Brief regering : Reactie op verzoek commissie over ‘opleidingsplaatsen GZ-psychologen’
29 282 Arbeidsmarktbeleid en opleidingen zorgsector
Nr. 635
BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANGDURIGE ZORG, JEUGD EN SPORT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 4 juni 2026
Op 29 mei 2026 (kenmerk 2026Z11271) heeft u mij verzocht te reageren op de brandbrief van het NIP (Nederlands Instituut
van Psychologen) over de opleidingsplaatsen van GZ-psychologen. Hierbij doe ik u mijn
reactie toekomen. Deze reactie heb ik gelijktijdig ook aan het NIP gestuurd.
De brief van het NIP van 27 mei 2026 heb ik met belangstelling gelezen. Allereerst
spreek ik graag mijn waardering uit voor alle professionals die zich dagelijks inzetten
om bij te dragen aan de mentale gezondheid van mensen in Nederland. Het is van groot
belang dat de geestelijke gezondheidszorg in Nederland toegankelijk, betaalbaar en
van goede kwaliteit blijft.
Nederland heeft een omvangrijke ggz-capaciteit. Zo zijn er op dit moment circa 21.552
BIG-geregistreerde gezondheidzorgpsychologen.1 De verhouding tussen het aantal psychiaters en psychologen en het aantal inwoners
in Nederland is één van de hoogste van de EU. Tevens liggen de uitgaven aan de ggz
en het aantal behandelde personen op het hoogste niveau ooit.2 Dat geldt eveneens voor de wachtlijsten.3 Deze signalen neem ik serieus. De afgelopen jaren is in Nederland breed in ggz-capaciteit
geïnvesteerd en inmiddels wordt zichtbaar dat opschaling van de opleidingscapaciteit
niet heeft geleid tot oplossingen voor deze signalen. Dat vraagt om beleid, waarbij
het essentieel is dat we de juiste zorgprofessional voor de juiste zorgtaken inzetten,
opleiden en behouden.
De ramingen van het Capaciteitsorgaan zijn leidend in de besluitvorming over het aantal
bekostigde opleidingsplekken. In de gepubliceerde raming van het Capaciteitsorgaan
is echter rekening gehouden met zogeheten opwaartse verticale substitutie, waarbij
zorgtaken van de huidige groep werkzame masterpsychologen uitgevoerd worden door gz-psychologen.
Deze benadering sluit niet aan bij de uitgangspunten en afspraken van het IZA en AZWA
omtrent taakherschikking. Immers, daarin wordt juist ingezet op een werkpraktijk waarbij
taken worden belegd op basis van competenties en bekwaamheid in plaats van uitsluitend
op opleidingsniveau. Taakherschikking en taakdifferentiatie zijn belangrijke instrumenten
om de schaarse personele capaciteit in de zorg doelmatig in te zetten.
Het Capaciteitsorgaan heeft daarom op mijn verzoek ook een ander scenario inzichtelijk
gemaakt, het zogeheten demografische scenario. Dit demografische scenario neemt de
onvervulde zorgvraag mee en gaat daarnaast uit van de verwachte bevolkingsgroei en
vergrijzing en de gevolgen daarvan voor de zorgvraag van alle sectoren4. Opwaartse verticale substitutie is hierin niet opgenomen en daarom sluit dit scenario
het beste aan bij het beleid dat ik voorsta. Masterpsychologen vervullen een belangrijke
rol in de ggz die ik richting de toekomst toe juist wil bestendigen. Ik wil er namelijk
op inzetten dat we de ervaren masterpsychologen en de gespecialiseerde psychologen
daar inzetten waar het vanuit maatschappelijk oogpunt het meest belangrijk is. Daarbij
merk ik op dat voor alle beroepen geldt dat beginnende werknemers direct na de (wetenschappelijke)
opleiding eerst werkervaring moeten opdoen voordat zij volwaardig kunnen worden ingezet.
Hierbij blijft het Landelijk Kwaliteitsstatuut (LKS) dat het veld zelf opstelt leidend.
Voor zover eisen uit het LKS als beperkend worden ervaren om de masterpsycholoog volwaardig
in te zetten, ligt het dus in de rede dat het veld zelf ruimte creëert voor meer flexibiliteit
in de inzet van deze masterpsychologen. Wellicht ten overvloede verwijs ik ook naar
de brief van MEERGGZ over hun positie ten aanzien van de inzet van de masterpsycholoog,
die zij op 1 juni jl. aan u hebben verzonden.
Het NIP gaat in haar brief ook in op hoe ik omga met onbeschikt opleiden. Bij het
vaststellen van het aantal opleidingsplaatsen dat ik met centrale bekostiging beschikbaar
stel vanaf 2027 heb ik rekening gehouden met het feit dat er ook onbeschikt wordt
opgeleid. Het NIP wijst er in haar brandbrief op dat er hierbij ook sectoren zijn
meegeteld die per definitie geen beschikbaarheidsbijdrage ontvangen, zoals de militaire
ggz en Dienst Justitiële inrichtingen. Ik begrijp de redenering van het NIP, want
het Capaciteitsorgaan maakt in haar raming geen onderscheid naar de wijze waarop de
opleidingsplaatsen worden bekostigd. Ik heb mij hiervoor echter alleen gebaseerd op
de historie van de opleidingsplaatsen in de Zvw- en Wlz gefinancierde zorg die door
het veld zelf gefinancierd zijn, de zogenoemde onbeschikte opleidingsplekken. Voor
wat betreft het aantal onbeschikte opleidingsplaatsen dat in mindering is gebracht
heb ik dus niet de plaatsen van de militaire ggz en dji op het totale aantal beschikbare
opleidingsplekken in mindering gebracht. Ik heb een behoedzame en voorzichtige lijn
gekozen vanuit de gedachte dat mijn ambtsgenoten van defensie en justitie verantwoordelijk
zijn voor de opleidingsplekken in hun eigen stelsel. Voor een volgende raming wil
ik wel nader verkennen hoe deze opleidingsplekken mee zouden moeten lopen in de advisering
over een te volgen scenario.
Het gegeven dat naast de beschikbaarheidbijdrage ook onbeschikt wordt opgeleid, maakt
de raming minder sturend en creëert een ongelijk speelveld tussen zorginstellingen.
Ik wil daarom verkennen of een andere financieringsvorm beter bijdraagt aan het gericht
inzetten van de ggz capaciteit. Zoals aangegeven in mijn brief aan uw Kamer, ben ik
mij bewust dat het huidige proces niet zomaar kan worden vervangen. Daarom neem ik
het punt van het NIP over de opleidingsinfrastructuur en het risico van free-rider
gedrag hierin mee. Bij die verkenning wil ik dan ook de uitstroom naar vrijgevestigde
praktijken meenemen en deze, zoals het NIP voorstelt, nader analyseren.
En dan in reactie op een ander belangrijk punt van het NIP. De afgelopen jaren is
het veld opgeroepen om ervoor te zorgen dat er meer ggz-expertise in het bredere zorglandschap
komt. Er is hierin een eerste stap gezet door gebruik te maken van een sectorverdeling
bij het verdelen van de opleidingsplekken voor de gz-psycholoog. De gz-psycholoog
is immers van grote waarde in de jeugdzorg, ouderenzorg, gehandicaptenzorg, forensische
zorg én de gespecialiseerde ggz. Het is van belang dat voor al deze sectoren voldoende
gz-psychologen opgeleid en beschikbaar zijn. Daarnaast heb ik binnen de verdeelcriteria
eveneens rekening gehouden met extra opleidingsplekken voor de complexe- en acute
ggz. In de toekomst wil ik daarbij nog meer het principe leidend laten zijn, dat de
gz-psycholoog prioritair ingezet wordt waar de maatschappelijke noodzaak het grootste
is. Ik denk dan aan de instellingen die crisisopvang en acute complexe gespecialiseerde
zorg leveren. Aanvullend wil ik starten met het verkennen of en op welke wijze een
alternatieve financiering het behoud van hoger opgeleid personeel kan ondersteunen.
Kortom, de ramingen van het Capaciteitsorgaan blijven leidend. Ik houd vast aan 691
opleidingsplaatsen voor de gz-psycholoog vanaf 2027. Ik blijf investeren in de vervolgopleidingen
voor de ggz. Volwaardig inzetten van alle ggz-professionals is daarbij van belang.
Ten slotte wil ik samen met het veld verkennen of de huidige financieringssystematiek
via de beschikbaarheidbijdrage de meest passende route is. De brief van het NIP biedt
daarvoor waardevolle aanknopingspunten.
De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, W.R.C. Sterk
Ondertekenaars
W.R.C. Sterk, minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport