen loondispensatie
door de loonkostensubsidieregeling. Zodat alle werkenden met een beperking op zijn
minst het minimumloon verdienen. Werkgevers worden ondersteund met regelingen als
de no-riskpolis en jobcoaching.
Uit een eerste verkenning is naar voren gekomen dat het invoeren van een loonkostensubsidie
in de Wajong zowel voor- als nadelen met zich meebrengt voor de doelgroep. Met name
het omzetten van het instrument loondispensatie in loonkostensubsidie voor de mensen
in de Wajong die nu al werken met loondispensatie brengt de nodige complexiteit met
zich mee. Na de verkenning zijn vervolgens gesprekken gevoerd over het vervangen van
loondispensatie door loonkostensubsidie met ervaringsdeskundigen, werkgevers en de
uitvoering. Op basis van die gesprekken is geconcludeerd dat het wenselijk is om loondispensatie
in de Wajong te vervangen door loonkostensubsidie. De Kamer wordt voor de zomer van
2026 geïnformeerd over het wetsvoorstel verdere verbreding doelgroep banenafspraak,
waar dit traject onderdeel van is.
Mobiliteit
2. Maak actuele informatie over toegankelijkheid verplicht in reisplanners (zoals
kapotte liften en instaphoogtes).
Sinds begin 2025 heeft ProRail real-time informatie beschikbaar over de werking van
liften op stations doordat er sensoren zijn geïnstalleerd die storingen melden. Daarmee
zijn nu ook kortdurende storingen in beeld. Deze informatie wordt ontsloten door de
halteviewer van DOVA, het samenwerkingsverband van decentrale OV-autoriteiten. Door
deze informatievoorzieningen kunnen reizigers hun reis beter plannen. Ook voor vervoerders
en andere organisaties die deze actuele beschikbaarheidsdata willen tonen in hun reisinformatievoorzieningen
is deze informatie via DOVA beschikbaar. Per 1 april 2026 is actuele beschikbaarheidsdata
van liften van ProRail voor álle reizigers beschikbaar op ns.nl en in de NS-app.
Een terugkerend deelthema zijn liftstoringen. Het aantal langdurig defecte liften
(een week of langer) is substantieel afgenomen van circa 15 à 20 liften per maand
voor de zomer van 2022 naar gemiddeld 5 à 7 liften per maand eind 2025. In deze cijfers
zijn de liften die niet beschikbaar zijn vanwege geplande liftvervanging en gepland
onderhoud niet meegerekend.
6. Reisassistentie moet bij alle vervoerders en op alle stations binnen één uur worden
geregeld.
Op de noordelijke lijnen in Friesland en Groningen is al langere tijd reisassistentie
beschikbaar en wordt voldaan aan de afspraken uit het Bestuursakkoord. Sinds de zomer
van 2024 wordt ook op de lijn Alphen aan den Rijn-Gouda (R-net, NS) reisassistentie
conform het Bestuursakkoord aangeboden. Hetzelfde geldt voor de Valleilijn, waar Keolis
rijdt. Op de MerwedeLingelijn (Qbuzz) is reisassistentie eveneens beschikbaar, al
moeten hier nog enkele laatste stappen worden gezet om volledig aan de afspraken te
voldoen, zoals het omlaag brengen van de vooraanmeldtijd.
In 2025 zijn verdere stappen gezet. Zo is inmiddels ook in Achterhoek Rivierenland
(Arriva), op de Vechtdallijnen (Arriva) en op de regionale stations in Limburg (Arriva)
reisassistentie beschikbaar, volgens de afspraken uit het Bestuursakkoord. Tot slot
staat Keolis op het punt om reisassistentie volgens het Bestuursakkoord aan te bieden
op de lijnen Zwolle-Enschede en Zwolle-Kampen.
Via artikel 18, lid 5, van de Concessie voor het Hoofdrailnet (2025–2033) voert NS
regie over het boeken van reisassistentie wanneer een andere spoorvervoerder hierom
verzoekt. De betreffende spoorvervoerder blijft daarbij verantwoordelijk voor de daadwerkelijke
uitvoering en eventuele bijsturing van de reisassistentie, conform de afspraken uit
het Bestuursakkoord. Op het merendeel van de trajecten wordt door regionale vervoerders
van deze service gebruik gemaakt.
7. Hef de kilometergrens bij Valys-vervoer op en hef vervolgens het Wmo-vervoer op.
Ten aanzien van Valys-vervoer vragen zowel gebruikers van Valys als de Tweede Kamer
aandacht voor het aantal kilometers dat niet altijd toereikend is voor iedereen.
Recent is onderzoek uitgevoerd naar de haalbaarheid van het uitvoeren van de motie
Agema4 die vraagt om het afschaffen van zowel de kilometerregistratie als de kilometergrens.
Op basis van deze onderzoeksresultaten is besloten de kilometergrens bij Valys-vervoer
niet af te schaffen5. Hoewel het afschaffen van de kilometergrens op korte termijn verbetering voor de
individuele reiziger kan opleveren, creëert het afschaffen op langere termijn meerdere
nieuwe knelpunten in het doelgroepenvervoer. Deze nadelige gevolgen voor alle reizigers
in het doelgroepenvervoer wegen niet op tegen de individuele verbetering voor Valys-reizigers.
Daarbij sluit het niet aan bij het oorspronkelijke doel van Valys. Valys is altijd
bedoeld als tijdelijke maatregel zolang het openbaar vervoer niet toegankelijk is.
Naarmate het openbaar steeds toegankelijker wordt (Bestuursakkoord Toegankelijkheid
OV 2032), zal het gebruik van Valys afnemen. Zodoende kunnen we het aangepast vervoer
blijven garanderen voor mensen die dit nodig hebben omdat zij, ook zonder begeleiding,
met het OV kunnen reizen.
Belangrijk voor de toekomst is de verkenning naar publieke mobiliteit. Eind vorig
jaar is deze verkenning naar de Tweede Kamer gestuurd.6 Publieke mobiliteit is een integraal publiek vervoerssysteem dat voor iedereen toegankelijk
en passend is. Alleen in uitzonderingsgevallen is dan nog aanvullend passend vervoer
nodig.
Het richt zich op de integratie van openbaar vervoer, doelgroepenvervoer (waaronder
Valys en Wmo-vervoer) en aanvullende vervoersvormen (zoals deelmobiliteit en vrijwilligersvervoer).
Het doel is om de bereikbaarheid en sociale participatie te verbeteren binnen beschikbare
middelen en omstandigheden. Rekening wordt gehouden met trends als vergrijzing, personeelstekorten,
afnemende bereikbaarheid in bepaalde regio’s en stijgende (uitvoerings)kosten. De
aanbevelingen uit de verkenning, ten aanzien van reizigersbehoeften, regionale aanpak,
geldstromen, (gedecentraliseerde) wettelijke taken, instituties en aansturing, worden
op dit moment nader uitgewerkt. De resultaten worden opgenomen in het Kabinetsstandpunt
Publieke Mobiliteit waaraan momenteel in gezamenlijkheid met de Ministeries van Financiën,
BZK, OCW en IenW wordt gewerkt.
8. Start een proef waarin regionaal Wmo-vervoer wordt overgenomen door Valys.
Juridisch is het niet mogelijk om zonder meer een gedecentraliseerde taak bij een overheidsorgaan weg te halen. Daarbij is Valys
geen wettelijke taak, maar buitengewoon begunstigend beleid. Het is altijd bedoeld
als tijdelijke regeling, waarbij het de intentie is om mensen gebruik te laten maken
van OV-voorzieningen zodra deze toegankelijk zijn. Het is vanuit Valys bezien (contractueel,
beleidsmatig, financieel en uitvoeringstechnisch) niet mogelijk danwel wenselijk om
het Wmo-vervoer over te nemen. Zoals bekend zijn er grote knelpunten in het doelgroepenvervoer.
De focus is daarom op een meer fundamentelere invulling van sociale inclusieve mobiliteit.
Eind vorig jaar is daarom de verkenning naar publieke mobiliteit naar de Tweede Kamer
gestuurd.7 Publieke mobiliteit is een integraal publiek vervoerssysteem dat voor iedereen toegankelijk
en passend is. Alleen in uitzonderingsgevallen is dan nog aanvullend passend vervoer
nodig. Het richt zich op de integratie van openbaar vervoer, doelgroepenvervoer (waaronder
Valys en Wmo-vervoer) en aanvullende vervoersvormen (zoals deelmobiliteit en vrijwilligersvervoer).
Het doel is om de bereikbaarheid en sociale participatie te verbeteren binnen beschikbare
middelen en omstandigheden. Er zal rekening worden gehouden met trends als vergrijzing,
personeelstekorten, afnemende bereikbaarheid in bepaalde regio’s en stijgende (uitvoerings)kosten.
De aanbevelingen uit de verkenning, ten aanzien van reizigersbehoeften, regionale
aanpak, geldstromen, instituties en aansturing, worden op dit moment nader uitgewerkt.
De resultaten worden opgenomen in het Kabinetsstandpunt Publieke Mobiliteit waaraan
momenteel in gezamenlijkheid met de Ministeries van Financiën, BZK, OCW en IenW wordt
gewerkt.
9. Schaf de 700 kilometergrens af.
Recent is onderzoek uitgevoerd naar de haalbaarheid van het uitvoeren van de motie
Agema8 die vraagt om het afschaffen van zowel de kilometerregistratie als de kilometergrens.
Op basis van deze onderzoeksresultaten is besloten de kilometergrens bij Valys-vervoer
niet af te schaffen9. Hoewel het afschaffen van de kilometergrens op korte termijn verbetering voor de
individuele reiziger kan opleveren, creëert het afschaffen op langere termijn meerdere
nieuwe knelpunten in het doelgroepenvervoer. Deze nadelige gevolgen voor alle reizigers
in het doelgroepenvervoer wegen niet op tegen de individuele verbetering voor Valys-reizigers.
Daarbij sluit het niet aan bij het oorspronkelijke doel van Valys. Valys is altijd
bedoeld als tijdelijke maatregel zolang het openbaar vervoer niet toegankelijk is.
Naarmate het openbaar steeds toegankelijker wordt (Bestuursakkoord Toegankelijkheid
OV 2032), zal het gebruik van Valys afnemen. Zodoende kunnen we het aangepast vervoer
blijven garanderen voor mensen die dit nodig hebben omdat zij, ook zonder begeleiding,
met het OV kunnen reizen.
Belangrijk voor de toekomst is de verkenning naar publieke mobiliteit zoals bij punt
7 is toegelicht.
Funderend onderwijs
5. Hou bij nieuwbouw of opknappen van schoolgebouwen bij de bouw al rekening met leerlingen
met een beperking. Alle onderwijsgebouwen moeten toegankelijk zijn voor alle kinderen.
In de bouwregelgeving is vastgelegd dat nieuwe gebouwen toegankelijk moeten zijn voor
mensen met een functiebeperking. Hierbij gaat het bijvoorbeeld op de afmetingen van
deuren en doorgangen, de aanwezigheid van liften, en het ontbreken van obstakels zoals
drempels. Ook zijn onderwijsinstellingen verplicht om in individuele situaties ervoor
te zorgen dat een leerling onderwijs kan volgen. Hiervoor moeten zij doeltreffende
aanpassingen doen. In 2025 is de NEN-norm 9120 gepubliceerd, waarin op een eenduidige
manier is vastgelegd wat toegankelijke gebouwen zijn.
7. Luister meer naar ouders en kinderen. Leg dit ook vast in besluitvorming.
Met inwerkingtreding van de wet «Versterking positie ouders en leerlingen in het passend
onderwijs», zijn vanaf 1 januari 2025 de ouder- en jeugdsteunpunten wettelijk verplicht.
