Brief regering : Reactie op position paper 'De toekomst van de visserij in ecologisch perspectief'
29 675 Zee- en kustvisserij
Nr. 239
BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW, VISSERIJ, VOEDSELZEKERHEID EN NATUUR
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 16 juni 2026
Hierbij zend ik u mijn reactie, op verzoek van de vaste commissie voor Landbouw, Visserij,
Voedselzekerheid en Natuur, op het position paper van Dr. Jaap van der Meer (WUR)
(2026Z10564/2026D26945, ingezonden 3 juni 2026).
BISI-indicator
In het position paper van Emeritus hoogleraar Jaap van der Meer wordt met name ingegaan
op de BISI-indicator en tijdens het rondetafelgesprek hierover met uw kamer gaf de
heer van der Meer aan dat de BISI-indicator niet wetenschappelijk zou zijn onderbouwd.
Ik hecht groot belang aan een gedegen wetenschappelijke onderbouwing van beleid. De
BISI-indicator is ontwikkeld voor de Kaderrichtlijn Mariene strategie (KRM) om de
kwaliteit van de zeebodem te beoordelen en richt zich specifiek op gevoelige en kenmerkende
soorten, maar ook op soortenrijkdom en het totale voorkomen van de soorten. Deze indicator
is de afgelopen 10 jaar ontwikkeld in samenwerking met diverse Nederlandse onderzoeksinstituten.
Betrokken zijn onder andere het Koninklijk Nederlands Instituut voor Onderzoek der
Zee (NIOZ), Wageningen Marine Research (WMR), en het Centraal Bureau voor de Statistiek
(CBS) voor de statistische borging en wetenschappelijke onderbouwing.
De kwaliteit van de zeebodem wordt echter niet alleen aan de hand van deze ene indicator
bepaald, maar in combinatie met andere indicatoren1. Elke indicator kijkt daarbij naar een specifiek kwaliteitsaspect. In Nederland wordt
naast de BISI-indicator, ook de OSPAR indicatoren «Relatieve Margalef diversiteit
(OSPAR BH2b)», de «Kaderrichtlijn Water beoordeling in Nederland de BEQI2 (OSPAR BH2a)»
en de gemodelleerde «Omvang van de fysieke verstoring van benthische habitats (OSPAR
BH3)» gebruikt. Dit is lijn met een recent ICES-advies2 dat stelt dat een combinatie van minimaal 3 indicatoren dient te worden gebruikt
om de kwaliteitstoestand van zeebodem te beoordelen. Deze indicatoren zijn internationaal
afgestemd binnen OSPAR, die gemeenschappelijke indicatoren ontwikkelt waarmee is af
te leiden in welke mate de actuele toestand van de goede toestand verschilt. OSPAR
zorgt ook voor een gecoördineerd, coherent, consistent en vergelijkbaar monitoringprogramma.
Op basis van gezamenlijke monitoring wordt de milieutoestand van de OSPAR-regio’s,
waaronder de Noordzee, beoordeeld. Deze beoordeling wordt gebruikt voor het opstellen
van de Nederlandse Mariene Strategie3.
Mijn ministerie heeft een bijeenkomst specifiek over de BISI-indicator georganiseerd
waarbij betrokken wetenschappers, waaronder de heer Van der Meer en vertegenwoordigers
van de visserijsector en NGO’s aanwezig waren. Het doel van de bijeenkomst was om
de deelnemers mee te nemen in hoe de BISI-indicator werkt en wordt toegepast. Uiteraard
zijn daarbij ook de kritiekpunten die de heer Van der Meer in zijn position paper
heeft opgenomen besproken.
De bijeenkomst, afgelopen donderdag 11 juni, was een zeer nuttig en open maar ook
inhoudelijk eerste gesprek. De deelnemers waren het eens dat een vervolg gewenst is.
Dit is wat mij betreft dan ook geen eindpunt. Verschillende aandachtspunten zijn besproken
waaronder, transparantie in de werking van de BISI-indicator, statistische onderbouwing,
gebruikte referentiewaarden en de ontwikkeling van drempelwaarden. Ik zal de komende
tijd vervolgstappen verder uitwerken en uw Kamer daarover informeren.
Waddenzee
Tijdens het rondetafelgesprek ging de heer Van der Meer ook in op de wijze waarop
in het rapport de Staat van de Waddenzee van de Waddenacademie en het Centraal Bureau
voor de Statistiek (WA/CBS) wordt gesteld dat het slecht gaat met de visstand in de
Waddenzee. Hij zette vraagtekens bij de onderbouwing van deze conclusie. Naar ik begrepen
heb, plaatste hij met name kanttekeningen bij de gebruikte referentie.
Als Minister constateer ik dat er voldoende wetenschappelijke consensus is dat het
over het algemeen niet goed gaat met de natuur in de Waddenzee. Nu komt het vaker
voor dat tussen wetenschappers verschillen van inzicht bestaan. Het hoort ook bij
de wetenschap dat hierover de argumenten gewisseld worden. Ik heb daarom WA/CBS gevraagd
om te reflecteren op de argumentatie zoals door de heer Van der Meer is gegeven tijdens
het rondetafelgesprek. In de reflectie (zie bijlage) geven WA/CBS het volgende met
de betrekking tot de gebruikte referenties in de Waddenzee aan: «waar beschikbaar
is hierbij gebruik gemaakt van wettelijk vastgestelde referentiewaarden (zoals de
Kaderrichtlijn Water of de Vogel- en Habitatrichtlijn). Voor referentiewaarden van
de resterende indicatoren is zoveel mogelijk aangesloten bij internationale standaarden
of gebruiken.
De Waddenacademie, het Centraal Bureau voor de Statistiek en Wageningen Marine Research
hebben aangegeven zich graag samen in te willen zetten voor een breed gedragen raamwerk
voor statusbepalingen van Nederland kustwateren.
De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, J. van Essen
Ondertekenaars
J. van Essen, minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur