Lijst van vragen en antwoorden : Lijst van vragen en antwoorden inzake het HGIS-jaarverslag 2025 (Homogene Groep Internationale Samenwerking) (Kamerstuk 36801-3)
36 801 Homogene Groep Internationale samenwerking 2026 (HGIS-nota 2026)
Nr. 4
LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN
Vastgesteld 9 juni 2026
De vaste commissie voor Buitenlandse Zaken heeft een aantal vragen voorgelegd aan
de Minister van Buitenlandse Zaken over de brief van de Minister 20 mei 2026 inzake
het Jaarverslag 2025 Homogene Groep Internationale Samenwerking (36 801, nr. 1).
De vragen zijn op 27 mei 2026 aan de Minister van Buitenlandse Zaken voorgelegd. Bij
brief van 9 juni 2026 zijn de vragen beantwoord.
De voorzitter van de commissie, Klaver
De griffier van de commissie, Westerhoff
1
Op welke wijze gebruikt Nederland het staatsaandeelhouderschap in de Nederlandse Financierings-Maatschappij
voor Ontwikkelingslanden (FMO) om invloed uit te oefenen op de vraag in welke landen
en regio’s wel of niet geïnvesteerd wordt door de ontwikkelingsbank?
Antwoord
In de Criterianota, als onderdeel van de overeenkomst tussen FMO en de Staat, getekend
door het Ministerie van Financiën als aandeelhouder en het Ministerie van Buitenlandse
Zaken als beleidsverantwoordelijk ministerie, zijn diverse afspraken vastgelegd waarmee
de Staat invloed uitoefent op de landenkeuze van FMO. De Criterianota legt onder andere
vast dat FMO 70% van haar portfolio investeert in lage-inkomenslanden en lagere-middeninkomenslanden.
Daarnaast is vastgelegd dat FMO niet mag investeren in landen die onderhevig zijn
aan relevante sanctieregimes.
2
Wat is de verwachting voor het Europese Unie (EU)-gemiddelde voor Official Development
Assistance (ODA), uitgedrukt in een percentage van het bruto binnenlands product (BBP)
of het bruto nationaal inkomen (BNI) voor de komende jaren en hoe verhoudt de Nederlandse
ODA-prestatie zich in die periode tot die van andere Europese lidstaten?
Antwoord
Een verwachting voor het Europese Unie (EU)-gemiddelde voor Official Development Assistance
(ODA) als percentage van het bbp of bni voor de komende jaren is niet beschikbaar
aangezien de meeste EU-landen geen geschat ODA-percentage bekendmaken.
In 2025 was Nederland met een ODA-prestatie van 0,58% de vierde grootste donor binnen
de EU en bedroeg de gezamenlijke EU ODA-prestatie 0,44% van het EU bruto nationaal
inkomen1.
3
Welke specifieke inspanningen en diplomatieke acties heeft Nederland in 2025 verricht
om Amerikaanse sancties tegen het Internationaal Strafhof (ISH) te voorkomen of te
beperken en welke kosten waren hiermee gemoeid?
Antwoord
In 2025 heeft Nederland zich als gastland en verdragspartij actief ingezet om het
functioneren van het Internationaal Strafhof (ISH) te ondersteunen op verschillende
manieren:
• Het aankaarten van de impact van sancties in het reguliere overleg en het bespreken
van mogelijke mitigatiemaatregelen;
• Het organiseren van informatiesessies voor medewerkers van het Strafhof over sancties
en organiseerde bijeenkomsten met andere verdragspartijen om de diplomatieke acties
ter ondersteuning van het Hof en de te nemen mitigatiemaatregelen te coördineren;
• Het organiseren van gesprekken met Nederlandse (potentiële) dienstverleners aan het
Hof;
• Het uitspreken van zorgen bij vrijwel elke mogelijke gelegenheid over deze sancties
besproken met de relevante Amerikaanse gesprekspartners, waaronder Minister van Buitenlandse
Zaken Rubio;
• Het aanjagen van verschillende gesprekken en bijeenkomsten in EU- en ASP-verband over
mogelijke maatregelen om de gevolgen van sancties te mitigeren;
• In de RBZ en JBZ meermaals aandacht vragen voor de VS sancties en wijzen op mogelijke
mitigerende maatregelen op EU-niveau.
De kosten die gemoeid waren met deze inzet bestaan met name uit reiskosten en representatiekosten
voor het organiseren van coördinatiebijeenkomsten.
4
Waarom is er zoveel minder dan begroot uitgegeven aan nationale veiligheid en terrorismebestrijding
door het Ministerie van Justitie en Veiligheid?
Antwoord
De realisatie op het HGIS-budget voor de nationale veiligheid en terrorismebestrijding
is EUR 39,3 mln. lager uitgevallen dan begroot in 2025. Dit komt doordat geoormerkte
bedragen voor de accountability Oekraïne (EUR 13 mln.) en een deel van het budget
voor de NAVO-top (EUR 5,7 mln.) niet tot besteding zijn gekomen. De inzet ten behoeve
van accountability Oekraïne was in 2025 in budgettaire zin nog in de opbouwfase waardoor
de middelen nog niet nodig waren. Het budget voor de NAVO-top betrof een reservering
voor eventuele onvoorziene kosten die niet volledig uitgeput is. Ook is er EUR 20,5
mln. voor de NAVO-top technisch herschikt van artikel 36 (Nationale veiligheid en
terrorismebestrijding) naar artikel 31 (Politie).
5
Wat is de achtergrond van de structurele verlaging van het budget voor crisisbeheersingsorganisaties?
Antwoord
Het budget voor crisisbeheersingsoperaties is bedoeld om de verdragsmatig verplichte
Nederlandse bijdragen aan VN-vredesmissies te voldoen. De laatste jaren bleek het
gereserveerde budget ruim voldoende om aan deze betaalverplichting te voldoen. De
VN heeft bovendien een structurele budgetverlaging doorgevoerd voor vredesmissies
en de VN-vredesmissie MINUSMA werd in 2024 afgerond.
6
Waarom is er gekozen voor twee of zelfs drie verschillende programma’s gericht op
Suriname en in hoeverre is overwogen deze programma’s samen te voegen?
Antwoord
Er zijn drie verschillende soorten fondsen beschikbaar voor Suriname:
1. Bij de onafhankelijkheid van Suriname in 1975 is ontwikkelingsgeld toegekend (Verdragsmiddelen),
omgerekend t.w.v. EUR 1,58 miljard. Om meerdere redenen liep de besteding van deze
middelen de afgelopen 50 jaar meerdere malen vertraging op. De middelen zijn zo goed
als uitgeput; er resteert slechts een klein gedeelte. Deze middelen zijn vastgelegd
in een verdrag met Suriname; van samenvoeging kan dus geen sprake zijn.
2. Na de excuses van de Nederlandse regering voor het handelen van de Nederlandse staat
inzake het slavernijverleden in 2022, is een fonds ingesteld van EUR 200 mln voor
kennen, herdenken en verwerken slavernijverleden. Het fonds is evenredig verdeeld
tussen Nederland, het Caribisch deel van het Koninkrijk en Suriname. Voor Suriname
is EUR 33,3 mln. beschikbaar voor een subsidieprogramma voor maatschappelijke initiatieven
en EUR 33,3 mln. voor beleidsintensiveringen vanuit de overheid.
3. In 2025 is bovendien besloten, op basis van een positieve evaluatie, het succesvolle
samenwerkingsprogramma Makandra te continueren met een nieuwe bijdrage van EUR 10 miljoen
voor de periode 2026–2030. Dit programma ziet op technische assistentie en kennisuitwisseling
op voor Suriname en Nederland prioritaire terreinen. Denk bijvoorbeeld aan samenwerking
tussen de polities, douanes en belastingdiensten, zoals onder het eerste Makandra-programma
(2021–2025).
Samenvoeging van deze drie programma’s is niet mogelijk vanwege enerzijds de verschillende
grondslagen (verdragsmiddelen, overheidssamenwerking, subsidieregeling en beleidsinitiatieven)
en anderzijds de verschillende doelstellingen (sociaaleconomische ontwikkeling Suriname,
kennisuitwisseling en capaciteitsversterking op prioritaire terreinen, opvolging excuses
slavernijverleden). Uiteraard wordt in de uitvoering zoveel mogelijk gezocht naar
synergie en het voorkomen van overlap.
7
Hoe komt het dat de kosten voor consulaire bijstand en consulaire informatiesystemen
onverwacht hoger uitvielen?
Antwoord
De uitgaven voor consulaire bijstand zijn niet hoger maar lager uitgevallen dan begroot.
Dit budget is wel verhoogd in de tweede suppletoire begroting vanwege verwachte extra
kosten voor consulaire bijstand en ondersteuning bij vertrek tijdens de crisis in
het Midden-Oosten. De realisatie is uiteindelijk lager uitgevallen, mede omdat een
deel van de uitgaven pas in 2026 is gedaan.
De hogere uitgaven voor consulaire informatiesystemen hingen met name samen met de
vertraagde uitrol van het nieuwe visumsysteem. Dit systeem is inmiddels uitgerold.
8
Aan welke programma’s en organisaties in Soedan heeft Nederland in 2025 ruim € zes
miljoen uitgegeven ten behoeve van de veiligheid en stabiliteit aldaar?
Antwoord
De grootste bijdrage ging in 2025 naar het kantoor van de Hoge Commissaris ven de
Mensenrechten (OHCHR) dat schendingen van mensenrechten en het humanitair oorlogsrecht
documenteert, aangevuld met steun aan een INGO die ondersteuning biedt aan lokale
organisaties om bewijzen van dergelijke schendingen te documenteren conform standaarden
van het Internationaal Strafhof.
Ook steunde Nederland in 2025 het werk van Radio Dabanga, dat onafhankelijke en betrouwbare
informatie over o.a. de politieke en humanitaire toestand in Soedan, en het programma
van het Nederlands Instituut voor Meerpartijendemocratie (NIMD) gericht op het versterken
van de politieke participatie van jongeren.
Kleinere bijdragen gingen naar programma’s op het gebied van vredesopbouw, conflictbemiddeling
en veiligheid voor mensen en gemeenschappen. Gericht op dialoog en herstel, sociale
cohesie en het tegengaan van desinformatie en hate speech. Humanitair droeg Nederland, naast de budgetten voor de humanitaire organisaties,
ook bij aan de versterking van de organisatiecapaciteit van Emergency Response Rooms, om de lokale respons te versterken.
9
Aan welke programma’s en organisaties in Somalië heeft Nederland in 2025 ruim € twaalf miljoen
uitgegeven ten aanzien van de veiligheid en stabiliteit aldaar?
Antwoord
De grootste bijdrage ging naar het «Somalia Joint Fund», dat door het VN programma voor ontwikkeling (UNDP) beheerd wordt. Dit fonds beoogt
o.a. rechtstaatsontwikkeling, versterking van lokaal bestuur en sociaaleconomische
ontwikkeling. Ook steunt Nederland het International Development Law Organization (IDLO) met een toegang-tot-rechtprogramma, met aandacht voor seksueel gerelateerd
geweld en steun voor minderheidsgroepen. Op het vlak van ondersteuning van politieke
processen draagt Nederland bij aan een door het VK geleid stabilisatieprogramma genaamd
«Somalia Stability Fund».
Verder ging budget naar het programma van de International Cooperation Agency of the Association of Netherlands Municipalities (VNGi), dat zich richt op goed bestuur en het verbeteren van rampenparaatheid op
gemeenteniveau. Andere kleinere bijdragen gingen naar o.a. «Oxfam Novib» voor lokale
initiatieven gericht op wederopbouw en naar «Accountability Lab» voor het versterken van de transparantie van de lokale overheid.
10
Waar Nederland aan cofinanciering doet ten aanzien van internationale klimaatfinanciering,
tracht Nederland dan op gelijke voet met private investeerders te profiteren van eventueel
te behalen rendement?
Antwoord
Bij cofinanciering voor het mobiliseren van private investeringen neemt Nederland
nooit dezelfde positie in als de private investeerders. De inzet heeft tot doel investeringen
mogelijk te maken die commercieel nog niet tot stand komen. Binnen deze instrumenten
wordt daarom doorgaans een positie ingenomen, waarbij eventuele verliezen als eerste
worden opgevangen (first loss), of er worden subsidies verstrekt voor het ontwikkelingen van projecten of technische
ondersteuning.
11
Is het Nederlandse beleid inzake cofinanciering erop gericht waar mogelijk een aandelenbelang
te verkrijgen in bedrijven of projecten waarin wordt geïnvesteerd? Zo nee, waarom
niet? Zo ja, in welke gevallen gebeurt dit?
Antwoord
Nee, de Nederlandse staat verkrijgt via cofinanciering voor klimaat nooit een direct
aandeel in bedrijven of projecten. Door uitvoeringspartners beheerde fondsen waaraan
door het Ministerie van Buitenlandse Zaken middelen zijn toegekend kunnen wel investeren
in aandelenbelang als dit past binnen de met het ministerie overeengekomen investeringsstrategie.
Een voorbeeld hiervan is de Waterfaciliteit van het Dutch Fund for Climate and Development dat investeringen doet in waterinfrastructuur. Voor dit type investeringen is het
tijdelijk verkrijgen van een aandelenbelang essentieel.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
J.F. Klaver, voorzitter van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken -
Mede ondertekenaar
A.W. Westerhoff, griffier