Per 1 augustus 2025 hebben alle leerlingen met een ontwikkelperspectief hoorrecht
over het ontwikkelperspectief. Leerlingen moeten worden gehoord in alle fasen van
het ontwikkelingsperspectief: opstellen, bijstellen, vaststellen en evalueren. De
school beschrijft in het ontwikkelingsperspectief de inbreng van de leerling en hoe
deze van invloed is geweest op de vast- of bijstelling van het ontwikkelingsperspectief.
De school koppelt terug aan de leerling hoe diens mening van invloed is geweest op
de vast- of bijstelling van het ontwikkelingsperspectief. De wet vereist sinds 1 augustus
2025 van scholen dat zij alle leerlingen vragen naar hun mening over de ondersteuning
op school voordat zij de schoolgids vaststellen. In de schoolgids neemt de school
de inbreng van de leerlingen op hoe met die mening is rekening gehouden bij de vaststelling
van de basisondersteuningsvoorzieningen.
Middelbaar beroepsonderwijs, hoger beroepsonderwijs en wetenschappelijk onderwijs
1. Breid het mbo-studentenfonds uit.
Op 20 april 2026 is de rapportage over evaluaties van de Wetten «Versterken positie
mbo-studenten» en de «Wet verbetering rechtsbescherming mbo-studenten» naar de Tweede
Kamer gestuurd. In de evaluatie wordt geconstateerd dat de set aan maatregelen over
het algemeen goed lijken te helpen voor studenten die er gebruik van mogen maken.
Het mbo-studentenfonds is echter niet bij alle studenten bekend. Van alle bevraagde
studenten geeft 36% aan het studentenfonds te kennen, meestal via de studieloopbaanbegeleider,
mentor of coach. Het toegankelijk en begrijpelijk maken van de informatie, zodanig
dat de informatie de student ook echt bereikt en beklijft is uitdagend. Er is gestart
met een verkenning en gesprekken met JOB-mbo, MBO Raad en SBB om te kijken welke concrete
afspraken over informatievoorziening gemaakt kunnen worden.
Ook blijkt uit de evaluatie dat de 50 instellingen waarvan gegevens beschikbaar waren,
in het studiejaar 2023/2024 in totaal bijna € 8,3 miljoen is uitgegeven aan het fonds.
De helft van de instellingen heeft het fonds met eigen middelen uitgebreid. Twee derde
van de mbo-instellingen vindt het budget voor het mbo-studentenfonds toereikend. Uit
de evaluatie blijkt ook dat voor het mbo de meeste toekenningen uit het fonds gingen
naar studenten met onvoldoende financiële middelen voor de aanschaf van onderwijsbenodigdheden.
2. Maak de aanvragen makkelijker voor het mbo-studentenfonds en het studentenondersteuningsfonds.
Uit de evaluatie van de wetten «Versterken positie mbo-studenten» en «Wet verbetering
rechtsbescherming mbo-studenten», blijkt dat studenten die bekend zijn met het fonds,
meestal via hun mentor/slb’er over de mogelijkheden zijn geïnformeerd. Bij 80 procent
van de instellingen kunnen studenten een schriftelijke aanvraag doen voor het mbo-studentenfonds,
bij 53 procent kan dit (ook) via de mentor/slb’er. Bij enkele instellingen wordt aangegeven
dat studenten zich via verschillende kanalen (personen of digitaal) kunnen melden
en dat ze daarna verder worden geholpen bij de aanvraag.
Voor het hbo en wo geldt dat het Ministerie van OCW een onderzoek laat uitvoeren naar
de maatwerk- en financiële voorzieningen op hogescholen en universiteiten met als
doel het in kaart brengen van de bestaande knelpunten. Dit onderzoek en de bijbehorende
beleidsreactie10 is onlangs naar de Kamer verstuurd. In het onderzoek wordt ook het studentenondersteuningsfonds
meegenomen.
4. Er moeten landelijke richtlijnen komen voor alle onderwijsinstellingen over het
aanbieden van andere (digitale) mogelijkheden voor studenten met een functiebeperking.
In de werkagenda heeft de Minister van OCW de verbetering van digitale toegankelijkheid
in het vervolgonderwijs opgenomen als maatregel. Momenteel wordt er gewerkt aan de
uitvoering van deze maatregel. Lid Ceder (CU) heeft hiertoe ook twee moties ingediend.
De moties vroegen om de Europese Toegankelijkheidsrichtlijn, die verplicht om bepaalde
producten en diensten digitaal toegankelijk te maken, te verwerken in wet- en regelgeving
in de zorg en het onderwijs en om de normen van de Web Content Accessibility Guidelines
(WCAG) en inclusief digitaal ontwerpen op te laten nemen in de inkoopvoorwaarden voor
digitale middelen, leerlingvolgsystemen en leeromgevingen, websites en apps. De Minister
van OCW heeft uw Kamer onlangs geïnformeerd over de uitvoering van deze moties in
een Kamerbrief.11 Tot slot ondersteunt het Expertisecentrum Inclusief Onderwijs (ECIO) mbo-, hbo- en
wo-instellingen op het gebied van toegankelijk onderwijs voor studenten met een ondersteuningsvraag.
5. Leg digitale toegankelijkheid vast in de Wet educatie beroepsonderwijs en de Wet
op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
In de werkagenda heeft de Minister van OCW de verbetering van digitale toegankelijkheid
in het vervolgonderwijs opgenomen als maatregel. Momenteel wordt er gewerkt aan de
uitvoering van deze maatregel. Lid Ceder (CU) (Kamerstuk 36 600 VII, nr. 62; Kamerstuk 36 800 VIII, nr. 120) heeft hiertoe ook twee moties ingediend. De moties vroegen om de Europese Toegankelijkheidsrichtlijn,
die verplicht om bepaalde producten en diensten digitaal toegankelijk te maken, te
verwerken in wet- en regelgeving in de zorg en het onderwijs en om de normen van de
Web Content Accessibility Guidelines (WCAG) en inclusief digitaal ontwerpen op te
laten nemen in de inkoopvoorwaarden voor digitale middelen, leerlingvolgsystemen en
leeromgevingen, websites en apps. De Minister van OCW heeft uw Kamer onlangs geïnformeerd
over de uitvoering van deze moties in een Kamerbrief.12 Tot slot ondersteunt het Expertisecentrum Inclusief Onderwijs (ECIO) mbo-, hbo- en
wo-instellingen op het gebied van toegankelijk onderwijs voor studenten met een ondersteuningsvraag.
