Brief regering : Reactie op het position paper van Omgevingsdienst NL over de Actieagenda Industrie en Omwonenden
28 089 Gezondheid en milieu
Nr. 354
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 10 juni 2026
Op 8 april jl. heeft de vaste Kamercommissie voor Infrastructuur en Waterstaat mij
verzocht1 om een schriftelijke reactie op het position paper van Omgevingsdienst NL over de Actieagenda Industrie en Omwonenden2. Met deze brief ga ik in op dat verzoek. Daarbij is het goed om te vermelden dat
ik rond de zomer zelf ook met Omgevingsdienst NL in gesprek ga, onder meer over dit
position paper. Over dat gesprek zal ik de Kamer, zoals toegezegd3 tijdens het commissiedebat Leefomgeving van 2 april jl., na afloop informeren.
Allereerst wil ik benadrukken dat ik de betrokkenheid van Omgevingsdienst NL bij dit
onderwerp zeer op prijs stel. Dit onderwerp leeft en op veel plaatsen in Nederland
worden oplossingen gezocht om de balans tussen de industrie en een gezonde leefomgeving
te bewaken. Ook bij het verder uitwerken van de in de Kamerbrief van 19 december jl.
aangekondigde acties ervaar ik een positieve samenwerking met- en een proactieve houding
van de omgevingsdiensten in het algemeen en met Omgevingsdienst NL specifiek.
Ook zie ik de urgentie die Omgevingsdienst NL schetst in dit position paper. Het OvV
rapport trekt serieuze conclusies die serieuze aandacht verdienen. Tegelijkertijd
is zorgvuldigheid geboden. Zoals in het position paper van Omgevingsdienst NL al wordt
aangegeven, staat de industrie voor complexe mondiale ontwikkelingen. Daarom kondigt
de Kamerbrief van 19 december jl. pilots aan. Zo maken we lokaal al verschil, ontdekken
we wat écht werkt, en houden we rekening met uitvoerbaarheid en haalbaarheid. Dit
is onderdeel van goed en zorgvuldig beleid maken.
Tegelijkertijd weerspreek ik met klem de stelling dat er sinds het OVV-rapport geen
concrete maatregelen in beeld zouden zijn en dat «geen enkel positief milieu- of gezondheidseffect»
zou zijn gerealiseerd. Zoals weergegeven in (bijlage 1 bij) de Kamerbrief van 19 december
jl. zijn de afgelopen jaren tal van maatregelen getroffen om de gezondheid van omwonenden
van industrie beter te beschermen:
• Vanuit het Impulsprogramma Chemische Stoffen wordt gewerkt aan het versterken en verder
verduidelijken van het minimalisatiebeleid op het gebied van emissies van zeer zorgwekkende
stoffen (ZZS)4;
• Er is op verschillende manieren gewerkt aan de OvV aanbeveling om het voorzorgsprincipe
zwaarder te laten wegen in het systeem van chemische stoffen, onder andere door de
ontwikkeling van de Routekaart «Voorzorg Beter Toepassen»5.
• Bij het werken aan een circulaire en klimaatneutrale industrie in samenwerking met
het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, is ook gezondheidswinst geboekt,
bijvoorbeeld door de energiebesparingsplicht en de elektrificatieagenda en het beschikbaar
gestelde subsidie-instrumentarium, waaronder ook de maatwerkafspraken. Zo is er met
de maatwerkafspraak met Nobian per 2030 een reductie van 400 ton NOx naar lucht en 1,7 m3 watergebruik. In de maatwerkafspraak met Cosun gaat het om een reductie van 22ton
NOx en 42 ton NH3 naar lucht per 2030.
• De Grootschalige Concentratiekaarten 20256 en de jaarlijkse Monitoringsrapportage luchtkwaliteit 2025 van het RIVM laten zien
dat de luchtkwaliteit in 2024 dankzij beleid is verbeterd ten opzichte van 2023, en
dat dit past in de trend van de afgelopen jaren. De gemiddelde concentraties stikstofdioxide
in de lucht waren in 2024 ongeveer 2 procent lager dan in 2023. De gemiddelde concentraties
fijnstof met deeltjesgrootte PM10 waren ongeveer 4 procent lager. De gemiddelde concentraties
met deeltjesgrootte PM2,5 zijn ongeveer hetzelfde gebleven.
• Elke twee jaar wordt door het RIVM gemonitord of de doelen van het Schone Lucht Akkoord
binnen bereik liggen. Uit de laatste «voortgangsmeting», uit 20247, blijkt dat Nederland op koers ligt om de meeste doelen van het SLA te bereiken (met
uitzondering van enkele sectorspecifieke doelen).
• In de tussentijd is er ook veel kennis ontwikkeld. Niet in de laatste plaats met de
onderzoeken die gepubliceerd zijn met de Kamerbrief van 19 december jl. Hiernaast
is op 10 april 2026 de RIVM notitie «Input voor Kennisagenda Gezondheid omwonenden
van industrie» gepubliceerd, waarin het RIVM heeft onderzocht waar er nog kennis ontbreekt
om effectief beleid te maken en doelen te halen bij het (beter) beschermen van gezondheid
van omwonenden van industrie8. Deze kennis helpt bij het maken van effectief en doelmatig beleid.
Daarnaast werkt het Ministerie van IenW samen met stelselpartners om te komen tot
robuuste omgevingsdiensten, als onderdeel van het versterken van het VTH-stelsel.
Bestuurlijk is afgesproken dat de omgevingsdiensten op 1 april 2026 robuust zijn.
Momenteel vindt de monitoring van de robuustheid van de diensten plaats9.
De Omgevingsdienst NL pleiten voor een vijftal acties in hun positon paper. Ik wil
op deze acties hieronder kort in gaan:
• Duidelijke normstelling bij de implementatie van luchtnormen voor de industrie: Met
de inwerkingtreding van de nieuwe EU-richtlijn Industriële Emissies (RIE) veranderen
de uitstootnormen voor de industrie. De onderkant van de BBT-bandbreedte wordt de
norm, tenzij een bedrijf kan aantonen dat dat niet haalbaar is. Hiermee wordt het
uitgangspunt dat de in Nederland bij het Schone Lucht Akkoord (SLA) aangesloten partijen
al jaren hanteren nu ook de Europese norm, wat zorgt voor meer eenduidigheid en een
gelijker speelveld.
• Adequate normering voor verouderde installaties: Uit het onderzoek onder actie 4 «Beëindiging
verouderde installaties» dat gepubliceerd is met de Kamerbrief van 19 december jl.
blijkt dat het aanpassen van normering voor verouderde installaties specifiek relatief
weinig gezondheidswinst oplevert. Tevens geven de onderzoekers aan dat met de nieuwe
RIE, die in 2027 moet ingaan, het probleem van verouderde installaties al grotendeels
is opgelost. Bedrijven moeten onder de herziene richtlijn aan de onderkant (strengste
kant) van de BBT-bandbreedte vergund gaan worden. Indien bedrijven een soepelere vergunning
willen verkrijgen, moet dat bedrijf een analyse doen van de gehele BBT-bandbreedte
en aantonen waarom hun installatie niet aan de onderkant van BBT kan voldoen en waar
zij dan wel aan kunnen voldoen. In Europees verband heeft Nederland namens het vorige
Kabinet tijdens de onderhandelingen over de herziening van de RIE overigens ingezet
op het uitfaseren van verouderde installaties, maar daarvoor was geen draagvlak. In
het kader van de BREF-processen zal Nederland wederom inzetten op het uitfaseren en/of
moderniseren van verouderde installaties, zodat aan de nieuwe (strengere) normen kan
worden voldaan. Zoals aangekondigd in de Kamerbrief van 19 december jl. wordt in de
verkenning financiële prikkels onderzocht of het mogelijk is om het uitfaseren van
verouderde installaties te stimuleren. Ook wordt in die verkenning onderzocht of er
met het herbeoordelen van vergunningen vernieuwing kan worden gerealiseerd.
• Landelijke normstelling én aanpak voor PFAS van de reeds bestaande vervuiling: Zoals
op 29 december 2023 aan de Tweede Kamer is gemeld, is met de normering van PFAS in
de bodemregelgeving gewacht tot de nieuwe Europese regels (aanpassing Kaderrichtlijn
Water – Europese richtlijn 2026/805) zijn afgerond.10 Dit proces vraagt om een zorgvuldige afweging tussen beschermen van mens en milieu
en het voorkomen van het risico op stilstand, zoals Omgevingsdienst NL ook het position
paper noemt. Tot die tijd kunnen bevoegd gezagen gebruik maken van de advieswaarden
uit het Handelingskader PFAS. Voor de aanpak van de bestaande PFAS-vervuiling verwijs
ik u naar de Kamerbrief van 11 mei jl.11 Met de medeoverheden wordt een gezamenlijke aanpak ontwikkeld. Sinds 2026 ondersteunt
IenW, in lijn met een beslissing van het vorige Kabinet, de 12 provincies en 29 grote
gemeenten jaarlijks met 1,8 miljoen euro voor het invullen van een regionale regierol
wat betreft het in beeld brengen en aanpakken van bodemverontreiniging met PFAS. Ondertussen
worden al enkele locaties aangepakt. Dat gaat om de locaties met de hoogste prioriteit
die nu al in beeld zijn. Verwachting is dat de aanpak op meer locaties de komende
tijd zal starten. Om de medeoverheden ook financieel te ondersteunen bij de inventarisaties
en de aanpak is er een Tijdelijke regeling uitkering Bodem (SPUK Bodem). Sinds 2021
is er via de SPUK Bodem 91 miljoen euro uitgekeerd voor 105 aanvragen voor het in
beeld brengen en aanpakken van bodemverontreiniging met PFAS door daarvoor bevoegde
gemeenten en provincies. Dit jaar stel ik daar nog eens 46 miljoen euro voor beschikbaar.
Vanzelfsprekend wordt bij de aanpak gebruik gemaakt van eerdere ervaringen. Tot slot
is dit jaar het Kennis en Innovatieprogramma PFAS gestart. Daarmee stel ik de komende
vijf jaar jaarlijks 2,25 miljoen beschikbaar voor het verbeteren en in stand houden
wan netwerken, het delen van kennis en het ontwikkelen van innovatieve sanerings-
en afbraaktechnieken.
• Kaders hoe moet worden omgegaan met cumulatie van emissies en hinder door lokale overheden
bij opstellen van omgevingsplannen: Het onderzoek naar aanleiding van Motie Koekkoek
(Kamerstuk 28 089, nr. 292) en het onderzoek actie 13 die gepubliceerd zijn met de Kamerbrief van 19 december
jl. wijzen op het belang van het meewegen van advies van de GGD door lokale overheden
bij het opstellen van omgevingsplannen. Hierdoor kan onder andere cumulatie van verschillende
emissies en vormen van hinder in een vroeg stadium volwaardig meegewogen worden. Hoe
dit in de praktijk vorm kan krijgen, wordt onderzocht in de pilot GGD-advies. Onder
andere zal daarbij gekeken worden naar enkele representatieve, maar verschillende
casussen in Nederland.
• ZZS en vermijdings- en reductieprogramma’s (VRP): Op het gebied van vermijdings- en
reductieprogramma’s (VRP’s) wordt momenteel een handreiking opgesteld. De verwachting
is dat de handreiking najaar 2026 wordt opgeleverd. Hierin wordt meer duidelijkheid
gegeven over de verwachte inhoud en kwaliteit van de VRP’s.
Met de aangekondigde acties in de Kamerbrief van 19 december jl. gaan we nog verdere
stappen zetten richting de balans tussen de industrie en een gezonde leefomgeving.
Ik reken in dit proces op een voortzetting van de prettige samenwerking met de omgevingsdiensten
en Omgevingsdienst NL, hun kennis en inzet is een belangrijke bouwsteen om deze acties
een succes te maken.
De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat,
A.W.H. Bertram
Indieners
A.W.H. Bertram, staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat