Brief regering : Voortgang gezond en veilig werken
25 883 Arbeidsomstandigheden
Nr. 549
BRIEF VAN DE MINISTER VAN WERK EN PARTICIPATIE
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 8 juni 2026
Als Minister van Werk en Participatie wil ik dat zoveel mogelijk mensen aan het werk
gaan, zijn en blijven. Hiervoor is effectief beleid op verschillende terreinen noodzakelijk.
Op het terrein van arbeidsomstandigheden vraagt dit om de juiste balans tussen de
bescherming van werkenden enerzijds en de werkbaarheid van dit beleid voor ondernemers
anderzijds.
Het investeren in arbeidsomstandigheden bespaart werkenden veel persoonlijk leed en
werkgevers en de maatschappij veel kosten. Een gezonde en veilige werkomgeving zorgt
voor tevreden medewerkers met een hogere productiviteit en draagt bij aan een positief
bedrijfsimago. Daarnaast leidt het tot minder verzuim en een lager verloop van werkenden.
Ook voorkomt het ziekte na pensionering.
Zeker in tijden als deze met veel arbeidsmarktkrapte, is een beperking van uitval
en verzuim belangrijk. Dit kabinet zet daarom het streven naar een trendbreuk in het
aantal zieken en doden door werk door. Deze ambitie is in 2023 uitgewerkt in «de Arbovisie
2040: De trend gekeerd. Samenwerken aan een gezond en veilig werkend Nederland» (hierna:
Arbovisie 2040).1
In deze brief ga ik allereerst in op de voortgang van de Arbovisie 2040. De volgende
thema’s komen daarbij aan bod:
– introduceren van financiële prikkels voor werkgevers om preventie te verbeteren (paragraaf
1.1);
– verbeteren van de beschikbaarheid en kwaliteit van de risico-inventarisatie en -evaluatie
(hierna: RI&E) (paragraaf 1.2);
– inrichten van de kennisinfrastructuur over arbeidsomstandigheden met het actieprogramma
Arbo Actief (paragraaf 1.3);
– borgen van ketenverantwoordelijkheid van opdrachtgevers met specifieke aandacht voor
kwetsbare werkenden en zzp’ers (paragraaf 1.4).
Deze onderwerpen zijn direct na het verschijnen van de Arbovisie 2040 en de Kabinetsreactie
op het eerste SER-advies over de Arbovisie 20402 in 2023 opgepakt. Zoals aangekondigd in de kabinetsreactie op het tweede SER-advies3 is in 2025 gestart met de uitwerking van enkele andere thema’s die tot de Arbovisie
2040 behoren. Daarbij gaat het om de volgende thema’s:
– arbeidsgerelateerde zorg en preventie (paragraaf 1.5.);
– start Expertbureau Blootstelling aan Stoffen op het Werk (paragraaf 1.6);
– betrokkenheid werknemers bij het arbobeleid in het bedrijf (paragraaf 1.7);
– evaluatie van de ARIE (paragraaf 1.8.).
In het tweede deel van deze brief ga ik in op overige onderwerpen op het terrein van
gezond en veilig werken. Daarbij gaat het om:
– gedragscode ongewenst gedrag (paragraaf 2.1.);
– kidfluencers (paragraaf 2.2.);
– risicovol werk (paragraaf 2.3.);
– nachtwerk aan het spoor (paragraaf 2.4.).
Ik ga in deze brief ook in op de stand van zaken van verschillende moties en toezeggingen.
In bijlage 1 bij deze brief vindt u een overzicht met de stand van zaken van de lopende
moties en toezeggingen. In het Kamerdebat over de implementatie van de asbestrichtlijn
van 27 mei j.l.4 heb ik de Kamer toegezegd in deze brief in te gaan op regeldruk. Dit betreft met
name het stopzetten van nieuwe regelgeving. Zie hiervoor paragraaf 1.3.
Met deze brief zijn de volgende moties en toezeggingen afgehandeld:
– de toezegging van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in het Commissiedebat
Werknemersverzekeringen van 8 april jl. op vragen van het Kamerlid Dijk (SP) over
de capaciteit van de Nederlandse Arbeidsinspectie (Hierna: Arbeidsinspectie), zie
bijlage 2 bij deze brief;
– de motie Ceulemans5 over het niet gebruiken van het verdrag ILO 190 om nieuwe wettelijke verplichtingen
op te leggen aan ondernemers.
1. Voortgang Arbovisie 2040
Op 28 mei 2025 heeft mijn voorganger de laatste Voortgangsbrief Arbovisie 2040 aan uw Kamer gezonden.6 Daarnaast heeft u op 5 december 2025 de kabinetsreactie op het tweede SER-advies
over de Arbovisie ontvangen7. In dit deel van de brief ga ik in op de voortgang van de verschillende Arbovisie-onderwerpen.
1.1. Financiële prikkels voor werkgevers om preventie te stimuleren
In de vorige voortgangsbrief over de Arbovisie 2040 informeerde mijn voorganger uw
Kamer over het onderzoek naar financiële prikkels. De Stichting Economisch Onderzoek
(SEO) onderzoekt welke financiële prikkels werkgevers stimuleren om meer in preventie
te investeren in het kader van gezond en veilig werken. SEO voert dit onderzoek uit
in opdracht van mijn ministerie. Sociale partners nemen deel aan de begeleidingsgroep
van het onderzoek.
Het onderzoek heeft twee fases. In de eerste fase zijn bestaande en mogelijke nieuwe
financiële prikkels voor werkgevers in kaart gebracht. Mijn ministerie heeft samen
met de sociale partners drie prikkels geselecteerd om in de tweede fase verder uit
te werken. Het betreft de invoering van een verplicht preventiebudget, ondersteuning
van mkb-bedrijven via brancheorganisaties en een verplichte verzekering voor beroepsziekten
en arbeidsongevallen. De onderzoekers brengen de verwachte effectiviteit van deze
prikkels verder in kaart. Dit gebeurt onder andere met een enquête onder circa 1.000
werkgevers en interviews met kerndeskundigen, preventiemedewerkers en brancheorganisaties.
De uitkomsten van het onderzoek ondersteunen het kabinet en de sociale partners bij
de mogelijke introductie van financiële prikkels om preventie te stimuleren. Het doel
hiervan is het verminderen van aantal arbeidsongevallen, gezondheidsproblemen, ziekte
en sterfte door werk. Het onderzoek is naar verwachting deze zomer afgerond. Ik stuur
het eindrapport vervolgens aan uw Kamer. Ik verwacht een beleidsreactie op het onderzoek
in het najaar aan de Kamer te kunnen sturen.
1.2 Verbeteren van de beschikbaarheid en kwaliteit van RI&E’s
De RI&E is een wettelijke verplichting voor elk bedrijf en vormt de kern van een goed
arbobeleid. De RI&E is een hulpmiddel voor de werkgever om risico’s op de werkplek
duidelijk in beeld te brengen. In het Plan van Aanpak beschrijft de werkgever vervolgens
welke maatregelen hij neemt om de risico’s aan te pakken.
Voortgang Arbovisie RI&E
SZW werkt, samen met de sociale partners, verder aan het werkbaarder maken van de
RI&E-verplichting. Zie daarvoor de recente Kamerbrief8 over de uitkomsten van de Werkgroep RIE en de acties die zijn geformuleerd. Ook de
moties van Kamerleden Flach en Kisteman9 zijn hierbij meegenomen. Daarnaast is de webapplicatie Route naar RIE gebruiksvriendelijker
gemaakt. Werkgevers kunnen aan de hand van de Route stapsgewijs zelf een goede RI&E
opstellen.
Naleving RI&E
De naleving stijgt. Jarenlang had ongeveer 50 procent van de werkgevers een RI&E.
De monitor Arbo in Bedrijf 2024–2025 laat zien dat 68 procent van alle bedrijven een
RI&E heeft10. 91 procent van de werknemers werkt in een bedrijf met een RI&E. 70 procent van werkgevers
met RI&E heeft een kwalitatief voldoende of goede RI&E. Ik zet de komende jaren in
op het vasthouden en doorzetten van de groei van deze cijfers. Ik ben voornemens om
binnen de regeling van de Duurzame inzetbaarheidsagenda (hierna: DI-agenda) het opstellen
van branche-RI&E’s en arbocatalogi te subsidiëren. Daarnaast zet de Arbeidsinspectie
de sectoraanpak Arbozorg11 voort.
Toetsing terugbrengen naar één arbokerndeskundige
Mede naar aanleiding van de motie Flach en Kisteman12 brengen we samen met de beroepsverenigingen van drie verschillende disciplines arbokerndeskundigen
(arbeidshygiëne, arbeids- en organisatiekunde en veiligheidskunde) in kaart wie welke
activiteiten doet en welke kennisoverlap er is. Belangrijk is dat de vakdeskundigheid
van de arbokerndeskundigen terugkomt in het certificatieschema. Op dit moment maken
de beroepsverenigingen nog een laatste slag om vast te stellen aan welke brede kenniseisen
alle drie de disciplines moeten voldoen, waar de verschillen zitten en wat dit betekent
voor de «scope» waarover zij de RI&E mogen toetsen.
Alle arbokerndeskundigen zouden dan over een bepaalde basiskennis moeten beschikken
uit de drie verschillende disciplines. Dit zou ertoe kunnen leiden dat in de toekomst,
in meer situaties dan nu het geval is, volstaan kan worden met de toetsing van de
RI&E door één kerndeskundige. Dit zal naar verwachting het geval zijn bij werkomgevingen
met minder complexe risico’s.
Uitgangspunt blijft de bescherming van de werknemer. Wanneer op een werkplek uiteenlopende
risico’s voorkomen, moet een deskundige voldoende diepgaande kennis hebben. In dat
geval zal een werkgever meerdere arbokerndeskundigen nodig hebben om alle risico’s
goed te kunnen beoordelen en kan niet worden volstaan met één arbokerndeskundige.
1.3. Actieprogramma Arbo actief
Het kabinet ondersteunt de aanbeveling van de SER voor de inrichting van een infrastructuur
voor informatie en kennis over gezond en veilig werken, op verschillende niveaus en
gericht op verschillende doelgroepen. Dit is een gezamenlijke verantwoordelijkheid
waarin de overheid, de sociale partners, kennisinstituten en de doelgroepen ieder
een rol hebben13.
Een goed functionerende infrastructuur in dit domein versterkt de uitwisseling van
informatie. Begin dit jaar is de huidige infrastructuur voor arbeidsomstandigheden
kwalitatief geanalyseerd. Hieruit blijkt:
– Werkgevers, arboprofessionals14 en werknemers zoeken informatie en kennis voornamelijk online op webpagina’s, portalen
of platforms. Zij gebruiken veel formele en gedocumenteerde informatie zoals publicaties
en rapporten. Ze zoeken voornamelijk op onderwerpen over arbeidsveiligheid en de RI&E,
maar ook naar fysieke belasting, psychosociale belasting en werken met gevaarlijke
stoffen.
– Men zoekt bij branche- en sectororganisaties, beroepsspecifieke organisaties en de
Arbeidsinspectie. Als zij niet bij SZW zoeken, gebruiken zij congressen, webinars
en collega’s als informatiebron.
– Het vinden van de juiste informatie wordt als moeilijk ervaren door versnippering
en fragmentatie van de informatie, de vele verschillende kanalen en de kosten voor
een lidmaatschap of abonnement. Ook blijkt de informatie verouderd of niet-actueel,
onvoldoende van kwaliteit of onvolledig.
– Informatie over de interpretatie van wet- en regelgeving en invulling van verplichtingen
is moeilijk vindbaar.
Deze inzichten neem ik mee in het actieprogramma Arbo Actief. Dit programma heeft
als doel om met betere communicatie en informatievoorziening structureel gedragsverandering
te realiseren bij (vooral micro- en kleine) bedrijven in het midden- en kleinbedrijf
(hierna: mkb). Want we weten dat deze groep werkgevers met name «onbewust» en «niet-wetend»
zijn van hun arboverplichtingen. Het programma start met één prioritaire sector. Bij
de keuze waar te starten zal ik gebruikmaken van informatie uit bestaande monitors
zoals «Arbobalans» en «Arbo in Bedrijf». Samen met mkb’ers, branche- en sectororganisaties
uit deze sector, de sociale partners en kennisinstituten werk ik een communicatiestrategie
en een plan van aanpak uit. Ik wil graag samen met hen de effectiviteit van de communicatie-uitingen
vergroten. En daarmee deze doelgroep stimuleren en ondersteunen om gezond en veilig
te werken.
Regeldruk
Onnodige regeldruk is een grote ergernis van ondernemers. Zonder het belang van bescherming
van werkenden uit het oog te verliezen, streef ik naar passende en werkbare regels
op het terrein van gezond en veilig werken en het voorkomen van onnodige regeldruk.
Op 28 mei 2025 is de Kamer geïnformeerd over de bijdrage aan het verminderen van regeldruk
op het terrein van gezond en veilig werken.15 Sindsdien is hier verder aan gewerkt, onder meer met een bijdrage aan de 500 regels-aanpak
van het kabinet. Op de Regeldrukmonitor16 treft u die bijdragen aan. Hierbij gaat het onder meer om de asbestregelgeving, het
vervallen van de certificatieplicht voor verkoop van vuurwerk en het mogelijk maken
van een digitaal liftenboek. Dit heeft en blijft mijn aandacht houden. In deze brief
treft u verschillende voorbeelden aan. Bij de gedragscode ongewenst gedrag zie ik
af van regelgeving. Verder heb ik besloten het initiatief om nadere eisen te stellen
aan de opleiding van een deskundige werknemer niet door te zetten. Rond kidfluencers
kies ik voor een vereenvoudigde aanpak, zodat de regels duidelijker en beter toepasbaar
worden. Daarmee bouw ik voort op de eerdere inzet, maar in een vorm die effectiever
is en tot minder regeldruk leidt.
1.4. Ketenverantwoordelijkheid kwetsbare werkenden
Door de flexibilisering van de arbeidsmarkt is de complexiteit van arbeidsrelaties
in de afgelopen jaren toegenomen. Steeds vaker werkt men in ketens met meerdere opdrachtgevers
en meerdere (onder)aannemers (oftewel schakels). Hierdoor kan in de keten onduidelijkheid
ontstaan over wie, wanneer welke rol of verantwoordelijkheid heeft voor de arbeidsomstandigheden.
De verantwoordelijkheid verdwijnt als het ware in de keten. Juist kwetsbare werkenden
werken vaak aan het einde van deze complexe ketens.
Het is van belang dat elke schakel in de keten zijn verantwoordelijkheid kent en neemt
voor de veiligheid en gezondheid van werkenden.
Schakels in deze keten zijn steeds vaker zzp’ers of schijnzelfstandigen (in het kader
van de arbeidsomstandigheden). Als onderdeel van mijn toezegging aan het Kamerlid
Patijn ga ik nog iets dieper in op de situatie van zzp’ers in relatie tot de Arboregelgeving
en de bescherming die daar wel of niet uit voortvloeit.
Ook voor zzp’ers gelden rechten en plichten op grond van de Arboregelgeving. Zo is
het voor een zzp’er in alle omstandigheden verboden om arboregels te overtreden die
gaan over ernstige risico’s, die gevaar opleveren voor derden, andere opdrachtnemers of omstanders. In het geval van een ernstig risico, zoals
valgevaar, gelden voor een zzp’er dezelfde maatregelen ter bescherming tegen valgevaar
als voor een werknemer. Bovendien gelden voor zzp’ers alle regels waarin maatregelen
worden voorgeschreven om arbeidsrisico’s te voorkomen of beperken, als zij op dezelfde
arbeidsplaats als werknemers in loondienst werken. Het gaat dan bijvoorbeeld om risico’s
als fysieke belasting, lawaai en trillingen.17
Het kan ook zijn dat er sprake is van een gezagsrelatie en daarmee dus van schijnzelfstandigheid. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer een zzp’er instructies krijgt en niet de eigen
werktijden, werkmethode en materialen kan bepalen. In dat geval wordt deze schijn-zzp’er
voor de Arbowet beschouwd als een werknemer en geldt dus de bescherming die de Arbowet
biedt aan werknemers. Hierbij is van belang dat de werkgever in het geval van schijnzelfstandigheid
zijn verantwoordelijkheid voor de bescherming van werknemers nakomt.
Ook is van belang dat zzp’ers voldoende kennis hebben van hun rechten en plichten
zoals opgenomen in Arboregelgeving over hoe ze veilig en gezond kunnen werken. In
de uitwerking van de Arbovisie 2040 voor het onderdeel ketenverantwoordelijkheid ga
ik na in hoeverre de bescherming van zzp’ers in de Arbowet en Arbeidstijdenwet (Hierna:
Atw) voldoende is geregeld. Ik wil hierbij breder kijken naar de verhouding van zzp’ers
tot de Arbowet en de Atw. Daarnaast kijk ik ook naar voorlichting aan deze doelgroepen.
In de kabinetsreactie op het SER-advies «Gezond en Veilig werken door effectieve regels
en preventie»18 is door mijn voorganger het vervolg voor verankering van opdrachtgeverschap aangekondigd.
Een voorbeeld hiervan is de Wet Invoering meld- en vergewisplicht arbeidsongevallen.
Deze is inmiddels door het parlement aangenomen met als streefdatum voor de inwerkingtreding
1 juli 2027.
Voor het in kaart brengen van de behoeften bij de verschillende schakels en partijen
in de keten voeren we gesprekken met verschillende sectoren. In de eerste fase van
het traject richten we ons daarbij vooral op de sectoren Bouw en Transport aangezien
in deze sectoren sprake is van relatief veel dodelijke arbeidsongevallen.19 Het doel van deze gesprekken is om zowel de behoeften in kaart te brengen, als om
«best practices» op te halen. Dit vormt de input om verantwoord opdrachtgeverschap
verder te stimuleren. Het streven is om dit in de tweede helft van 2026 uit te werken.
Thematische onderzoeken RIVM en TNO
Als de samenwerking tussen de verschillende schakels in een keten niet goed verloopt
kan dit een ongewenste invloed hebben op gezonde en veilige arbeidsomstandigheden.
Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (hierna: RIVM) heeft eerder onderzoek
gedaan naar knelpunten in de bouwsector voor ketenveiligheid.20 Uit deze onderzoeken bleek onder meer dat er nog behoorlijke uitdagingen21 zijn voor een veilige samenwerking in grote bouwprojecten, ondanks de wettelijke
kaders van de bouwprocesbepalingen en de vergewisplicht. SZW heeft het RIVM opdracht
gegeven om vanuit het Programma Veiligheid, Cultuur en Gedrag het thema ketenveiligheid
verder te onderzoeken. Het doel van dit onderzoek is om bestaande kennis over ketenveiligheid
te structureren om zo handelingsperspectieven te ontwikkelen om de veiligheid in ketens
te bevorderen. Naar verwachting is dit onderzoek begin 2027 gereed.
In het commissiedebat van 26 september 2024 is toegezegd om aandacht te geven aan
werkinstructies voor uitzendkrachten, waaronder bij het werken met gevaarlijke stoffen.
SZW heeft TNO opdracht gegeven een verkenning uit te voeren om meer inzage te verkrijgen
in de risico’s voor deze doelgroep. Onderdelen hiervan zijn het in beeld brengen van
knelpunten bij het geven van werkinstructies aan uitzendkrachten, «best practices»
en oplossingsrichtingen.
1.5. Arbeidsgerelateerde zorg gericht op preventie
In 2024 heeft SZW vanuit het arbeidsmarktpakket 14 miljoen euro beschikbaar gesteld
voor het Subsidieprogramma Innovatieve Arbozorg 2024–2027.22 Dit ZonMw-programma stimuleert projecten die gericht zijn op preventie; het voorkomen
van ziekte of uitval door werk. Daarmee draagt het bij aan het beperken van de instroom
in de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (hierna: WIA). Het programma bestaat
uit drie lijnen, gericht op samenwerking tussen (kern)deskundigen, het versterken
van de kennisdeling over preventieve arbozorg en het verbeteren van de kwaliteit en
organisatie van de opleiding om het tekort aan bedrijfsartsen aan te pakken. In totaal
zijn 26 projecten gehonoreerd, die inmiddels allemaal zijn gestart. We verwachten
dit jaar de eerste resultaten. Het is de bedoeling om veelbelovende uitkomsten van
de projecten (pilots en experimenten) breder te (laten) implementeren.
Zoals aangekondigd in de kabinetsreactie op het tweede SER-advies op de Arbovisie
204023 is mijn ministerie inmiddels gestart met een open traject, om te onderzoeken hoe
we meer focus op preventie in de arbozorg kunnen bewerkstelligen. Hierbij komen ook
fundamentele vragen over de positionering en financiering van preventie in het arbozorgstelsel
aan de orde. Vanwege de complexiteit van dit vraagstuk brengen we eerst de contouren
van de opdracht en de randvoorwaarden hiervan in kaart. Dat vormt de basis voor een
breed gedragen opdracht, die we in het najaar hopen te kunnen gunnen.
Daarnaast werken we aan een opdrachtformulering voor de evaluatie van de maatwerkregeling24, die dit jaar zal starten.
Aansluiting arbeidsgerelateerde zorg en reguliere zorg
Mijn ministerie financiert de ontwikkeling van een arbeidsgericht zorgmodel in de
oncologie door de Nederlandse Vereniging voor Klinische Arbeidsgeneeskunde (NVKA).
Hiermee geef ik uitvoering aan de motie van het Kamerlid Weyenberg c.s.25 over de integratie van klinisch-arbeidsgeneeskundige zorg in de oncologische zorg
en de passende financiering daarvan. Het gaat daarbij om het gehele traject van diagnosestelling,
behandeling, nazorg en re-integratie voor mensen met kanker, al dan niet veroorzaakt
door omstandigheden in het werk. Ook de verbinding met het sociale domein is onderdeel
van het model. De NVKA werkt hierin samen met het Kennis Instituut Medisch Specialisten
(FMS/KIMS) en de Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde (NVAB).
De eerste fase waarin het model is uitgewerkt26, is eind 2024 afgerond. In de tweede fase is de bekostiging verkend.27 De belangrijkste bevinding van de onderzoekers is dat binnen de bestaande financieringskaders
van de Zorgverzekeringswet (Zvw), de bekostiging van arbeidsgerichte zorg – in de
zin van aandacht voor arbeidsparticipatie in de spreekkamer – in principe mogelijk
is. Dit sluit aan bij de Generieke Module Arbeidsparticipatie voor medisch specialistische
richtlijnen van de FMS uit 2024. Er is echter een verdere verkenning nodig. In de
laatste, derde fase, van het project, is een implementatieplan van het oncologisch
zorgmodel gemaakt, en een blauwdruk ontwikkeld voor een domeinoverstijgend zorgmodel
voor andere ziekten dan kanker. Dit rapport is inmiddels gepubliceerd op de website
van de NVKA.28 In het najaar volgt de kabinetsreactie.
Tijdens het commissiedebat Werknemersregelingen op 8 april 2026 heeft het Kamerlid
Neijenhuis (D66) een vraag gesteld aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
over het hierboven genoemde onderzoek over arbeidsgerichte zorg. De heer Neijenhuis
stelt dat in dit onderzoek een bekostigingsmodel is ontwikkeld dat bij de behandeling
van langdurige ziekte werk goed meeneemt als behandeldoel en medicijn en vraagt of
de minister aan de slag wil gaan om dit breed in te zetten. Ik vind arbeidsgerichte
zorg belangrijk. Werkenden die ziek worden kunnen door aandacht voor hun werk in het
gehele behandeltraject, van diagnose tot aan re-integratie, (gedeeltelijk) aan het
werk blijven tijdens de behandeling of sneller weer terugkeren naar werk. Dit helpt
ook om instroom in de WIA te voorkomen. De bekostiging van arbeidsgerichte zorg ligt
op het snijvlak van de arbeidsgeneeskundige zorg en de curatieve zorg, en heeft ook
een verbinding met het sociaal domein. Dit maakt samenwerking met VWS en andere betrokkenen,
in de zorgsector en daarbuiten, essentieel. Ik blijf hierover dan ook in gesprek met
mijn collega van VWS en sociale partners om dit samen verder te brengen.
VWS en SZW zijn voornemens om in het najaar samen de dag van Arbeid en Gezondheid
te organiseren, waar de samenwerking tussen de arbeidsgeneeskundige zorg en de reguliere
zorg centraal zal staan.
Stimuleringsregeling Gezond en veilig werken in het mbo
Jaarlijks volgen ruim 475.000 studenten een opleiding in het middelbaar beroepsonderwijs
(hierna: mbo). Deze studenten gaan daarna werken in cruciale sectoren voor onze samenleving,
zoals de zorg en de bouw. Het is dan ook van essentieel belang dat zij, net als andere
werkenden, gezond hun pensioen halen en ook daarna geen gezondheidsklachten door het
werk krijgen. Duurzame inzetbaarheid en het voorkomen van arbeidsongevallen en beroepsziekten
moet reeds in de schoolbanken beginnen, zodat studenten goed voorbereid worden op
de beroepspraktijkvorming en bij het betreden van de arbeidsmarkt.
Daarom is de afgelopen jaren met de stimuleringsregeling «Gezond en veilig werken
in het mbo» in samenwerking met Gezonde School ingezet op het vergroten van de kennis
over arbeidsomstandigheden.29 Mbo-opleidingen konden tot € 5.000 subsidie krijgen om het thema arbeidsomstandigheden
beter in het curriculum te verankeren. Een deel van het budget was bestemd voor advies
van een arbokerndeskundige. Daarnaast is de subsidie ingezet voor het (door)ontwikkelen
van lesmateriaal en scholingsactiviteiten. Zo zijn er video’s gemaakt over (on)veilig
en (on)gezond werken op de stageplek, hebben studenten posters voor hun eigen P&O-afdeling
gemaakt, en zijn er gastlessen en workshops gegeven. Ook heeft Gezonde School lesmodules
voor docenten ontwikkeld die gratis beschikbaar zijn via hun eigen kennisbank. Informatie
over arbeidsrisico’s is voor een breder publiek toegankelijk gemaakt via de Wegwijzer
veilig en gezond werken.30
Met de stimuleringsregeling is een impuls gegeven aan het thema arbeidsomstandigheden
binnen mbo-opleidingen. Uit de evaluatie volgt namelijk dat 68% van de deelnemende
scholen aangeeft nu structureel aandacht te besteden aan gezond en veilig werken en
dat 86% van de deelnemende scholen hun studenten bewust maakt van het belang van duurzame
inzetbaarheid. In bijlage 3 is meer informatie te vinden over de doelen, opzet, resultaten
en evaluatie van de stimuleringsregeling. Daarnaast is de eindevaluatie van de stimuleringsregeling
als bijlage 4 opgenomen bij deze brief.31
1.6. Start Expertbureau Blootstelling aan Stoffen op het Werk
Blootstelling aan gevaarlijke stoffen is al jaren de belangrijkste oorzaak van ziekte
en overlijden als gevolg van werk. Ieder jaar gaat het om zo’n 3.000 sterfgevallen.
De gevolgen voor de gezondheid zijn vaak pas te merken lang nadat de blootstelling
heeft plaatsgevonden, soms tientallen jaren later. In de Arbovisie 2040 werd daarom
aangekondigd dat het kabinet gericht inzet op het verlagen van het aantal slachtoffers
van stoffengerelateerde beroepsziekten, onder andere met de komst van het Expertbureau
Blootstelling aan Stoffen op het Werk (BSW). Ik ben verheugd dat dit Expertbureau
per 1 maart is gestart. Hiermee zetten we een belangrijke stap om sneller en beter
onderbouwde wettelijke grenswaarden vast te stellen.
Dit draagt bij aan het beperken van de blootstelling aan gevaarlijke stoffen op het
werk en aan het voorkomen van gezondheidsschade bij werkenden.
Het Expertbureau krijgt de taak om de SER-subcommissie Grenswaarden Stoffen op de
Werkplek (SER-GSW) onafhankelijk te ondersteunen bij de advisering over de haalbaarheid
van wettelijke grenswaarden. Daartoe zal het de haalbaarheids-gegevens die bedrijven
en sectoren aanleveren beoordelen. Dit gebeurt met de inzet van onafhankelijke deskundigen.
De adviezen over wettelijke grenswaarden kunnen zo sneller en beter onderbouwd worden
vastgesteld. Op basis van het pre-advies van het Expertbureau adviseert de SER-GSW
het kabinet over de wettelijke grenswaarde voor maximale blootstelling aan een stof
tijdens het werk.
De SER-GSW heeft in 2021 aanbevolen het Expertbureau in te stellen. In de afgelopen
periode heeft mijn ministerie, samen met de sociale partners, de SER en TNO, de vormgeving
van het Expertbureau verkend. Het bureau is voor drie jaar ingesteld, met financiering
van SZW. TNO verzorgt het secretariaat. Omdat het om een nieuwe werkwijze gaat, besteden
de betrokken partijen in de eerste periode veel aandacht aan leren en evalueren. In
het tweede jaar volgt een onafhankelijke evaluatie van de werkwijze met het Expertbureau.
Op basis daarvan beslis ik of het Expertbureau een vervolg krijgt.
1.7. Betrokkenheid werknemers bij het arbobeleid in het bedrijf
Raadpleging werknemers
In de Voortgangsbrief Arbovisie 2040 van 28 mei 202532 is vermeld dat artikel 12 van de Arbeidsomstandighedenwet (hierna: Arbowet) niet
in lijn is met een bepaling uit de Europese kaderrichtlijn voor gezond en veilig werken.
Deze bepaling gaat over de wijze waarop werknemers dienen te worden geraadpleegd.
Als onderdeel van de Verzamelwet SZW 2026 is inmiddels een wijzigingsvoorstel aangenomen
door het parlement. Deze wetswijziging treedt per 1 juli 2026 in werking. De kern
van de wijziging is dat alle werkgevers, ongeacht de omvang van het bedrijf, de werknemersvertegenwoordigers
(of bij het ontbreken daarvan de belanghebbende werknemers) dienen te raadplegen over
het arbeidsomstandighedenbeleid (hierna: arbobeleid) in het bedrijf. Dit betreft in
elk geval de aanwijzing van bedrijfshulpverleners, de RI&E, de organisatie van de
deskundige bijstand, de aanvullende deskundige bijstand, de arbodienst, de doeltreffende
inlichting van werknemers over de te verrichten werkzaamheden en de daaraan verbonden
risico’s. De werknemersvertegenwoordigers (of bij het ontbreken daarvan de belanghebbende
werknemers) mogen ook voorstellen doen aan de werkgever over het te voeren arbobeleid
in het bedrijf. Bij de nieuwe formulering van artikel 12 van de Arbowet is de Europese
kaderrichtlijn aangehouden zodat geen sprake kan zijn van een eventuele nationale
kop.
Deskundigheidseis deskundige werknemer
De SER adviseerde in zijn eerste advies over de Arbovisie 2040 dat de deskundige werknemer
een grotere rol kan spelen bij het ondersteunen van de werkgever en de ondernemingsraad
(hierna: OR).33 Het kabinet onderschrijft dit standpunt. Een belangrijk aspect daarbij is diens benodigde
deskundigheid. In de Arbowet staat dat de deskundige werknemers over een zodanige
deskundigheid moeten beschikken dat zij de bijstand aan werkgever en OR naar behoren
kunnen verlenen.
In de praktijk kan deze deskundigheid van bedrijf tot bedrijf sterk verschillen. In
de kabinetsreactie op het SER-advies34 is aangegeven dat het kabinet de mogelijkheden onderzoekt om de positie van deskundige
werknemer te verbeteren. Het Ministerie van SZW heeft onderzocht of het mogelijk is
om verplicht te stellen dat de deskundige werknemer een relevante opleiding heeft
gevolgd op tenminste MBO-niveau, vergelijkbaar aan de bestaande, en erkende, opleiding
tot middelbaar veiligheidskundige. De mogelijkheden tot het stellen van een dergelijke
basiseis zijn in beeld gebracht:
– In Nederland zijn ongeveer 19.500 OR-plichtige bedrijven. Dit zou betekenen dat op
korte of middellange termijn grote aantallen deskundigen opgeleid moeten worden om
aan de vraag van een basiseis te kunnen voldoen.
– Momenteel organiseren 12 instellingen dergelijke erkende opleidingen. Dit betreft
met name de opleiding tot middelbaar veiligheidskundige met een totale studiebelasting
van ongeveer 500 uur. Opleidingen met andere specialisaties zijn er nagenoeg niet.
Er zijn enkele opleidingen tot middelbaar arbeidshygiënist met een aanzienlijk grotere
studiebelasting. Ook zijn enkele instellingen voornemens een (erkende) opleiding middelbaar
Arbeid- en Organisatiekundige in te richten, met onder meer aandacht voor vraagstukken
op het terrein van psychosociale arbeidsbelasting.
– Het is niet mogelijk gebleken een duidelijk beeld te vormen van het aantal personen
dat een dergelijke opleiding heeft afgerond.
Alles afwegend is de conclusie dat het opleidingsaanbod momenteel te eenzijdig is
en de opleidingscapaciteit te beperkt. Tegen deze achtergrond vindt het kabinet dat
de risico’s bij een dergelijk initiatief groot zijn en dat het niet waarschijnlijk
is dat dit traject binnen enkele jaren kan worden afgerond. Dit initiatief wordt om
die reden niet voortgezet. De ontwikkelingen in het opleidingsaanbod zal ik aandachtig
blijven volgen, als ook de effecten van de inwerkingtreding van het gewijzigde artikel
12.
De SER adviseerde ook om de arbeidshygiënische kennis op de werkvloer te verbeteren.
In mijn volgende voortgangsbrief zal ik hierop in gaan.
1.8. Evaluatie van de ARIE
Eén van de aanbevelingen in het tweede SER-advies op de Arbovisie 2040 was een onderzoek
naar de ervaringen van bedrijven en de Arbeidsinspectie met de Aanvullende risico
inventarisatie en evaluatie (hierna: ARIE-regeling). Het Ministerie van SZW heeft
het RIVM gevraagd om de effectiviteit en uitvoerbaarheid van de ARIE-regeling te onderzoeken.
Begin 2026 heeft het RIVM een vragenlijst verzonden aan alle bij de Arbeidsinspectie
aangemelde ARIE-bedrijven. Meer dan de helft van deze bedrijven heeft de vragenlijst
ingevuld. Het RIVM analyseert momenteel de uitkomsten.
Op basis van het rapport van het RIVM ga ik in gesprek met ARIE-bedrijven, om zo de
uitkomsten van de vragenlijst beter te duiden. Hiervoor organiseert mijn ministerie
focusgroepen. Ik betrek sociale partners via een werkgroep en, zoals eerder toegezegd35 ook de Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) bij dit proces.
Een belangrijk onderdeel van de gesprekken met de bedrijven en sociale partners is
hoe we de ervaren regeldruk concreet kunnen verminderen.
Dat kan bijvoorbeeld via wijziging in regelgeving, communicatie of via extra ondersteuning
van bedrijven. Hiermee sluit de evaluatie aan op de motie Kisteman/Flach36, die vraagt om concrete voorstellen voor modernisering en vereenvoudiging van de
(Aanvullende) RI&E-verplichtingen. Ik zal uw Kamer hierover in 2027 informeren.
2. Voortgang Arbeidsomstandigheden
Op 28 mei 2025 heeft mijn voorganger aan uw kamer de laatste Verzamelbrief Gezond en Veilig Werken gestuurd.37 In dit deel van de brief ga ik in op de voortgang van de verschillende arboonderwerpen
buiten de Arbovisie 2040.
2.1. Gedragscode ongewenst gedrag
Helaas komt ongewenst gedrag op de werkvloer nog regelmatig voor. Dit heeft ingrijpende
gevolgen voor zowel slachtoffers als werkgevers. Het kabinet neemt deze problematiek
serieus. In het kader van het Nationaal Actieprogramma aanpak seksueel grensoverschrijdend
gedrag en seksueel geweld werkten de vorige kabinetten aan een wettelijk verplichte
gedragscode en andere maatregelen. Uit bestaande cijfers (NEA en WEA) kan niet causaal
aangetoond worden dat een gedragscode ongewenst gedrag terugdringt. De ATR acht de
onderbouwing van het wetsvoorstel vanuit regeldrukperspectief onvoldoende en heeft
een negatief advies uitgebracht. Er zijn wel aanwijzingen dat gedragscodes kunnen
bijdragen aan het terugdringen van ongewenst gedrag. Daarmee hoeft een dergelijke
code echter niet direct wettelijk te worden verplicht. Dit kabinet en uw Kamer hebben
juist een duidelijke ambitie uitgesproken om regeldruk meetbaar te verminderen.
Alles overwegende kiest dit kabinet er dan ook voor om een gedragscode niet wettelijk
voor te schrijven.
Wel blijf ik bedrijven aansporen om maatregelen te nemen die sociale veiligheid op
de werkvloer vergroten. Ik kies ervoor om in te zetten op een sectoraanpak om sociale
veiligheid te vergroten. Ik verken op welke manier ik mijn inzet op een sectoraanpak
het beste kan vormgeven. Daarbij kijk ik ook naar de financiële consequenties. Voor
het vervolg op de sectoraanpak ben ik voornemens sociale veiligheid een plek te geven
binnen de DI-agenda zodat hiervoor subsidie kan worden aangevraagd. Daarnaast verken
ik een verdere inzet op publiekscampagnes. Een sectoraanpak en publiekscampagnes bieden
naar verwachting meer ruimte voor maatwerk en kunnen mogelijk sneller worden ingezet.
Mijn voorganger heeft begin 2025 uw Kamer geïnformeerd over zijn besluit om de klachtenregeling
nu niet wettelijk te verplichten, met name vanwege de administratieve lasten die dit
voor kleine bedrijven met zich meebrengt.
Tijdens de plenaire behandeling van het goedkeuringswetsvoorstel voor ratificatie
van het ILO-verdrag C19038 bevestigde ik dat het verdrag niet zal leiden tot aanvullende wettelijke verplichtingen.
Door dat hierbij nog eens schriftelijk te bevestigen, doe ik de motie Ceulemans39 over het niet gebruiken van het verdrag om nieuwe wettelijke verplichtingen op te
leggen aan ondernemers af.
2.2. Kidfluencers
Kidfluencing en het meedoen van kinderen aan commerciële online content van gezinsvloggers
en mom- en dadfluencers kan grote impact hebben op het welzijn en de ontwikkeling
van kinderen. Vooral als kinderen als verdienmodel door bedrijven of ouders worden
ingezet. De risico’s die deze kinderen lopen zijn onder meer het verlies van privacy
en een negatief zelfbeeld. Dit volgt uit onderzoek waarbij ook met experts en deskundigen
op het terrein van de ontwikkeling van het kind is gesproken40. De Arbeidsinspectie onderschrijft deze risico’s.
Gelet op het belang om deze kinderen hiertegen te beschermen wil ik komen tot een
brede aanpak om excessen te voorkomen en aan te pakken. Het «bedrijfsmatig», ofwel
het commercieel maken van online content door en met kinderen, wil ik laten vallen
onder het verbod tot kinderarbeid voor kinderen van 15 jaar en jonger. Daar gaan passende
boetes voor gelden. Daarnaast zet ik in op afspraken met adverteerders en hulpverleners.
De aanpak van kidfluencing is onderdeel van het interdepartementale beleidstraject
«Strategie kinderrechten online».41 Samen met andere betrokken departementen bekijk ik of en hoe aansluiting mogelijk
is bij andere maatregelen uit deze strategie. Indien de in het Coalitieakkoord aangekondigde
Europese minimumleeftijd van 15 jaar voor sociale media wordt gerealiseerd, bekijk
ik of deze maatregel eraan bijdraagt dat kidfluencers zelf beperkter toegang krijgen
tot sociale media. Wat betreft mijn inzet op voorlichting aan ouders over online risico’s
voor kinderen sluit ik ook aan bij dit traject.
Regelgeving
De Arbeidsinspectie constateert dat de huidige regelgeving onvoldoende handvatten
biedt voor effectief toezicht op commerciële online content door en met kinderen.42
In de brieven aan de Tweede Kamer van 21 mei 202543 en 18 december 202544 is wet- en regelgeving toegezegd. Daarbij was de insteek aan te sluiten bij de regels
voor artistiek werk en ouders een ontheffing te laten aanvragen voor commerciële online-activiteiten
door en met kinderen. Het opstellen van deze wet- en regelgeving blijkt echter complex.
Zo moet er een werkgeversrelatie zijn om onder de wet- en regelgeving te vallen en
die is er lang niet altijd. Ook komt er met de nieuwe regels geen goed zicht op de
daadwerkelijke arbeids- en rusttijden van de kinderen omdat het anders dan bijvoorbeeld
kinderen die in de podiumkunsten actief zijn achter de voordeur plaatsvindt. Dit maakt
de handhaving van deze wet- en regelgeving zeer lastig omdat deze uitgaat van een
ontheffing. Ten slotte is het moeilijk om inzicht te krijgen in de emotionele belastbaarheid
van deze kinderen.
Ik vind het gelet op de ernstige risico’s voor kinderen van deze vorm van kinderarbeid
van belang dat er duidelijke regels komen. Randvoorwaarden zijn daarbij dat deze handhaafbaar
en ook effectief zijn. Daarbij wil ik de regeldruk beperkt houden. Daarom onderzoek
ik of het «bedrijfsmatig» maken van online content door en met kinderen onderdeel
kan worden van het verbod op kinderarbeid. Hiermee kunnen de excessen waarbij kinderen
als verdienmodel worden ingezet door ouders en/of bedrijven worden tegengegaan.
De afbakening van de online-activiteiten door of met kinderen die onder het verbod
kunnen gaan vallen (wat wel/niet) werk ik uit. Elementen daarbij zijn bijvoorbeeld
in hoeverre kinderen in beeld komen bij de online-activiteiten van het gezin of ouder
op de platformen (zoals Youtube, Instagram en TikTok) en het «bedrijfsmatige» karakter
van deze online-activiteiten. Hierbij horen passende boetes. Verder kijk ik of en
hoe de platformen een rol kunnen hebben.
Bredere aanpak
Ik zal aansluiting zoeken bij de interdepartementale «Strategie kinderrechten online»
onder coördinatie van de Staatssecretaris Digitale Economie en Soevereiniteit.
Als onderdeel van deze bredere aanpak kinderrechten zet ik in op voorlichting voor ouders die erover denken om met hun kind commerciële online content te maken of dat net
zijn gaan doen. Deze ouders kunnen worden aangesproken en gewezen op mogelijke risico’s
voor kinderen via gerichte voorlichting. Ik zal bekijken of ik voor deze voorlichting
kan samenwerken met het Netwerk Mediawijsheid en het platform Jouwkindonline van dit netwerk.
Daarnaast wil ik afspraken met adverteerders maken. Ik ben daarover in gesprek met de vereniging voor data en marketing (hierna: DDMA).
Inmiddels is in de reclamecode Social Media en Influencer Marketing een extra zorgplicht
voor kidfluencers opgenomen. Deze ligt nog voor bij de Reclamecodecommissie. Ik bekijk
in overleg met de DDMA hoe ik tot nadere invulling van deze extra zorgplicht kan komen.
Ik wil graag dat als het maken of deelnemen aan commerciële online negatieve effecten
heeft op het welzijn en de ontwikkeling van kinderen, er ook hulpverlening is voor deze kinderen. Daartoe ga ik samen met mijn collega van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport en Veilig Thuis kijken wat nodig is om te zorgen voor meldingen en
hulpverlening voor deze groep kinderen die betrokken is bij commerciële online content.
Dit najaar volgt een brief aan uw Kamer over de nadere uitwerking van de genoemde
maatregelen.
2.3. Risicovol werk
Arbeidsongevallen zzp’ers
Mijn ambtsvoorganger heeft toegezegd uit te zoeken waarom de Arbeidsinspectie dodelijke
arbeidsongevallen bij zzp’ers niet onderzoekt45. De Arbeidsinspectie onderzoekt in principe ieder (dodelijk) arbeidsongeval. Wanneer
uit het ongevalsonderzoek blijkt dat sprake is van een gezagsrelatie, beschouwt de
Arbeidsinspectie een werkende als werknemer in plaats van zzp’er. In dat geval volgt
verder ongevalsonderzoek. Wanneer blijkt dat een zzp’er betrokken is bij het arbeidsongeval,
dan zal de Arbeidsinspectie het onderzoek hiernaar afbreken. In die situatie is er
geen werkgever naar wiens verantwoordelijkheid de Arbeidsinspectie onderzoek kan doen.
Sinds 1 juli 2012 moeten zzp’ers voldoen aan alle arboregels over het voorkomen of
beperken van arbeidsrisico’s. Daarbij gaat het om de bescherming van werknemers die
in de buurt van zzp’ers werken en waarbij zzp’ers onveilig aan het werken (kunnen)
zijn. Deze extra regels in het Arbobesluit gelden voor risico’s zoals tillen of lawaai.
De Arbeidsinspectie kan hierop handhaven.
Werkgevers die met zzp’ers werken, moeten hen wijzen op de voorschriften en risico’s
binnen het bedrijf. De werkgever die samenwerkt met zzp’ers moet in algemene zin kunnen
aantonen dat hij aan de zorgplicht vanuit de Arbowet heeft voldaan46, net zoals bij werknemers in loondienst.
Digitaal liftboek
Elke lift wordt geleverd met een liftboek. In een liftboek staan onder andere onderhoudsrapporten,
keuringsresultaten, storingsrapporten en veiligheidsinstructies. Diverse partijen,
zoals installateurs, onderhoudsbedrijven, keuringsinstanties en toezichthouders moeten
dit liftboek kunnen raadplegen. Momenteel ligt dit papieren document in de machinekamer
van de lift.
Mijn ambtsvoorganger kondigde in de voortgangsbrief van 28 mei 202547 een wijziging van het Warenwetbesluit liften 2016 aan, met de toevoeging van de mogelijkheid
van een digitaal liftenboek. Met een digitaal liftboek werken partijen effectiever
en efficiënter en ervaren ze minder regeldruk. Ze kunnen zich bijvoorbeeld beter voorbereiden
op onderhoudswerk en er is onderhoud op afstand mogelijk in geval van een software
update of bij een lifttest. Bovendien past dit bij de nieuwste technologische ontwikkelingen.
Ik verwacht uiterlijk in de eerste helft 2027 de benodigde regelgeving te hebben aangepast.
2.4. Nachtwerk aan het spoor
Naar aanleiding van het onderzoek van de Onderzoeksraad voor Veiligheid (hierna: OvV)
naar het spoorongeval in Voorschoten hebben het lid Heutink en het lid Van Kent moties
ingediend. Beide moties zijn aangenomen. De motie Van Kent vraagt de regering zelfstandigen
die aan of op het spoor werken onder de Arbeidstijdenwet (hierna: Atw) te laten vallen.
De motie Heutink vraagt de regering om ervoor zorg te dragen dat alle werkenden, inclusief
zzp’ers, onder de normen van de Atw vallen. Hieronder ga ik in op de resultaten van
de in de Kamerbrief van 27 juni 202548 toegezegde verkenning naar het onder de Atw brengen van zzp’ers. Een belangrijke
bouwsteen hiervoor is de verkenning van de Arbeidsinspectie «Nachtarbeid op het spoor»49 van januari 2026.
Ik onderschrijf het uitgangspunt dat aan de basis van deze moties ligt. De veiligheid
en gezondheid moet voor alle werkenden op of aan het spoor, inclusief zzp’ers, geborgd
zijn. Werkenden moeten waar nodig en passend breed beschermd worden, door zowel de
Atw als de Arbowet. Dit geldt zeker bij nachtwerk dat risico’s met zich meebrengt
voor de gezondheid en de veiligheid van werkenden.
Uit de recente verkenning van de Arbeidsinspectie volgt dat er nog te weinig aandacht
is voor de arbeidsveiligheid bij spoorwerkzaamheden in de nacht. Ook blijkt uit de
verkenning dat bijna de helft van de aangetroffen mensen die ’s nachts aan het spoor
werken zzp’er is. ProRail en railAlert geven in reactie daarop aan dat nachtwerk samenhangt
met de keuze om de reguliere dienstregeling gedurende de dag zo min mogelijk te verstoren.
Daarbij komt dat het treinverkeer en daarmee het werk aan het spoor enorm is toegenomen.
Hierdoor werkt de branche met een relatief grote flexibele schil, deels bestaand uit
zzp’ers.
De verkenning van de Arbeidsinspectie ziet ook breder op arbeidsveiligheid. Het gaat
onder meer om aandachtspunten bij het gebruiken van persoonlijke beschermingsmiddelen,
het niet veilig werken met machines en de blootstelling aan lawaai of gevaarlijke
stoffen door het uitvoeren van werkzaamheden in de directe nabijheid van andere werkzaamheden.
Nachtwerk is vrijwel in geen enkele RI&E in de sector als risico voor de gezondheid
en veiligheid opgenomen. Ik concludeer dan ook dat de verkenning duidelijk maakt dat
meer inzet nodig is van de sector op arbeidsveiligheid in de nacht, evenals op de
gezondheidsrisico’s van nachtwerk.
Een aanpassing van de regelgeving om zzp’ers onder de Atw te brengen, gaat dit probleem
echter niet oplossen. Zo blijkt uit de verkenning van de Arbeidsinspectie dat er indicaties
zijn dat veel zzp’ers feitelijk onder gezag werken van de hoofdaannemer. Er is dan
sprake van schijnzelfstandigheid. Daarmee vallen deze werkenden als werknemer al onder
de Atw. De sector moet hier actie ondernemen, samen met aannemers en onderaannemers.
Ook kan een aanscherping van deze regelgeving in de spoorsector ertoe leiden dat de
opgave voor het spoor te veel onder druk komt te staan. Dit omdat het tot gevolg kan
hebben dat deze werkenden in andere sectoren aan de slag gaan. In de spoorsector is
nu al sprake van arbeidsmarktkrapte.
Wat nodig is, is een inzet van de sector die echt zijn vruchten afwerpt. De sector
is immers zelf primair verantwoordelijk voor gezonde en veilige werkomstandigheden
voor alle werkenden op of aan het spoor, overdag en in de nacht. In de Kamerbrief
van 27 juni 2025 staat beschreven welke inzet de sector al pleegt op het verbeteren
van de veiligheid van alle werkenden op of aan het spoor.
De sector neemt de uitkomsten van de verkenning van de Arbeidsinspectie mee in zijn
aanpak. Gelet op de risico’s voor de gezondheid en veiligheid in de nacht staat daarin
de vraag centraal hoe te komen tot een betere balans tussen werk overdag en in de
nacht. Voorop staat dat zowel in de nacht als overdag het werk gezond en veilig moet
gebeuren. Tot een betere balans komen tussen dag en nachtwerk is complex en vergt
tijd voor verder onderzoek. Het vraagt het bezien van de mogelijkheden om meer werkzaamheden
uit te voeren gedurende de dag. Daarvoor zijn onder meer aanpassingen nodig in de
werkwijze van het rijden en het onderhouden van het spoorsysteem. Nu leidt dit nog
tot veel onderhoud in de nacht.
Het Ministerie van IenW rapporteert eenmaal per jaar over de opvolging van de aanbevelingen
van de OvV. Het Ministerie van SZW blijft deelnemen aan de gesprekken over de verbeteringen
op het terrein van de arbeidsveiligheid in de nacht voor alle werkenden. De Arbeidsinspectie
houdt daarbij risicogericht toezicht op deze Arbowetgeving.
De verantwoordelijkheid in de keten op het gebied van gezond en veilig werken, voor
zowel opdrachtgevers, opdrachtnemers als zzp’ers, vind ik belangrijk. Hierbij kijk
ik in lijn met de uitwerking van de ketenverantwoordelijkheid in de Arbovisie 2040
breder naar de verhouding van zzp’ers tot de Atw en de Arbowetgeving.
3. Tot slot
In deze brief heb ik u geïnformeerd over de voortgang van de Arbovisie en over lopende
trajecten op het gebied van arbeidsomstandigheden. Voor een aantal van deze trajecten
heb ik gekozen voor een beleidswijziging ten opzichte van de lijn van het vorige kabinet.
Dit geldt voor de gedragscode, kidfluencers en de deskundigheidseis van de deskundige
medewerker. Het vinden van een balans tussen de bescherming van werkenden en de werkbaarheid
voor bedrijven speelt hierin mee.
Zo weinig mogelijk zieken en doden door werk, die ambitie uit de Arbovisie zet dit
kabinet voort. Samen met u zet ik mij ervoor in dat zoveel mogelijk mensen gezond
en veilig aan het werk zijn en hun pensioen halen.
Ik zal uw Kamer over de verdere voortgang blijven informeren.
De Minister van Werk en Participatie, A.A. Aartsen
Indieners
A.A. Aartsen, minister van Werk en Participatie