6. Verplicht dat er een vast aanspreekpunt is op alle onderwijsinstellingen voor studenten
met een beperking.
Op mbo-instellingen is dit vaak al geregeld, in de vorm van de studieloopbaanbegeleider
of ondersteuningspunt. De mbo-instellingen organiseren dit ieder op hun eigen manier.
De Minister van OCW laat een onderzoek uitvoeren naar maatwerk- en financiële voorzieningen
in het hbo en wo, dat voor de zomer van 2026 naar de Kamer wordt gestuurd (zie ook
het antwoord bij punt 2). In het onderzoek worden aanbevelingen gedaan op instellingsniveau
en landelijk niveau. Het instellen van een vast aanspreekpunt is een maatregel die
op instellingsniveau kan worden ingezet.
7. Verbeter digitale middelen en pas deze aan op de behoefte van studenten met een
beperking.
In de werkagenda heeft de Minister van OCW de verbetering van digitale toegankelijkheid
in het vervolgonderwijs opgenomen als maatregel. Momenteel wordt er gewerkt aan de
uitvoering van deze maatregel. Lid Ceder (CU) heeft hiertoe ook twee moties ingediend.
De moties vroegen om de Europese Toegankelijkheidsrichtlijn, die verplicht om bepaalde
producten en diensten digitaal toegankelijk te maken, te verwerken in wet- en regelgeving
in de zorg en het onderwijs en om de normen van de Web Content Accessibility Guidelines
(WCAG) en inclusief digitaal ontwerpen op te laten nemen in de inkoopvoorwaarden voor
digitale middelen, leerlingvolgsystemen en leeromgevingen, websites en apps. De Minister
van OCW heeft uw Kamer onlangs geïnformeerd over de uitvoering van deze moties in
een Kamerbrief.13 Tot slot ondersteunt het Expertisecentrum Inclusief Onderwijs (ECIO) mbo-, hbo- en
wo-instellingen op het gebied van toegankelijk onderwijs voor studenten met een ondersteuningsvraag.
8. Geef studenten met een beperking een positie in de medezeggenschapsraden.
Studentenmedezeggenschap in het mbo is onderdeel van de bredere wetsevaluatie over
de positie van mbo-studenten en rechtsbescherming die in de werkagenda wordt genoemd.
Voor het mbo, hbo en wo geldt dat het niet voor de hand ligt om een zetel in de medezeggenschap
te garanderen voor studenten met een beperking. Dit komt mede doordat het een uitdaging
is om voldoende kandidaten voor de medezeggenschapsraad te vinden. Medezeggenschappers
zijn vertegenwoordigers voor de gehele studentenpopulatie van hun instelling, faculteit
of opleiding. De medezeggenschap heeft als nadrukkelijke wettelijke taak in het bijzonder
de inschakeling van personen met een handicap of chronische ziekte te bevorderen.14 Daarbij ligt het voor de hand dat de medezeggenschap contacten legt met organisaties
en netwerken op hun instelling die zich breed inzetten met en voor studenten met een
functiebeperking en met studenten in hun achterban.
Voor deelname aan de raad is het wel van belang dat de raad voor iedereen toegankelijk
is. Hierover is in 2023 door koepels en studentenorganisaties afgesproken: «...in overleg met leden van de medezeggenschap met een functiebeperking besproken
hoe zij zo effectief mogelijk hun rol in de medezeggenschap kunnen vervullen.»15
In de meest recente editie van de Medezeggenschapsmonitor van het Interstedelijk Studenten
Overleg (ISO) is voor het eerst de toegankelijkheid van de medezeggenschap voor hbo-
en wo-studenten met een functiebeperking meegenomen. Slechts een beperkt deel geeft
aan dat hun raden niet of slechts gedeeltelijk toegankelijk zijn voor mensen met een
taal gerelateerde of fysieke ondersteuningsbehoefte.16 Kanttekening hierbij is wel dat de uitvraag is gedaan onder alle medezeggenschappers
(ook die zonder functiebeperking).
Opleidingscommissies worden als het meest toegankelijk ervaren. Hybride vergaderen
kan het animo voor deelname in het algemeen vergroten blijkt uit de monitor. Dit biedt
ook kansen in de toegankelijkheid van studenten met een beperking.
9. Ontwikkel een platform waar studenten en stageplekken aan elkaar kunnen worden
gekoppeld.
In het hoger onderwijs wordt op verschillende manieren beleid, onderwijs (stagedocenten/studenten)
en het werkveld aan elkaar verbonden via een aantal co-creatieve programma’s. Daardoor
is er een actief netwerk ontstaan waardoor specifieke vragen over behoeften van studenten
met een functiebeperking snel kunnen worden opgepakt.
In de leerlijn van het werkprogramma Stagediscriminatie in het hoger onderwijs wordt
nadrukkelijk aandacht gegeven aan studenten met een functiebeperking en hun stage.
Op deze manier worden stagebegeleiders en stagecoördinatoren geprofessionaliseerd.
Daarnaast is er door ECIO in 2024, in opdracht van directie mbo en directie hoger
onderwijs, een onderzoek uitgevoerd waarin concrete aanbevelingen aan het mbo en hoger
onderwijs worden gedaan in relatie tot stage(discriminatie) van studenten met een
functiebeperking. Ook zijn in 2026 door hen de Inclusieve Stagecriteria opgesteld.
Bij de totstandkoming hiervan zijn een aantal sessies georganiseerd waarbij zowel
het werkveld als actoren uit het hoger onderwijs bij aanwezig waren.
Ten slotte vindt periodiek afstemming plaats met de Landelijke werkgroep tegen stagediscriminatie
in het hoger onderwijs waarin alle ondertekenaars van het manifest tegen stagediscriminatie
in het hoger onderwijs zitting hebben. Dit is een community waarin kennis, ervaring
en onderzoek worden gedeeld en de voortgang van het Werkprogramma wordt besproken.
Ook in dit overleg is aandacht voor studenten met een functiebeperking en hun stagewensen.
Naast het werkprogramma loopt het programma De Haagse Aanpak en de Landelijke Aanpak
stagediscriminatie waarmee het Ministerie van OCW ook is verbonden. Aan deze programma’s
is een landelijke community verbonden waarbij ook organisaties die zich richten op
studenten met een functiebeperking verbonden. Zij worden actief betrokken bij het
programma en kunnen op deze wijze hun expertise naar het onderwijs vertalen.
Democratie
1. Alle nieuwsprogramma’s moeten worden ondertiteld en audiodescriptie krijgen.
Met de NPO zijn in 2025 afspraken gemaakt over een onder- en bovengrens voor aanbod
voorzien van audiodescriptie. Onder voorbehoud van aanvullende middelen streeft de
NPO ernaar jaarlijks 85 titels (of seizoenen van titels) te voorzien van audiodescriptie.
Als ondergrens gaat de NPO uit van 60 titels of seizoenen van titels. Hierover is
de Kamer geïnformeerd in een brief.17 Deze afspraken zijn een aanvulling op de reeds geldende afspraken over audiodescriptie
in de prestatieovereenkomst tussen OCW en de NPO. In deze prestatieovereenkomst staan
ook afspraken over nieuwsuitzendingen die voorzien moeten zijn van NGT.
3. Websites van de rijksoverheid moeten toegankelijk zijn en in begrijpelijke taal
geschreven worden.
Overheidsorganisaties zijn verplicht om aan de wettelijke toegankelijkheidseisen te
voldoen vanuit het Tijdelijk Besluit Digitale Toegankelijkheid Overheid. Op dit moment
voldoet 62% van alle overheidswebsites en apps aan de wettelijke eisen en 9% voldoet
aan alle toegankelijkheidseisen.
5. Politieke partijen worden verplicht om te zorgen voor online-informatie over hun
politieke partij. Informatie zoals kandidatenlijsten en standpunten, moet toegankelijk
zijn en in begrijpelijke taal zijn geschreven voor mensen met een beperking.
In opdracht van het Ministerie van BZK voert Ieder(in) samen met een panel van ervaringsdeskundigen
acties uit die politieke partijen moeten helpen om hun partijprogramma’s toegankelijker
te maken voor mensen met een beperking en mensen met lage basisvaardigheden. Zo is
er een handreiking over toegankelijke informatie aan politieke partijen gestuurd,
zijn er webinars voor politieke partijen over toegankelijke verkiezingsprogramma’s
georganiseerd en is er een website over toegankelijke informatie voor politieke partijen
gemaakt. Ook konden politieke partijen bij de Tweede Kamerverkiezing in 2025 advies
krijgen over de toegankelijkheid en begrijpelijkheid van hun partijprogramma’s. Zeven
politieke partijen hebben van deze mogelijkheid gebruik gemaakt.
6. Iedereen die behoefte heeft aan hulp bij het stemmen moet een begeleider mee kunnen
nemen.
Er is er een wetsvoorstel voorbereid en aan de Tweede Kamer verstuurd, om hulp in
het stemhokje voor meer mensen mogelijk te maken. Het streven is dat het wetsvoorstel
bij de provinciale staten en waterschapsverkiezingen in 2027 van kracht is.
7. Alle stemhokjes moeten voor iedereen toegankelijk zijn.
In het actieplan «Toegankelijk stemmen» staan acties om stemlokalen toegankelijker
te maken. Zo brengt de Kiesraad bestaande handreikingen voor het toegankelijk maken
van stemlokalen bij gemeenten onder de aandacht (zoals die van de Vereniging Nederlandse
gemeente (VNG), de Oogvereniging en Alzheimer Nederland). Ook gaat de Kiesraad onderzoeken
hoe de Criteria Integrale Toegankelijkheid Stembureaus moeten worden aangepast, zodat
ze meer rekening houden met mensen met verschillende fysieke beperkingen en aansluiten
bij de nieuwe NEN-norm 9120 voor toegankelijke gebouwen. Verder zal de Kiesraad in
overleg met gemeenten onderzoeken hoe de toegankelijkheid van stemlokalen in brede
zin kan worden bevorderd en dit omzetten in concrete suggesties en ondersteuning.
Het Ministerie van BZK heeft in 2025 een workshop over toegankelijke stemlokalen gegeven
aan projectleiders verkiezingen van gemeenten. Het Ministerie van BZK geeft subsidie
aan de Open State Foundation voor de website www.waarismijnstemlokaal.nl. Hierop kunnen kiezers zien welke voorzieningen er in de stemlokalen zijn, zodat
zij weten waar zij terecht kunnen om zo zelfstandig mogelijk hun stem uit te brengen.
Het Ministerie van BZK geeft ook subsidie aan de Stichting Prokkel om mensen met een
licht verstandelijke beperking te laten meedraaien op stemlokalen. De VNG heeft een
lijst gemaakt met tips voor simpele hulpmiddelen die de toegankelijkheid van het stemlokaal
kunnen vergroten en deze bij gemeenten onder de aandacht gebracht. De VNG stimuleert
gemeenten om lokale gehandicaptenplatforms en ervaringsdeskundigen te betrekken bij
de schouw van stemlokalen.
9. Toets nieuwe wetgeving en nieuw beleid aan de hand van het VN-verdrag Handicap.
In de werkagenda VN-verdrag Handicap is een maatregel opgenomen dat de Ministeries
van VWS en BZK kennis over het VN-verdrag Handicap verder verspreiden bij beleidsmakers
en wetgevingsjuristen. In november 2025 is hiermee een eerste start gemaakt, door
het organiseren van een lezing voor wetgevingsjuristen over het VN-Verdrag Handicap,
in samenwerking met de Academie voor wetgevingsjuristen en het College voor de Rechten
van de Mens. Er wordt bekeken om hier in 2026 een vervolg aan te geven. Daarnaast
zijn er gesprekken gestart om te komen tot trainingen en e-learnings voor trainees,
beleidsmedewerkers, wetgevingsjuristen en (top)managers. Tevens worden er gesprekken
gevoerd met diverse departementen en externe partijen om de kennisbehoefte te peilen
en te inventariseren hoe de kennisdeling opgezet kan worden. Daarnaast zijn departementen
in gesprek om het VN-verdrag Handicap onderdeel te laten zijn van het beleidskompas.
Zorg en ondersteuning
1. Organiseer één loket voor hulpmiddelen.
In de werkagenda VN-verdrag Handicap wordt gewerkt aan het verbeteren van de toegang
tot hulpmiddelen door middel van het verbeteren en actualiseren van de convenanten
«Maatwerkprocedure toegang hulpmiddelen» en «Meeverhuizen van individuele mobiliteitshulpmiddelen
en roerende woonvoorzieningen bij een verhuizing». De VNG stimuleert meer gemeenten
deze convenanten te ondertekenen. Daarnaast wordt er in 2026 en in 2028 een monitor
hulpmiddelen uitgevoerd. Hierin worden de ervaringen van hulpmiddelengebruikers in
beeld gebracht en gekeken wat er verbeterd kan worden aan het aanvraagproces.
Voor sporthulpmiddelen wordt er gewerkt aan een loket Uniek Sporten (onderdeel van
Fonds Gehandicaptensport). Dit wordt gedaan om te zorgen voor een toegankelijker,
kostenefficiënter, duurzamer en eenvoudiger proces voor sporters met een beperking.
Op dit moment wordt een pilot uitgevoerd met het kosteloos ondersteunen van gemeenten
met deskundig advies, beoordeling en ontlasting van de administratieve last. Bovendien
wordt bij dit loket de gebruiker geadviseerd welke sport beoefend kan worden met de
beperking die iemand heeft. Ook wordt in de pilot onderzocht of sporthulpmiddelen
in bruikleen verleend kunnen worden.
Tenslotte blijft bij het centrale loket een financieel vangnet voor dure sporthulpmiddelen
die niet volledig vanuit de Wmo vergoed worden. In oktober 2025 is Uniek Sporten gestart
met een pilot voor het centrale loket. Met deze pilot wordt getoetst of de voorgestelde
invulling van dit centrale loket daadwerkelijk bijdraagt aan een toegankelijker, kostenefficiënter,
duurzamer en eenvoudiger proces voor sporters met een beperking. Inmiddels zijn 25
gemeenten aangehaakt bij de pilot.
2. Bij beoordeling voor hulpmiddelen moet meedoen op alle levensgebieden (sport/wonen/onderwijs/mobiliteit/werk/vrije
tijd) een norm zijn.
Bij de verstrekking en beoordeling van hulpmiddelen zijn veel partijen (de cliënten
zelf en hun naasten, leveranciers, gemeenten, zorgverzekeraars, zorgkantoren, UWV
en zorgverleners) betrokken. Al deze partijen zijn zich ervan bewust dat passende
hulpmiddelen voor mensen met een beperking voorwaardelijk zijn om optimaal te functioneren
in de maatschappij, op alle levensgebieden. In het Landelijk normenkader hulpmiddelen
is daarom het gehele proces van aanvraag tot levering, onderhoud en reparatie van
hulpmiddelen beschreven, waarbij ook alle levensdomeinen betrokken worden. Samenwerking
tussen partijen in de toegang, levering en het gebruik (en onderhoud) van hulpmiddelen
is cruciaal om dit waar te kunnen maken. In de monitor hulpmiddelen, die na de zomer
naar de Tweede Kamer wordt gestuurd, wordt dit proces geëvalueerd en zal er gekeken
worden naar wat er verder verbeterd kan worden.
Daarnaast is in de werkagenda VN-verdrag Handicap opgenomen dat er een modelbeleid
voor de verstrekking van sporthulpmiddelen is en gemeenten worden gestimuleerd dit
te gaan hanteren. Hierin wordt vastgesteld dat Sporten en bewegen ook tot participatie
en meedoen behoren. Inmiddels is de werkgroep van gemeenten «Sporthulpmiddelen binnen
de Wmo» tot aanvullend modelbeleid gekomen voor een consistente en heldere afbakening
van de verantwoordelijkheden van gemeenten ten aanzien van de verstrekking van sporthulpmiddelen
binnen de Wet Maatschappelijke Ondersteuning. De notitie «Aanvullend Wmo-modelbeleid
voor sporthulpmiddelen» is op 16 april 2025 overgenomen in de commissie ZJO (zorg,
jeugd en onderwijs) van de VNG.
Daarnaast is in de werkagenda opgenomen dat het Ministerie van VWS in ieder geval
met de VNG, Zorgverzekeraars Nederland (ZN) en belangenorganisaties in gesprek gaat
over hoe de toegang tot hulpmiddelen meer kan aansluiten op het VN-verdrag Handicap.
4. Vanuit de intramurale Wlz moet iemand ook aanspraak kunnen maken op hulpmiddelen
thuis.
De toenmalige Minister voor Langdurige Zorg en Sport heeft op 21 augustus 2023 met
Ieder(in), VNG, Firevaned en de Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland (VGN) landelijke
afspraken gemaakt over het behoud van hulpmiddelen thuis voor cliënten die verhuizen
naar een Wlz-instelling en aangeven thuis te willen logeren. Deze afspraken gaan onder
meer over de cliënten en de Wmo-hulpmiddelen die hiervoor in aanmerking komen, de
processtappen, de financiering, de communicatie over de afspraken (o.a. via Regelhulp)
en de evaluatie van de afspraken in 2025.
Eind 2025 heeft deze evaluatie plaatsgevonden, waarbij aan vertegenwoordigers van
Ieder(in), VNG, VGN en Firevaned is gevraagd om hun ervaringen bij hun achterban op
te halen en met elkaar te delen. Ook is vanuit het Ministerie van VWS met een aantal
ergotherapeuten van gehandicaptenzorginstellingen gebeld om naar hun ervaringen te
vragen. Uit deze evaluatie is naar voren gekomen dat de landelijke afspraken in de
praktijk over het algemeen redelijk tot goed worden nageleefd, maar dat de landelijke
afspraken nog niet bij iedereen bekend zijn. Hierom is afgesproken om de afspraken
opnieuw bij gemeenten, cliënten en ergotherapeuten van zorginstellingen onder de aandacht
te brengen. Dit vindt gelijktijdig plaats met de communicatie over de convenanten
die in het kader van de Verbeteragenda zijn opgesteld en momenteel als onderdeel van
de werkagenda worden geëvalueerd, zoals het meeverhuisconvenant.
6. Bepaal met tolkgebruikers wanneer een tolkvoorziening echt nodig is.
Het Ministerie van VWS kijkt samen met tolkgebruikers, tolken, belangenorganisaties
van tolkgebruikers en tolken en UWV (als uitvoerder van de voorziening) naar een nieuwe
inrichting van de tolkvoorziening in het leefdomein, die (nog) beter aansluit bij
de behoefte van de gebruikers. Het gaat dan onder andere over de inzet van tolkuren
in het buitenland, het aanvraagproces van maatwerkuren en de inzet van tolken in grensgebieden.
Tot 1 april 2025 was er een 24-uurs achterwacht om belangrijke opdrachten uit te voeren
wanneer er geen reguliere tolk gevonden kon worden. Het gaat hierbij om opdrachten
waarvan de intentie is dat die altijd vervuld moeten worden, zoals een uitvaart, medische
situatie en huwelijk (zgn. calamiteiten). Deze regeling werkte niet naar tevredenheid
van gebruikers, ministeries en UWV, omdat er regelmatig geen tolk werd gevonden voor
deze calamiteiten. Om dit te verbeteren is op 1 april 2025 gestart met de eenjarige
pilot Achterwacht 2.0. Deze is per 1 april 2026 structureel ingevoerd. Er is nu structureel
een pool van tolken beschikbaar voor inzet bij calamiteiten. Hiermee is het aantal
calamiteiten waarbij geen tolk gevonden kon worden afgenomen. Bij de oude achterwachtsystematiek
kon in ongeveer 30% van de calamiteiten geen tolk worden gevonden. Dat aantal is afgenomen
naar ongeveer 3% van de situaties.
7. Maak een aparte status binnen de Zvw, Wmo en Wlz voor zorg en ondersteuning bij
mensen met een levensbrede en levenslange beperking.
Het Ministerie van VWS herkent dat het zorgstelsel ingewikkeld kan zijn voor mensen
met een levensbrede en levenslange beperking. Daarom zet het kabinet in op een meer
eenvoudige en laagdrempelige toegang tot zorg en ondersteuning. Dit is onderdeel van
de werkagenda van de Nationale Strategie VN-verdrag Handicap. Eén van de maatregelen
betreft het ontwikkelen van één digitaal informatiepunt en het stimuleren van vroegtijdig
en integraal samenwerken. Dit betekent dat op elke plek in de gemeente mensen aankloppen
met hun hulpvraag, zij altijd goed worden geholpen of doorverwezen. Dit gebeurt op
basis van de werkwijze en uitgangspunten van het programma Inrichten overheidsbrede
loketten van het Ministerie van BZK. Ook de maatregelen vanuit hulpmiddelen dragen
bij aan het verbeteren van de toegankelijkheid van zorg en ondersteuning.
Verder wordt via de Toekomstagenda zorg en ondersteuning voor mensen met een beperking
gewerkt aan verbeteringen in de toegang door o.a. de bekendheid en kwaliteit van cliëntondersteuning
te vergroten, zodat mensen geholpen en ondersteund worden bij het vinden en regelen
van zorg en ondersteuning.
Het kabinet zet zich daarnaast in om de zorgwetten beter op elkaar af te stemmen,
zoals op verschillende plekken in het coalitieakkoord is afgesproken. Ook in het HLO
zijn hier afspraken over gemaakt voor de ouderenzorg. Hiertoe doet het kabinet een
verkenning naar oplossingsrichtingen voor knelpunten op de grensvlakken van de Wmo2015,
Zvw, Wlz en Jeugdwet. De verwachting is dat deze verkenning gereed is eind 2026.
10. Reële tarieven in het PGB.
Om gemeenten te ondersteunen bij het vaststellen van reële tarieven, en om verschillen
in de gehanteerde tarieven te beperken, is een handreiking voor toereikende pgb-tarieven
ontwikkeld die eind 2024 gereed is gekomen. De handreiking is vooral gericht op formele
tarieven. Ten tijde van de handreiking kwamen er verschillende uitspraken over pgb-tarieven
van de Centrale Raad van Beroep (CRvB). In 2023 oordeelde de CRvB dat voor hulp uit
het sociaal netwerk minimaal het tarief uit de cao Verpleeg-, Verzorgingshuizen en
Thuiszorg (VVT) moet worden vergoed. In 2025 kwam de CRvB op dat oordeel terug. De
CRvB oordeelde dat gemeenten zorg uit het sociaal netwerk wel met het minimumloon
mogen vergoeden. De uitspraken gaan niet over het tarief voor beroepsmatige zorgverleners
met een mbo-zorgopleiding of langjarige vergelijkbare praktijkervaring. De uitspraken
staan een hoger tarief voor deze groep niet in de weg. Een hoger tarief voor de zorgverleners
uit deze groep is wenselijk. VWS zal gemeenten vragen hier gevolg aan te geven.
Deze recente wijzigingen worden via de VNG gecommuniceerd naar gemeenten. Alle wijzigingen
moeten komende periode in gemeentelijk beleid worden opgenomen. Het Ministerie van
VWS wil eerst bezien hoe deze wijzigingen worden ingevoerd, want de invoering van
alle nieuwe tarieven vraagt tijd en inzet van gemeenten. Die tijd moeten gemeenten
ook krijgen.
Een vergelijkbare handreiking voor de Wlz en Zvw is niet nodig omdat in de Wlz recentelijk
het pgb op maat is ingevoerd. Dit verplicht zorgkantoren bij vaststelling van de zorgovereenkomst
samen met de budgethouder te bezien welk budget nodig is voor de in te kopen zorg.
Het pgb-tarief in de Zvw maakt deel uit van een private overeenkomst tussen budgethouder
en verzekeraar.
11. Organiseer het PGB vanuit vertrouwen, dus weg met de administratieve lasten.
Het eenvoudiger maken van de uitvoering van het pgb is niet makkelijk omdat, de complexiteit
van het stelsel een effectieve aanpak bemoeilijkt. Zo kan vermindering van administratieve
lasten bij budgethouders bijvoorbeeld weer leiden tot vergroting van lasten bij de
uitvoerders.
Samen met ketenpartijen is er gezocht naar maatregelen met draagvlak, bijvoorbeeld
het uniformeren van formulieren en zorgen voor een «warme overdracht». Het is echter
nog niet gelukt om de gesignaleerde verbeterpunten om te zetten in actie. Wel bieden
het PGB portaal en de Sociale Verzekeringsbank (SVB) budgethouders een goede ondersteuning
wat ook de ervaren regeldruk beperkt.
Eén van de belangrijkste onderwerpen bij het vergroten of terugwinnen van het vertrouwen,
is om, waar mogelijk, verlengde indicaties te stellen. Dit is voor vrijwel het hele
pgb (met uitzondering van de medische kindzorg) opgepakt. Het onderwerp beperking
van de administratieve last in het pgb is continu onder de aandacht bij het Ministerie
van VWS.
12. Geef langdurige indicaties af in alle zorgwetten.
De afgelopen maanden is samen met partijen een plan opgesteld en in de Kamerbrief
over de voortgang van het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg begin 2026 is een update
gegeven.18 Voor het vereenvoudigen van herindicaties heeft het CIZ een uitvoeringstoets uitgevoerd.
Omdat het CIZ haar zaaksysteem nu aanpast, zal de uitvoering van start gaan zodra
de aanpassingen in het zaaksysteem zijn doorgevoerd. De planning is medio 2026. Vervolgens
wordt onderzocht of de aanpassingen van het herindicatieproces ook voor andere Wlz-sectoren,
voor mensen die zorg thuis ontvangen en voor eerste indicaties kunnen gelden.
Momenteel wordt er een onderzoek uitgevoerd door Significant om inzichtelijk te maken
hoe gemeenten al werken met een langere beschikkingsduur. De resultaten hiervan worden
naar verwachting juli 2026 opgeleverd.
13. Stap over op één loket voor het PGB.
Dit onderwerp heeft een digitale en fysieke component. In de digitale lijn worden
overheidsbrede loketten ingericht. Ook de toegang tot zorg wordt in het programma
«Inrichten overheidsbrede loketten» meegenomen. In de fysieke lijn wordt in enkele
gemeente beproefd hoe overheidsinstanties, gemeenten en zorgpartijen aan de hand van
het «altijd de juiste deur» principe samen kunnen werken. Daarnaast loopt in Eindhoven
een pilot waarin gemeenten en een zorgverzekeraar samenwerken in een actieonderzoek
om personen met een levenslange levensbrede beperking te koppelen aan vaste contactpersonen.
Deze gecoördineerde activiteiten maken het organiseren van een apart loket voor het
pgb vooralsnog niet nodig en zelfs strijdig met het principe van «altijd de juiste
deur».
14. Stap over op een allesomvattend PGB.
Het huidige kabinet legt de prioriteit bij het specifieker inzetten van het pgb voor
mensen die in staat zijn eigen regie op hun zorg te voeren en hier een bewuste keuze
voor maken. Daarnaast wordt het werkgeverschap binnen het pgb interdepartementaal
aangepakt.
Gebouwen
3. Vertaal de integrale toegankelijkheidsstandaard in Nederlandse Normen.
In februari 2025 is de NEN-norm 9120 voor toegankelijkheid van gebouwen gepubliceerd.
De eerste twee jaar na het publiceren van de NEN-norm 9120 wordt gemonitord hoe de
bouwsector de (delen van) de nieuwe NEN-norm 9120 vrijwillig oppakt. Verder zal gemonitord
worden wat de drijfveren van de opdrachtgevers zijn om (onderdelen van) de NEN-norm
9120 wel/niet toe te passen. Daarna zal bezien worden of bepaalde delen van de NEN-norm
9120 in het Besluit bouwwerken en leefomgeving (Bbl) opgenomen kunnen worden.
6. Er wordt advies gevraagd over toegankelijkheid van alle overheidsgebouwen.
Tijdens het wetgevingsoverleg, begrotingsonderdeel gehandicaptenbeleid van het Ministerie
van VWS op 9 maart is door het lid Westerveld een motie ingediend over toegankelijkheid
van overheidsgebouwen.19 Naar aanleiding van deze motie vinden er op dit moment gesprekken plaats tussen het
Ministerie van VWS, VNG, IPO, Unie van Waterschappen en RVB.
Verder zijn door het Ministerie van BZK stappen gezet om advies in te winnen bij deskundigen,
ten aanzien van prioritering van onderdelen en type gebouwen.
7. Onderzoek de mogelijkheden van subsidie voor ondernemers om hen te helpen met het
toegankelijker maken van hun gebouw (private gebouwen).
MKB-Nederland ontvangt op dit moment subsidie om bewustwording over toegankelijkheid
te creëren bij ondernemers, waarbij er tevens handelingsperspectief wordt geboden
en aandacht is voor sectorale samenwerking.
Tot slot
De actualisatie van de initiatiefnota laat zien dat er op verschillende terreinen
vorderingen zijn gemaakt samen met diverse ministeries, vertegenwoordigende organisaties
en met de mensen met een beperking. Gezamenlijk zijn we verantwoordelijk zorg te dragen
voor een verdere uitvoering van de werkagenda VN-verdrag Handicap om zo een verandering
in de positie van mensen met een beperking te realiseren.
De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, W.R.C. Sterk
Indieners
W.R.C. Sterk, minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport