Brief regering : Verslagen financieel toezicht provincies 2026
36 800 B Vaststelling van de begrotingsstaat van het gemeentefonds voor het jaar 2026
36 800
C
Vaststelling van de begrotingsstaat van het provinciefonds voor het jaar 2026
Nr. 27
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 8 juni 2026
Hierbij bied ik u het toezichtverslag 2026 aan (bijlage 1). Dit verslag geeft een
overzicht van de bevindingen van het door mijn ministerie uitgeoefende financiële
toezicht op de provincies en de gemeenschappelijke regelingen, waaraan provincies
deelnemen uit hoofde van artikel 207 van de Provinciewet. Daarnaast ontvangt u een
overzicht van de financiële kengetallen van provincies (bijlage 2).
Ook zend ik u ter kennisneming het gezamenlijk door de provincies opgestelde verslag
over het door hen uitgeoefende financieel toezicht op de begrotingen 2026 en meerjarenramingen
2027–2029 van gemeenten en de gemeenschappelijke regelingen, waar gemeenten aan deelnemen
(bijlage 3). Hierbij treft u ook een overzicht van het aantal gemeenten en gemeenschappelijke
regelingen, dat onder preventief toezicht staat in 2026 (bijlage 4).
De provinciale toezichthouders geven in hun verslag aan dat circa 90% van de gemeenten
erin is geslaagd om een structureel sluitende begroting 2026 vast te stellen. Daar
staat tegenover dat de meerjarenraming 2027–2029 bij ongeveer de helft van de gemeenten
niet structureel sluitend is. De provinciale toezichthouders geven aan dat dit wordt
veroorzaakt door de terugloop van de algemene uitkering vanaf 2028 in combinatie met
stijgende lasten vanwege de inflatie en de oplopende zorgkosten. Maatregelen die de
provinciaal toezichthouders gemeenten zien nemen, betreffen het bezuinigen op de uitgaven,
het verhogen van de lokale belastingopbrengsten en, waar dit toegestaan is, het inzetten
van reserves. Verder benoemen de toezichthouders een aantal onzekerheden. Dit betreft
onder meer onzekerheid over de omvang van de algemene uitkering uit het gemeentefonds,
de herijking van het gemeentefonds, de tekorten bij de jeugdzorg, onduidelijkheid
over de benodigde meerjarige investeringen en de krapte op de arbeidsmarkt.
Het kabinet heeft oog voor de financiële positie van gemeenten en is zich ervan bewust
dat het een gedeelde verantwoordelijkheid is van Rijk en gemeenten om samen aan de
balans tussen ambities, taken, middelen en uitvoeringskracht te werken. Dit kabinet
ziet goede interbestuurlijke verhoudingen als essentieel om de grote maatschappelijke
vraagstukken effectief aan te pakken, zoals in het rapport «Samen bouwen aan resultaten»
van de Studiegroep Interbestuurlijke Verhoudingen terecht is geschreven, en werkt
met medeoverheden aan een samenwerkingsagenda, waarin wordt vastgelegd op welke maatschappelijke
opgaven wordt samengewerkt en op welke wijze dit gebeurt. Ten aanzien van de genoemde
onzekerheden rondom jeugd en breder in het sociaal domein, werken het Rijk en de VNG
door aan nieuwe financiële arrangementen voor Jeugdzorg en de Wet maatschappelijke
ondersteuning (Wmo) die (beter) aansluiten bij de (financieel) bestuurlijke verhoudingen
en meer duidelijkheid en voorspelbaarheid voor betrokken partijen bieden. Ten aanzien
van de herijking van het gemeentefonds en de verdeling per 1 januari 2027 is uw Kamer
via brief van 30 mei 2026 geïnformeerd1.
De provinciale toezichthouders constateren echter ook dat ondanks de begrote tekorten,
81% van de gemeenten in de laatste jaarrekening (2024) een positief resultaat2 laat zien. De belangrijkste redenen die hiervoor door de toezichthouders worden genoemd,
zijn dat vooraf de investeringsuitgaven te hoog worden geraamd, net als de personeelsuitgaven.
De eigen belastinginkomsten worden juist te laag geraamd. Ook noemen de toezichthouders
dat het Rijk gedurende het jaar met extra middelen komt, die gemeenten dan niet meer
kunnen uitgeven.
Eerder is bij brief van 4 oktober 2025 aan uw Kamer3 toegezegd om bezien of bij de financiële beoordeling van gemeenten de huidige norm
van structureel en reëel (SRE) evenwicht aangevuld kan worden. De redenen hiervoor
zijn onder meer dat het onderscheid tussen structurele- en incidentele baten en lasten
soms moeilijk is te maken, dat de SRE-norm onvoldoende inzicht geeft in de financiële
risico’s en dat ook andere kengetallen op het vlak van eigen vermogen, wendbaarheid
en weerbaarheid een rol zouden moeten spelen bij het uiteindelijke toezichtoordeel
van de financiële toezichthouders.
Op grond hiervan zijn gesprekken gevoerd met de VNG, verschillende gemeenten en de
provinciale toezichthouders. Deze gesprekken hebben geleid tot een aantal mogelijke
opties voor aanvulling van de SRE-norm. Uw Kamer is over deze opties geïnformeerd
bij brief van 10 december 20254. Op het ogenblik bezie ik met de diverse partijen, welke van deze opties de voorkeur
verdient en welke stappen gezet moeten worden om dit verder te formaliseren. Hierbij
zal worden meegewogen dat deze opties geen verzwaring van het toezicht betekenen en
dat er geen verhoging van de administratieve lasten plaatsvindt voor de gemeenten
en provincies. Aangesloten wordt dan ook bij reeds beschikbare informatie op basis
van de Informatie voor derden (Iv3) en Planning & Control-documenten. Over de verdere
stand van zaken hiervan zal ik uw Kamer separaat informeren.
Zo lang er nog geen keuze is gemaakt uit bovenstaande opties, zal vanzelfsprekend
door de financiële toezichthouders vastgehouden worden aan de toepassing van de huidige
regelgeving op het vlak van het financiële toezicht, zoals nader uitgewerkt in het
Gemeenschappelijk Toezichtkader (GTK).
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
P.E. Heerma
Ondertekenaars
P.E. Heerma, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties