Brief regering : Transitie Proefdiervrije Innovatie (TPI) en dierproeven
32 336 Dierproeven
Nr. 173
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN LANDBOUW, VISSERIJ, VOEDSELZEKERHEID EN NATUUR
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 5 juni 2026
Met deze brief informeer ik de Kamer over mijn inzet op dierproeven en de transitie
naar proefdiervrije innovatie (paragraaf I), gevolgd door de uitvoering van diverse
moties en toezeggingen op dit beleidsterrein (paragraaf II). Hiermee kom ik, vooruitlopend
op het Commissiedebat dieren buiten de veehouderij van d.d. 3 september 2026, tegemoet
aan de wens van de Kamer om te vernemen wat mijn inzet is op dit beleidsterrein.
I. Inzet op dierproeven en transitie naar proefdiervrije innovatie
Er is een brede maatschappelijke wens om dierproeven af te bouwen. Niet alleen vanwege
het ethische aspect, maar ook omdat dierproeven geregeld onvoldoende opleveren bij
het ontwikkelen van nieuwe behandelingen voor de mens. Afbouwen kan echter niet van
de één op de andere dag, maar vergt een lange adem. Zo zijn er nog niet voor alle
dierproeven bewezen proefdiervrije methoden, en kan één proefdiervrije methode meestal
niet een dierproef in het geheel vervangen. Nieuwe geneesmiddelen en chemicaliën moeten
getest worden op hun veiligheid en werkzaamheid. Ook voor dit soort testen zijn er
nog niet voldoende proefdiervrije methoden om zonder gebruik van dierproeven het huidige
beschermingsniveau van mens, dier en milieu te waarborgen.
Alle dierproeven worden geregistreerd en daar wordt jaarlijkse over gerapporteerd
in de Zodoende. In 2024 zijn totaal 435.263 dierproeven uitgevoerd in Nederland (bijlage
1). Dit betekent een lichte stijging ten opzichte van 2023, maar nog steeds een daling
ten opzichte van 2022. Het aantal dierproeven schommelt daarmee jaarlijks rond de
450.000. Hoewel de Zodoende cijfers inzicht geven in de totale aantallen, biedt het
weinig informatie over hoe het dierproevengebruik in Nederland zich ontwikkelt per
domein. Immers, de inzet ervan fluctueert sterk per toepassing, zo maakten de wettelijk
verplichte dierproeven in 2024 ongeveer een derde van het totaal uit, en fundamenteel
onderzoek en toegepast onderzoek elk minder dan 20%. Ieder jaar bied ik deze cijfers
aan aan de Kamer, echter zijn de cijfers over 2024 wat later dan gebruikelijk. Dit
is het gevolg van een wijziging in de uitvoering van de registratie van dierproeven.
Per 2025 is de wettelijke taak voor registratie overgedragen van de Nederlandse Voedsel-
en Warenautoriteit (NVWA) naar de organisatie die tevens de werkzaamheden van het
CCD en de NCad ondersteunt, het Ondersteunend Bureau Dierproeven en Alternatieven
(OBDA). Hiermee zijn een aantal taken die samenhangen met het dierproevenbeleid logisch
bij elkaar gebracht. De cijfers over 2025 zullen naar verwachting op het gebruikelijke
tijdstip worden gepubliceerd (uiterlijk Q1 2027). Om meer inzicht te krijgen in de
trends per toepassingsdomein over de jaren heen, werkt het Nationaal Comité advies
dierproevenbeleid (NCad) momenteel aan een duiding van de dierproevencijfers. Deze
adviesvraag zal meer inzicht bieden in hoe domeinen, waar dierproeven worden ingezet,
zich ontwikkelen, welke trends er zijn en waar aangrijpingspunten liggen voor beleid.
Deze duiding wordt half juni verwacht.
Dierproeven mogen niet zomaar uitgevoerd worden in Nederland, dat is geregeld in de
Wet op Dierproeven. De Centrale Commissie Dierproeven (CCD) ziet toe op het gebruik
van dierproeven en geeft pas een vergunning af wanneer het belang van de proef zwaarder
weegt dan het dierenleed. Hierbij geldt een «nee, tenzij» principe wat betekent dat
een dierproef in beginsel verboden is, tenzij er geen proefdiervrije methoden beschikbaar
zijn. De kern van mijn beleid is dan ook om in te blijven zetten op opbouw van proefdiervrije
innovatie, zodat over de tijd steeds meer afbouw van dierproeven mogelijk wordt. Hiervoor
moeten proefdiervrije methoden doorontwikkeld worden tot gevalideerde, reproduceerbare
en breed erkende proefdiervrije methoden, die bewezen minstens even goede of betere
resultaten leveren dan dierproeven. Dit vraagt niet alleen om technologische ontwikkelingen
maar ook om transparantie (bijv. Preclinicaltrials.eu1), vindbaarheid van onderzoeksmodellen (o.a. via AI) en laagdrempelige toegang tot
experts op het gebied van proefdiervrije innovaties.
Om toegang tot die expertise te verbeteren heb ik een haalbaarheidsstudie laten doen
(bijlage 2). Het rapport benadrukt het belang van kennisverbinding: hoewel er veel
informatie over New Approach Methodologies (NAMs, een in het veld gangbare term voor
proefdiervrije innovaties) beschikbaar is, is niet altijd duidelijk of deze methoden
passen bij specifieke onderzoeksvragen. Experts kunnen hierin adviseren en daarvoor
is nu een helpdesk beschikbaar genaamd Suppo3Rt. Er is enthousiasme voor Suppo3Rt, inmiddels zijn er drie casussen succesvol behandeld. De Universiteit Utrecht geeft
in het rapport de volgende vijf adviezen:
1. Implementatie Suppo3Rt met kosteloze deelname voor bekendheid en financieel plan.
2. Succesverhalen delen via nieuwsbrieven, sociale media en congressen.
3. Betrek IvD’s, DEC’s en financiers om hulpvragen te stimuleren.
4. Onderzoek Europese profilering en verduurzaming financiële basis.
5. Overweeg dringend advies bij vergunningsaanvragen met veel proefdieren of ernstig
ongerief.
De eerste drie adviezen zijn al uitgevoerd met een 2-jarige subsidie. Ik neem de overige
twee adviezen ook over en ga hier ook nader met de CCD over in gesprek.
Een transitie is een dynamisch proces, dat zich niet in een rechte lijn laat plannen
en waar veel factoren van invloed zijn. En blijft, zoals gezegd, het gebruik van proefdieren
nog noodzakelijk. Zo is het onderzoeken en testen op bepaalde complexe processen in
het lichaam, zoals het immuunsysteem, nog niet mogelijk zonder proefdieren. Waar proefdieren
nog nodig zijn is het natuurlijk van belang dat het welzijn van proefdieren goed geborgd
is. Daar zet ik op in met het zogenoemde 3V-beleid, gericht op het vervangen, verminderen
en verfijnen van proefdieronderzoek. Aan de andere kant zien we dat bijvoorbeeld bij
het onderzoek gericht op individuele organen van de mens proefdiervrije innovaties
inmiddels veelbelovende resultaten laten zien. Voor onderzoek naar schadelijkheid
voor de lever van potentieel nieuwe geneesmiddelen, zijn deze nieuwe testsystemen
geschikter dan dierproeven. Ook wordt er binnen Ombion2 gewerkt aan een model waarmee met cellen van een patiënt zogenoemde organoïden (een
soort mini-orgaantjes) kunnen worden gemaakt. Hiermee kan voor patiënten met taaislijmziekte
beter worden ingeschat welke behandeling bij hen zal aanslaan.
Onderzoeksvelden verschillen in de mate waarin proefdiervrije innovaties toegepast
kunnen worden, daarom blijft het nodig de focus te houden op waar de meeste kansen
liggen.
Ik zet mij onverminderd in om de transitie te versnellen en ben daarom blij dat een
steeds grotere groep zich aansluit bij de missie «Beter voorspellen zonder proefdieren»
van het TPI-partnerprogramma. In dit programma werk ik, met inmiddels 13 partners,
samen aan de ambitie om Nederland als katalysator van de Europese transitie naar proefdiervrije
innovatie verder te positioneren. Dat samenwerking met partners van tot succes kan
leiden blijkt wel uit de toekenning van € 124,5 miljoen uit het Nationaal Groeifonds
voor het Ombion centrum. Hiermee heeft Nederland een gespecialiseerd centrum voor
proefdiervrije biomedische translatie gekregen wat werkelijk uniek is in Europa. Samen
met 60 partners, van academie tot industriële toepassing en regulatoire implementatie
wordt over de hele kennisketen gewerkt aan het opschalen van proefdiervrije innovatie,
mét daarbij het creëren van bedrijvigheid. De betrokkenheid van de steeds groter wordende
en diverse groep aan stakeholders binnen Ombion en het TPI-partnerprogramma laat zien
dat deze aanpak werkt en dat dit steeds meer kansen biedt voor allerlei partijen.Stichting
Young TPI maakt daar ook onderdeel vanuit, zij spelen een belangrijke rol in het betrekken
van de volgende generaties bij de transitie. Daarom blijf ik stichting Young TPI ondersteunen3, zodat ook de volgende generatie meedenkt over de transitie en waar mogelijk proefdiervrije
keuzes maakt.
Voor wettelijk vereiste veiligheidstests waar dierproeven nog nodig zijn is internationale
afstemming noodzakelijk. Veel dierproeven die voor dit doeleinde worden ingezet zijn
vastgelegd in internationale richtlijnen. Daarnaast gelden in verband met het gelijke
speelveld binnen de hele EU dezelfde regels gelden voor het gebruik van dierproeven.
Dit maakt dat sturen op de transitie niet alleen in Nederland kan maar juist ook op
Europees en internationaal niveau moet. Nederland wordt in Europa als voorloper in
de transitie naar proefdiervrije innovatie gezien. Dat biedt kansen voor samenwerking
met de Europese Commissie en andere lidstaten om gericht de validatie van proefdiervrije
innovaties te ondersteunen, met internationale impact. Ik zal daarom in Europa blijven
pleiten voor versnelling van de internationale acceptatie van proefdiervrije innovaties.
Dit doe ik in twee Europese trajecten:
European Research Area beleidsvoorstel (ERA)
Met het ERA-voorstel gaat het innovatiebeleid rondom proefdiervrije innovaties tussen
EU-lidstaten en de Europese Commissie gestroomlijnd worden. Als een van de initiators
vormt Nederland samen met de Commissie en stakeholder EU-life de stuurgroep van de
ERA. We hebben 18 lidstaten aan het New Approach Methodology4 ERA-voorstel weten te binden. Nu ook de experts uit alle deelnemende lidstaten zijn
betrokken is het project definitief van start gegaan. Vier werkgroepen gaan werken
aan belangrijke thema’s in de transitie naar proefdiervrije innovatie, specifiek binnen
biomedisch onderzoek en het testen van geneesmiddelen:
• Prioritering van ontwikkeling van NAMs die effectief bepaalde dierproeven kunnen vervangen
en het stroomlijnen van Europese onderzoekinfrastructuren;
• Opstellen van criteria waar NAMs aan moeten voldoen om gekwalificeerd te worden voor
opname in wettelijk vereiste tests van geneesmiddelen en het aanwijzen van kansrijke
NAMs;
• Identificeren en verspreiden van best practices binnen onderwijsprogramma’s door Europa en het opstellen van onderwijsmodules, voor
de opleiding van studenten, wetenschappers en autoriteiten in de toepassing van NAMs;
• Werken aan bewustzijn rondom het gebruik van NAMs en dierproeven, het vergroten van
transparantie van resultaten en bijdragen aan Open Science.
Nederland kan een grote bijdrage leveren aan de doelen van de ERA. Nederlandse partijen,
waaronder TPI-partners, zijn goed vertegenwoordigd in de werkgroepen. Voor de financiering
van de activiteiten binnen de ERA is er onder leiding van Ombion een subsidieaanvraag
bij de Commissie ingediend. Samen met mijn trekkersrol vanuit de ERA-stuurgroep, biedt
dit project de ideale gelegenheid om het TPI-beleid breder te verspreiden binnen Europa.
Roadmap van Europese Commissie
Ik ben blij dat de Europese Commissie het langverwachte stappenplan voor uitfasering
van dierproeven voor het testen van chemische stoffen recent heeft gepubliceerd. Volgens
de gebruikelijke procedure zal ik de Kamer informeren over mijn appreciatie en inzet
ten aanzien van dit stappenplan door middel van een BNC-fiche. Deze hoop ik halverwege
juli met de Kamer te kunnen delen.
Ik vind het belangrijk dat die Roadmap effect gaat hebben en wil dat Nederland daar
een bijdrage aan gaat leveren. Daarom laat ik in kaart brengen welke stappen belangrijk
zijn in het proces van ontwikkeling naar implementatie van NAMs op het gebied van
chemische stoffen. Deze kennis zal inzicht bieden in wat beleidsmakers kunnen doen
om implementatie van NAMs te bespoedigen, en is daardoor ook relevant voor het stappenplan
van de Commissie. Het overzicht dat ik laat maken zal ik in een workshop laten toetsen
met internationale beleidsadviseurs. Het doel is om, samen met de Commissie en vertegenwoordigers
uit verschillende landen te verkennen welke beleidsinterventies effectief zijn om
verschillende fases van het NAMs implementatieproces te versnellen, en zo ook bij
te dragen aan de implementatie van het stappenplan van de Commissie.
II. Uitvoering van moties en toezeggingen
a) Inzet van AI voor vinden van proefdiervrije innovatie
Deze motie van lid Wassenberg (Kamerstuk 32 336 nr. 129, van d.d. 7 juni 2022) verzoekt de regering om te zorgen dat kunstmatige intelligentie
(AI) ingezet wordt om het zoeken naar het beste onderzoeksmodel eenvoudig te maken
en zo onnodige dierproeven te voorkomen. Ter uitvoering van deze motie heeft TNO in
opdracht van LVVN een digitaal platform INoVAhub5 ontwikkeld. Dit platform is in het najaar van 2025 gelanceerd. Dit gratis platform
biedt onderzoekers een tool om te zoeken naar het beste model voor een onderzoeksvraag,
waarbij beschikbare proefdiervrije innovaties zichtbaar en vergelijkbaar worden gemaakt.
Ik beschouw daarmee deze motie als afgedaan.
b) Knelpunten van lab naar praktijk
In het debat van 29 januari 2025 is toegezegd om de Kamer te informeren over de voortgang
op zowel de validatie- als de financiële routekaart (TZ202502-024). Deze toezegging
houdt verband met twee eerdere moties:
i. Motie van de leden De Groot en Valstar van d.d. 20 mei 2021 (Kamerstuk 32 336, nr. 117) die de regering oproept in kaart te brengen hoe de knelpunten op de route van laboratorium
naar praktijk voor dierproefvrije innovaties kunnen worden weggenomen en
ii. Motie van de leden De Groot en Haverkort van d.d. 7 juni 2022 (Kamerstuk 32 336, nr. 139) die de regering verzoekt waar mogelijk knelpunten op de route van lab naar praktijk
op te lossen, en hierover jaarlijks te rapporteren aan de Kamer.
Als invulling van deze moties zijn zowel een validatie- als een financiële routekaart
ontwikkeld6. De validatie routekaart, de NAM Navigator genoemd, is als eerste in gebruik genomen,
de Kamer is in juni vorig jaar over de lancering geïnformeerd7. De tweede routekaart, de NAMs Funding Compass, is nu ook gereed. Deze webapp biedt een uitgebreid overzicht aan financieringsinstrumenten
die aansluiten bij de eerste ontwikkeling tot en met het naar de markt brengen van
proefdiervrije innovaties. De tool is beschikbaar op de website van het TPI-programma8.
Zoals de tweede motie verzocht, is de Kamer gedurende de ontwikkeling jaarlijks over
de voortgang, op de routekaarten en aanvullende activiteiten om knelpunten aan te
pakken, geïnformeerd. Met de oplevering van beide routekaarten beschouw ik deze twee
moties en de toezegging9 als afgedaan.
c) Inzetten op proefdiervrije innovatie
Met de motie van leden Graus, Van Campen en Flach van d.d. 20 februari 2025 (Kamerstuk
32 336 nr. 163) wordt de regering verzocht, waar en indien mogelijk in te zetten op proefdiervrije
modellen en testen. Het stimuleren van ontwikkeling, validatie en implementatie van
proefdiervrije innovaties en het terugdringen van dierproeven, zijn de kern van mijn
TPI-beleid. Ter uitvoering van deze motie geef ik een extra impuls in een specifiek
domein. Ik ga Wageningen Food Safety Research (WFSR) opdracht geven om een volledig
diervrije NAM op het terrein van voedselveiligheid te ontwikkelen. WFSR heeft veel
ervaring met ontwikkeling en implementatie van NAMs. De goede contacten van WFSR met
de regelgevende instanties op het terrein van voedselveiligheid, zorgen voor goede
kansen op een uiteindelijke implementatie van de methode in de internationaal geaccepteerde
testrichtlijn. Ook zal er binnen dit project gewerkt worden aan volledig diervrij
maken van al geaccepteerde NAMs, aangezien sommige NAMs bijvoorbeeld nog wel gebruik
maken van dierlijke producten. Hiermee beschouw ik deze motie als afgedaan.
d) Proefdiervrije methoden meer stimuleren, bijvoorbeeld door overheidssubsidies voor
dierproeven stapsgewijs over te hevelen
Met deze motie van leden Kostić, den Hollander, Grinwis en Graus (Kamerstuk 36 600 XIV nr. 53, d.d. 17 oktober 2024) wordt de regering verzocht om te onderzoeken hoe de ontwikkeling
en toepassing van innovatieve, proefdiervrije methoden meer kan worden gestimuleerd,
bijvoorbeeld door overheidssubsidies voor dierproeven stapsgewijs over te hevelen,
zonder gevolgen voor noodzakelijk onderzoek naar levensbedreigende ziekten en infectieziekten.
Adviesbureau Andersson Elffers Felix (AEF) bracht in opdracht van LVVN vijf beleidsopties
in kaart, deze zijn in het bijgevoegde rapport «Slim versnellen» (bijlage 3) beschreven. Uit gesprekken die AEF voerde bleek dat de ambitie om de
transitie te versnellen breed wordt gedeeld, al verschillen de meningen over route,
tempo en eindpunt. Hieronder ga ik in op de 5 beleidsopties uit het rapport.
1. Overhevelen van publieke financiering
AEF concludeert dat het verplaatsen van publieke middelen van proefdier- naar proefdiervrij
onderzoek weinig effect zal hebben, omdat er nauwelijks specifieke budgetten voor
proefdieronderzoek bestaan. Bovendien kan rigide financiële druk de polarisatie vergroten
en de transitie vertragen. Zowel het huidige AEF-rapport als eerdere bevindingen van
Technopolis Group (2020)10 bevestigen dat deze optie zowel qua doeltreffendheid als doelmatigheid tekortschiet.
Op basis hiervan oordeel ik dat overhevelen van financiering geen doelmatige of effectieve
ingreep is.
2. Erkennings- en waarderingsbeleid
Het rapport bevestigt de positieve werking van zachte stimulering van prijzenswaardige
initiatieven uit het veld. Ik onderschrijf dit en maak hier al gebruik van in mijn
beleid. Voorbeelden zijn de streefbeelden, deze visies zijn door de onderzoeksdomeinen
zelf geformuleerd, en schetsen de gewenste toekomst voor hun vakgebied ten aanzien
van de ontwikkeling van proefdiervrije innovaties. Ik steun deze initiatieven en versterk
ze met een nieuwe prijs voor jonge onderzoekers: de NAM-stimuleringsprijs (€ 3.000/jaar).
Onderzoeksfinancier ZonMw zal deze prijs de komende 10 jaar uitreiken, eerst voor
het cardiovasculair onderzoeksdomein en later ook voor neurologie en immunologie.
3. Trajectfinanciering NAMs
AEF adviseert om in te zetten op financiering van het hele NAM-onderzoekstraject, van ontwikkeling tot validatie en implementatie. Dit helpt de «valley
of death» weg te nemen en heeft brede steun in het veld. Ik onderschrijf dit advies,
dat ook onderdeel is van mijn beleid. Een voorbeeld is het groeifondsproject Ombion,
binnen dit centrum is er bij uitstek aandacht voor de financiering van de gehele kennisketen.
Maar ook andere initiateven zoals de Nederlandse Wetenschaps Agenda-subsidie «Do-React»
en het ERA-project zijn gericht op validatie en implementatie van NAMs. Ook TPI-partners
zetten hierop in, zoals de organ-on-chip oproep van Health-Holland.
4. Publiek-private samenwerking
In het rapport wordt publiek-private samenwerking voor de transitie benadrukt. De
ervaring is dat bedrijven vaak pas na de academische proof-of-conceptfase betrokken
worden, wat de ontwikkeling van NAMs kan vertragen. De private partijen zijn vaak
de eindgebruikers en ik onderschrijf het belang dat zij eerder in het proces moeten
worden betrokken. Het TPI-partnerprogramma en financieringsinstrumenten, zoals genoemd
onder het kopje over de trajectfinanciering, stimuleren deze samenwerking. Ombion
speelt ook daar een belangrijke rol, inmiddels hebben zij al 59 stakeholders, waaronder
veel bedrijven, aan zich gebonden. Ik ben ervan overtuigd dat op basis hiervan er
op dit moment voldoende ruimte is voor publiek-private samenwerking en ook voor het
vroegtijdig betrekken van het bedrijfsleven, zoals AEF adviseert.
5. Versterken van bewustzijn en infrastructuur in het onderwijs
Het rapport adviseert de inzet op bewustzijn en infrastructuur van NAMs voor het onderwijs
te versterken. Bestaande initiatieven, zoals opleidingen via Ombion, de minor en master
aan de Hogeschool Utrecht11, het FCS-free project van het Utrecht 3R centre (3RCU) en het ERA-beleidstraject, dragen hier al aan bij. Ik onderschrijf het belang van onderwijs voor de
implementatie van nieuwe methoden en zal de Kamer jaarlijks informeren over de voortgang
binnen de ERA-werkgroep die de beschikbaarheid van trainingen & opleidingen in beeld
brengt.
Met de aanbieding van het AEF-rapport en mijn zienswijze hierop, beschouw ik de motie
en toezegging (TZ202502-023), om de resultaten van het onderzoek met de Kamer te delen,
als afgedaan. In september van dit jaar ontvang ik bovendien nog het NCad-advies over
de transitie naar een proefdiervrije samenleving, ik verwacht dat dat rapport ook
adviezen zal bevatten die helpen bij het verder aanjagen van de transitie.
e) Actieplan voor een snelle verlaging van het aantal in voorraad gedode proefdieren
Ter invulling van deze motie van lid Wassenberg (Kamerstuk 32 336, nr. 140 d.d. 7 juni 2022), ontving de Kamer in november 2025 (Kamerstuk 32 336, nr. 155) een rapportage van de werkgroep fok-coördinatoren met daarin aanbevelingen voor
het terugdringen van het aantal gedode dieren zonder voorafgaande handeling. Een van
deze aanbevelingen ging over na- en bijscholing van fok-coördinatoren en andere geïnteresseerden
om zo het kennisniveau op dit gebied in Nederland op peil te houden en verder door
te ontwikkelen. In mijn opdracht is er een e-learning module gemaakt die zich richt
op het fokken van proefdieren op een zo efficiënt mogelijke manier, met als doel het
aantal benodigde dieren te minimaliseren. In de module wordt doorverwezen naar verdere
achtergrondinformatie. De e-learning module als ook de map met achtergrondinformatie
zijn toegankelijk voor professionals werkzaam binnen de proefdierkunde12. Met de oplevering van deze e-learning module beschouw ik deze motie als afgedaan.
Afsluiting
De transitie naar proefdiervrije innovaties vordert gestaag, zowel nationaal als internationaal
en de ambitie om de transitie te versnellen wordt breed gedeeld. Ik ben blij om te
zien dat het momentum duidelijk toeneemt, niet in de laatste plaats door inspanningen
vanuit Nederland. Zowel hier als op Europees niveau zien we dat proefdiervrij onderzoek
een steeds prominentere plek inneemt. De potentie van NAMs wordt steeds meer erkend.
Binnen de Rijksbrede visie op biotechnologie13, de Nationale Technologie Strategie14 en het Wennink rapport15 worden organ-on-chip en organoid-technologie, naast de potentie voor efficiëntere
geneesmiddelontwikkeling en het afbouwen van dierproeven, ook benoemd als economische
kans voor Nederland. Ik zal in Europa blijven pleiten voor het opschalen van NAMs.
Ik heb ook oog voor de weerstand, ik begrijp dat meningen uiteenlopen over de route,
tempo en eventueel gewenste eindpunt van de transitie, daarom blijf ik ook inzetten
op dialoog met alle betrokkenen om gezamenlijk vooruitgang te blijven boeken. Zoals
gezegd verwacht ik de Kamer nog voor het zomerreces te kunnen informeren over het
rapport van het NCad met een duiding van de proefdiercijfers en na de zomer over het
NCad advies over de transitie naar een proefdiervrije samenleving.
De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, S.P.A. Erkens
Indieners
S.P.A. Erkens, staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur