Inbreng verslag schriftelijk overleg : Inbreng verslag van een schriftelijk overleg over o.a. Verslag informele Raad Algemene Zaken van 11 mei 2026 (Kamerstuk 21501-02-3399)
2026D27875 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Binnen de vaste commissie voor Europese Zaken heeft een aantal fracties de behoefte
vragen en opmerkingen voor te leggen over de brief van de Minister van Buitenlandse
Zaken d.d. 1 juni 2026 inzake de geannoteerde agenda Raad Algemene Zaken van 16 juni
2026 (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3427), de brief d.d. 16 januari 2026 inzake de Kabinetsreactie AIV-advies loyale samenwerking
in de EU (Kamerstuk 36 715-31) en de brief d.d. 18 mei 2026 inzake het Verslag informele Raad Algemene Zaken van
11 mei 2026 (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3399).
De voorzitter van de commissie,
Van Meetelen
De griffier van de commissie,
Blom
Inhoudsopgave
I
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
II
Reactie van de Minister van Buitenlandse Zaken
I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de geannoteerde
agenda voor de Raad Algemene Zaken. Hierover hebben zij de volgende vragen.
De leden van de D66-fractie vragen hoe het kabinet staat tegenover het voorstel van
de Europese Commissie om hoofdstuk 2 van de onderhandelingen met Montenegro over toetreding
tot de Europese Unie (EU) te sluiten. Wat zijn de exacte aandachtspunten van het kabinet
bij de compromisteksten voor de gedeeltelijke algemene oriëntaties (PGA’s) en op welke
punten komen zij nog niet overeen met het kabinetsstandpunt?
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de geannoteerde
agenda ter voorbereiding op de Raad Algemene Zaken d.d. 16 juni 2026. Naar aanleiding
van deze agenda hebben de leden nog enkele vragen.
De leden van de VVD-fractie constateren dat het tijdens deze Raad onder andere zal
gaan over het Meerjarig Financieel Kader (MFK). Volgens de geannoteerde agenda kan
het kabinet zich grotendeels vinden in de inhoud van de gedeeltelijke algemene oriëntatie
voor het fonds voor Nationale en Regionale Partnerschapsplannen, het Europees Concurrentievermogenfonds
en Europa in de Wereld. Wel heeft het kabinet nog aandachtspunten in de verordeningen,
waaronder een verdere versterking van de rechtstaat. Op welke manier is het kabinet
van plan om via de betreffende verordeningen meer aandacht voor rechtstatelijke aspecten
te creëren? Houdt de inzet van het kabinet in dat bepaalde gelden uit de fondsen niet
naar lidstaten mogen vloeien waarbij de rechtstaat niet op orde is, of wordt hiermee
een andere vorm van versterking van de rechtstaat bedoeld? Wat zijn de andere aandachtspunten
betreffende de verordeningen waar het kabinet naar verwijst in de geannoteerde agenda,
en verwacht het kabinet dat er voor het bereiken van deze aandachtspunten een meerderheid
te vinden is?
De leden van de VVD-fractie constateren voorts dat er tijdens de Raad stil zal worden
gestaan bij de «Eén Europa, één markt»-routekaart. Deze leden ondersteunen de overkoepelende
intentie van deze routekaart om de regeldruk in Europees verband, daar waar mogelijk,
tegen te gaan. Welke stappen is het kabinet van plan te zetten om ervoor te zorgen
dat deze routekaart zo snel mogelijk tot concrete resultaten zal leiden?
De leden van de VVD-fractie stellen vast dat het tijdens de Raad ook zal gaan over
de Artikel 7-procedure die in 2018 tegen Hongarije is gestart. Net als het kabinet
menen deze leden dat de verkiezingswinst van Magyar een positieve ontwikkeling is.
Wel constateren zij dat het kabinet middels een Benelux-interventie aandacht zal vragen
voor de thema’s waarover richting Hongarije nog zorgen bestaan. Over welke thema’s
gaat het, en welke verbeteringen hebben er op deze thema’s sinds de installatie van
Magyar in Hongarije plaatsgevonden?
De leden van de VVD-fractie hebben tot slot nog enkele vragen over het EU-toetredingsproces
van Montenegro. Deze leden constateren dat er op 22 april 2026 een ad hoc werkgroep
is opgericht om een toetredingsverdrag met Montenegro op te stellen. Wat zijn tot
dusver de resultaten van deze ad hoc werkgroep? Op welke manier is deze werkgroep
van plan om invulling te geven aan de ambitie van de Europese Commissie om te werken
aan een nieuwe generatie EU-toetredingsverdragen? In hoeverre is dit begrip al concreet
ingevuld voor Montenegro, en wat zullen de consequenties hiervan voor Montenegro,
de EU, en Nederland zijn?
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda van de
Raad Algemene Zaken van 16 juni. Over deze agenda hebben deze leden de volgende vragen.
De leden van de PVV-fractie verzoeken het kabinet precies uiteen te zetten welke onderdelen
van de voorgestelde gedeeltelijke algemene oriëntaties voor de Nationale en Regionale
Partnerschapsplannen (NRPP), het Europees Concurrentievermogen en «Europa in de wereld»
onomkeerbare politieke of financiële gevolgen kunnen hebben, ondanks de stelling van
het kabinet dat er nog geen besluitvorming plaatsvindt over de overkoepelende financiële
elementen van het MFK.
De leden van de PVV-fractie verzoeken het kabinet per verordening aan te geven welke
bevoegdheden, beleidsruimte of uitvoeringsmacht verschuiven van lidstaten naar de
Europese Commissie.
De leden van de PVV-fractie verzoeken het kabinet aan te geven of het Europees Semester,
en de landenspecifieke aanbevelingen, volgens het kabinet ook gebruikt mogen worden
om Nederland aan te spreken op nationale keuzes rond belastingen, hypotheekrenteaftrek,
woningmarkt, pensioenstelsel, arbeidsmarkt en sociale zekerheid. Deze leden verzoeken
het kabinet te bevestigen dat landenspecifieke aanbevelingen formeel niet bindend
zijn, maar in de praktijk steeds vaker kunnen worden gekoppeld aan EU-financiering,
begrotingsregels en politieke druk vanuit Brussel.
De leden van de PVV-fractie verzoeken het kabinet toe te lichten waarom de Artikel 7-procedure
tegen Hongarije in de agenda expliciet wordt gekoppeld aan aansluiting bij het gemeenschappelijk
buitenlands- en veiligheidsbeleid, waaronder steun aan Oekraïne en sancties tegen
Rusland, en daarbij te bevestigen dat deze rechtsstaatprocedure en de beoordeling
van EU-financiering uitsluitend mogen worden gebaseerd op objectieve juridische voorwaarden
en niet mogen worden gebruikt als politiek drukmiddel om democratisch gekozen regeringen
tot buitenlandpolitieke gehoorzaamheid aan Brussel te dwingen.
De leden van de PVV-fractie verzoeken het kabinet uiteen te zetten welke concrete
gevolgen het onder voorbehoud sluiten van hoofdstuk 28 met Montenegro heeft voor het
verdere toetredingsproces. Deze leden verzoeken het kabinet daarnaast de mogelijke
gevolgen voor het onder voorbehoud sluiten van hoofdstuk 2 over vrij verkeer van werknemers
met Montenegro voor Nederland in kaart te brengen, waaronder druk op sociale voorzieningen
en extra druk op de arbeids- en woningmarkt.
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de kabinetsreactie op het advies
van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en hebben daarover nog enkele
vragen. Deze leden verzoeken het kabinet te bevestigen dat een tegenstem of het gebruik
van een veto door een lidstaat volgens de AIV niet kan worden beschouwd als een schending
van de plicht tot loyale samenwerking, en uiteen te zetten waarom het kabinet desondanks
inzet op afschaffing van het vetorecht binnen het Gemeenschappelijk Buitenlands- en
Veiligheidsbeleid en het Gemeenschappelijk Veiligheids- en Defensiebeleid.
De leden van de PVV-fractie verzoeken het kabinet daarnaast toe te lichten waar voor
het kabinet de grens ligt tussen een legitiem nationaal belang van een lidstaat en
zogenoemd «ondermijnend gedrag.»
