Lijst van vragen en antwoorden : Lijst van vragen en antwoorden, gesteld aan de regering, over het rapport Resultaten verantwoordingsonderzoek 2025 bij het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (Kamerstuk 36945-XII-2)
36 945 XII Jaarverslag en slotwet Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat 2025
Nr. 7
LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN
Vastgesteld 10 juni 2026
De vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat heeft een aantal vragen voorgelegd
aan de Minister en Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat over het rapport
Resultaten verantwoordingsonderzoek 2025 bij het Ministerie van Infrastructuur en
Waterstaat (Kamerstuk 36 945 XII, nr. 2).
De Minister en Staatssecretaris hebben deze vragen beantwoord bij brief van 10 juni
2026. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.
De voorzitter van de commissie, Huizenga
De griffier van de commissie, Schukkink
Vragen en antwoord
Vraag 1
Hoe beoordeelt u de ontwikkeling van het financieel beheer bij IenW ten opzichte van
eerdere verantwoordingsjaren en op welke punten is aantoonbaar verbetering gerealiseerd?
Antwoord 1
IenW heeft de afgelopen vijf jaar belangrijke stappen gezet in het verbeteren van
het financieel beheer.
De Auditdienst Rijk (ADR) constateerde in 2020 nog drie ernstige bevindingen op gebied
van verplichtingenbeheer en inkoopbeheer, voor zowel het kerndepartement als Rijkswaterstaat
(RWS). Per 2025 zijn twee van deze bevindingen opgelost en is de laatste bevinding
(het inkoopbeheer van RWS) aanzienlijk verbeterd. Wel is er sinds 2024 een bevinding
bijgekomen op het gebied van beheer van externe inhuur door RWS. Dit punt is ongewijzigd
voor 2025. De Algemene Rekenkamer (AR) onderstreept deze bevindingen over dezelfde
periode.
Daarnaast heeft de ADR de afgelopen jaren nog twee bevindingen gedeeld op het gebied
van bedrijfsvoering (informatiebeveiliging en naleving Algemene verordening gegevensbescherming).
Deze punten zijn in 2023 en 2024 opgelost.
Ook uit het oordeel van de AR blijkt dezelfde positieve ontwikkeling rond financieel
beheer en bedrijfsvoering. In het verantwoordingsrapport 2025 constateert de AR nog
één onvolkomenheid: aanbesteding RWS. Deze komt overeen met de bevinding inkoopbeheer
RWS bij de ADR.
Vraag 2
Wanneer kan de Kamer verwachten dat er een heldere inventarisatie ligt van uitgaven
en projecten die voor NAVO-norm in aanmerking gaan komen, gelet op het feit dat de
Algemene Rekenkamer schrijft dat het nog niet duidelijk is welke IenW-uitgaven onder
de 1,5% van de NAVO-norm bestemd zijn voor civiele uitgaven?
Antwoord 2
Dit jaar heeft het kabinet voor het eerst een inventarisatie gedaan van de Nederlandse
uitgaven van het Bruto Binnenlands Product (BPP) aan bredere veiligheids- en defensiegerelateerde
uitgaven. Deze inventarisatie telt op tot 17,45 mld. in 2026 en een percentage van
ongeveer 1,4%. Het kabinet heeft dit op 22 mei laten weten aan de NAVO.
Omdat dit de eerste keer is dat deze exercitie is uitgevoerd, zal bij de berekening
voor 2027 en verder worden aangescherpt wat hieronder valt. Hierbij blijft informatie
vanuit de NAVO leidend.
Onder bredere veiligheids- en defensiegerelateerde uitgaven vallen uitgaven die bijdragen
aan de weerbaarheid van de maatschappij en uitgaven die bijdragen aan de ondersteuning
van de krijgsmacht. Denk bij uitgaven die bijdragen aan de weerbaarheid van de maatschappij
bijvoorbeeld aan strategische voorraden en de continuïteit van de zorg.
Ook zijn uitgaven met zogenaamde «dual use» toegerekend aan dit percentage. Daarmee
bedoelen we uitgaven van departementen waar de krijgsmacht van mee kan profiteren.
Denk bijvoorbeeld aan het voorkomen en beheersen van veiligheidsdreigingen middels
diplomatie, coalitievorming en gerichte financiering. Deze inzet is essentieel omdat
Nederland voor zijn eigen veiligheid sterk afhankelijk is van een stabiele, veilige
wereld.
De uitgaven worden op totaalniveau gerapporteerd, dit is zowel voor de 3,5% als de
1,5% met de Kamer gedeeld middels een vertrouwelijke brief door de Minister van JenV.
Omdat de onderliggende uitgaven inzicht geven in de manier waarop de ondersteuning
aan de krijgsmacht is georganiseerd, worden de onderliggende uitgaven niet gepubliceerd.
Dit is departementaal vertrouwelijke informatie.
Vraag 3
Kan het Programma Bescherming Noordzee Infrastructuur (PBNI), dat ook draait om de
(strategische) veiligheid van Nederland, gefinancierd worden vanuit de 1,5% van de
NAVO-norm, zoals genoemd op pagina 20, bestemd voor civiele uitgaven?
Antwoord 3
In de huidige inventarisatie is in kaart gebracht wat er momenteel toegerekend kan
worden aan de 1,5% NAVO-norm. Dit is een inventarisatie van bestaande uitgaven en
het onderwerp PBNI is hierin meegenomen.
Zoals toegezegd aan het lid Brekelmans (TZ202603-125) wordt de Kamer voor de zomer
geïnformeerd over een voorstel tot structurele financiering voor het actieplan strategie
ter bescherming Noordzee Infrastructuur.
Vraag 4
Wat zou er nodig zijn om het PBNI volwaardig in te vullen, tegen de achtergrond dat
de Algemene Rekenkamer schrijft dat er ondanks de voortgang met het PBNI nog geen
geïntegreerd beeld ligt, mede vanwege een gebrek aan langlopende financiering?
Antwoord 4
Om volwaardige opvolging te geven aan PBNI is structurele financiering nodig, besluitvorming
hierover betrekt het kabinet bij de reguliere integrale budgettaire besluitvormingsmomenten.
Voor 2026 heeft het kabinet ca. € 12 mln beschikbaar gesteld op artikel 17 van de
IenW-begroting. Dit is inclusief € 4 mln uit het Mobiliteitsfonds dat beschikbaar
is gesteld voor 2026 via de 1e suppletoire begroting 2026 conform het amendement Stoffer/Grinwis.
De structurele verwerking van het amendement Stoffer/Grinwis zal lopen via de begroting
2027.
Om de infrastructuur op de Noordzee beter te kunnen beschermen is het nodig om te
investeren in de structurele uitvoering van het Actieplan Strategie ter bescherming
Noordzee infrastructuur en de oprichting van een National Maritime Security Centrum
(NMSC), verbreden en bestendigen van sensorcapaciteit en het vergroten van de capaciteit
van de uitvoerende diensten die verantwoordelijk zijn voor Maritime Security. Voor
de zomer wordt de Kamer geïnformeerd over de verdere uitwerking van het programma,
zoals toegezegd in de reactie op het rapport van de AR (https://www.rekenkamer.nl/documenten/2026/05/20/vo-2025-ienw).
Vraag 5
Is er zicht op waar het probleem ligt bij de resterende € 6 miljoen (in 2025) van
€ 20 miljoen (in 2024) aan onrechtmatige inkopen?
Antwoord 5
De lessons learned vanuit het verleden en andere verbetertrajecten binnen IenW en
RWS hebben hun vruchten afgeworpen, waardoor in 2025 het aantal onrechtmatigheden
is gedecimeerd. De resterende € 6 miljoen bij IenW wordt grotendeels verklaard door
onrechtmatigheden bij inkopen van technische aard die niet onder bestaande raamovereenkomsten
vallen.
Het inkoopproces bij IenW en RWS is er op gericht dat de aanbestedingen overeenkomstig
de geldende wet- en regelgeving worden uitgevoerd. Bij beide organisaties wordt dan
ook ingezet op het voorkomen van nieuwe onrechtmatigheden en het oplossen van onvolkomenheden
in de bedrijfsvoering. Ook afgelopen jaar is opnieuw hard gewerkt aan verbeteringen
in de inkoop en aanbestedingen. Het meerjarige verbetertraject om kwaliteit en rechtmatigheid
van de inkopen en aanbestedingen te verbeteren en te borgen werpt nu duidelijk zijn
vruchten af. Dit heeft niet alleen geresulteerd in een afname van de financiële omvang
van de onrechtmatige inkopen, maar ook dat de bevinding(en) van de ADR bij het kerndepartement
van IenW is afgeschaald en dat er duidelijke verbeteringen zijn bij RWS. Ook de AR
constateert deze vooruitgang. Het verder verbeteren van het inkoopproces en de monitoring
op het inkoopproces moet ondersteund gaan worden door een verbeterd geautomatiseerd
proces voor zowel het kerndepartement als RWS. Na enige vertraging is nu de aanbesteding
voor het systeem gegund en kan gestart worden met het implementeren.
Daarbij wordt er ook gewezen op het feit dat IenW (samen met RWS) een van de hoogste
inkoopvolumes van de Rijksoverheid heeft, waardoor de onrechtmatige inkopen in perspectief
dienen te worden gezien.
Vraag 6
Heeft u een reden, verklaring of oorzaak gedeeld voor het relatief grote verschil
tussen het gevraagde budget en het toegekende budget wat betreft het hoofdwegennet?
Antwoord 6
Ja. Meermaals is met de Kamer gedeeld dat de landelijke investeringen in infrastructuur
de afgelopen decennia zijn gedaald van ruim boven de 2% van het BBP naar iets meer
dan 1% van het BBP. Meer recent is de Kamer in januari (Kamerstukken 36 800 A, nr. 19) en maart dit jaar (Kamerstukken 36 800 A, nr. 39) geïnformeerd over de grote financiële opgaven op het Mobiliteitsfonds en Deltafonds.
De beschikbare budgetten voor instandhouding in het Mobiliteits- en Deltafonds zijn
onvoldoende om de groeiende instandhoudingsopgave (en dan met name de vernieuwingsopgave)
te dekken. Dat geldt evenzeer voor noodzakelijke nieuwe aanleg. Daarnaast heeft het
Mobiliteitsfonds ten aanzien van het hoofdwegennet te maken met veel tegenvallers
en kostenstijgingen, zonder dat er vrije middelen beschikbaar zijn om deze op te vangen.
Tegelijkertijd zijn aanvullende, veelal kostbare beheersmaatregelen noodzakelijk om
de veiligheid van de netwerken te waarborgen. Hierdoor lopen gevraagd en toegekend
budget steeds verder uit elkaar. Om die reden werkt IenW momenteel aan een afweegkader
op fondsniveau zoals vermeld in de Kamerbrief Prioritering Mobiliteitsfonds en Deltafonds1. Voorafgaand aan het commissiedebat Strategische Keuzes Bereikbaarheid van 23 juni
ontvangt de Kamer een brief waarin een afweegkader voor de prioritering wordt gepresenteerd.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
R.A. Huizenga, voorzitter van de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat -
Mede ondertekenaar
M. Schukkink, griffier