Brief regering : Fiche: Raadsaanbeveling woonuitsluiting
22 112 Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie
Nr. 4373
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 12 juni 2026
Overeenkomstig de bestaande afspraken ontvangt u hierbij vier fiches die werden opgesteld
door de werkgroep Beoordeling Nieuwe Commissie voorstellen (BNC).
Fiche 1: Raadsaanbeveling woonuitsluiting
Fiche 2: Mededeling Versterking van de strategie voor de rechten van personen met
een handicap tot 2030 (Kamerstuk 22 112, nr. 4374)
Fiche 3: Mededeling Europese Anti-Armoede Strategie (Kamerstuk 22 112, nr. 4375)
Fiche 4: Mededeling Versterken van de Europese Kindergarantie (Kamerstuk 22 112, nr. 4376)
De Minister van Buitenlandse Zaken,
T.B.W. Berendsen
Fiche 1: Raadsaanbeveling woonuitsluiting
1. Algemene gegevens
a) Titel voorstel
Proposal for a Council Recommendation on fighting housing exclusion
b) Datum ontvangst Commissiedocument
6 mei 2025
c) Nr. Commissiedocument
COM(2026) 540
d) EUR-Lex
EUR-Lex - 52026PC0540 - EN - EUR-Lex
e) Nr. impact assessment Commissie en Opinie
Niet opgesteld
f) Behandelingstraject Raad
Raad Werkgelegenheid, Sociaal Beleid, Volksgezondheid en Consumentenzaken (EPSCO)
g) Eerstverantwoordelijk ministerie
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) in nauwe samenwerking met het
Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK)
2. Essentie voorstel
Op 6 mei publiceerde de Europese Commissie (hierna: Commissie) het Sociaal Pakket.1
Onderdeel hiervan is het voorstel voor een Raadsaanbeveling over de aanpak van woonuitsluiting
(housing exclusion).2 De aanbeveling biedt een beleidsmatig kader voor het voorkomen en tegengaan van woonuitsluiting
en dakloosheid, met bijzondere aandacht voor kwetsbare groepen, en geeft daarmee invulling
aan de ambitie van de Verklaring van Lissabon3 om dakloosheid in de EU in 2030 te beëindigen. Het voorstel is een onderdeel van
de Europese Anti – Armoedestrategie4 en vormt een uitwerking van het Europees Plan voor Betaalbaar Wonen.5
De aanleiding voor het voorstel is de breed gedeelde constatering dat woonuitsluiting
en dakloosheid in de EU toenemen, waarbij naar schatting momenteel meer dan één miljoen
mensen dakloos zijn.6 De kern van het voorstel betreft een fundamentele beleidsomslag, waarbij niet langer
tijdelijke opvang en crisishulp, maar een huisvestings- en persoonsgerichte aanpak
centraal staat.
De Commissie onderschrijft daarbij nadrukkelijk de Housing First-methodiek, waarbij stabiele en vaste huisvesting, aangevuld met de nodige zorg en
ondersteuning, als basis dient voor een duurzame oplossing voor woonuitsluiting en
dakloosheid.
Het voorstel wordt uitgewerkt aan de hand van vijf aanbevelingen op verschillende
samenhangende beleidsterreinen. Ten eerste worden lidstaten aanbevolen te investeren
in betere dataverzameling om mensen die woonuitsluiting (dreigen te) ervaren vroegtijdig
en beter in beeld te brengen en gericht te kunnen ondersteunen in het vinden van passende
huisvesting.
Ten tweede onderstreept de Commissie het belang van preventieve maatregelen. Vroegsignalering,
schuldhulpverlening, inkomensondersteuning, bemiddeling bij betaalachterstanden en
goede informatievoorziening worden aangemerkt als effectieve instrumenten die lidstaten
structureler dienen in te zetten. Ook dient bescherming bij (dreigende) gedwongen
of willekeurige uithuiszetting versterkt te worden. Daarnaast dienen lidstaten te
waarborgen dat kwetsbare groepen, waaronder kinderen, ouderen, jongeren die de jeugdzorg
verlaten en mensen die uitstromen uit gevangenissen of zorginstellingen, tijdig toegang
hebben tot passende huisvesting en ondersteuning.
Ten derde worden lidstaten aangemoedigd persoonsgerichte en toegankelijke zorg en
begeleiding te waarborgen voor mensen die reeds dak- of thuisloos zijn, onder meer
via multidisciplinaire en outreaching teams. Verblijf in de maatschappelijke opvang dient veilig, toegankelijk en toereikend
te zijn, met aandacht voor lhbtiq+ personen en slachtoffers van huiselijk geweld.
Daarnaast benadrukt de Commissie het tegengaan van stigmatisering en discriminatie
bij toegang tot huisvesting en stimuleert zij de betrokkenheid van ervaringsdeskundigen
bij het vormgeven van passende ondersteuning.
Ten vierde roept de Commissie lidstaten op het aanbod van sociale en betaalbare woningen
uit te breiden, onder andere via investeringen in nieuwbouw, betere benutting van
de bestaande voorraad en stimulering van alternatieve woonvormen. Lidstaten worden
daarbij aangemoedigd gebruik te maken van beschikbare EU-fondsen en -middelen, waaronder
het aankomende Pan-European Housing Investment Platform. De aanbeveling bevat specifieke maatregelen voor jongeren en studenten, evenals
voor mensen met een beperking en ouderen die aangepaste huisvesting behoeven.
Ten vijfde bevat het voorstel bepalingen over bestuur en de inzet van standaard monitoring
en evaluatie. Daarbij wordt het belang van betrokkenheid van ervaringsdeskundigen
in het vormgeven en evalueren van beleid onderstreept. Lidstaten worden daarnaast
aanbevolen om iedere vijf jaar aan de Commissie te rapporteren over de voortgang van
de landelijke aanpak. Om internationale samenwerking en kennisuitwisseling te faciliteren,
moedigt de Commissie aan om gebruik te maken van en actief bij te dragen aan het centrale
forum European Platform on Combatting Homelessness.
3. Nederlandse positie ten aanzien van het voorstel
a) Essentie Nederlands beleid op dit terrein
Het kabinet werkt aan een forse en structurele vermindering van woonuitsluiting en
dakloosheid en heeft zich middels het Nationaal Actieplan Dakloosheid: Eerst een Thuis
(2022–2030) (NAD) gecommitteerd aan de doelstellingen van de Verklaring van Lissabon.
Met het actieplan wordt ingezet op een systeemverandering van opvang naar passende
huisvesting met begeleiding, waarbij de «Wonen Eerst»-aanpak centraal staat.7Jaarlijks wordt de Tweede Kamer geïnformeerd over de voortgang van het actieplan.8
De aanpak van dakloosheid en woonuitsluiting betreft een gezamenlijke opgave van overheden
en partijen uit de domeinen wonen, zorg, welzijn, werk en inkomen. Een structurele
belemmering daarbij vormt het tekort aan betaalbare (sociale) woningen. Het kabinet
zet daarom in op uitbreiding en betere benutting van de woningvoorraad, onder meer
via nieuwbouw, hospitaverhuur en flexwoningen. Met de Taskforce Versnelling Woningbouw
werkt het kabinet aan de realisatie van 100.000 nieuwe woningen per jaar, onder meer
door de aanwijzing van nieuwe grootschalige woningbouwlocaties, het vereenvoudigen
van wet- en regelgeving en het verbeteren van het investeringsklimaat voor woningcorporaties
en private verhuurders.9 De Wet versterking regie volkshuisvesting (Wvrv), die naar verwachting per 1 juli
2026 in werking treedt, verplicht regio’s om afspraken te maken over aantallen en
typen woningen voor aandachtsgroepen en hier ook de zorg- en ondersteuningsbehoefte
van aandachtsgroepen in mee te nemen. De Wvrv versterkt daarnaast de regionale samenwerking
tussen gemeenten op het terrein van woonruimteverdeling en de huisvesting van aandachtsgroepen.
Onderdeel van het wetsvoorstel is dat gemeenten verplicht worden om landelijk vastgestelde
urgentiecategorieën op te nemen in hun huisvestingsverordening. Dit betreft onder
meer mensen die uitstromen uit de maatschappelijke opvang, beschermd wonen, intramurale
GGZ, jeugdzorg met verblijf en detentie.
Met het Landelijk Actieplan Studentenhuisvesting stuurt het kabinet daarnaast in de
periode 2022 t/m 2030 op de realisatie van 60.000 betaalbare studentenwoningen.10
Ten aanzien van armoede- en schuldenbeleid en het versterken van de bestaanszekerheid,
werkt het kabinet middels het Nationaal Programma Armoede en Schulden (2025)11 en de Participatiewet in balans aan beter rondkomen, socialer incasseren, vroegsignalering
van schulden en sociaaljuridische en laagdrempelige financiële hulp, om te voorkomen
dat mensen vanwege financiële problemen hun woning kwijtraken. Vanuit de Wet maatschappelijke
ondersteuning (Wmo) bieden gemeenten hulp aan mensen die ondersteuning nodig hebben,
bijvoorbeeld in de vorm van individuele begeleiding of beschermd wonen. Ook werkt
het kabinet aan de versterking van outreachende zorg en ondersteuning, onder andere
via bemoeizorg.12
Het kabinet hecht veel waarde aan structurele monitoring en evaluatie als sturingsinstrument
in de aanpak en preventie van woonuitsluiting en dakloosheid. Daarom zet het kabinet
in op het structureel borgen van de regionale ETHOS-tellingen.
b) Beoordeling + inzet ten aanzien van dit voorstel
Het kabinet verwelkomt het voorstel voor een raadsaanbeveling over dakloosheid en
woonuitsluiting als een waardevolle impuls voor de verdere vormgeving en versterking
van de landelijke beleidsaanpak. De nadruk op huisvestingen preventie als fundament
voor een effectieve aanpak weerspiegelen daarbij de koers die het kabinet met het
NAD en andere nationale programma’s heeft ingezet. Het kabinet ziet de beschikbaarheid
van voldoende betaalbare en passende woningen als een essentiële randvoorwaarde voor
het voorkomen en terugdringen van woonuitsluiting en dakloosheid.
Het kabinet onderschrijft de prioritering van preventie vanuit de overtuiging dat
dakloosheid voorkomen altijd de beste oplossing is. De genoemde maatregelen gericht
op het waarborgen van financiële bestaanszekerheid en vroegtijdige interventie en
begeleiding sluiten aan bij de huidige inzet van het kabinet op het terrein van koopkracht,
armoedebestrijding en het vereenvoudigen van de inkomensondersteuning.
De oproep van de Commissie om uithuiszetting zoveel mogelijk te voorkomen wordt erkend,
waarbij het kabinet waarde hecht aan individuele rechterlijke toetsing en een goede
belangenafweging van zowel huurder als verhuurder. Verder acht het kabinet de aandacht
voor gezinnen met kinderen terecht en noodzakelijk. Gezinnen met minderjarige kinderen
worden opgenomen als verplichte urgentiecategorie in de Wvrv.13
Hoewel dakloosheid primair een huisvestingsprobleem betreft, is passende zorg en ondersteuning
nodig om de transitie naar Wonen Eerst te kunnen maken. Het kabinet onderschrijft
het belang van persoonsgerichte en integrale ondersteuning voor wie dat nodig heeft,
waarbij herstel vanuit een eigen, stabiele basis centraal staat. In dat kader wordt
ingezet op begeleiding bij inkomen en schulden, ondersteuning bij het opbouwen van
een sociaal netwerk, toegang tot huisvesting of werk en hulp bij psychische problematiek
of verslaving. Daarbij past de nadruk op multidisciplinaire en outreaching teams binnen de huidige inzet van het kabinet om bemoeizorg te versterken. In het bijzonder
onderschrijft het kabinet het belang van ervaringskennis in het vormgeven van beleid
en passende ondersteuning, en werkt daarom samen met ervaringspanels. Ook ziet het
kabinet het tegengaan van stigmatiserende beeldvorming als een essentieel onderdeel
van de aanpak. Daarom wordt actief ingezet op representatieve beeldvorming en taalgebruik
over dakloosheid. Het kabinet deelt ook de analyse van de commissie dat dakloosheid
op bepaalde groepen mensen, waaronder vrouwen en lhbtiq+ personen, een disproportionele
impact heeft. Het waardeert dan ook de specifieke aandacht die naar hen uitgaat bij
de genoemde aanbevelingen.
Het kabinet staat positief tegenover de aanbevelingen die zich richten op het creëren
van voldoende, passende woonplekken om uitsluiting op de woningmarkt te voorkomen.
De voorgestelde initiatieven sluiten aan bij de visie en de huidige inspanningen van
het kabinet om het woningtekort tegen te gaan en de betaalbaarheid en toegankelijkheid
van wonen te verbeteren voor alle aandachtsgroepen. Het kabinet acht het van belang
dat de aanbeveling ruimte laat voor nationale, regionale en lokale beleidskeuzes,
gelet op de primaire verantwoordelijkheid van lidstaten en medeoverheden voor het
woonbeleid en de inrichting van de volkshuisvesting.
Het kabinet is kritisch over de verdere verbreding van het cohesiebeleid die bij de
tussentijdse herziening14 van het cohesiebeleid heeft plaatsgevonden door betaalbare huisvesting op te nemen
als prioriteit. Minder ontwikkelde regio’s kunnen momenteel al cohesiemiddelen besteden
aan huisvesting. Deze verbreding past niet binnen de kabinetsvisie15 voor een gefocust cohesiebeleid in het nieuwe MFK 2028–2034. Voor zover er in het
toekomstig MFK financiële middelen worden ingezet op huisvesting ziet het kabinet
toegevoegde waarde ten aanzien van verduurzaming van de gebouwde omgeving en innovatie
(waaronder op het terrein van duurzaam industrieel bouwen en het beter benutten van
bestaande gebouwen).
Ten slotte onderschrijft het kabinet het belang om de landelijke aanpak blijvend te
evalueren. Ten aanzien van de aanbeveling om vijfjaarlijks aan de Commissie te rapporteren,
heeft het kabinet een voorkeur voor aansluiting bij bestaande evaluatiestructuren,
waarbij de Commissie kennis kan nemen van de reguliere evaluaties van het NAD. In
2025 is de voortgang van NAD onderzocht door een onafhankelijk onderzoeksbureau.16 De evaluatie laat zien dat veel partijen bezig zijn met de implementatie van Wonen
Eerst. Tegelijkertijd wordt geconcludeerd dat het beoogde doel om dakloosheid in 2030
te beëindigen buiten zicht is. Daarom werkt het kabinet aan aanvullende maatregelen.
c) Eerste inschatting van krachtenveld
Het krachtenveld binnen de Raad is op het moment van schrijven nog onduidelijk. Een
aantal lidstaten hebben het belang benadrukt van nationale competentie t.a.v. huisvesting.
Op basis van bredere EU-ontwikkelingen ligt een overwegend positieve reactie wel voor
de hand. Met de ondertekening van de Verklaring van Lissabon hebben alle lidstaten
zich gecommitteerd aan het beëindigen van dakloosheid in 2030. De huisvestingsgestuurde
aanpak, die centraal staat in dit voorstel, wordt daarbij breed gedragen en sluit
aan bij de beleidskoers die veel lidstaten de afgelopen jaren hebben ingezet. De Raadsaanbeveling
kan voor lidstaten dienen als kader voor de verdere uitwerking van beleid op het terrein
van dakloosheid en woonuitsluiting. Het Europees Parlement heeft zich nog niet uitgesproken
over dit specifieke voorstel als onderdeel van het bredere Sociaal Pakket. Binnen
het Europees Parlement is huisvesting een belangrijk thema, waarvoor een Bijzonder
commissie inzake de huisvestingscrisis in de Europese Unie is ingesteld. Deze commissie
heeft in februari een rapport gepubliceerd waaruit blijkt dat financiering, flexibilisering
van staatssteunregels, regulering van korte termijn verhuur en het verminderen van
regeldruk belangrijke thema’s zijn voor het Europees Parlement.17
4. Grondhouding ten aanzien van bevoegdheid, subsidiariteit, proportionaliteit, financiële
gevolgen en gevolgen voor regeldruk, concurrentiekracht en geopolitieke aspecten
a) Bevoegdheid
Het oordeel van het kabinet is positief. De aanbeveling heeft betrekking op woonuitsluiting
en dakloosheid. Op het terrein van sociaal beleid, waaronder de bestrijding van sociale
uitsluiting waar woonuitsluiting en dakloosheid onder valt, is sprake van een gedeelde
bevoegdheid tussen de EU en de lidstaten (artikel 4 lid 2 onder b Verdrag betreffende
de Werking van de Europese Unie (VWEU)). Op basis van artikel 153 lid 1 onder j VWEU
mag de Unie het optreden van de lidstaten ondersteunen en aanvullen.
b) Subsidiariteit
De grondhouding van het kabinet is positief. De aanbeveling heeft tot doel woonuitsluiting
en dakloosheid in de EU te voorkomen en tegen te gaan, met bijzondere aandacht voor
kwetsbare groepen.
De structurele oorzaken van woonuitsluiting, zoals stijgende woonkosten en woningtekort,
maar ook armoede, werkloosheid en ontoereikende sociale voorzieningen, manifesteren
zich EU-breed. Gezien deze gedeelde opgaven op nationaal niveau, kan een gemeenschappelijke
aanpak op EU-niveau toegevoegde waarde bieden door kennisuitwisseling te bevorderen,
gemeenschappelijke definitiekaders te ontwikkelen en samenwerking tussen lidstaten
te faciliteren.
Op die manier kan de effectiviteit van nationale beleidsinspanningen worden vergroot.
Om die redenen is optreden op het niveau van de EU gerechtvaardigd.
c) Proportionaliteit
De grondhouding van het kabinet is positief. De aanbeveling heeft tot doel woonuitsluiting
en dakloosheid in de EU te voorkomen en tegen te gaan, met bijzondere aandacht voor
kwetsbare groepen. Het voorgestelde optreden is geschikt om deze doelstelling te bereiken.
Het voorstel omvat een samenhangend pakket aan concrete maatregelen die passen bij
de complexe en meervoudige aard van woonuitsluiting, waarbij preventie en huisvesting
noodzakelijkerwijs een centrale plek innemen. Zo wordt ingezet op het versterken van
monitoring, vroegsignalering, uitbreiding van het woningaanbod en gerichte zorg en
ondersteuning voor mensen in een kwetsbare positie. De voorgestelde maatregelen zijn
niet-bindend van aard en sluiten veelal aan bij of bouwen voort op bestaande nationale
beleidskaders, waardoor de aanbeveling de nationale inspanningen versterkt zonder
daaraan afbreuk te doen. De aanbeveling laat lidstaten verder uitdrukkelijk de ruimte
om de aanpak in te vullen naar gelang de nationale context en beleidsstructuren. Lidstaten
behouden daarmee voldoende vrijheid om eigen keuzes te maken in de uitvoering. Hiermee
gaat het voorgestelde optreden niet verder dan noodzakelijk.
d) Financiële gevolgen
De aanbeveling heeft geen directe financiële gevolgen, aangezien de voorgestelde maatregelen
niet-bindend van aard zijn en lidstaten geen financiële verplichtingen worden opgelegd.
Daarnaast worden veel initiatieven reeds uitgevoerd binnen bestaande beleidsprogramma’s.
Het kabinet onderkent tegelijkertijd dat de aanpak van woonuitsluiting en dakloosheid
mede afhankelijk is van substantiële investeringen in betaalbare huisvesting, woonzorgconcepten
en ondersteuning voor aandachtsgroepen. Voor zover aanvullende middelen nodig zijn,
kunnen lidstaten gebruik maken van bestaande EU-financieringsinstrumenten, waaronder
het Europees Sociaal Fonds Plus (ESF+), het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling
(ERDF), Erasmus+, InvestEU en de herstel- en veerkrachtfaciliteit (RRF). Eventuele financiële consequenties
worden ingepast op de begroting van de beleidsverantwoordelijke departementen, conform
de regels van de budgetdiscipline. Indien er gevolgen zijn voor de EU-begroting, is
het kabinet van mening dat de benodigde EU-middelen gevonden dienen te worden binnen
de in de Raad afgesproken financiële kaders van het MFK 2021–2027 en dienen te passen
binnen een prudente ontwikkeling van de jaarbegroting. Het kabinet wil niet vooruitlopen
op de integrale afweging van middelen na 2027.
e) Gevolgen voor regeldruk, concurrentiekracht en geopolitieke aspecten
De aanbeveling is niet-bindend van aard en introduceert geen nieuwe verplichtingen,
waardoor geen directe gevolgen voor de regeldruk voor burgers, bedrijven of overheden
worden voorzien. Indien onderdelen van de aanbeveling, met name op het gebied van
evaluatie en rapportage, in een later stadium een bindend karakter krijgen, kan dit
leiden tot administratieve lasten en additionele uitvoeringskosten voor nationale
en lokale overheden. Het kabinet acht het van belang dat eventuele toekomstige rapportage-
en monitoringsverplichtingen zoveel mogelijk aansluiten bij bestaande rapportagekaders,
zodat de uitvoeringskosten beperkt blijven. Voor burgers en bedrijven worden geen
regeldrukeffecten voorzien.
De aanbeveling heeft geen directe gevolgen voor het Europese concurrentievermogen.
De aanbeveling heeft geen uitgesproken geopolitieke dimensie en heeft geen specifieke
gevolgen voor ontwikkelingslanden.
Indieners
T.B.W. Berendsen, minister van Buitenlandse Zaken