De leden van de PVV-fractie verzoeken het kabinet uiteen te zetten hoe het begrip
«loyale samenwerking» wordt afgebakend, zodat dit niet kan worden gebruikt als politiek
drukmiddel tegen democratisch gekozen regeringen die een andere koers varen op migratie,
klimaat, buitenlandbeleid of EU-uitbreiding.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de geannoteerde
agenda voor de Raad Algemene Zaken van 16 juni 2026 en het AIV-advies «De kracht van
loyale samenwerking binnen de EU», en de kabinetsreactie daarop. Deze leden delen
de kernboodschap van het advies dat Europese samenwerking niet vrijblijvend is. Juist
in een tijd van oorlog op het Europese continent, geopolitieke druk en economische
onzekerheid moet de Europese Unie slagvaardig zijn. Dat vraagt om lidstaten die elkaar
ruimte geven, maar ook om lidstaten die gemaakte afspraken nakomen. Wie lid is van
een rechtsgemeenschap, kan immers diezelfde rechtsgemeenschap niet van binnenuit ondermijnen.
Deze leden hebben enkele vragen bij het advies en de kabinetsreactie.
Kabinetsreactie AIV-advies loyale samenwerking in de EU
Aanbeveling 1: Zorg dat ondermijnend gedrag niet loont
De leden van de CDA-fractie steunen het uitgangspunt dat ondermijnend gedrag niet
mag lonen. Kan het kabinet concreet maken waar voor Nederland de rode lijn ligt? Welke
gedragingen kwalificeert het kabinet als «ondermijnend gedrag»? De AIV adviseert om
ondermijnend gedrag in het buitenlandbeleid waar mogelijk te omzeilen, onder meer
door vaker gebruik te maken van gekwalificeerde meerderheid, constructieve onthouding
of nauwere samenwerking. Deze leden zijn positief over «constructieve onthouding».
Dat kan voorkomen dat één lidstaat de hele EU blokkeert. Is het kabinet bereid in
EU-verband te pleiten voor een politieke afspraak dat lidstaten een veto of constructieve
onthouding altijd schriftelijk en openbaar motiveren? Zou dat volgens het kabinet
helpen om misbruik van het veto tegen te gaan?
De leden van de CDA-fractie vinden het zorgelijk als nationale leiders tijdens een
EU-voorzitterschap de indruk wekken namens de EU te spreken, terwijl zij afwijken
van de gezamenlijke EU-lijn. Deelt het kabinet dat dit de geloofwaardigheid van de
EU kan schaden, bijvoorbeeld richting Rusland? Welke maatregelen zijn genomen om te
voorkomen dat een roulerend EU-voorzitterschap wordt gebruikt voor nationale buitenlandpolitiek
die haaks staat op de EU-lijn?
Aanbeveling 2: Benut de politieke gereedschapskist om de cultuur van loyale samenwerking
en onderling vertrouwen te versterken
De leden van de CDA-fractie constateren dat de AIV het belang benadrukt van politieke
dialoog, onderling vertrouwen en het bespreekbaar maken van loyale samenwerking. Is
het kabinet bereid loyale samenwerking actief te agenderen in de Raad Algemene Zaken,
zoals de AIV adviseert? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet? De AIV stelt
verder dat vertrouwen vraagt om diplomatieke investering en kennis van het Europese
krachtenveld. Het kabinet erkent dat het postennet hierbij belangrijk is om goed zicht
te krijgen op het krachtenveld. Deze leden vragen of het kabinet concreet kan maken
wat dit betekent voor de Nederlandse posten in EU-lidstaten en voor de Permanente
Vertegenwoordiging. Komt er extra capaciteit voor rechtsstaat, EU-besluitvorming en
coalitievorming? Hoe wordt geborgd dat Nederlandse diplomaten voldoende Europese ervaring
opbouwen?
Aanbeveling 3: Benut de juridische gereedschapskist om niet-loyale samenwerking tegen
te gaan ten volle
De leden van de CDA-fractie steunen een strenge koppeling tussen EU-geld en respect
voor rechtsstaat en fundamentele rechten. Nederlands belastinggeld mag niet bijdragen
aan regeringen die de rechtsstaat afbreken of de Unie ondermijnen. De AIV wijst op
Artikel 7 en op mogelijkheden om EU-subsidies stil te leggen bij schending van fundamentele
waarden. Deze leden vragen of het kabinet kan toelichten welke concrete voorstellen
Nederland hiervoor op tafel legt. Gaat het kabinet bijvoorbeeld pleiten voor automatische
opschorting van fondsen bij ernstige rechtsstaatschendingen? Hoe denkt het kabinet
te kunnen voorkomen dat lidstaten elkaar blijven beschermen en Artikel 7 daardoor
tandeloos blijft? De AIV adviseert om de juridische gereedschapskist volledig te benutten,
waaronder inbreukprocedures en procedures bij het Hof van Justitie van de EU. Het
kabinet stelt dat het primaat voor inbreukprocedures bij de Europese Commissie ligt.
Deze leden begrijpen dat uitgangspunt, maar vragen wel onder welke voorwaarden het
kabinet bereid is zelf, samen met gelijkgezinde lidstaten, juridische stappen te zetten.
Welke lessen trekt het kabinet uit zaken waarin Nederland samen met andere lidstaten
aan de zijde van de Commissie optreedt bij schending van fundamentele EU-waarden?
Tot slot vragen de leden van de CDA-fractie of het kabinet bereid is jaarlijks, bijvoorbeeld
bij de Staat van de Europese Unie, te rapporteren over gevallen van ondermijnend gedrag,
de Nederlandse inzet daarop, het gebruik van rechtsstaatinstrumenten, blokkades in
het Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid en de voortgang op meer meerderheidsbesluitvorming.
Geannoteerde agenda voor de Raad Algemene Zaken van 16 juni 2026
De leden van de CDA-fractie lezen dat de Raad een eerste bespreking voert over het
lentepakket en de landenspecifieke aanbevelingen. Deze leden hechten aan gezonde overheidsfinanciën
en een stabiele eurozone. Lidstaten moeten hervormen waar dat nodig is en hun begroting
op orde houden. Kan het kabinet aangeven welke hoofdlijn het verwacht in de aanbevelingen
voor Nederland? Op welke punten verwacht het kabinet aanbevelingen over woningbouw,
arbeidsmarkt, productiviteit, investeringsklimaat, energie-infrastructuur en defensie-uitgaven?
De leden van de CDA-fractie lezen dat het wetgevingsprogramma voor 2026 zich richt
op onder meer defensie en veiligheid, simplificatie en bescherming van democratie
en waarden. Kan het kabinet een overzicht geven van de wetgevingsvoorstellen die Nederland
in 2026 het meest belangrijk vindt? Welke voorstellen wil Nederland versnellen, welke
wil Nederland aanpassen en welke wil Nederland tegenhouden?
De leden van de CDA-fractie lezen dat de Artikel 7-procedure tegen Hongarije opnieuw
wordt besproken. Zij zien dat de verkiezingsuitslag in Hongarije hoopvol kan zijn,
maar delen de lijn dat de procedure pas kan worden afgerond als de rechtsstaat duurzaam
is hersteld, zoals ook vervat in de aangenomen motie-Van Lanschot c.s. (Kamerstuk
21 501-02, nr. 3383). Kan het kabinet aangeven welke concrete hervormingen Hongarije wat het kabinet
betreft moet doorvoeren voordat beëindiging van de Artikel 7-procedure aan de orde
kan zijn?
De leden van de CDA-fractie vragen daarnaast of het kabinet concreet kan aangeven
onder welke voorwaarden Hongarije weer aanspraak kan maken op 16,4 miljard euro aan
geblokkeerde EU-subsidies. Welke hervormingen moeten hiervoor gerealiseerd worden?
De leden van de CDA-fractie lezen dat hoofdstuk 28 over consumenten- en gezondheidsbescherming
onder voorbehoud kan worden gesloten met Montenegro. Kan het kabinet toelichten welke
benchmarks volledig zijn gehaald en welke stappen nog openstaan? Hoe wordt na sluiting
onder voorbehoud gecontroleerd dat hervormingen ook echt worden uitgevoerd?
De leden van de CDA-fractie constateren ten slotte dat Griekenland in aanloop naar
de Europese Raad van 18–19 juni 2026 officieel een amendement heeft ingediend op de
concept-Raadsconclusies, waarmee aan de Commissie gevraagd wordt een stresstest uit
te voeren op de binnenlandse productiecapaciteit van brandstoffen in vredes- en crisistijden
om de potentiële risico’s voor de defensieparaatheid, de leveringszekerheid en de
strategische autonomie te beoordelen. Deze leden vragen hoe het kabinet tegen dit
amendement aankijkt.
II. Reactie van de Minister van Buitenlandse Zaken
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
R.F. van Meetelen, voorzitter van de vaste commissie voor Europese Zaken -
Mede ondertekenaar
L.B. Blom, griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.