Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over o.a. Verslag informele Raad Algemene Zaken van 11 mei 2026 (Kamerstuk 21501-02-3399)
21 501-02 Raad Algemene Zaken en Raad Buitenlandse Zaken
Nr. 3447
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 11 juni 2026
De vaste commissie voor Europese Zaken heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd
aan de Minister van Buitenlandse Zaken over de brief van 18 mei 2026 over inzake de
geannoteerde agenda Raad Algemene Zaken van 16 juni 2026 (Kamerstuk 21 501–02, nr. 3427), de brief d.d. 16 januari 2026 inzake de Kabinetsreactie AIV-advies loyale samenwerking
in de EU (Kamerstuk 36 715, nr. 31) en de brief d.d. 18 mei 2026 inzake het Verslag informele Raad Algemene Zaken van
11 mei 2026 (Kamerstuk 21 501–02, nr. 3399).
De vragen en opmerkingen zijn op 8 juni 2026 aan de Minister van Buitenlandse Zaken
voorgelegd. Bij brief van 11 juni 2026 zijn de vragen beantwoord.
De voorzitter van de commissie, Van Meetelen
De griffier van de commissie, Blom
Inhoudsopgave
I
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van de bewindspersoon
2
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
2
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
3
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
6
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
9
I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van de bewindspersoon
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de geannoteerde
agenda voor de Raad Algemene Zaken. Hierover hebben zij de volgende vragen.
De leden van de D66-fractie vragen hoe het kabinet staat tegenover het voorstel van
de Europese Commissie om hoofdstuk 2 van de onderhandelingen met Montenegro over toetreding
tot de Europese Unie (EU) te sluiten.
1. Antwoord van het kabinet
Hoofdstuk 2 omvat onder andere de toegang tot de arbeidsmarkt in lidstaten, coördinatie
van socialezekerheidsstelsels, versterking van de capaciteit van de arbeidsinspectie,
en samenwerking tussen lidstaten en de Europese Arbeidsautoriteit. Bij de behandeling
van de Draft Common Position (DCP) voor dit hoofdstuk zijn tevens de transitiemaatregelen behandeld voor vrij verkeer
van werknemers en voor arbeidsmobiliteit op grond van het vrij verkeer van diensten
afspraken vastgelegd.
Het kabinet weegt de bredere (rechtsstaats-)situatie in Montenegro zodanig dat het
een kritisch-constructieve grondhouding heeft ten aanzien van voorstellen van de Commissie
voor het onder voorbehoud sluiten van individuele hoofdstukken. Het kabinet kan dit
steunen, mits Montenegro blijvend investeert in versterking van de administratieve
en personele capaciteit, en aan de beleidsinhoudelijke closing benchmarks voor individuele hoofdstukken is voldaan.1 Voor hoofdstuk 2 ziet de benchmark op het instellen van adequate organisatorische structuren en administratieve en personele
capaciteit om op het moment van toetreding toe te zien op effectieve implementatie
van het EU-acquis dat valt onder hoofdstuk 2.
Nederland heeft tijdens de behandeling van de DCP in Brussel opgeroepen tot deugdelijke
implementatie van hervormingen en nauwe, blijvende monitoring door de Commissie. Voor
de transitiemaatregelen voor vrij verkeer van werknemers heeft Nederland een verlenging
van de mogelijke maximumduur met 2 jaar gerealiseerd. Daarmee wordt het mogelijk om
arbeidsmobiliteit na EU-toetreding van Montenegro voor een initiële periode van 4
jaar te beperken, wat vervolgens nog verlengd kan worden met achtereenvolgens 3 en
2 jaar. Bij eerdere toetredingen bedroegen de maximale termijnen voor deze overgangsmaatregel
2+3+2 jaar. Ook is het op verzoek van Nederland mogelijk geworden om de bredere maatschappelijke
gevolgen, zoals op huisvesting, mee te wegen bij een eventueel besluit tot verlenging.
Tot slot heeft Nederland naast het vrij verkeer van werknemers ook transitiemaatregelen
voor arbeidsmobiliteit op grond van het vrij verkeer van diensten vastgelegd in een
aantal sectoren die volgens het Roemer-rapport2 als risicosector gezien worden voor misstanden en uitbuiting van laagbetaalde arbeidsmigranten.
Voor deze transitiemaatregelen geldt dezelfde maximumduur als voor het vrij verkeer
van werknemers.
Het kabinet steunt het onder voorbehoud sluiten van dit hoofdstuk, nu de Commissie
bevestigt dat Montenegro aan de closing benchmark voldoet, en de transitiemaatregelen naar tevredenheid zijn verstevigd. Naar verwachting
zal er in de Raad unanieme steun zijn voor deze stap en wordt en marge van de Raad
Buitenlandse Zaken van 15 juni een Intergouvernementele Conferentie georganiseerd
om deze stap te markeren.
Wat zijn de exacte aandachtspunten van het kabinet bij de compromisteksten voor de
gedeeltelijke algemene oriëntaties (PGA’s) en op welke punten komen zij nog niet overeen
met het kabinetsstandpunt?
2. Antwoord van het kabinet
De laatste versies van de compromisteksten voor de gedeeltelijke algemene oriëntaties
(PGA’s) zijn grotendeels in lijn met de kabinetsinzet zoals geformuleerd in de Kamerbrief
van 22 mei jl.3 Voor de PGA inzake de nationale en regionale partnerschapsplannen (NRPP) heeft het
kabinet met name aandacht voor de uitvoerbaarheid van de plannen en de aanscherping
van de rechtsstaatconditionaliteiten. Ten aanzien van de PGA van het Europees Concurrentievermogenfonds
(ECF) pleit het kabinet met gelijkgestemde lidstaten voor het vasthouden aan excellentie
als uitgangspunt en kijkt het kabinet nauwgezet naar de toegang en restricties omtrent
de governance in het ruimtevaartdomein. Ook hecht het kabinet eraan dat het defensie-industrie
hoofdstuk binnen het ECF open staat voor associatie van derde landen. Met betrekking
tot de PGA in Global Europe zijn betrokkenheid van de Raad en een effectieve en juridisch
houdbare migratieconditionaliteit belangrijke aandachtspunten voor het kabinet.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de geannoteerde
agenda ter voorbereiding op de Raad Algemene Zaken d.d. 16 juni 2026. Naar aanleiding
van deze agenda hebben de leden nog enkele vragen.
De leden van de VVD-fractie constateren dat het tijdens deze Raad onder andere zal
gaan over het Meerjarig Financieel Kader (MFK). Volgens de geannoteerde agenda kan
het kabinet zich grotendeels vinden in de inhoud van de gedeeltelijke algemene oriëntatie
voor het fonds voor Nationale en Regionale Partnerschapsplannen, het Europees Concurrentievermogenfonds
en Europa in de Wereld. Wel heeft het kabinet nog aandachtspunten in de verordeningen,
waaronder een verdere versterking van de rechtstaat. Op welke manier is het kabinet
van plan om via de betreffende verordeningen meer aandacht voor rechtstatelijke aspecten
te creëren? Houdt de inzet van het kabinet in dat bepaalde gelden uit de fondsen niet
naar lidstaten mogen vloeien waarbij de rechtstaat niet op orde is, of wordt hiermee
een andere vorm van versterking van de rechtstaat bedoeld? Wat zijn de andere aandachtspunten
betreffende de verordeningen waar het kabinet naar verwijst in de geannoteerde agenda,
en verwacht het kabinet dat er voor het bereiken van deze aandachtspunten een meerderheid
te vinden is?
3. Antwoord van het kabinet
Het kabinet is van mening dat lidstaten die de rechtsstaat en fundamentele waarden
niet respecteren hun recht op Europees geld verliezen. Samen met gelijkgezinde lidstaten
zet het kabinet zich in voor zowel het behoud van de door de Europese Commissie voorgestelde
versterking van de rechtsstaatconditionaliteiten, als voor verdere aanscherping van
de rechtsstaat- en Handvestconditionaliteiten in het volgend Meerjarig Financieel
Kader (MFK). De versterkte rechtsstaatconditionaliteiten voor het volgend MFK zijn
met name opgenomen in de huidige compromistekst voor het NRPP. Deze compromistekst
bevat horizontale voorwaarden die betrekking hebben op de rechtsstaatbeginselen en
het EU-grondrechtenhandvest. Als een lidstaat niet (meer) aan deze voorwaarden voldoet,
vindt geen uitbetaling plaats. Ook moeten lidstaten in hun plannen laten zien dat
zij opvolging geven aan de landenspecifieke aanbevelingen op het terrein van rechtsstaat
uit het rechtsstaatrapport en het Europees Semester. Dit sluit grotendeels aan bij
de eerdergenoemde inzet van het kabinet. Zie ook de beantwoording van de vorige vraag
over andere aandachtspunten van het kabinet inzake PGA’s.
De leden van de VVD-fractie constateren voorts dat er tijdens de Raad stil zal worden
gestaan bij de «Eén Europa, één markt»-routekaart. Deze leden ondersteunen de overkoepelende
intentie van deze routekaart om de regeldruk in Europees verband, daar waar mogelijk,
tegen te gaan. Welke stappen is het kabinet van plan te zetten om ervoor te zorgen
dat deze routekaart zo snel mogelijk tot concrete resultaten zal leiden?
4. Antwoord van het kabinet
Alle acties in de routekaart sluiten aan bij het kabinetsvoornemen uit het coalitieakkoord
om de interne markt te voltooien. Meer specifiek werkt het kabinet aan versterking
van de Europese interne markt op grond van de interne-markt actieagenda. Deze is recent
geactualiseerd en u bent hierover bij brief geïnformeerd.4 Versterking van de interne markt ligt in onze eigen handen en hangt niet af van externe
factoren. Diverse acties in de routekaartzijn onderdeel van de actieagenda. Het kabinet
zal bewaken dat het interne-marktperspectief expliciet bij alle onderdelen van de
routekaart wordt meegenomen.
De leden van de VVD-fractie stellen vast dat het tijdens de Raad ook zal gaan over
de Artikel 7-procedure die in 2018 tegen Hongarije is gestart. Net als het kabinet
menen deze leden dat de verkiezingswinst van Magyar een positieve ontwikkeling is.
Wel constateren zij dat het kabinet middels een Benelux-interventie aandacht zal vragen
voor de thema’s waarover richting Hongarije nog zorgen bestaan. Over welke thema’s
gaat het, en welke verbeteringen hebben er op deze thema’s sinds de installatie van
Magyar in Hongarije plaatsgevonden?
5. Antwoord van het kabinet
De artikel 7-procedure tegen Hongarije richt zich op zorgen over onafhankelijkheid
van de rechterlijke macht, corruptie en belangenverstrengeling, ruimte voor het maatschappelijk
middenveld, gelijke rechten voor minderheden, academische vrijheid en mediavrijheid
en privacy en gegevensbescherming.
De nieuwe Hongaarse regering laat zien dat zij een serieuze Europese koers wil varen
en zet zich in voor het herstel van de rechtsstaat en de bescherming van de Europese
waarden. Dit werd ook bevestigd tijdens het bezoek van de Minister van Buitenlandse
Zaken aan Boedapest op 1 juni jl., het eerste buitenlandbezoek dat Minister Anita
Orbán ontving. Hongarije heeft inmiddels besloten om deel te nemen aan het Europees
Openbaar Ministerie, om de terugtrekking uit het Internationaal Gerechtshof (ICC)
te herroepen en om een wetvoorstel in te dienen om het Soevereiniteitsbureau op te
heffen. Hongarije zal tijdens deze Raad de voortgang verder toelichten.
Het kabinet zal middels een Benelux-interventie optimisme uitdragen over de door de
nieuwe Hongaarse regering ingezette koers en de verwachtingen uitspreken dat Hongarije
de benodigde duurzame hervormingen zal doorvoeren, bijvoorbeeld op het terrein van
anti-corruptie, belangenverstrengeling, rechterlijke onafhankelijkheid, academische
vrijheid en gelijke rechten van minderheden.
De leden van de VVD-fractie hebben tot slot nog enkele vragen over het EU-toetredingsproces
van Montenegro. Deze leden constateren dat er op 22 april 2026 een ad hoc werkgroep
is opgericht om een toetredingsverdrag met Montenegro op te stellen. Wat zijn tot
dusver de resultaten van deze ad hoc werkgroep? Op welke manier is deze werkgroep
van plan om invulling te geven aan de ambitie van de Europese Commissie om te werken
aan een nieuwe generatie EU-toetredingsverdragen? In hoeverre is dit begrip al concreet
ingevuld voor Montenegro, en wat zullen de consequenties hiervan voor Montenegro,
de EU, en Nederland zijn?
6. Antwoord van het kabinet
De werkgroep richt zich nu eerst op technische aanpassingen aan het EU-acquis die
nodig zijn bij toekomstige EU-toetreding van Montenegro. In een latere fase start
de groep met werken aan het toetredingsverdrag, en wordt er gesproken over aanvullende
waarborgen en overgangsmaatregelen. Naar verwachting zal daarover ook discussie plaatsvinden
in de Raadswerkgroep COELA en in Coreper over welke waarborgen en overgangsmaatregelen
lidstaten en de Commissie wenselijk en noodzakelijk achten. Uw Kamer heeft als bijlage
bij de Kamerbrief EU-uitbreiding, waarborgen en de Toekomst van Europa5 een non-paper ontvangen met daarin ideeën voor (gerichte) overgangsmaatregelen en
waarborgen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda van de
Raad Algemene Zaken van 16 juni. Over deze agenda hebben deze leden de volgende vragen.
De leden van de PVV-fractie verzoeken het kabinet precies uiteen te zetten welke onderdelen
van de voorgestelde gedeeltelijke algemene oriëntaties voor de Nationale en Regionale
Partnerschapsplannen (NRPP), het Europees Concurrentievermogen en «Europa in de wereld»
onomkeerbare politieke of financiële gevolgen kunnen hebben, ondanks de stelling van
het kabinet dat er nog geen besluitvorming plaatsvindt over de overkoepelende financiële
elementen van het MFK.
De leden van de PVV-fractie verzoeken het kabinet per verordening aan te geven welke
bevoegdheden, beleidsruimte of uitvoeringsmacht verschuiven van lidstaten naar de
Europese Commissie.
7. Antwoord van het kabinet
Met het vaststellen van de deelakkoorden (PGA’s) wordt tijdige sturing gegeven en
de Raadsinzet voor het volgend MFK tijdelijk vastgezet om informele gesprekken over
de verordeningen met het Europees Parlement te kunnen starten. Na consultaties met
het Europees Parlement en definitief akkoord in de Europese Raad over de «negotiating box» worden de verordeningen nader uitgewerkt. Er worden op dit moment dus geen onomkeerbare
stappen gezet. De gemoderniseerde structuur van het MFK, met meer resultaatgerichte
financiering, heeft gevolgen voor de besluitvorming over de besteding van EU-middelen.
Bij resultaatgerichte financiering vindt uitbetaling immers plaats op basis van vooraf
afgesproken mijlpalen en doelstellingen. Het kabinet is hier voorstander van omdat
het de effectiviteit van EU-middelen kan vergroten. Het kabinet heeft daarbij telkens
scherp aandacht voor een passende rolverdeling tussen de lidstaten, de Raad en de
Commissie. Zo heeft Nederland gepleit voor het garanderen van betere betrokkenheid
van de Raad en het inperken van zelfstandige uitvoeringsbevoegdheden voor de Commissie,
in het bijzonder in het kader van het NRPP en Global Europe.
De leden van de PVV-fractie verzoeken het kabinet aan te geven of het Europees Semester,
en de landenspecifieke aanbevelingen, volgens het kabinet ook gebruikt mogen worden
om Nederland aan te spreken op nationale keuzes rond belastingen, hypotheekrenteaftrek,
woningmarkt, pensioenstelsel, arbeidsmarkt en sociale zekerheid. Deze leden verzoeken
het kabinet te bevestigen dat landenspecifieke aanbevelingen formeel niet bindend
zijn, maar in de praktijk steeds vaker kunnen worden gekoppeld aan EU-financiering,
begrotingsregels en politieke druk vanuit Brussel.
8. Antwoord van het kabinet
De landenspecifieke aanbevelingen zijn op zichzelf genomen niet bindend. De landenspecifieke
aanbevelingen die de Commissie voorstelt zijn in de ogen van het kabinet gebaseerd
op een grondige analyse in de landenrapporten die de Commissie opstelt en aanbevelingen
van de Raad voor het economische beleid van de eurozone. Hierbij vindt het kabinet
het belangrijk dat de landenspecifieke aanbevelingen de lidstaten een voldoende mate
van beleidsvrijheid geven om deze te adresseren. Voldoende beleidsvrijheid is van
belang voor nationaal draagvlak, eigenaarschap en uitvoerbaarheid.
In het voorstel van de Europese Commissie voor het nieuwe MFK worden de landenspecifieke
aanbevelingen gekoppeld aan EU-financiering.6 Een deel van de EU-middelen zal worden verstrekt via NRPP, het nationale plan dat
door de lidstaat zelf zal worden opgesteld. Deze plannen moeten volgens het Commissievoorstel
een significant deel van de uitdagingen die zijn geïdentificeerd in het kader van
het Europees Semester, in het bijzonder in de landenspecifieke aanbevelingen, adresseren.
De leden van de PVV-fractie verzoeken het kabinet toe te lichten waarom de Artikel
7-procedure tegen Hongarije in de agenda expliciet wordt gekoppeld aan aansluiting
bij het gemeenschappelijk buitenlands- en veiligheidsbeleid, waaronder steun aan Oekraïne
en sancties tegen Rusland, en daarbij te bevestigen dat deze rechtsstaatprocedure
en de beoordeling van EU-financiering uitsluitend mogen worden gebaseerd op objectieve
juridische voorwaarden en niet mogen worden gebruikt als politiek drukmiddel om democratisch
gekozen regeringen tot buitenlandpolitieke gehoorzaamheid aan Brussel te dwingen.
9. Antwoord van het kabinet
Zoals in het antwoord op vraag 4 is toegelicht zal het kabinet middels een Benelux-interventie
optimisme uitdragen over de door de nieuwe Hongaarse regering ingezette koers en de
verwachtingen uitspreken dat HON de benodigde duurzame hervormingen zal doorvoeren.
Aansluiting bij het Gemeenschappelijk Buitenland en Veiligheidsbeleid (GBVB), waaronder
steun aan Oekraïne en sancties tegen Rusland vormen geen onderdeel van de artikel
7-procedure tegen Hongarije.
Tegelijkertijd zet het kabinet zich in conform de motie Van Lanschot c.s.7, die de regering verzoekt om zich er in EU-verband bij de Europese Commissie voor
in te zetten dat Hongarije de rechtsstaat herstelt, zich opnieuw in lijn brengt met
gedeelde waarden en het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid zoals steun
aan Oekraïne en sancties tegen Rusland, en de hervormingen doorvoert om te voldoen
aan de voorwaarden voor Europese financiering.
De leden van de PVV-fractie verzoeken het kabinet uiteen te zetten welke concrete
gevolgen het onder voorbehoud sluiten van hoofdstuk 28 met Montenegro heeft voor het
verdere toetredingsproces. Deze leden verzoeken het kabinet daarnaast de mogelijke
gevolgen voor het onder voorbehoud sluiten van hoofdstuk 2 over vrij verkeer van werknemers
met Montenegro voor Nederland in kaart te brengen, waaronder druk op sociale voorzieningen
en extra druk op de arbeids- en woningmarkt.
10. Antwoord van het kabinet
Het onder voorbehoud sluiten van hoofdstuk 28 heeft geen gevolgen voor overige onderdelen
van het toetredingsproces. Montenegro zal voor elk hoofdstuk aan de relevante closing benchmarks moeten voldoen. Na het onder voorbehoud sluiten van hoofdstuk 28 en van hoofdstuk
2 zullen 16 van de 33 hoofdstukken in de toetredingsonderhandelingen met Montenegro
onder voorbehoud zijn gesloten.
Bij de behandeling van de Draft Common Position voor hoofdstuk 2 heeft Nederland rekening gehouden met het kwantitatief onderzoek
door het Centraal Planbureau8, waaruit de verwachting naar voren komt dat arbeidsmigratie relatief beperkt zal
toenemen door de toekomstige toetreding van Montenegro. Toetreding van Montenegro
zonder transitiemaatregelen zorgt naar verwachting voor ca. 4.000 extra arbeidsmigranten
in Nederland tien jaar na toetreding volgens het Centraal Planbureau. Dit zal waarschijnlijk
beperkt drukken op de sociale voorzieningen, arbeids- en woningmarkt, maar neemt niet
weg dat we hierop goed voorbereid moeten zijn. Nederland heeft daarom bij de behandeling
van hoofdstuk 2 stevig ingezet op een langere maximale duur van de transitiemaatregelen
voor verkeer van werknemers en transitiemaatregelen voor arbeidsmobiliteit op grond
van het vrij verkeer van diensten en hierbij resultaat behaald. Bij de eventuele verlenging
van transitiemaatregelen wordt voortaan bovendien ook de impact op onder meer de woningmarkt
meegewogen. Zie hierover ook het antwoord op vraag 1.
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de kabinetsreactie op het advies
van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en hebben daarover nog enkele
vragen. Deze leden verzoeken het kabinet te bevestigen dat een tegenstem of het gebruik
van een veto door een lidstaat volgens de AIV niet kan worden beschouwd als een schending
van de plicht tot loyale samenwerking, en uiteen te zetten waarom het kabinet desondanks
inzet op afschaffing van het vetorecht binnen het Gemeenschappelijk Buitenlands- en
Veiligheidsbeleid en het Gemeenschappelijk Veiligheids- en Defensiebeleid.
11. Antwoord van het kabinet
Elke lidstaat heeft het recht om bij besluitvorming in de Raad tegen te stemmen. De
Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) is van mening dat het uitbrengen van
een tegenstem geen schending is van het beginsel van loyale samenwerking in juridische
zin. Er kan volgens de AIV in de context van besluitvorming wel sprake zijn van een
schending van de politieke gedragsnorm die in dit beginsel besloten ligt. Het kabinet
zet in op uitbreiding van meerderheidsbesluitvorming in GBVB om de effectiviteit van
het GBVB te vergroten, in lijn met de motie Klos9 en motie Klos en Van der Lee10, waarmee een breder doel wordt gediend dan enkel omgaan met (gepercipieerd) niet-loyaal
stemgedrag.
De leden van de PVV-fractie verzoeken het kabinet daarnaast toe te lichten waar voor
het kabinet de grens ligt tussen een legitiem nationaal belang van een lidstaat en
zogenoemd «ondermijnend gedrag.»
12. Antwoord van het kabinet
Elke lidstaat kan in onderhandelingen en bij stemming over een besluit in EU-verband
opkomen voor nationale belangen, zo ook Nederland. Door legitieme nationale belangen
kenbaar te maken is het vaak mogelijk om gezamenlijk tot een compromis te komen. In
bepaalde omstandigheden kan een positie in onderhandelingen of stemgedrag als ondermijnend
worden ervaren. Een indicatie daarvoor kan bijvoorbeeld zijn wanneer er geen rechtstreeks
verband bestaat tussen het besluit dat op tafel ligt en het nationale belang waaraan
wordt gerefereerd.
De leden van de PVV-fractie verzoeken het kabinet uiteen te zetten hoe het begrip
«loyale samenwerking» wordt afgebakend, zodat dit niet kan worden gebruikt als politiek
drukmiddel tegen democratisch gekozen regeringen die een andere koers varen op migratie,
klimaat, buitenlandbeleid of EU-uitbreiding.
13. Antwoord van het kabinet
Elke lidstaat heeft het recht om tegen te stemmen en op te komen voor nationale belangen.
Het beginsel van loyale samenwerking omvat, zoals toegelicht door de AIV, niet alleen
een juridische norm maar ook de politieke gedragsnorm om bereidheid te tonen om mee
te werken aan compromissen ten behoeve van de besluitvorming. De praktijk toont aan
dat de overgrote meerderheid van besluiten in de Raad worden vastgesteld met consensus,
waarbij nationale belangen zoveel mogelijk worden meegenomen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de geannoteerde
agenda voor de Raad Algemene Zaken van 16 juni 2026 en het AIV-advies «De kracht van
loyale samenwerking binnen de EU», en de kabinetsreactie daarop. Deze leden delen
de kernboodschap van het advies dat Europese samenwerking niet vrijblijvend is. Juist
in een tijd van oorlog op het Europese continent, geopolitieke druk en economische
onzekerheid moet de Europese Unie slagvaardig zijn. Dat vraagt om lidstaten die elkaar
ruimte geven, maar ook om lidstaten die gemaakte afspraken nakomen. Wie lid is van
een rechtsgemeenschap, kan immers diezelfde rechtsgemeenschap niet van binnenuit ondermijnen.
Deze leden hebben enkele vragen bij het advies en de kabinetsreactie.
Kabinetsreactie AIV-advies loyale samenwerking in de EU
Aanbeveling 1: Zorg dat ondermijnend gedrag niet loont
De leden van de CDA-fractie steunen het uitgangspunt dat ondermijnend gedrag niet
mag lonen. Kan het kabinet concreet maken waar voor Nederland de rode lijn ligt? Welke
gedragingen kwalificeert het kabinet als «ondermijnend gedrag»?
14. Antwoord van het kabinet
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 11, kan bepaald gedrag van lidstaten tijdens
het besluitvormingsproces als ondermijnend worden ervaren. Daarnaast wijst de AIV
op ondermijnend gedrag na de fase van besluitvorming. Bijvoorbeeld als een lidstaat
zich niet houdt aan de gemaakte afspraken.
De AIV adviseert om ondermijnend gedrag in het buitenlandbeleid waar mogelijk te omzeilen,
onder meer door vaker gebruik te maken van gekwalificeerde meerderheid, constructieve
onthouding of nauwere samenwerking. Deze leden zijn positief over «constructieve onthouding».
Dat kan voorkomen dat één lidstaat de hele EU blokkeert. Is het kabinet bereid in
EU-verband te pleiten voor een politieke afspraak dat lidstaten een veto of constructieve
onthouding altijd schriftelijk en openbaar motiveren? Zou dat volgens het kabinet
helpen om misbruik van het veto tegen te gaan?
15. Antwoord van het kabinet
Een politieke afspraak om een veto of constructieve onthouding schriftelijk of openbaar
te motiveren, kan bijdragen aan samenwerking tussen lidstaten en daarmee aan de effectiviteit
van beleidsterreinen waarvoor unanimiteit geldt, zoals het GBVB. Het kabinet zet zich
in voor een effectiever GBVB onder meer door uitbreiding van meerderheidsbesluitvorming
in lijn met de motie Klos11 en motie Klos en Van der Lee.12 Het kabinet staat ervoor open de politieke verklaring als optie mee te nemen in verdere
verkenning van mogelijkheden om de effectiviteit van het GBVB, of andere beleidsterreinen
waarvoor unanimiteit geldt, te vergroten.
De leden van de CDA-fractie vinden het zorgelijk als nationale leiders tijdens een
EU-voorzitterschap de indruk wekken namens de EU te spreken, terwijl zij afwijken
van de gezamenlijke EU-lijn. Deelt het kabinet dat dit de geloofwaardigheid van de
EU kan schaden, bijvoorbeeld richting Rusland? Welke maatregelen zijn genomen om te
voorkomen dat een roulerend EU-voorzitterschap wordt gebruikt voor nationale buitenlandpolitiek
die haaks staat op de EU-lijn?
16. Antwoord van het kabinet
Het roulerend voorzitterschap van de Raad heeft geen bevoegdheden op het terrein van
EU-externe vertegenwoordiging. Het kabinet hecht groot belang aan eenheid in het optreden
van de EU, en veroordeelt handelingen die deze eenheid ondermijnen. Indien nodig en
passend zal Nederland, samen met EU-instellingen en andere lidstaten en van geval
tot geval, bespreken welke gevolgen verbonden zouden moeten worden aan eventueel ondermijnend
gedrag.
Aanbeveling 2: Benut de politieke gereedschapskist om de cultuur van loyale samenwerking
en onderling vertrouwen te versterken
De leden van de CDA-fractie constateren dat de AIV het belang benadrukt van politieke
dialoog, onderling vertrouwen en het bespreekbaar maken van loyale samenwerking. Is
het kabinet bereid loyale samenwerking actief te agenderen in de Raad Algemene Zaken,
zoals de AIV adviseert? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
17. Antwoord van het kabinet
Het kabinet onderschrijft het belang van loyale samenwerking, en benadrukt dit ook
in EU-verband, bijvoorbeeld in de context van waarborgen in nieuwe toetredingsverdragen.
Het kabinet zet zich ervoor in dat toetredingsverdragen het beginsel van loyale samenwerking
stevig verankeren, zoals uitgelegd in de Kamerbrief EU-uitbreiding, waarborgen en
de Toekomst van Europa en de bijgaande non-paper met ideeën voor (gerichte) overgangsmaatregelen
en waarborgen.13 In discussies over nieuwe toetredingsverdragen en EU-hervormingen, zal het kabinet
hier stevig op inzetten.
De AIV stelt verder dat vertrouwen vraagt om diplomatieke investering en kennis van
het Europese krachtenveld. Het kabinet erkent dat het postennet hierbij belangrijk
is om goed zicht te krijgen op het krachtenveld. Deze leden vragen of het kabinet
concreet kan maken wat dit betekent voor de Nederlandse posten in EU-lidstaten en
voor de Permanente Vertegenwoordiging. Komt er extra capaciteit voor rechtsstaat,
EU-besluitvorming en coalitievorming? Hoe wordt geborgd dat Nederlandse diplomaten
voldoende Europese ervaring opbouwen?
18. Antwoord van het kabinet
In het kader van de Internationaal Onderzoek en Beleidsevaluatie (IOB) adviezen «Grip
door begrip»14 en «Tactisch en praktisch»15 heeft het kabinet eerder al geïnvesteerd in de basiskennis van de EU onder ambtenaren,
waaronder ook Nederlandse diplomaten. Het kabinet vindt het belangrijk dat ambtenaren
over voldoende EU-kennis beschikken.
Ook wordt ingezet om het aantal Nederlanders bij de EU-instellingen te vergroten,
zodat ambtenaren meer EU-ervaring op kunnen doen en deze kennis over kunnen brengen
binnen het Rijk.
In het kader van het Nederlandse voorzitterschap van de Raad, in de tweede helft van
2029 zal moeten worden geïnvesteerd in extra formatieplekken bij het Ministerie van
Buitenlandse Zaken, de andere departementen in Den Haag, plaatsen bij de Europese
posten en bij de Permanente Vertegenwoordiging van Nederland bij de EU in Brussel.
Dit geldt ook voor de EU-kennis en EU-ervaring.
Tot slot is van belang dat in het coalitieakkoord is afgesproken om ter versterking
van de positie van Nederland in het buitenland vanaf 2027 te intensiveren op het postennetwerk
van ambassades, consulaten-generaal en permanente vertegenwoordigingen. Zoals in de
Beleidsbrief Buitenlandse Zaken 202616 is opgenomen volgt de nadere uitwerking van de invulling van de intensivering in
het postennet in de ontwerpbegroting 2027 van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.
Aanbeveling 3: Benut de juridische gereedschapskist om niet-loyale samenwerking tegen
te gaan ten volle
De leden van de CDA-fractie steunen een strenge koppeling tussen EU-geld en respect
voor rechtsstaat en fundamentele rechten. Nederlands belastinggeld mag niet bijdragen
aan regeringen die de rechtsstaat afbreken of de Unie ondermijnen. De AIV wijst op
Artikel 7 en op mogelijkheden om EU-subsidies stil te leggen bij schending van fundamentele
waarden. Deze leden vragen of het kabinet kan toelichten welke concrete voorstellen
Nederland hiervoor op tafel legt. Gaat het kabinet bijvoorbeeld pleiten voor automatische
opschorting van fondsen bij ernstige rechtsstaatschendingen? Hoe denkt het kabinet
te kunnen voorkomen dat lidstaten elkaar blijven beschermen en Artikel 7 daardoor
tandeloos blijft?
19. Antwoord van het kabinet
Het kabinet zet zich met gelijkgestemde lidstaten onverminderd in om het rechtsstaatinstrumentarium
verder te versterken. Het kabinet zet allereerst in op aanvullende waarborgen ter
bescherming van de waarden van de EU, waaronder de rechtsstaat, in de nieuwe generatie
toetredingsverdragen en bij interne hervormingen in het licht van toekomstige EU-uitbreiding.
Zo stelt het kabinet in het kader van nieuwe toetredingsverdragen een non-regressiebepaling
voor die terugval op eerbiediging van EU-waarden na toetreding verbiedt, zet het kabinet
in op een verplichting tot (onderzoek naar de) inzet van financiële rechtsstaatinstrumenten,
een vernieuwde vrijwaringsclausule of regulier handhavend instrumentarium zoals de
inbreukprocedure,17 en roept het kabinet op tot discussie over het tijdelijk afwijken van de procedurele
regels van artikel 7 van het EU-Verdrag om de effectiviteit van deze procedure te
versterken. Daarnaast zet het kabinet zich, in het kader van de onderhandelingen over
het volgende MFK en in lijn met de motie Olger van Dijk c.s.,18 in voor een sterke en effectieve koppeling tussen het respecteren van de rechtsstaat
en fundamentele rechten en het ontvangen van fondsen uit de EU-begroting. Zie hiervoor
ook het antwoord op vraag 2.
De AIV adviseert om de juridische gereedschapskist volledig te benutten, waaronder
inbreukprocedures en procedures bij het Hof van Justitie van de EU. Het kabinet stelt
dat het primaat voor inbreukprocedures bij de Europese Commissie ligt. Deze leden
begrijpen dat uitgangspunt, maar vragen wel onder welke voorwaarden het kabinet bereid
is zelf, samen met gelijkgezinde lidstaten, juridische stappen te zetten. Welke lessen
trekt het kabinet uit zaken waarin Nederland samen met andere lidstaten aan de zijde
van de Commissie optreedt bij schending van fundamentele EU-waarden?
20. Antwoord van het kabinet
Het is primair aan de Commissie om een inbreukprocedure te starten tegen gevallen
van (gepercipieerde) niet-loyale samenwerking. Het kabinet weegt per geval of Nederland
de Commissie wil steunen in EU-Hofzaken. Het kabinet wil niet speculeren over gevallen
waarin Nederland, zelf of met andere lidstaten, daartoe het initiatief neemt. Nederland
is een actieve speler voor het EU Hof van Justitie, onder andere in EU-Hofzaken over
EU-waarden. Ervaring leert dat Nederland door deelname aan een EU-Hofzaak samen met
andere lidstaten een effectieve bijdrage kan leveren aan de rechtsontwikkeling en
de gewenste uitkomst in een EU-Hofzaak.
Tot slot vragen de leden van de CDA-fractie of het kabinet bereid is jaarlijks, bijvoorbeeld
bij de Staat van de Europese Unie, te rapporteren over gevallen van ondermijnend gedrag,
de Nederlandse inzet daarop, het gebruik van rechtsstaatinstrumenten, blokkades in
het Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid en de voortgang op meer meerderheidsbesluitvorming.
21. Antwoord van het kabinet
Het kabinet heeft aandacht voor de genoemde thema’s en zal de Kamer wanneer relevant
informeren over de laatste ontwikkelingen en Nederlandse positie, via geannoteerde
agenda’s, verslagen en debatten van (Europese) Raden.
Geannoteerde agenda voor de Raad Algemene Zaken van 16 juni 2026
De leden van de CDA-fractie lezen dat de Raad een eerste bespreking voert over het
lentepakket en de landenspecifieke aanbevelingen. Deze leden hechten aan gezonde overheidsfinanciën
en een stabiele eurozone. Lidstaten moeten hervormen waar dat nodig is en hun begroting
op orde houden. Kan het kabinet aangeven welke hoofdlijn het verwacht in de aanbevelingen
voor Nederland? Op welke punten verwacht het kabinet aanbevelingen over woningbouw,
arbeidsmarkt, productiviteit, investeringsklimaat, energie-infrastructuur en defensie-uitgaven?
22. Antwoord van het kabinet
De kabinetsappreciatie van de door de Commissie voorgestelde landenspecifieke aanbevelingen
voor Nederland is te vinden in de nazending van de geannoteerde agenda van de Eurogroep
en Ecofinraad.19 De aanbevelingen raken, net als vorig jaar, aan alle in de vraag genoemde beleidsterreinen.
De leden van de CDA-fractie lezen dat het wetgevingsprogramma voor 2026 zich richt
op onder meer defensie en veiligheid, simplificatie en bescherming van democratie
en waarden. Kan het kabinet een overzicht geven van de wetgevingsvoorstellen die Nederland
in 2026 het meest belangrijk vindt? Welke voorstellen wil Nederland versnellen, welke
wil Nederland aanpassen en welke wil Nederland tegenhouden?
23. Antwoord van het kabinet
In een tijd van geopolitieke instabiliteit moet de EU slagvaardig, welvarend en veilig
blijven. Zoals in de Staat van de Unie-brief20 uiteengezet ziet het kabinet daarbij prioriteiten zoals het versterken van de concurrentiekracht;
een modern, betaalbaar en eerlijk MFK; investeringen in defensie en veiligheid; het
verminderen van migratiedruk en stimulatie van terugkeer. Ook zal het kabinet aandacht
houden voor de problematiek van ruimtelijke ordening en versimpeling van regelgeving.
Het kabinet verwelkomt veel voorstellen vanuit de Commissie voor dit jaar. Voor een
appreciatie per commissievoorstel, verwijst het kabinet graag naar de kabinetsappreciatie
van het Commissiewerkprogramma (CWP) 2026.21
De leden van de CDA-fractie lezen dat de Artikel 7-procedure tegen Hongarije opnieuw
wordt besproken. Zij zien dat de verkiezingsuitslag in Hongarije hoopvol kan zijn,
maar delen de lijn dat de procedure pas kan worden afgerond als de rechtsstaat duurzaam
is hersteld, zoals ook vervat in de aangenomen motie-Van Lanschot c.s. (Kamerstuk
21 501–02, nr. 3383). Kan het kabinet aangeven welke concrete hervormingen Hongarije wat het kabinet
betreft moet doorvoeren voordat beëindiging van de Artikel 7-procedure aan de orde
kan zijn?
De leden van de CDA-fractie vragen daarnaast of het kabinet concreet kan aangeven
onder welke voorwaarden Hongarije weer aanspraak kan maken op 16,4 miljard euro aan
geblokkeerde EU-subsidies. Welke hervormingen moeten hiervoor gerealiseerd worden?
24. Antwoord van het kabinet
De voorwaarden waaraan Hongarije moet voldoen om weer in aanmerking te komen voor
de geblokkeerde EU-middelen liggen op het terrein van anti-corruptie, belangenverstrengeling
en rechterlijke onafhankelijkheid. Deze zijn opgenomen als supermijlpalen in het uitvoeringsbesluit
ter goedkeuring van het Hongaarse herstelplan, als corrigerende maatregelen in het
uitvoeringsbesluit voor maatregelen tegen Hongarije op grond van de MFK-rechtsstaatsverordening
en als horizontale en thematische randvoorwaarden in de Common Provisions Regulation
(CPR). In lijn met de moties van Lanschot c.s.22 en Sjoerdsma c.s.23 pleit het kabinet ervoor dat Hongarije de rechtsstaathervormingen doorvoert voordat
de geblokkeerde EU-middelen worden vrijgegeven.
De leden van de CDA-fractie lezen dat hoofdstuk 28 over consumenten- en gezondheidsbescherming
onder voorbehoud kan worden gesloten met Montenegro. Kan het kabinet toelichten welke
benchmarks volledig zijn gehaald en welke stappen nog openstaan? Hoe wordt na sluiting
onder voorbehoud gecontroleerd dat hervormingen ook echt worden uitgevoerd?
25. Antwoord van het kabinet
De closing benchmarks voor hoofdstuk 28 zien op het omzetten van regels over consumentenrechten, overdraagbare
ziekten en lichaamsmateriaal in wetgeving en het realiseren van voldoende capaciteit
voor de uitvoering en handhaving van het acquis. De Commissie monitort ook na het
onder voorbehoud sluiten van een hoofdstuk onder andere of Montenegro administratieve
en personele capaciteit verder versterkt. Nederland benadrukt in de behandeling van
de Draft Common Position voor het onder voorbehoud sluiten van hoofdstukken altijd het belang van dergelijke
monitoring. Bij dit hoofdstuk geldt dat bijvoorbeeld voor een actieplan voor consumentenbescherming
en productveiligheid. De Raad wordt hier periodiek over geïnformeerd.
De leden van de CDA-fractie constateren ten slotte dat Griekenland in aanloop naar
de Europese Raad van 18–19 juni 2026 officieel een amendement heeft ingediend op de
concept-Raadsconclusies, waarmee aan de Commissie gevraagd wordt een stresstest uit
te voeren op de binnenlandse productiecapaciteit van brandstoffen in vredes- en crisistijden
om de potentiële risico's voor de defensieparaatheid, de leveringszekerheid en de
strategische autonomie te beoordelen. Deze leden vragen hoe het kabinet tegen dit
amendement aankijkt.
26. Antwoord van het kabinet
De onderhandelingen en gesprekken over de Raadsconclusies van de ER zijn in volle
gang. Wat er wordt gewisseld in Coreper en voorstellen die door andere lidstaten in
Coreper worden gedaan, valt onder het diplomatieke verkeer en onder de vertrouwelijkheid
van de beraadslaging (artikel 6 RvO van de Raad).
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
R.F. van Meetelen, voorzitter van de vaste commissie voor Europese Zaken -
Mede ondertekenaar
L.B. Blom, griffier