Brief regering : Stand van zaken uitvoering wetsvoorstel aanpassing Regeling dienstverlening aan huis in het pgb
36 744 Wijziging van de Werkloosheidswet en enige andere wetten vanwege aanpassing van de Regeling dienstverlening aan huis (Wet aanpassing Regeling dienstverlening aan huis)
Nr. 45
BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANGDURIGE ZORG, JEUGD EN SPORT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 9 juni 2026
Op 30 maart 2023 oordeelde de Centrale Raad van Beroep1 (hierna Centrale Raad) dat pgb-zorgverleners die minder dan vier dagen per week werken
onder de huidige Regeling dienstverlening aan huis (Rdah) niet mogen worden uitgesloten
van de werknemersverzekeringen. Dit leidt tot ongeoorloofde ongelijke behandeling
van vrouwen oordeelde de Centrale Raad. Met het wetsvoorstel aanpassing Rdah geeft
de regering uitvoering aan de uitspraak van de Centrale Raad en wordt de rechtspositie
van de betreffende groep pgb-zorgverleners verbeterd.
Op 19 januari 2026 besprak uw Kamer dit wetsvoorstel met mijn voorganger en met de
voormalige Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW). Tijdens de behandeling
in uw Kamer is uitgebreid gesproken over het feit dat de uitvoering al per 1 januari
2026 van start is gegaan en tegelijkertijd de wetsbehandeling in het parlement nog
niet had plaatsgevonden. Gegeven mijn verantwoordelijkheid wil ik benadrukken dat
ik deze situatie als zeer ongemakkelijk ervaar en ik me er terdege van bewust ben
dat een dergelijke gang van zaken niet wenselijk is. Er is daarom, ook op verzoek
van uw Kamer, afgesproken om onderzoek te doen en lering te trekken uit het doorlopen
proces. In een separate brief, die u van de Minister van SZW mede namens mij ontvangt,
wordt u over de uitkomsten van dit onderzoek geïnformeerd.
Uw Kamer heeft naast de ongebruikelijke gang ook heel nadrukkelijk aandacht gevraagd
voor de gevolgen voor budgethouders. Ik herken dat het nauwkeurig volgen van de effecten
wenselijk is, zowel voor de budgethouders, hun zorgverleners als voor de pgb-uitvoerders.
In deze brief wil ik u, conform toezegging aan uw Kamer, een stand van zaken geven
ten aanzien van het wetsvoorstel en de effecten van het wetsvoorstel op de pgb-uitvoering.
Dit doe ik mede aan de hand van de moties en toezeggingen die gedaan zijn tijdens
het Wetgevingsoverleg van 19 januari 2026 jl. (Kamerstuk 36 744, nr. 44) en onder mijn verantwoordelijkheid vallen.
Algemeen
Het wetsvoorstel, zoals na behandeling met uw Kamer conform vastgestelde amendementen
is aangepast, is op dit moment in behandeling bij de Eerste Kamer. Zoals bekend wordt
er tegelijkertijd binnen het pgb al wel gewerkt volgens de regels die in het wetsvoorstel
zijn opgenomen. Vooruitlopend op goedkeuring van het parlement is door de regering
de wettelijke uitspraak opgevolgd. Om wetgeving en uitvoering hand in hand te laten
lopen is ook terugwerkende kracht aan het wetsvoorstel toegevoegd.
De uitvoeringspraktijk ben ik nauwgezet aan het volgen, samen met de verstrekkers,
Per Saldo en de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Allereerst is een werkwijze ingevoerd
die wezenlijk verschilt van de situatie van voor 2026. Zo worden in alle gevallen
nu de premieafdrachten voor werknemersverzekeringen via de SVB ingehouden. In beginsel
zien we in dit systeem van afdrachten tot nu toe geen noemenswaardige fouten.
Maar niet alleen het wennen aan nieuwe werkwijze is een belangrijk aspect in de uitvoering.
Ik heb ook signalen dat er budgethouders in de knel zijn gekomen of problemen hebben
ervaren met de nieuwe werkwijze. Ik heb hierover signalen ontvangen van de SVB, verstrekkers
en Per Saldo. Deze signalen komen bijvoorbeeld door fouten die gemaakt zijn in de
uitvoering rond tariefswijzigingen, of omdat onduidelijkheid bestond over compensatie.
Het uitgangspunt blijft dat ik samen met de pgb-keten er alles aan doe om onduidelijkheden
weg te nemen bij budgethouders en zorgverleners en tijdig de juiste stappen neem om
compensatie te bieden.
Daarom is er een signalenoverleg gestart. Bij dit overleg zijn verstrekkers (zorgkantoren,
VNG, en zorgverzekeraars), de SVB en Per Saldo betrokken. Hier bespreken we individuele
casussen en lossen we deze waar mogelijk proactief op. De signalen die mij vanuit
dit overleg bereiken, gaan met name over dit beslag op het budget, aanpassen van tarieven
en de zorgen die budgethouders daarbij hebben over de inkoop van voldoende zorg.
Compensatie
Omdat werknemersverzekeringen ongeveer 20% extra lasten voor een Rdah overeenkomst
met zich meebrengen, is een tijdelijke compensatie voor budgethouders toegezegd. Ik
heb uw Kamer daarbij toegezegd voor de zomer van dit jaar een terugkoppeling te geven
over de compensatieregeling per wet. Deze toezegging doe ik bij dezen gestand. Voor
alle wetten is het uitgangspunt dat de werkgeverslasten met gemiddeld twintig procent
toenemen. Daarom is de verwachting dat zorginkoop begint te knellen wanneer het jaar
voor tachtig procent voorbij is. Er is met de verstrekkers afgesproken dat tenminste
voor dit moment compensatie moet worden geboden.
Mogelijk zijn er ook budgethouders van wie het budget eerder in het jaar afloopt,
bijvoorbeeld omdat hun zorgvraag is toegenomen en ze sneller het budget op maken ten
opzichte van een eerder jaar. Zij worden misschien al sneller geconfronteerd met tekorten.
Wanneer deze situatie zich voordoet, wordt dit ook geagendeerd in het eerdergenoemde
signalenoverleg, waar naar een oplossing wordt gezocht.
Voor het Wlz-pgb is een wijziging van de Regeling langdurige zorg inmiddels gepubliceerd die het mogelijk
maakt dat zorgkantoren een compensatie geven aan de Wlz-budgethouders die geraakt
worden door dit wetsvoorstel. De extra premies worden nu vanuit het reguliere budget
betaald. De compensatie wordt in september, met terugwerkende kracht toegevoegd aan
de budgetten van budgethouders die voor 1 januari 2026 overeenkomsten onder de Rdah
hadden.
Budgethouders met een Wmo-pgb of een Jeugdwet-pgb ontvangen ondersteuning vanuit de gemeente die het pgb verstrekt. Hier geldt dat
gemeenten bepalen hoe deze ondersteuning aan budgethouders wordt vormgegeven. Gemeenten
hebben zicht op wat passend is voor de budgethouders. Daarbij bereiken mij wel signalen
van gemeenten die niet compenseren, of hiermee wachten totdat de wet in werking is
getreden. Deze signalen heeft uw Kamer ook al met mij gedeeld tijdens het wetgevingsoverleg.
Hierop heb ik toegezegd met gemeenten in gesprek te gaan. Dat doe ik – en blijf ik
doen. Tijdens overleggen op verschillende niveaus roep ik gemeenten op om snel over
te gaan tot compensatie. Dit doe ik in gesprekken met individuele gemeenten en met
de VNG. Er is volgens mij geen aanleiding voor gemeenten om te wachten om budgethouders
te helpen met de zorgcontinuïteit. Ook omdat al gewerkt wordt volgens de regels van
het wetsvoorstel en omdat gemeenten voor de compensatie een financiële bijdrage van
de rijksoverheid hebben ontvangen.
Als laatste werk ik intensief samen met zorgverzekeraars en de SVB om de laatste details
uit te werken voor een compensatie voor Zvw-pgb budgethouders. We hebben een werkwijze die overeenkomt met de compensatie zoals die
binnen de Wlz vorm wordt gegeven. Ook hier wordt compensatie van budgethouders in
september van dit jaar voorzien. Budgethouders om wie dit gaat, worden voor september
per brief geïnformeerd over de werkwijze. Dit gaat specifiek om Zvw-pgb budgethouders
die voor 1 januari 2026 bij de SVB bekend waren met een zorgovereenkomst onder de
regels van de Rdah.
Voor budgethouders die niet voor 1 januari 2026 bij de SVB bekend waren, zal het wetsvoorstel
op een later moment in werking treden. Dit sluit aan bij de ingediende nota van wijziging
bij het wetsvoorstel. Zij zullen vanaf dat moment worden gecompenseerd. Samen met
verzekeraars, de SVB en anderen doe ik mijn uiterste beste om deze groep zo goed mogelijk
in beeld te krijgen. Echter; omdat het klanten zijn van zorgverzekeraars die onder
eigen beheer contracten met zorgverleners afsluiten, is simpelweg niet duidelijk of,
en in welke mate hier sprake is van overeenkomsten die onder de Rdah vallen.
Daarnaast is het goed om uw Kamer te informeren over het volgende. Enkele Zvw-budgethouders
hebben zich na 1 januari 2026 bij de SVB gemeld. Deze groep valt formeel onder de
tijdelijke uitzondering op het wetsvoorstel. Tegelijk is het niet mogelijk om voor
deze budgethouders géén premieafdrachten in te houden omdat het systeem van de SVB
is ingericht op deze inhouding en dit niet uitgezet kan worden voor een klein aantal
budgethouders. Voor deze kleine groep budgethouders zorg ik voor een passende tegemoetkoming
zodat ook zij niet in de knel komen. Hiervoor maak ik een beleidsregel die deze tegemoetkoming
mogelijk maakt. Deze tegemoetkoming wil ik in september beschikbaar maken.
Vervolg
Ik blijf mij, samen met de Minister van SZW en andere betrokkenen, inzetten om de
invoering van het wetsvoorstel zo goed als mogelijk te laten verlopen voor budgethouders.
Dit doe ik door te monitoren, onder andere via het eerdergenoemde signalenoverleg.
Ook neem ik de oproepen uit uw Kamer zeer serieus. Ook voor mij staat voorop dat de
budgethouder door dit wetsvoorstel niet verstoken mag blijven van de zorg die nodig
is.
Daarbij is dit wetsvoorstel voor mij ook een duidelijk signaal van de ingewikkeldheid
die het werkgeverschap in het pgb met zich kan meebrengen. In dit publiek gefinancierde
domein, waar de juiste zorg op de juiste plek centraal staat, brengt het werkgeverschap
van budgethouders soms veel taken en verantwoordelijkheden met zich mee. Tegelijkertijd
blijf ik het ook belangrijk vinden dat zorgverleners met een arbeidsovereenkomst kunnen
terugvallen op de rechten die andere werknemers ook hebben. Dit in lijn met de uitspraak
van de Centrale Raad van Beroep van maart 2023.
Met dat dilemma, zijn de Minister van SZW en ik begonnen met de invulling van de motie
van lid Flach (Kamerstuk 36 744, nr. 43). Samen gaan we breed onderzoeken of en hoe een eenvoudiger regime voor budgethouders
vormgegeven kan worden. Dit met name op het gebied van werkgeverschap in het pgb.
Omdat hier veel verschillende wettelijke stelsels samenkomen, hebben we besloten dit
samen met ook andere ministeries op te pakken in de vorm van een breed onderzoek.
Doel daarbij is om de wettelijke stelsels daar waar ze botsen in kaart te brengen
en mogelijkheden te verkennen voor vereenvoudiging.
Als laatste wil ik terugkomen op de motie van lid Ceulemans (Kamerstuk 36 744, nr. 40). Met deze motie roept hij de regering op te borgen dat de gezondheidssituatie van
de budgethouder niet kan leiden tot een oordeel van «verwijtbaar handelen», waarmee
de budgethouder mogelijk zelf financieel aansprakelijk wordt. Ik kan, na overleg met
de pgb-uitvoerders, bevestigen dat de gezondheidssituatie van een budgethouder nooit
leidt tot een oordeel van verwijtbaar handelen.
Ik zet mij blijvend in voor budgethouders en hun zorgverleners en voor compensatie
van budgethouders die onder de reikwijdte van dit wetsvoorstel vallen. In situaties
waar het wetsvoorstel lijkt te knellen, pak ik deze samen met de pgb-keten op. Uiteraard
zal ik uw Kamer hierover blijven informeren.
De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, W.R.C. Sterk
Ondertekenaars
W.R.C. Sterk, minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport