Brief regering : Toezeggingen inzake landenboycot en moties inzake het voorkomen van antisemitisme bij culturele instellingen
30 950 Racisme en Discriminatie
Nr. 547
MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 2 juni 2026
In het Wetgevingsoverleg Cultuur van 19 januari 2026 heeft mijn ambtsvoorganger uw
Kamer toegezegd een verkenning te doen naar de mogelijkheden om bij de subsidies aan
culturele instellingen als voorwaarde of verplichting te stellen dat zij landen niet
mogen uitsluiten. Ook heb ik u toegezegd de mogelijkheid te onderzoeken van het korten
van subsidie in het geval een land geboycot wordt.
Met deze brief doe ik voorgaande toezeggingen gestand. Tevens reageer ik met deze
brief op:
– De motie van het lid Eerdmans over in de subsidievoorwaarden van poppodia opnemen
dat antisemitisme niet wordt getolereerd1;
– De motie van het lid Ellian om er zorg voor te dragen dat samenwerkingen niet beëindigd
worden op basis van alleen de Joodse achtergrond van de samenwerking2;
– De motie van de leden Ellian en Bikker om uit te werken op welke wijze consequenties
kunnen worden verbonden aan verstrekte subsidies indien gesubsidieerde organisaties
bewust Joodse artiesten geen podium bieden3;
– De motie van het lid Ellian die ertoe oproept ervoor te zorgen dat Joodse artiesten
kunnen blijven optreden in Nederlandse zalen4.
Allereerst wil ik benadrukken dat Nederland een lange traditie kent als het gaat om
een open cultureel klimaat. Die vrijheid vertaalt zich in een rijk cultureel landschap,
waarin we elkaar ontmoeten, met elkaar samenwerken en de rijkdom van cultuur delen.
Ik zie de waarde van die traditie en zie de vrijheid van artistieke expressie als
absolute kernwaarde in het cultuurbeleid. Echter, artistieke vrijheid kan nooit een
vrijbrief zijn voor discriminatie. Deze dient uitgeoefend te worden binnen de kaders
van de wet en met respect voor andere grondrechten. Voor antisemitisme is geen plaats
in de culturele sector.
Hieronder ga ik achtereenvolgens per paragraaf in op respectievelijk de twee toezeggingen
en de drie moties.
Verbod op landenboycot als verplichting bij subsidies voor culturele instellingen
Het juridisch kader dat bepaalt welke voorwaarden en verplichtingen aan subsidieontvangers
kunnen worden opgelegd volgt uit de Algemene wet bestuursrecht (verder: Awb). In dat
kader staat onder meer dat subsidieverplichtingen niet in strijd mogen zijn met geldende
wet- en regelgeving. Juist op dit punt is sprake vaneen complicatie. Een verplichting
dat landen niet mogen worden geboycot staat op gespannen voet staan met onder meer
het grondrecht op vrijheid van meningsuiting en het daaronder vallende recht op artistieke
vrijheid. Het dwingend opleggen van samenwerking met partijen uit alle landen miskent
het recht voor culturele instellingen en makers om een eigen afweging te kunnen maken
in situaties van politieke spanning of conflict. Gezien vorenstaande acht ik het niet
alleen zeer onwaarschijnlijk dat het opnemen van een dergelijke vergaande algemene
verplichting juridisch is toegestaan, ik vind het ook niet passen bij het recht op
artistieke vrijheid, noch bij het adagium van Thorbecke.
Dit neemt niet weg dat het non-discriminatiebeginsel onverkort dient te worden nageleefd.
Keuzes die culturele instellingen maken mogen nimmer gebaseerd zijn op gronden die
wettelijk als discriminatie worden aangemerkt. Daar kom ik hieronder op terug.
Korten van subsidies in het geval een land geboycot wordt
Het juridische kader waarbinnen verleende subsidies (gedeeltelijk) kunnen worden ingetrokken
wordt in casu bepaald door de Awb, de Wet en Regeling op het specifiek cultuurbeleid
(verder: Wsc en Rsc), de Wet overige OCW-subsidies, de Kaderregeling subsidies OCW,
SZW, VWS, de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen voor het openbaar bestuur (verder:
Wet Bibob), en in het verlengde daarvan het Wetboek van Strafrecht en de Grondwet.
Hier vloeit onder meer uit voort dat ik subsidies (gedeeltelijk) kan intrekken als
sprake is van het niet voldoen aan de subsidieverplichtingen, dan wel indien ernstig
gevaar bestaat dat de subsidie mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen.
Zoals hiervoor besproken is er op dit moment geen subsidieverplichting die ertoe strekt
dat landen niet mogen worden geboycot en is een dergelijke verplichting ook niet passend.
De vraag of sprake is van een strafbaar feit door een land te boycotten moet per geval
worden beoordeeld. Een culturele instellingen mag niet discrimineren. Het is echter
aan de rechter hier een uitspraak over te doen, alvorens de subsidie (gedeeltelijk)
wordt ingetrokken. Indien rechterlijk is komen vast te staan dat een door mij verleende
subsidie wordt aangewend voor het plegen van een strafbaar feit dan kan ik deze (al
dan niet gedeeltelijk) intrekken.
Het opleggen als subsidievoorwaarde aan poppodia dat antisemitisme niet wordt getolereerd,
het dragen van zorg dat samenwerkingen niet mogen worden beëindigd op basis van de
Joodse achtergrond van de samenwerking en mogelijke consequenties aan verstrekte subsidies
indien gesubsidieerde organisaties bewust Joodse artiesten geen podium bieden
Laat ik vooropstellen dat ik sta voor een culturele sector waarin we elkaar altijd
als mens zien en waarin we elkaar ontmoeten, met elkaar samenwerken en de rijkdom
van cultuur delen. Het beëindigen van een samenwerking op basis van iemands achtergrond
past daar niet in en kan op grond van gelijke behandelingswetgeving als strafbare
discriminatie worden aangemerkt. Dit geldt ook voor het beëindigen van samenwerkingen
uitsluitend op basis van de Joodse achtergrond van de samenwerkingspartner, of het
weren van een Joodse artiest uitsluitend omdat deze Joods is.
Zoals onder de paragraaf hiervoor beschreven kan een subsidie worden ingetrokken als
deze wordt gebruikt voor het begaan van strafbare feiten. Opname van de mogelijkheid
hiertoe in subsidievoorwaarden is derhalve niet nodig. Handhaving en (subsidie)sanctionering
zijn hiermee geborgd binnen het reguliere rechtssysteem.
Overigens merk ik op dat specifiek voor de poppodia geldt dat deze niet door mijn
ministerie gefinancierd worden, maar primair de verantwoordelijkheid zijn van gemeenten.
Dit doet echter niet af aan hetgeen ik hiervoor heb gesteld. Ook zij kunnen hun subsidie
intrekken wanneer deze gebruikt worden voor strafbare feiten.
Zorgen dat Joodse artiesten kunnen blijven optreden in Nederlandse zalen
Uitgangspunt is dat de culturele sector een openbare plek is en dat moet worden voorkomen
dat activiteiten niet kunnen doorgaan omdat mensen aanstoot nemen aan de inhoud of
de persoonskenmerken van de uitvoerende(n). Het mag niet zo zijn dat een voorstelling,
concert of andere culturele activiteit niet doorgaat vanwege een Joods thema of Joodse
achtergrond van de artiest.
De situatie in het Midden-Oosten en de positie van Israël levert ook verhoogde spanning
op binnen culturele instellingen. Om die reden is in het kader van de «Strategie Bestrijding
Antisemitisme» een subsidieverzoek ingewilligd van Kunsten 92’ in samenwerking met
het Verwey-Jonker instituut om de culturele en creatieve sector handvatten te bieden
voor het omgaan met maatschappelijke spanningen en polarisatie. Het resultaat daarvan
is 20 januari 2026 gepubliceerd in een onderzoeksrapport genaamd «Weerbare cultuursector;
Omgaan met maatschappelijke spanningen en polarisatie»5 met een bijbehorende «handreiking weerbare cultuursector»6.
Uit dit rapport blijkt dat een besluit om iets wel of niet te programmeren – naast
de kernwaarden van een culturele instelling – in de praktijk ook afhangt van de risico’s
op onveiligheid voor medewerkers, bezoekers en de artiest, maker of kunstenaar, en
van het risico op mogelijke schade aan materialen en gebouwen. Daarmee heeft dit probleem
ook een financiële component, bijvoorbeeld vanwege te maken beveiligingskosten.
Het is belangrijk dat culturele instellingen goed voorbereid zijn op het moment dat
er signalen van veiligheidsverstoring zijn. In het gesprek met de cultuursector is
geconstateerd dat er verschillen zijn in de mate waarin een culturele organisatie
voorbereid is op een dergelijke verstoring. Het is hierbij met name van belang dat
een culturele organisatie weet hoe snel verbinding kan worden gelegd met de lokale
driehoek van politie, burgemeester en officier van justitie. En dat vervolgens het
lokale gezag adequaat optreedt om de orde te handhaven en politie en het Openbaar
Ministerie zo nodig ook strafrechtelijke handhaaft. Grotere instellingen zijn in de
regel beter voorbereid en hebben reeds contact met de lokale driehoek. Voor kleinere
organisaties is dit niet altijd het geval. De hiervoor genoemde handreiking van Kunsten
92’ in samenwerking met het Verwey-Jonker instituut helpt bij het opstellen van gezamenlijke
veiligheidsprotocollen zodat culturele organisaties goed voorbereid zijn op verstoringen
en de veiligheid van alle betrokken is verzekerd.
Naar aanleiding van het advies van de Raad voor Cultuur inzake artistieke vrijheid7 wordt bezien op welke wijze verdere versterking van de bescherming van de culturele
en creatieve sector kan worden vormgegeven. In dit kader wordt, als aangekondigd in
de voortgang en actualisatie van de Strategie Bestrijding Antisemitisme 2024–2030,
beoogd een beschermingspilot specifiek voor de culturele en creatieve sector in te
stellen. Naar verwachting zal de pilot eind 2027 worden afgerond. De resultaten van
deze pilot zal ik met uw Kamer delen.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
R.M. Letschert
Indieners
R.M. Letschert, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap