Lijst van vragen en antwoorden : Lijst van vragen en antwoorden, gesteld aan de regering, over het rapport Resultaten verantwoordingsonderzoek 2025 bij het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Kamerstuk 36945-XVI-2)
36 945 XVI Jaarverslag en slotwet Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport 2025
Nr. 6
LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN
Vastgesteld 9 juni 2026
De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft een aantal vragen
voorgelegd aan de Ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Langdurige
Zorg, Jeugd en Sport over de brief van 20 mei 2026 inzake het rapport Resultaten verantwoordingsonderzoek
2025 bij het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Kamerstuk 36 945 XVI, nr. 2). De Ministers hebben deze vragen beantwoord bij brief van 9 juni 2026. Vragen en
antwoorden zijn hierna afgedrukt.
De voorzitter van de commissie, Mohandis
Adjunct-griffier van de commissie, Heller
Vraag 1
Hoe staat het met de halvering van de administratietijd in de zorg? hoeveel procent
minder administratietijd was er in 2025 dan in de jaren ervoor?
Antwoord 1
In het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) is afgesproken dat zorgprofessionals
in 2030 nog maximaal 20 procent van hun werktijd aan administratie besteden. De cijfers
van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) laten eind 2025 een lichte daling
zien. Zorgbreed besteedden zorgprofessionals eind 2025 gemiddeld ongeveer 30 procent
van hun werktijd aan administratie, terwijl het percentage vanaf 2019 tot voor de
zomer van 2025 schommelde tussen de 31 en 32 procent1:
Gemiddelde administratieve tijdsbesteding (in % van de werktijd)
2019
Q4
2021
Q2
2022
Q2
2023
Q2
2024
Q2
2024
Q4
2025
Q2
2025
Q4
31,0
30,6
30,9
31,8
31
30,8
31,1
30,1
Vraag 2
Kan per jaar worden aangegeven hoeveel procent administratietijd er voor zorgverleners
afgaat?
Antwoord 2
In het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) is afgesproken dat zorgprofessionals
in 2030 nog maximaal 20 procent van hun werktijd aan administratie besteden. Er zijn
geen tussenresultaten afgesproken in aanloop naar 2030. De meest recente monitoringscijfers
van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) laten zien dat zorgprofessionals
eind 2025 gemiddeld 30,1 procent van hun werktijd aan administratie besteedden. Het
kabinet constateert dat er dus nog een weg te gaan is om de doelstelling van maximaal
20 procent administratietijd in 2030 te behalen.
Er zijn geen streefcijfers per jaar afgesproken. Wel is het aannemelijk dat richting
2030 de administratietijd jaarlijks meer zal dalen omdat sommige acties een aanlooptijd
kennen. Een voorbeeld daarvan is het verminderen van de regeldruk door machtigingen
en aanvullende verklaringen en verschillen in inkoop- en verantwoordingseisen: er
is afgesproken dat branche- en beroepsverenigingen jaarlijks een lijst van 10 knellende
eisen en machtigingen aanleveren. Doordat er in de loop der jaren steeds meer eisen
en machtigingen zijn behandeld, zou de administratietijd van zorgprofessionals in
de loop van de jaren navenant moeten dalen.
Vraag 3
Wat is de geschatte impact van het niet in zicht zijn van de klimaat- en milieudoelen
op de gezondheid van Nederlanders?
Antwoord 3
Daar heeft het kabinet geen scenario’s van laten doorrekenen.
Het RIVM heeft wel verschillende studies gedaan naar de verwachte gezondheidseffecten
van het klimaatakkoord en het Schone Lucht Akkoord.2,
3, 4 Dat geeft een goed beeld van welke gezondheidseffecten bereikt kunnen worden als
het beleid goed wordt uitgevoerd.
Vraag 4
Wat is de geschatte impact van het niet in zicht zijn van de klimaat- en milieudoelen
op de zorgvraag en zorgkosten in Nederland?
Antwoord 4
Het kabinet heeft het RIVM opdracht gegeven om een voorstel te ontwikkelen voor een
monitoring van klimaatverandering, gezondheid en zorg. Daar kunnen voorstellen in
worden opgenomen die een beeld geven van de effecten van klimaatverandering op de
zorgvraag. Dat voorstel verwacht het kabinet aan het einde van het jaar van het RIVM
te ontvangen.
Vraag 5
Hoe groot schat u volgens de laatste inzichten de gezondheidsrisco’s voor omwonenden
in door het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen?
Antwoord 5
Het kabinet kan op basis van de huidige wetenschappelijke inzichten niet exact aangeven
hoe groot de gezondheidsrisico’s voor omwonenden door het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen
zijn. Het huidige Europese toelatingssysteem is gebaseerd op onafhankelijke wetenschappelijke
beoordeling en beoogt een hoog beschermingsniveau voor mens, dier en milieu. Gewasbeschermingsmiddelen
mogen alleen worden toegepast wanneer zij voldoen aan de Europese toelatingscriteria.
Tegelijkertijd bestaan er nog kennisvragen over onder meer langdurige blootstelling,
cumulatieve effecten en mogelijke neurologische effecten, zoals de ziekte van Parkinson.
Eerder onderzoek, waaronder het eerste Onderzoek Bestrijdingsmiddelen en Omwonenden
(OBO), liet zien dat blootstelling van omwonenden aan gewasbeschermingsmiddelen meetbaar
is, maar binnen de geldende normen bleef.
Om de kennis over mogelijke gezondheidseffecten verder te vergroten loopt momenteel
het meerjarige Onderzoek Bestrijdingsmiddelen en Omwonenden 2 (OBO-2) onder leiding
van het RIVM. Daarbij wordt gekeken naar mogelijke relaties tussen blootstelling aan
gewasbeschermingsmiddelen en onder andere de ziekte van Parkinson, leukemie bij kinderen,
lymfomen bij volwassenen, COPD en astma, cognitieve effecten bij kinderen en gezondheidsklachten
via huisartsgegevens. Daarnaast loopt het SPARK-onderzoek, waarin nieuwe testmethoden
worden ontwikkeld om mogelijke neurodegeneratieve effecten, waaronder effecten relevant
voor de ziekte van Parkinson, beter te kunnen beoordelen binnen de risicobeoordeling
van gewasbeschermingsmiddelen.
Het kabinet blijft inzetten op kennisontwikkeling, verbetering van beoordelingsmethodieken
en voortdurende actualisatie van risicobeoordelingen, zodat gezondheidsrisico’s zo
goed mogelijk kunnen worden beoordeeld en beperkt.
Vraag 6
Hoeveel zorgreservisten stonden er begin 2026 ingeschreven in de Nationale Zorgreserve?
Antwoord 6
In het eerste kwartaal van 2026 waren 5453 zorgreservisten ingeschreven bij de Nationale
Zorgreserve.
Vraag 7
Voor welke drie specifieke begrotingsartikelen (naast het totaalbedrag voor de agentschappen)
gaf de Algemene Rekenkamer een negatief oordeel?
Antwoord 7
Met het negatieve oordeel van de Algemene Rekenkamer wordt geduid op een overschrijding
van de tolerantiegrenzen.
Deze overschrijding zit voor het jaarverslag 2025 op de volgende drie artikelen:
– Artikel 3 Langdurige zorg en ondersteuning € 93,1 miljoen (verplichtingen).
– Artikel 10 Apparaatsuitgaven € 52,6 miljoen (verplichtingen).
– Artikel 2 Curatieve zorg € 64,9 miljoen (uitgaven en ontvangsten).
Op pagina 115 van het jaarverslag VWS 2025 is een toelichting gegeven over de oorzaak
van deze overschrijdingen. Deze luidt als volgt:
Artikel 3 – Verplichtingen
De overschrijding op dit artikel wordt veroorzaakt door een onzekerheid over de naleving
van de Europese staatssteunregels in een spoeddossier en de aanbestedingsregels in
een ander dossier (tezamen € 92 miljoen).
Artikel 10 – Verplichtingen
De overschrijding op dit artikel (Apparaat kerndepartement) wordt veroorzaakt door
het onrechtmatig afroepen van verplichtingen op rijksbrede mantelcontracten (ad. € 48
miljoen). Het overgrote deel (73%) van deze onrechtmatigheid wordt veroorzaakt door
één mantelcontract (overbrugging ad. € 35 miljoen).
Artikel 2 – Uitgaven
De overschrijding op dit artikel (Curatieve Zorg) wordt hoofdzakelijk veroorzaakt
door een te vroege betaling aan Pallas (ad. € 64 miljoen).
Vraag 8
Kunt u aangeven op welke wijze u bij de Hervormingsagenda Jeugd vaststelt of alle
maatregelen samen daadwerkelijk voldoende zijn om de jeugdzorg toegankelijker, beter
en financieel houdbaar te maken?
Antwoord 8
Met partijen wordt continu besproken of Rijk, VNG, gemeenten, regio’s, aanbieders
en andere partijen de afgesproken maatregelen uit de Hervormingsagenda en aanvullend
gemaakte afspraken uitvoeren.
Ook is met partijen een routekaart van de Hervormingsagenda opgesteld met een beperkte
set aan indicatoren om beter te volgen hoe de hoofdbewegingen van de Hervormingsagenda
zich ontwikkelen en waar nodig bij te sturen.
Daarnaast zijn in de Hervormingsagenda afspraken gemaakt om het inzicht in het functioneren
van het jeugdstelsel structureel te verbeteren met data en monitoring.
En als laatste brengt, begin 2027 een Deskundigencommissie opnieuw een zwaarwegend
en maatgevend advies uit over de uitvoering van de Hervormingsagenda en de aanvullende
afspraken die daaromtrent zijn gemaakt, waarbij ook gekeken wordt naar de uitgavenontwikkeling.
Vraag 9
Is het aantal van 5.000 zorgreservisten toereikend of moet er meer worden geworven?
Waarom is de inzet hiervan niet getest? Hoe wordt geëvalueerd dat dit systeem naar
behoren werkt?
Antwoord 9
Het aantal van circa 5.000 zorgreservisten is in 2023 vastgesteld op basis van ervaringen
uit de coronacrisis en de te verwachten behoefte aan extra zorgcapaciteit tijdens
grootschalige crisissituaties. Stichting Extra Samen, die op dit moment de opdracht
heeft om de Nationale Zorgreserve (NZR) te beheren, onderzoekt momenteel of 5.000
reservisten daarin voorzien. Het huidige zorgreservistenbestand bestaat uit zorgprofessionals
die op basis van vrijwilligheid inzetbaar zijn. De daadwerkelijke inzetbaarheid van
zorgreservisten tijdens een crisis is nog niet in de praktijk getoetst.
Vraag 10
Wanneer wordt de interne controleur voor Pallas aangesteld?
Antwoord 10
Momenteel wordt gewerkt aan de verdere uitwerking van de aanbevelingen van de Auditdienst
Rijk (ADR), waaronder de inrichting van de Eigenstandige Control Functie. Hieraan
wordt ook door de Algemene Rekenkamer gerefereerd in haar Verantwoordingsonderzoek
VWS 2025 (pagina 57 en 58).
In deze uitwerking wordt bezien hoe en wanneer deze functie het beste kan worden ingevuld
binnen de bestaande governance- en controlstructuur van VWS en het PALLAS-nieuwbouwprogramma.
De Kamer wordt hierover geïnformeerd in de volgende voortgangsrapportage.
Vraag 11
Op welke manieren wordt er concreet samengewerkt met de andere ministeries, zoals
toegezegd door de Minister in het tweeminutendebat Pallas op 3 maart 2026.
Antwoord 11
Zoals eerder aangegeven maakt het Ministerie van VWS bij de governance van het PALLAS-nieuwbouwprogramma
gebruik van de kennis en ervaring die bij andere ministeries aanwezig is. Voorbeelden
hiervan zijn het Ministerie van Financiën (staatsdeelnemingen), Infrastructuur en
Waterstaat (grote projecten) en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (grote projecten).
Daarnaast wordt met de Ministeries van Economische Zaken en Klimaat, Infrastructuur
en Waterstaat alsmede Financiën samengewerkt door het delen van kennis en ervaringen
op nucleair gebied.
Vraag 12
Welke twee hardnekkige problemen in de bedrijfsvoering, die al jaren speelden, zijn
in 2025 opgelost?
Antwoord 12
Het inkoop- en subsidiebeheer zijn de opgeloste onvolkomenheden in 2025.
Vraag 13
Naar welk aantal kan het arbeidsmarkttekort in de zorg volgens prognoses oplopen in
het jaar 2035?
Antwoord 13
In 2035 wordt een tekort geraamd van bijna 301 duizend werkenden in het beleidsarme
Referentiescenario (bron: Prognosemodel Zorg en Welzijn).
Vraag 14
Wat is volgens u het oordeel van de Algemene Rekenkamer over de aanwezigheid van een
interne controleur bij de bouw van de Pallas-reactor?
Antwoord 14
De Algemene Rekenkamer heeft, in lijn met de aanbevelingen van de Auditdienst Rijk
(ADR), aandacht gevraagd voor de verdere versterking en explicitering van de onafhankelijke
controlfunctie binnen het PALLAS-nieuwbouwprogramma. Het kabinet neemt deze aanbevelingen
serieus en werkt momenteel aan een zorgvuldige uitwerking hiervan binnen de bestaande
governance- en controlstructuur van VWS en het programma.
Bij de uitwerking wordt nadrukkelijk gekeken naar een inrichting die past bij de aard,
omvang en complexiteit van het PALLAS-nieuwbouwprogramma en die aansluit op de reeds aanwezige vormen van toezicht, onafhankelijke
toetsing en verantwoording van het programma, waaronder die van VWS en haar technisch
adviseur op het programma, de interne check and balances binnen VWS (directie Financieel-Economische
Zaken en de Auditcommissie), de ADR in het kader Regeling Grote Projecten en de Algemene
Rekenkamer.
Daarbij merkt het kabinet op dat het PALLAS-nieuwbouwprogramma een groot, complex
en langdurig nucleair programma blijft, waarbij risico’s op het gebied van planning,
marktontwikkeling, vergunningverlening en uitvoering inherent zijn aan het programma.
Goede governance en onafhankelijke toetsing zijn daarbij essentieel voor tijdige signalering,
beheersing en transparante verantwoording van risico’s. De daadwerkelijke beheersing
van deze risico’s ligt echter primair bij NRG PALLAS B.V. en de uitvoering van het
bouwprogramma zelf. Aanvullende governance- en controlmaatregelen vanuit VWS kunnen
bijdragen aan betere monitoring, toetsing en escalatie, maar vervangen niet de verantwoordelijkheid
van de onderneming voor de uitvoering en beheersing van het programma.
Vraag 15
Welke onderzoeken lopen er nu of zijn al afgerond waarmee de kosten en baten van preventie
wel goed in beeld gebracht kunnen worden? En op welke manieren worden deze onderzoeken
nu al toegepast? Welke mogelijkheden zijn daar nog voor waar deze nog niet worden
toegepast?
Antwoord 15
− Er is geen totaaloverzicht van alle onderzoeken naar de kosten en baten van preventie.
Er zijn wel diverse studies en rapporten beschikbaar van het RIVM, kennisinstituten
en universiteiten gericht op bijv. leefstijlinterventies, vaccinaties, valpreventie,
rookpreventie en gezondheidsbevordering. Ook zijn maatschappelijke kosten-batenanalyses
uitgevoerd voor preventieve maatregelen op terreinen zoals overgewicht, roken en infectieziektebestrijding.
− In 2025 is de richtlijn «Passend bewijs preventie» opgesteld, die handvatten biedt
om de effectiviteit en maatschappelijke waarde van preventieve interventies beter
en consistenter in beeld te brengen. Deze richtlijn ondersteunt beleidsmakers, onderzoekers
en uitvoerders bij het beoordelen welk type bewijs passend is voor preventieve maatregelen,
ook wanneer klassieke gerandomiseerde studies niet of minder goed uitvoerbaar zijn.
− De uitkomsten van deze onderzoeken worden gebruikt bij de onderbouwing van preventieprogramma’s,
het Gezond en Actief Leven Akkoord (GALA), vaccinatiebeleid en leefstijlbeleid. Ook
gemeenten, GGD’en en zorgpartijen gebruiken deze informatie voor het maken van preventiebeleid.
− Tegelijkertijd kan de beschikbare kennis beter worden benut. Effecten van preventie
worden vaak pas op lange termijn zichtbaar en kosten en baten vallen geregeld bij
verschillende partijen. Daardoor zijn onderzoeksuitkomsten niet altijd eenvoudig te
vertalen naar beleids- en financieringsbesluiten. Het Investeringsmodel voor preventie
wordt ontwikkeld om beter inzicht te geven in de verhouding tussen investeringen en
maatschappelijke opbrengsten, ook buiten het domein waarin wordt geïnvesteerd. Daarmee
beoogt het model een meer integrale afweging van preventieve maatregelen te ondersteunen.
− Ook zal met regelmaat een horizonscan worden uitgevoerd om een themagericht overzicht
te geven van potentieel veelbelovende preventiemaatregelen die nog niet in heel Nederland
zijn ingevoerd.
Vraag 16
Welke concrete indicatoren gebruikt u om vast te stellen of het Integraal Zorgakkoord
(IZA), Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) en het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg
(HLO) voldoende bijdragen aan toekomstbestendige zorg?
Antwoord 16
Het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg (HLO) bouwt voort op een beweging die al langer
in de ouderenzorg gaande is en wordt ondersteund door het programma Wonen, Ondersteuning
en Zorg voor Ouderen (WOZO). Daarom heeft het kabinet het RIVM gevraagd de monitoring
van deze bredere beweging, die onder het WOZO is gestart, ook binnen het HLO te continueren.
Deze monitor met ongeveer 32 indicatoren geeft een bredere weergave van de beweging
in de maatschappij richting toekomstbestendige zorg. De meest recente versie van de
monitor is in december jl. aan de Kamer verzonden (Kamerstuk 29 389, nr. 162).
De monitoring van het IZA bestaat uit drie onderdelen. De 1) voortgangsrapportage,
2) de cruciale veranderingen «beweging» in het veld en 3) het effect van de IZA-afspraken
voor de gezondheid van verschillende doelgroepen inwoners en patiënten. Met het monitoren
van de beweging willen de IZA-partijen en het kabinet zicht krijgen op de cruciale
veranderingen in de zorg. Bij deze monitor ligt de focus op wat inspanningen (output)
vanuit het IZA opleveren en in hoeverre deze inspanningen ons gezamenlijk dichter
bij onze (lange-termijn) doelen brengen van het IZA. Het Nivel, RIVM en Zorginstituut
Nederland hebben de opdracht gekregen om vanuit hun rol als kennisinstituut deelmonitors
te ontwikkelen bestaande uit een breed palet van indicatoren die aansluiten bij de
cruciale veranderingen, zoals meer hybride/digitale zorg en meer regionale samenwerking.
Vorig jaar heeft de Tweede Kamer de 1 meting ontvangen (Kamerstuk 31 765, nr. 941), later dit jaar ontvangt de Tweede Kamer de 2-meting, inclusief toelichting over
de monitoring van het AZWA (Kamerstuk 31 765, nr. 976).
Vraag 17
Hoeveel ziektelast per jaar in Nederland is te herleiden naar de luchtvervuiling,
en wat betekent dat voor de zorguitgaven?
Antwoord 17
Volgens berekeningen van het RIVM veroorzaakt luchtverontreiniging ongeveer 3,4% van
de ziektelast in Nederland5.
Het RIVM heeft becijferd dat in 2016 mensen in Nederland gemiddeld 8 maanden korter
leefden als gevolg van luchtvervuiling.6
Het kabinet heeft geen cijfers over de betekenis hiervan voor de zorguitgaven. Zoals
wordt toegelicht in de antwoorden op vraag 20 en 21 neemt de Staatssecretaris van
Infrastructuur en Waterstaat verschillende maatregelen om de luchtvervuiling terug
te dringen.
Vraag 18
Hoeveel vroegtijdige sterfgevallen en chronisch zieken (zoals mensen met astma, COPD
of hart- en vaatziekten) zijn er in de meest recente gegevens per jaar in Nederland
(direct) te herleiden naar de huidige concentraties fijnstof?
Antwoord 18
Het RIVM presenteert op zijn website cijfers die te herleiden zijn tot onderzoek uit
2015.7 Die zijn echter niet direct te relateren aan de huidige concentraties fijnstof. Voor
het becijferen van gezondheidseffecten wordt daar overigens niet alleen naar fijnstof
gekeken, maar naar de combinatie van fijnstof en stikstofdioxiden, omdat mensen zelden
alleen het een of het ander inademen.
Het is wetenschappelijk moeilijk aan te tonen dat individuele ziektegevallen en overlijdens
direct te herleiden zijn tot luchtvervuiling.
Vraag 19
Welke extra gezondheidsrisico’s lopen specifieke risicogroepen (zoals kinderen, ouderen
en longpatiënten) in gebieden met een relatief hoge fijnstofconcentratie ten opzichte
van het landelijk gemiddelde?
Antwoord 19
Op locaties met hogere concentraties fijnstof zijn er bovengemiddelde negatieve gezondheidseffecten.
Dat geldt ook voor de gevoelige groepen die daar verblijven, bijvoorbeeld omdat bestaande
aandoeningen verergeren en fijnstof een negatief effect heeft op de ontwikkeling van
onder andere de longblaasjes. Dat levert niet zozeer extra gezondheidsrisico’s op,
maar de gezondheidsrisico’s zijn er wel groter.
Aandoeningen die een oorzakelijk verband hebben met fijnstof zijn hart- en vaatziekten,
vaatvernauwing, verhoogde bloedstolling, verhoogde hartslag, longkanker, chronische
obstructieve longziekte (COPD), vermindering van de longfunctie, verergering (en ontstaan)
van astma (vooral bij kinderen) en toename van luchtwegklachten zoals piepen, hoesten
en kortademigheid. Ook is er een oorzakelijk verband met verkorting van de levensduur.8
Vraag 20
In hoeverre wijken de huidige Nederlandse wettelijke waarden voor fijnstof af van
de meest recente adviesrichtlijnen van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), en op
welke termijn verwacht u dat Nederland volledig aan deze WHO-richtlijnen kan voldoen?
Antwoord 20
De luchtkwaliteitsnormen in Nederland worden in Europese richtlijnen bepaald. Op dit
moment zijn de normen voor PM10 40 µg/m³ en voor PM2,5 (de kleinere fractie van fijnstof)
25 µg/m³. De Europese richtlijn is onlangs herzien. Vanaf 2030 gelden er daardoor
nieuwe normen voor fijnstof, namelijk 20 µg/m³ voor PM10 en 10 µg/m³ voor PM2,5.
De WHO-advieswaarden zijn 15 µg/m³ voor PM10 en 5 µg/m³ voor PM2,5. De Europese normen
liggen dus hoger dan de WHO-advieswaarden. Nederland heeft samen met Europa het doel
om in 2050 aan de WHO-advieswaarden te voldoen. Dat is onderdeel van het Zero Pollution
Action Plan. Dat valt onder de verantwoordelijkheid van de Staatssecretaris van Infrastructuur
en Waterstaat.
Vraag 21
Welke concrete tussendoelen heeft u gesteld voor de komende jaren om de gezondheidsschade
door luchtvervuiling (waaronder fijnstof) zo veel mogelijk te minimaliseren?
Antwoord 21
Het beleid voor luchtkwaliteit is een verantwoordelijkheid van de Staatssecretaris
van Infrastructuur en Waterstaat.
De Staatssecretaris heeft als doel gesteld om in 2030 50 procent gezondheidswinst
te realiseren ten opzichte van 2016 door de emissies van binnenlandse bronnen van
luchtvervuiling aan te pakken. Dit is het hoofddoel van het Schone Lucht Akkoord,
waarnaar het kabinet ook verwezen heeft in het regeerakkoord. De Staatssecretaris
kijkt momenteel of er ook aanvullende inzet nodig is om de normen van de nieuwe EU-richtlijn
luchtkwaliteit te halen vanaf 2030. Nadat er aan de nieuwe normen wordt voldaan, moeten
lidstaten van de EU ook een blijvende verbetering laten zien op weg naar zero pollution
in 2050.
Vraag 22
Wat was de totale omvang van de uitgaven van het Ministerie van VWS in 2025?
Antwoord 22
In 2025 bedroeg de totale omvang van de uitgaven op grond van de artikelen in de begroting
van het Ministerie van VWS € 34,8 miljard.
Vraag 23
Wat was de belangrijkste reden voor de grote verschuiving van uitgaven van artikel
2 en 3 naar artikel 8?
Antwoord 23
Het betreft hier de verplaatsing van de Rijksbijdragen. De middelen op dit artikelonderdeel
stonden voorheen op artikel 2 en 3. Ze zijn verplaatst naar artikel 8 omdat de aard
en de omvang van de Rijksbijdragen aan het Zorgverzekeringsfonds en het Fonds langdurige
zorg het beeld op artikel 2 en 3 vertroebelden. De Rijksbijdragen zijn namelijk geen
comptabele uitgaven, maar betreffen in de begroting een administratieve weergave van
financiering van de zorg. Amenderen op deze posten heeft geen zin omdat de totale
uitgaven daarmee niet veranderen. De zorgtoeslag is onderdeel van het inkomstenkader
en betreft daarom ook geen comptabele uitgaven. Door de overheveling van de Rijksbijdragen
naar artikel 8 zijn alle niet-comptabele uitgaven in één artikel samengebracht.
Vraag 24
Kan worden toegelicht hoeveel minder geneesmiddelentekorten er afgelopen jaar waren?
Antwoord 24
Er is niet één definitie van een geneesmiddelentekort en er zijn verschillende bronnen
die data over de beschikbaarheid van geneesmiddelen bijhouden en rapporteren. Om deze
vraag zo volledig mogelijk te beantwoorden, wordt een tekort dat is gemeld bij KNMP
Farmanco als uitgangspunt genomen voor de beantwoording van deze vraag.9
KNMP Farmanco – de brancheorganisatie van apothekers – publiceert al ruim 20 jaar
cijfers over geneesmiddelentekorten. Uit deze cijfers blijkt dat het aantal gemelde
geneesmiddelentekorten in Nederland in 2025 is gedaald: in 2025 zijn er ruim 1.100
tekorten gemeld, in 2024 ruim 1.500.10 Ondanks deze daling, ondervond nog steeds bijna één op de drie medicijngebruikers
– circa 3,5 miljoen Nederlanders – de gevolgen van tekorten.
Vraag 25
Kunt u toelichten waarom de gerealiseerde uitgaven op artikel 5 Jeugd zijn gedaald
van € 216 miljoen in 2024 naar € 175 miljoen in 2025, en welke concrete onderdelen
van het jeugdzorgbeleid hierdoor minder of later zijn uitgevoerd?
Antwoord 25
Het verschil van € 41 miljoen t.o.v. 2025, wordt voornamelijk veroorzaakt doordat
er in 2024 incidentele middelen ad. € 29,6 miljoen vanuit het gemeentefonds beschikbaar
zijn gesteld voor de SPUK niet beoogde jeugdzorgkosten vanwege verblijf en € 5,4 miljoen
voor de subsidieregeling continuïteit cruciale jeugdzorg. Het gaat dus respectievelijk
om jeugdhulp en gelden om liquiditeitsproblemen tijdelijk te overbruggen zodat de
continuïteit van de meest cruciale vormen van jeugdzorg gewaarborgd is. Het resterende
verschil van € 6 miljoen betreft diverse (interdepartementale) overboekingen en mutaties
in het kader van zorg voor de jeugd.
Vraag 26
Kunt u uitsplitsen waaruit het verschil van € 41 miljoen lagere uitgaven op artikel
5 Jeugd precies bestaat, uitgesplitst naar onder meer jeugdhulp, jeugdbescherming,
gesloten jeugdhulp en overige jeugdregelingen?
Antwoord 26
Het verschil van € 41 miljoen t.o.v. 2025, wordt voornamelijk veroorzaakt doordat
er in 2024 incidentele middelen ad. € 29,6 miljoen vanuit het gemeentefonds beschikbaar
zijn gesteld voor de SPUK niet beoogde jeugdzorgkosten vanwege verblijf en € 5,4 miljoen
voor de subsidieregeling continuïteit cruciale jeugdzorg. Het gaat dus respectievelijk
om jeugdhulp en gelden om liquiditeitsproblemen tijdelijk te overbruggen zodat de
continuïteit van de meest cruciale vormen van jeugdzorg gewaarborgd is. Het resterende
verschil van € 6 miljoen betreft diverse (interdepartementale)overboekingen en mutaties
in het kader van zorg voor de jeugd.
Vraag 27
Welke aanbeveling doet de Algemene Rekenkamer om de praktische inzetbaarheid van zorgreservisten
tijdens een crisis beter te kunnen inschatten?
Antwoord 27
De aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer om de praktische inzetbaarheid van zorgreservisten
tijdens een crisis beter te kunnen inschatten zijn als volgt:
1) voer een crisisoefening uit in de praktijk. Betrek hierbij zowel zorgreservisten,
zorgmedewerkers als zorgorganisaties;
2) maak afspraken met de Nationale Zorgreserve zodat deze de Minister informatie geeft
over de voorbereidingen van zorgorganisaties op de inzet van reservisten.
Vraag 28
Wanneer verwacht u wél te kunnen beoordelen of de gezamenlijke maatregelen uit IZA
en AZWA voldoende zijn om de zorg toegankelijk en betaalbaar te houden?
Antwoord 28
Het borgen van betaalbaarheid en toegankelijkheid van de zorg is een brede opgave,
waar veel van het beleid van VWS op is gericht. De zorgakkoorden zijn hier een belangrijk
onderdeel van, maar niet het enige. Zo heeft het kabinet ook in de beleidsbrief Volksgezondheid,
Welzijn en Sport toegelicht hoe ook wet- en regelgeving wordt gebruikt ter ondersteuning
van de nodige transformatie naar passende zorg (Kamerstuk 36 800 XVI, nr. 191).
De resultaten van de zorgakkoorden zijn in zoverre al positief, dat we in de praktijk
talloze mooie stappen zien richting betere samenwerking tussen verschillende sectoren
in welzijn en zorg, zoals bijvoorbeeld tussen het sociaal domein en de eerstelijnszorg.
Door het hele land wordt hard gewerkt aan het opschalen van goede voorbeelden, zoals
het verkennend gesprek, waarbij mensen met psychische klachten die ook andere problemen
hebben als schulden of eenzaamheid, samen met hulpverleners uit het sociaal domein
en de geestelijke gezondheidszorg (ggz) bepalen wat hen het beste helpt. Of denk aan
een ingreep als de tweezijdige staaroperatie, waardoor patiënten minder vaak naar
het ziekenhuis hoeven en sneller herstellen. Deze en andere goede voorbeelden tonen
de waarde van de akkoorden.
Vanzelfsprekend heeft het tijd nodig om deze goede ontwikkelingen in de praktijk ook
daadwerkelijk te zien in de cijfers. Afgelopen jaar is een eerste referentiejaar opgeleverd
van het IZA, de 1-meting van de beweging van het IZA (Kamerstuk 31 765, nr. 941). In de 2-meting zal er meer duiding worden gegeven over trends die dan meer zichtbaar
worden, het kabinet zal zoals eerder aangegeven de Tweede Kamer hier later dit jaar
over informeren (Kamerstuk 31 765, nr. 976).
Vraag 29
Hoe gaat invulling worden gegeven aan het advies voor het scheppen van de juiste randvoorwaarden
om de arbeidsmarkt en het opleidingsstelsel binnen de zorg goed te laten functioneren?
Antwoord 29
Zoals ook in de kabinetsreactie op de periodieke rapportage arbeidsmarkt- en opleidingsbeleid
zorg en welzijn uiteengezet11, wordt in lijn met het AZWA samen met de partijen ingezet op de randvoorwaarden voor
het verstevigen van de lerende omgeving in de sector zorg en welzijn. Onderdeel hiervan
is komen tot structurele bekostiging van opleiden en scholing. Te beginnen bij de
middelen voor scholing en opleiden in de medisch-specialistische sector (MSZ) en in
de wijkverpleging en de aanvullende middelen die tot 2035 beschikbaar worden gesteld
voor opleiding en scholing daar waar de tekorten het grootst zijn (buiten het ziekenhuis).
Het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor de reguliere bij- en nascholingsactiviteiten
geheel (terug) bij de werkgevers wordt gelegd en dat deze activiteiten bekostigd moeten
worden vanuit de eigen middelen van zorginstellingen. Dat kan betekenen dat kosten
voor deze activiteiten betrokken dienen te worden in de contractonderhandelingen tussen
zorgaanbieders en zorgverzekeraars. Voor wat betreft de strategische opleidingsactiviteiten,
zoals de middelen voor tekortsectoren, wordt een instrumentarium overwogen dat past
bij een zorgbrede aanpak waarbij de uitvoering komt te liggen bij de gezamenlijke
werkgevers. De plannen worden op dit moment uitgewerkt en er zal over de voortgang
in Q4 van dit jaar nader worden geïnformeerd.
In het AZWA is ook afgesproken om de samenwerking tussen zorg, welzijn en onderwijs
te verstevigen, zoals rond vernieuwend en flexibel opleiden. Een voorbeeld hiervan
is de meerjarige subsidie voor de activiteiten van het College Zorgopleidingen (CZO).
Het CZO heeft in nauwe afstemming met opleiders en werkgevers zo’n 35 zorgopleidingen
flexibel en modulair ingericht. Andere cruciale randvoorwaarden zijn inzicht in regionale
verschillen en toekomstige capaciteitsbehoeften. In het onderzoeksprogramma Arbeidsmarkt
Zorg en Welzijn (AZW) werken arbeidsmarktfondsen in zorg en welzijn en het Ministerie
van VWS samen met als doel om betrouwbare, onafhankelijke informatie te bieden over
de arbeidsmarkt. De komende tijd wordt er in gesprek met arbeidsmarktfondsen over
een vervolg van het programma per 2028 gepraat.
Vraag 30
Waar zijn de hogere ontvangsten sport heen gevloeid?
Antwoord 30
In 2025 is de realisatie op de ontvangsten € 83,1 miljoen hoger uitgevallen dan de
oorspronkelijke raming.
Hiervan is een bedrag van € 33,0 miljoen ingezet voor de financiële afwikkeling op
de vaststellingen van de SPUK Stimulering Sport 2023.
Daarnaast zijn in 2025 door vaststellingen en afrekeningen op diverse regelingen incidenteel
hogere ontvangsten van € 50,1 miljoen gerealiseerd op artikel 6. Dit betreft onder
andere de SPUK Meerkosten Energie Openbare Zwembaden (MEOZ), de Tegemoetkoming Amateur
Sport Organisaties (TASO), de regeling voor topsportcompetities en -evenementen (STIK)
en de Stimulering Sport. De hogere ontvangsten zijn een financiële meevaller voor
de rijksfinanciën.
Vraag 31
Wat is de conclusie van de Algemene Rekenkamer over het huidige fraudebeleid van het
Ministerie van VWS?
Antwoord 31
De Algemene Rekenkamer geeft aan dat om frauderisico’s te identificeren en passende
maatregelen te treffen, een fraudebeleid noodzakelijk is. En dat de Minister van VWS
geen fraudebeleid heeft.
In het jaarverslag VWS 2025 op pagina 120/121 staat het volgende opgenomen,
Interne fraude en corruptie is een standaard aandachtsgebied binnen de verschillende
financiële stromen binnen VWS. Begin 2025 zijn voor de belangrijkste financiële stromen
(subsidies, specifieke uitkeringen, inkoop en financiële administratie) zogenaamde
interne controleplannen opgesteld. Deze plannen zijn opgesteld aan de hand van een
«control framework», dit is een raamwerk waarin de belangrijkste processtappen/ risico’s
en interne beheersingsmaatregelen zijn uitgewerkt. In december 2025 zijn deze «control
frameworks» herijkt in een tweedaagse risico-sessie. De belangrijkste financiële instrumenten
zijn besproken evenals enkele generieke risico’s waaronder interne fraude, M&O en
staatssteun.
Binnen VWS is er sprake van een integriteitsbeleid waar interne fraude een onderdeel
van is, ook is er al enkele jaren een meldpunt ingericht waar anoniem een melding
gedaan kan worden van vermoedens van interne fraude. De samenhang van alle maatregelen
die door VWS reeds bestaan worden in 2026 opgenomen in een fraudebeleid.
Vraag 32
Welk percentage van de onderzochte nieuwe wet- en regelgeving had geen of slechts
een gedeeltelijke uitvoeringstoets?
Antwoord 32
Uit het onderzoek naar 33 voorstellen van wet- en regelgeving op het terrein van VWS
blijkt dat bij 70% alle verwachte uitvoeringstoetsen zijn gedaan. Bij 21% zijn uitvoeringstoetsen
gedeeltelijk gedaan en bij 9% zijn geen uitvoeringstoetsen gedaan. Daarmee had in
totaal 30% van de onderzochte nieuwe wet- en regelgeving geen of slechts een gedeeltelijke
uitvoeringstoets. VWS onderkent het belang van uitvoeringstoetsen voor de beoordeling
van de uitvoerbaarheid van nieuwe wet- en regelgeving en neemt dit aandachtspunt mee
bij de verdere voorbereiding van beleid en regelgeving.
Vraag 33
Hoeveel fte aan personele capaciteit is volgens de onderzochte uitvoeringstoetsen
in totaal structureel nodig voor de nieuwe plannen?
Antwoord 33
Uit de door de Algemene Rekenkamer onderzochte uitvoeringstoetsen komt naar voren
dat in totaal 20 fte structureel en 112 fte incidenteel nodig is voor de implementatie
en uitvoering van nieuwe plannen uit de 33 onderzochte wetsvoorstellen en AMvB’s.
Daarbij merkt VWS op dat niet alle uitvoeringstoetsen een kwantitatieve uitspraak
bevatten over personele gevolgen. Het genoemde totaal geeft daarom weer welke personele
capaciteit uit de onderzochte uitvoeringstoetsen naar voren komt voor zover deze daarin
is opgenomen.
VWS onderschrijft het belang dat personele gevolgen bij nieuwe wet- en regelgeving
tijdig, volledig en navolgbaar in beeld worden gebracht. VWS neemt dit aandachtspunt
mee bij de verdere voorbereiding en uitwerking van nieuwe wet- en regelgeving en bij
de verbetering van het gebruik van uitvoeringstoetsen.
Vraag 34
Welke nieuwe functie is in 2025 ingericht om de verbinding tussen de financiële en
de beleidskant van het ministerie te verbeteren?
Antwoord 34
De nieuw ingerichte functie is DG-controller. De functie van DG-controller ondersteunt
de directeuren-generaal (DG’s) binnen VWS. Deze functionarissen zijn geplaats binnen
de directie Financieel-Economische Zaken (FEZ). In het jaarverslag 2025 van VWS is
op pagina 122 het volgende toegelicht:
Eind 2024 en begin 2025 is de herinrichting van de financiële functie afgerond. Doel
was om een versterking door te voeren voor de mensen die werkzaam zijn binnen het
domein van financiën en control. Het ging hier zowel om een reorganisatie van de directie
Financieel-Economische Zaken (FEZ) als een kwantitatieve als kwalitatieve versterking
van de financiële medewerkers binnen de overige directies van VWS. Voor de zomer 2025
is de ADR gevraagd om een eerste evaluatie uit te voeren naar de belangrijkste aspecten
van deze versterking: 1) de introductie van de functie van DG Controller, 2) het beter
in positie brengen van de verschillende rollen bij de directies, onder andere door
het aanvullen van de financiële administratieve capaciteit en 3) de uitbreiding van
capaciteit en de verandering van rollen bij de directie FEZ. De uitkomsten van dit
onderzoek worden in het tweede kwartaal van 2026 verwacht en aan de Kamer gestuurd.
De uitkomsten van het onderzoek zullen worden gebruikt om de financiële functie nog
verder te versterken.
Vraag 35
In hoeverre stijgen de wachttijden in de specialistische zorg polikliniek?
Antwoord 35
De website www.staatvenz.nl bevat grafieken met de wachttijden voor medisch specialistische zorg voor polikliniek
bezoek12. Er is een trend zichtbaar dat het percentage wachtenden op een polikliniek bezoek
dat langer wacht dan de Treeknorm stijgt vanaf 2013–2014.
Vraag 36
Waarom en met hoeveel neemt het ziekteverzuim onder zorgmedewerkers toe?
Antwoord 36
Het ziekteverzuim is gestegen naar 8,2% in Q1 2026. Dat is vrij stabiel ten opzichte
van Q1 2025 (8,1%) en Q1 2024 (7,8%). In Q1 2019, de periode voor corona was het verzuim
6,1%.
Welke factoren meespelen bij de toename van verzuim is niet exact aan te geven.
Vraag 37
Hoeveel stijgt het aantal vacatures per 1.000 banen?
Antwoord 37
Het aantal vacatures per 1.000 banen, ook wel de vacaturegraad genoemd, lag in het
4e kwartaal van 2025 op 41. In het 4e kwartaal van 2024 was de vacaturegraad 42. Deze is dus iets gedaald (bron: CBS, AZW
StatLine).
Vraag 38
Wat verklaart de afname van het aantal gezonde levensjaren voor zowel mannen als vrouwen?
Antwoord 38
In het jaarverslag 2025 wordt verwezen naar een tabel gebaseerd op cijfers uit de
Staat van Volksgezondheid en Zorg van het RIVM over de levensverwachting en jaren
in goed ervaren gezondheid in de periode 1980–2024.13De absolute cijfers van de afgelopen jaren laten voor zowel mannen als vrouwen kleine
fluctuaties zien. De trends zijn echter niet statistisch getoetst, dus volgens het
RIVM kan niet geconcludeerd worden dat sprake is van een afname van het aantal gezonde
levensjaren.
Vraag 39
Kunt u aangeven of de constatering dat de Minister niet alle relevante uitvoerders
om een uitvoeringstoets vraagt en dat bij 30% van de onderzochte VWS-wet- en regelgeving
één of meer uitvoeringstoetsen ontbreken, ook geldt voor wet- en regelgeving op het
terrein van jeugdzorg, waaronder de Hervormingsagenda Jeugd en de Wet verbetering
beschikbaarheid jeugdzorg?
Antwoord 39
De Algemene Rekenkamer heeft voor VWS 33 wetten en algemene maatregelen van bestuur
onderzocht uit de periode september 2024 tot en met september 2025. De constatering
dat bij 30% daarvan één of meer uitvoeringstoetsen ontbreken, ziet op de onderzochte
VWS-wet- en regelgeving als geheel.
Het rapport bevat geen afzonderlijke uitsplitsing waaruit blijkt dat deze constatering
specifiek betrekking heeft op wet- en regelgeving op het terrein van jeugdzorg.
Voor het jeugdstelsel geldt dat gemeenten sinds 1 januari 2015 bestuurlijk en financieel
verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de Jeugdwet. De Ministers van VWS en
JenV zijn verantwoordelijk voor het gedecentraliseerde stelsel van jeugdhulp, waaronder
het wettelijk kader.
De Hervormingsagenda Jeugd is geen afzonderlijke wet of algemene maatregel van bestuur,
maar bevat afspraken en maatregelen gericht op verbetering van het jeugdstelsel. Voor
zover maatregelen uit de Hervormingsagenda Jeugd worden uitgewerkt in wet- of regelgeving,
wordt per traject beoordeeld welke uitvoeringstoetsen of andere vormen van uitvoeringsinformatie
nodig zijn.
De Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg is in 2025 aangenomen door de Eerste
Kamer en treedt per 1 januari 2026 deels in werking.
VWS blijft bij de verdere uitwerking en implementatie van jeugd gerelateerde wet-
en regelgeving aandacht houden voor de betrokkenheid van relevante uitvoerende en
toezichthoudende partijen, zodat uitvoerbaarheid, handhaafbaarheid en personele gevolgen
tijdig worden betrokken.
Vraag 40
Kunt u aangeven of bij recente wet- en regelgeving rond jeugdzorg structureel is getoetst
hoeveel extra personeel nodig is voor gemeenten, jeugdzorgregio’s, jeugdbeschermingsorganisaties,
lokale teams en aanbieders, en zo ja, wat daaruit is gebleken?
Antwoord 40
Bij het tot stand brengen van een voorstel voor nieuwe wet- of regelgeving wordt rekening
gehouden met de krapte op de arbeidsmarkt. Om te bepalen of het voorstel proportioneel
is, wordt de regeldruk die met de nieuwe regels gepaard gaat onderzocht. Hierbij wordt
onder meer per voorstel in kaart gebracht hoeveel tijd de nieuwe regels in de praktijk
kosten en welke kosten dit met zich meebrengt. Het voorstel wordt zo nodig aangepast
en in de toelichting bij het voorstel worden de gevolgen voor de regeldruk toegelicht.
Ieder voorstel wordt daarnaast voorgelegd aan het Adviescollege toetsing regeldruk,
ook wordt er door de VNG vaak een uitvoeringstoets gedaan en worden nieuwe voorstellen
geconsulteerd bij partijen in het veld. De precieze regeldrukgevolgen verschillen
per voorstel, daar is geen algemeen beeld van.
Vraag 41
Kunt u een overzicht geven van alle Jeugdzorg-gerelateerde wetten, Algemene Maatregelen
van Bestuur (AMvB’s) en beleidsmaatregelen uit de periode september 2024 tot en met
september 2025, waarbij een uitvoeringstoets is gedaan, gedeeltelijk is gedaan of
ontbreekt?
Antwoord 41
Binnen het jeugddomein waren in de periode september 2024 tot en met september 2025
de volgende trajecten relevant:
• de Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg,
• de verdere uitwerking van maatregelen uit de Hervormingsagenda Jeugd,
• het wetsvoorstel reikwijdte en de transformatie van de gesloten jeugdhulp.
Daarbij geldt dat niet elk traject dezelfde juridische vorm of hetzelfde stadium heeft.
De Hervormingsagenda Jeugd is geen afzonderlijke wet of AMvB, maar bevat afspraken
en maatregelen die waar nodig in afzonderlijke wet- en regelgeving worden uitgewerkt.
Voor afzonderlijke wetgevings- en beleidstrajecten wordt beoordeeld welke uitvoeringstoets
of andere uitvoeringsinformatie nodig is.
VWS betrekt daarbij de relevante uitvoerende en toezichthoudende partijen waar dat
nodig is voor de beoordeling van uitvoerbaarheid, handhaafbaarheid en personele gevolgen.
Vraag 42
Kunt u toelichten hoe u het risico van een ontbrekende uitvoeringstoets ondervangt
bij de uitvoering van de Hervormingsagenda Jeugd?
Antwoord 42
De Hervormingsagenda Jeugd bestaat uit (vele) verschillende onderdelen en afspraken.
Deze onderdelen vormen een samenhangende geheel, maar is niet als geheel te toetsen
in één uitvoeringstoets. Daarvoor is het simpelweg een teveel omvattend geheel.
Op verschillende onderdelen worden waar nodig wel degelijk uitvoeringstoetsen gedaan.
Zo is er op de Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg in overleg met de VNG een
uitvoeringsscan uitgevoerd. En wordt er voor het aankomend wetsvoorstel Reikwijdte
Jeugdwet ook met een uitvoeringstoets rekening gehouden.
Er is intensief contact met de VNG over de uitvoering van de Hervormingsagenda, onder
andere via de gezamenlijke stuurgroep.
Vraag 43
Kunt u aangeven bij welke Jeugdzorgmaatregelen de uitvoeringstoets geen of onvoldoende
informatie bevatte over personele gevolgen, en hoe de Kamer dan toch kan beoordelen
of deze maatregelen uitvoerbaar zijn?
Antwoord 43
De Algemene Rekenkamer constateert dat in een deel van de onderzochte VWS-uitvoeringstoetsen
informatie over personele gevolgen ontbreekt of onvoldoende navolgbaar is. Deze constatering
ziet op de onderzochte VWS-wet- en regelgeving als geheel.
Het rapport bevat geen afzonderlijke uitsplitsing waaruit blijkt bij welke specifieke
jeugdzorgmaatregelen de uitvoeringstoets geen of onvoldoende informatie bevatte over
personele gevolgen.
VWS onderschrijft wel het belang dat uitvoeringsgevolgen, waaronder personele gevolgen,
tijdig en navolgbaar in beeld worden gebracht.
De uitvoerbaarheid van jeugdmaatregelen wordt niet uitsluitend beoordeeld aan de hand
van een uitvoeringstoets. Afhankelijk van de aard en fase van het traject betrekt
VWS ook andere uitvoeringsinformatie, zoals signalen van uitvoerende partijen, toezichthouders,
gemeenten en andere betrokken partijen.
Bij de verdere uitwerking van jeugd gerelateerde wet- en regelgeving blijft VWS erop
toezien dat relevante uitvoeringsaspecten, waaronder uitvoerbaarheid, handhaafbaarheid
en personele gevolgen, tijdig worden betrokken.
Vraag 44
Op welk bedrag wordt de totale investering voor de Pallas-reactor in 2025 geraamd?
Antwoord 44
De prognose eindstand van het PALLAS-nieuwbouwprogramma conform baseline 9 bedraagt
per 31 december 2025 in totaal € 2,529 miljoen (P50-waarde, prijspeil 2025). NRG PALLAS
B.V. heeft de totale financieringsbehoefte lager vastgesteld dan de prognose eindstand
vanwege een pakket besparingsmaatregelen dat onderdeel is van baseline 9. Deze heeft
een omvang van € 2,473 miljoen (prijspeil 2025) en is daarmee € 56 miljoen lager dan
de prognose eindstand.
Vraag 45
Wat is de reden dat de Algemene Rekenkamer de verlenging van het Valys-contract voor
vervoer als een financiële fout van € 70 miljoen aanmerkt?
Antwoord 45
De Algemene Rekenkamer geeft aan dat zij van mening is dat sprake is van een fout
in de naleving van de Europese aanbestedingsregels omdat alle verlengingsopties uit
het Valys-contract waren gelicht. Het Valys-contract bevatte echter ook een zogenaamde
continuïteitsgarantie. VWS heeft hiervan gebruik gemaakt, gezien de ernstige gevolgen
voor mensen met een beperking als deze vervoersvorm niet gecontinueerd zou worden.
Dit betekende dat de vervoerders op grond van het Valys-contract op verzoek van VWS
1 jaar langer het Valys-vervoer moeten voortzetten teneinde de continuïteit van het
Valys-vervoer te waarborgen.
Vraag 46
Hoe kan het zo zijn dat er € 20 miljoen is komen te vrijgevallen bij passende zorg,
terwijl dit kabinet als ambitie heeft om de beweging richting passende zorg te maken?
Antwoord 46
De middelen die voor 2025 waren gereserveerd voor passende zorg, waren grotendeels
beoogd voor een subsidieprogramma ten behoeve van onderzoek: het Kaderprogramma Passende
Zorg. Dit programma zou oorspronkelijk eind 2024 van start gaan. De voorbereidingen
voor het opstarten van dit programma hebben echter meer tijd in beslag genomen dan
voorzien. Begin Q2 2025 is het programma officieel goedgekeurd en is ZonMw gestart
met de uitvoering. Om het programma in het juiste ritme te zetten is een deel van
het geld, € 39 miljoen doorgeschoven naar latere jaren, zodat de beweging richting
passende zorg onverkort kan worden doorgezet. Doordat er vertraging was met het opzetten
van het onderzoek, werd de implementatie ook vertraagd. Een ander deel van het beschikbare
budget, € 20 miljoen euro, is daarom niet benut en viel in dat jaar vrij.
Vraag 47
Waarom is het aantal wanbetalers zorgverzekering toegenomen?
Antwoord 47
De afgelopen 12 jaar is het aantal verzekerden in de regeling betalingsachterstand
zorgpremie (BAZ-regeling) gedaald van ca. 325.000 eind 2014 tot ca. 195.000 op dit
moment. Deze daling is voornamelijk het gevolg van de inspanningen van zorgverzekeraars
(betalingsregelingen op maat) en de genomen beleidsmaatregelen. Zie hiervoor ook het
onderstaande figuur. Er is vanaf 2021 een lichte stijging te zien van het aantal verzekerden
in de BAZ-regeling. Er zijn hiervoor geen duidelijk redenen aan te wijzen. Er zijn
verschillende variabelen te onderkennen, zoals de stand van de economie en trends
in betaalgedrag.
Vraag 48
Waarom uit de Algemene Rekenkamer volgens u haar zorgen over de afbouw van het budget
voor pandemische paraatheid?
Antwoord 48
In haar rapport zegt de Algemene Rekenkamer dat ambities, doel, middelen en resultaat
voor weerbare zorg bij elkaar moeten passen. Hier sluit het kabinet zich bij aan.
We moeten daarbij in gedachten houden dat de uitdagingen in de bredere context van
de zorg groot zijn en dat we elke euro maar één keer uit kunnen geven. In dat kader
is bezien wat er echt essentieel is om de kern van de maatregelen pandemische paraatheid
in stand te houden (met de lessen uit de coronacrisis in gedachten) en om de basisnoodzorg
te kunnen borgen. Met het pakket van € 177 miljoen repareren we de bezuiniging op
het voormalige beleidsprogramma pandemische paraatheid tot het niveau dat ambities,
doel, middelen en resultaat bij elkaar passen. De Kamer wordt, zoals reeds toegezegd,
in het najaar geïnformeerd over de inzet voor de komende jaren op het infectieziektebeleid.14
Vraag 49
Waarom wordt het actieplan «Nederland beweegt» niet voortgezet, gezien de conclusie
dat stimuleren van bewegen in Nederland een structurele, langdurige aanpak vereist?
Antwoord 49
Op 23 april 2026 is de Tweede Kamer per een brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2025/26,
30 234, nr. 439) over de tweede voortgangsrapportage van het RIVM over het Actieplan Nederland Beweegt.
Deze evaluatie geeft aan dat er met dit programma de afgelopen tweeënhalf jaar een
impuls is gegeven voor het beweegbeleid, maar ook dat er nog meer kan worden bereikt
met een blijvende inzet. Het RIVM adviseert de ingeslagen weg door te zetten na afronding
van het Actieplan. Voor 2027 is nog eenmalig € 2,2 miljoen beschikbaar voor inzet
op bewegen.
Tegelijkertijd, met het oog op «de gezondste generatie ooit» willen wij als kabinet
sport en bewegen in het dagelijks leven stimuleren, voor mensen met en zonder handicap.
Dit betekent toegankelijke sport-, beweeg- en speelmogelijkheden, dichtbij, slim georganiseerd
en veilig. Daarom oriënteert het kabinet zich de komende maanden, samen met maatschappelijke
partners, hoe we de inzet op bewegen vormgeven deze kabinetsperiode. In het najaar
2026 zal de Tweede Kamer hierover geïnformeerd worden.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
M. Mohandis, voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport -
Mede ondertekenaar
M. Heller, adjunct-griffier