Brief regering : Stand van zaken moties en toezeggingen erfgoed
32 820 Nieuwe visie cultuurbeleid
32 456
Herstel van wetstechnische gebreken en leemten alsmede aanbrenging van andere wijzigingen
van ondergeschikte aard in diverse wetsbepalingen op het terrein van het Ministerie
van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (Reparatiewet BZK 2010)
Nr. 575
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 2 juni 2026
Hierbij informeer ik uw Kamer over de stand van zaken van een aantal moties en toezeggingen
met betrekking tot erfgoed. Tevens informeer ik uw Kamer over enkele actualiteiten
binnen het erfgoedbeleid. Dit alles met het oog op het aankomende commissiedebat Erfgoed
van 11 juni.
1. Stand van zaken moties
Motie over het evalueren van de Monumentenwet BES
Uw Kamer heeft de regering in november 2023, via de motie Wuite, opgeroepen om de
werking van de Monumentenwet BES te evalueren.1 Als bijlage bij deze brief treft u het door onderzoeksbureau Ecorys opgestelde evaluatierapport.
Dit is in nauwe samenspraak met betrokkenen op de eilanden tot stand gekomen.
Een belangrijke conclusie van het rapport is dat «hoewel de wet op papier een stevige
juridische basis biedt en voldoende ruimte laat voor lokale invulling via de monumenten-eilandsverordeningen,
de uitvoering in de praktijk op alle drie de eilanden blijkt te haperen». Dit is een
zorgelijke bevinding.
Op 18 mei 2026 is het rapport gepresenteerd aan de Openbare Lichamen van Bonaire,
St. Eustatius en Saba. Daarbij is afgesproken dat mijn ministerie samen met de eilanden
gaat werken aan concrete verbetervoorstellen. Daarbij zal ook gekeken worden welke
ondersteuning er mogelijk is vanuit het programma Erfgoed en Overheid. Op basis hiervan
kom ik eind 2026 met een uitgebreidere beleidsreactie op het rapport.
Motie over het uitwerken van een scenario waarbij één van de scheepswrakken bij de
rede van Texel wordt opgegraven.
Naar aanleiding van het commissiedebat Cultuur op 12 juni 2025 is een motie van de
leden Beckerman, Mohandis en Krul aangenomen die de regering oproept om – in samenwerking
met de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), overheden en anderen – een scenario
uit te werken waarbij één van de scheepswrakken bij de rede van Texel wordt opgegraven.
Het moet daarbij gaan om een opgraving met een langere doorlooptijd, om zo te komen
tot kenniswinst, spin-off richting publiek en verbetering van de maritieme archeologie.
De motie vraagt om hierover medio 2026 aan uw Kamer te rapporteren.2
In de afgelopen periode heeft de RCE op mijn verzoek dit scenario verkend. Vanuit
de bestaande expertise en ervaringen komen zij tot onderstaande bevindingen. Op basis
daarvan constateer ik dat het gevraagde scenario om dermate forse randvoorwaarden
vraagt wat betreft organisatie en financiering, dat uitvoering op korte termijn niet
mogelijk is. In de eerste plaats omdat hiertoe de middelen ontbreken, in de tweede
plaats omdat de bestaande faciliteiten en capaciteit voor onderzoek, conservering,
beheer en presentatie niet toereikend zijn en het tijd kost om deze op te bouwen.
Een langjarig en grootschalig onderzoek zoals in de motie beschreven,3 vraagt om stabiele, meerjarige financiering. Het voorbereiden van het onderzoek (waaronder
het opbouwen van de nodige capaciteit en faciliteiten), het uitvoeren daarvan, het
verwerken van de gegevens, conserveren van de vondsten en het vormgeven van de gewenste
publieksactiviteiten, beslaat naar verwachting ten minste tien jaar. In een eerdere
studie, schatte de RCE dat daarvoor een bedrag tussen de € 15 en € 20 miljoen nodig
is.4
Vanwege de grote schaal vereist zowel het onderzoek zelf, als de voorbereiding, uitwerking
en presentatie daarvan, een aanpak waarbij diverse partijen samenwerken. De bestaande
netwerken van (inter)nationale kennis-, onderzoeks- en opleidingsinstellingen, gespecialiseerde
marktpartijen, vrijwilligers, musea en overheden moeten daarvoor worden uitgebouwd
en versterkt. Dit vraagt om meerjarige coördinatie, vanuit een projectorganisatie
die wordt ingericht voor de volledige looptijd van het project. Deze projectorganisatie
scherpt de projectdoelen aan, selecteert het scheepswrak dat daar het beste bij aansluit,
komt voor dit specifieke wrak tot een strategie voor de voorbereiding en uitvoering
van het onderzoek en ziet toe op de voortgang.
Vanwege het bestuurlijk en maatschappelijk draagvlak, is het belangrijk dat in deze
projectorganisatie diverse belanghebbende partijen en netwerken zijn vertegenwoordigd.
Met het oog op de daar aanwezige expertise, ligt het voor de hand om deze organisatie
onder te brengen bij de RCE. Door tevens nauw samen te werken met een onderwijsinstelling,
komt de nieuwe generatie maritieme archeologen intensief in aanraking met alle facetten
van de voorbereiding en uitvoering van een grootschalig onderzoek. Het inpassen van
deze werkzaamheden binnen de bestaande taken, capaciteit en middelen van de RCE zal
echter zonder meer ten koste gaan van het beheer en de instandhouding van veel ander
belangrijk erfgoed onder water. De projectorganisatie moet daarom financieel en organisatorisch
losstaan van de reguliere werkzaamheden. Zo kan continuïteit worden geborgd, ook over
meerdere kabinetsperiodes heen.
Zoals gezegd, ontbreekt het op dit moment aan afdoende financiering, capaciteit en
faciliteiten voor het op korte termijn laten uitvoeren van een grote opgraving conform
een scenario zoals bedoeld in de motie. Ik zie dus nu geen mogelijkheid om deze in
gang te zetten. Via onder meer het Impulsprogramma Maritieme Archeologie, dat dit
jaar is gestart bij de RCE, blijf ik echter werken aan verbetering van de maritieme
erfgoedzorg in Nederland. De kennis en ervaring die binnen dit programma wordt opgedaan
kan ook worden benut bij een grootschalige opgraving onder water, mocht hiertoe in
de toekomst worden besloten.
Ik beschouw de motie hiermee als afgedaan.
2. Stand van zaken toezeggingen
Toezegging over de aankoop van een middeleeuwse gouden ring
Mijn ambtsvoorganger Bruins heeft toegezegd uw Kamer te informeren over het vervolg
van de aankoop van de middeleeuwse gouden ring. Deze ring is een beschermd cultuurgoed
in de zin van artikel 3.7 van de Erfgoedwet. Mijn ambtsvoorganger Bruins heeft eerder
bedenkingen geuit tegen de mogelijke uitvoer buiten Nederland van deze ring.5 Ik kan u melden dat de ring wordt aangekocht voor de Rijkscollectie voor een bedrag
van € 83.150. Deze middelen komen uit het Museaal Aankoopfonds. De ring zal in bruikleen
worden gegeven aan een nog nader te bepalen museum in Nederland. Met deze aankoop
is dit bijzondere culturele erfgoed behouden voor de Collectie Nederland en voor toekomstige
generaties.
Toezegging over het uitwerken van een nationaal uitvoervergunningensysteem voor cultuurgoederen
en verzamelingen in particulier bezit
Naar aanleiding van het advies van de Commissie Collectie Nederland heeft mijn ambtsvoorganger
Staatssecretaris Uslu toegezegd de invoering van een nationaal uitvoervergunningensysteem
voor cultuurgoederen en verzamelingen in particulier bezit nader uit te werken.6 Mijn ambtsvoorganger Minister Bruins gaf vervolgens aan dat hij werkte aan een oplossing
die bescherming regelt, met oog voor proportionaliteit en uitvoerbaarheid.7
De afgelopen periode is een nationaal uitvoervergunningensysteem ambtelijk nader onderzocht.
Daarbij is bezien in hoeverre invoering van een dergelijk systeem een effectieve,
proportionele en uitvoerbare bijdrage kan leveren aan de bescherming van cultuurgoederen
en verzamelingen in particulier bezit. Op basis van deze afweging is geconcludeerd
dat dit niet het geval is. Onderdeel van deze afweging is dat invoering van een nationaal
uitvoervergunningensysteem zou leiden tot (hoge) administratieve lasten en aanzienlijk
benodigde middelen en ambtelijke capaciteit.
Nederland beschikt over een beschermingsstelsel op grond van de Erfgoedwet. Naar aanleiding
van het Commissie-advies is dit stelsel in de afgelopen jaren verder versterkt, onder
andere via een actiever beleid met betrekking tot het aanwijzen van objecten als beschermde
cultuurgoederen en verbeterde ondersteuning van particuliere eigenaren. Deze inzet
biedt voldoende waarborgen voor het behoud van beschermwaardige cultuurgoederen in
Nederland.
Op basis van deze overwegingen zie ik af van de invoering van een nationaal uitvoervergunningensysteem.
Hiermee wordt de toezegging als afgedaan beschouwd.
3. Actualiteiten
Kabinetsreactie op advies «Kan dit weg? Ja»
Uw Kamer heeft mij gevraagd om een kabinetsreactie op het advies «Kan dit weg? Ja»
van het Adviescollege Openbaarheid en Informatiehuishouding (ACOI).8 Op dit moment werk ik de aanbevelingen uit in een beleidsreactie, in afstemming met
het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties. Ik integreer in deze
reactie ook het advies van de algemene rijksarchivaris van het Nationaal Archief over
het belang en beheer van concepten. U kunt mijn reactie verwachten in het najaar van
2026.
Landsdekkende Heritage Impact Assessment
In opdracht van landelijk netbeheerder TenneT is onderzoek uitgevoerd naar de mogelijke
impact van hoogspanningsprojecten op werelderfgoed. Het doel hiervan is het zorgdragen
voor een zorgvuldige inpassing van deze projecten in de omgeving van werelderfgoed,
om zo mogelijke vertraging in de realisatie van deze projecten te voorkomen. De bevindingen
van deze «landsdekkende» Heritage Impact Assessment9 en mijn advies hierover zullen worden meegenomen in de ontwerpvoorkeursbesluiten
die in 2026 en 2027 worden genomen door de Staatssecretaris van Klimaat en Groene
Groei en de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening.
Subsidie grote restauraties
Op 19 februari 2026 is de subsidieregeling voor grote restauraties gepubliceerd. Over
de inhoud en uitgangspunten van deze subsidieregeling is uw Kamer eerder geïnformeerd.10 Voor de regeling is in totaal € 45 miljoen beschikbaar, verdeeld over twee aanvraagrondes
in het najaar van 2026 en 2027. Zoals toegezegd in het tweeminutendebat over de uitgangspunten
voor de subsidieregeling voor grote restauraties zal ik uw Kamer na de eerste aanvraagronde
informeren over het verloop van de aanvraagronde. Ik verwacht dat dit in het voorjaar
van 2027 zal zijn.
Subsidie monumentale woonhuizen in Caribisch Nederland
Op 8 april 2026 is een subsidieregeling gepubliceerd voor restauratie van monumentale
woonhuizen in Caribisch Nederland. Voor de uitvoering van deze regeling is een bedrag
van eenmalig $ 1,1 miljoen (€ 1 miljoen) beschikbaar. Op 20 juni 2024 is uw Kamer
hierover geïnformeerd.11 De regeling is bedoeld als pilot om praktijkervaring op te doen met het verstrekken
van subsidies voor instandhouding in Caribisch Nederland. De lessen uit dit traject
zullen, samen met de uitkomsten van de evaluatie van de Monumentenwet BES, worden
gebruikt bij de versterking van het monumentenbeleid op de eilanden. In september
2026 kunnen eigenaren op Bonaire, Sint-Eustatius en Saba de subsidie aanvragen.
Nominatiebeleid Werelderfgoed
Na de inschrijving van het Eise Eisingaplanetarium te Franeker in 2023 kent Nederland
een terughoudend nominatiebeleid voor Werelderfgoed. Het westerse deel van de wereld
is momenteel oververtegenwoordigd op de lijst; daarom kiest Nederland ervoor om in
te zetten op potentiële sites in het Caribisch deel van het koninkrijk. Het natuurlijk
en cultureel erfgoed in deze regio is nu nog ondervertegenwoordigd op de Werelderfgoedlijst;
vooralsnog staan het Plantagesysteem van West-Curaçao en Bonaire National Marine Park
op de Voorlopige Lijst.
Ondanks het voor Europees Nederland terughoudende nominatiebeleid, wil ik voor Nederlandse
sites de ruimte bieden om aan te sluiten bij bestaande seriële inschrijvingen van
andere lidstaten.12 Dit naar aanleiding van een recent verzoek van de gemeente Breda om aan te sluiten
bij de Vlaamse inschrijving van Begijnhoven. Aangezien een voordracht of definitieve
aanwijzing verantwoordelijkheden met zich meebrengt, is bestuurlijk en maatschappelijk
draagvlak daarbij onontbeerlijk.
Versterking Nationaal Restauratiefonds
Vorig jaar is uw Kamer geïnformeerd over de druk die is ontstaan op de laagrentende
leenmogelijkheden die via het Nationaal Restauratiefonds (NRF) beschikbaar zijn voor
monumenteneigenaren.13 Als onderdeel van de aanpak van de financieringsproblematiek bij grote monumenten
zijn toen maatregelen getroffen waarmee het NRF tot en met de eerste helft van 2026
in een groter deel van de leenbehoefte kon voorzien. Omdat de vraag naar leningen
nog steeds onverminderd groot is en om te voorkomen dat NRF vanaf de tweede helft
van 2026 geen nieuwe leningen in behandeling kan nemen, heb ik besloten om een incidenteel
bedrag van € 30 miljoen beschikbaar te stellen voor versterking van de leenfaciliteiten
bij het NRF. Ik stel € 10 miljoen beschikbaar voor de Restauratiefondsplus-hypotheek
(RFH+)14, € 15 miljoen voor de Duurzame Monumentenplus-Lening (DML+)15 en € 5 miljoen voor de Duurzame Monumentenlening (DML)16. De maatregel wordt gedekt uit de beschikbare middelen op de OCW begroting voor de
monumentenzorg en verduurzaming.
Met deze impuls kan NRF tot medio 2027 in de leenbehoefte van eigenaren voorzien.
De versterking is ook van belang voor het functioneren van het financieringsstelsel
voor monumentenzorg als geheel. In het stelsel geldt namelijk «lenen waar het kan,
subsidie waar het moet» als centraal uitgangspunt. Omdat de fondsen bij het NRF een
revolverende werking hebben, kunnen ontvangen rente en aflossingen weer worden benut
voor het verstrekken van nieuwe leningen.
Programma Erfgoed en Overheid
Mijn ambtsvoorganger Bruins informeerde u eerder over het programma Erfgoed en Overheid.17 Via deze stimuleringsaanpak ondersteunt mijn ministerie – samen met de Vereniging
van Nederlandse Gemeenten (VNG) en het Interprovinciaal Overleg (IPO) – gemeenten
en provincies bij het versterken van de uitvoering van hun taken op het gebied van
onroerend cultureel erfgoed (archeologie, gebouwd en aangelegd erfgoed, stedenbouw
en landschap).
De afgelopen periode zijn er diverse belangrijke stappen gezet. Bij de RCE is een
kwartiermakersteam aangesteld met vertegenwoordiging vanuit het werkveld. Dit team
buigt zich over de programmadoelen voor de komende jaren en een daarbij passende organisatievorm,
waarbij de duurzame versterking van het werkveld en de betrokkenheid van de drie overheidslagen
centraal blijft staan. Er is (co-)financiering toegekend aan een eerste ronde van
projecten waarmee gemeenten en provincies hun erfgoedzorg kunnen versterken. In totaal
hebben 89 initiatieven een bijdrage ontvangen. De tweede aanvraagronde is op 1 mei
2026 gesloten en zal binnenkort leiden tot een nieuwe reeks toekenningen. Voor deze
ronde is dermate veel belangstelling dat de vraag het beschikbare budget (ver) overschrijdt.
Hieruit blijkt dat gemeenten en provincies het programma goed weten te vinden en dat
dit voorziet in een grote behoefte. De komende jaren blijft het programma dan ook
dergelijke projecten ondersteunen, waarbij de nadruk steeds meer zal komen te liggen
op integrale verbeterplannen.
In dit licht is er behoefte aan een onafhankelijk perspectief op de vraag hoe gemeenten,
provincies en het rijk samen de erfgoedzorg toekomstgericht kunnen vormgeven en borgen.
Ik heb hierover advies gevraagd aan de Raad voor Cultuur. Aangezien het hier ook duidelijk
een bestuurskundig vraagstuk betreft, heb ik de Raad verzocht hier tevens de Raad
voor het Openbaar Bestuur (ROB) bij te betrekken. Als bijlage bij deze brief treft
u mijn adviesvraag aan. Ik verwacht dit advies in het eerste kwartaal van 2027, waarna
ik het zal delen met uw Kamer.
Door voor gemeenten en provincies inzichtelijk te maken op welke manier zij hun erfgoedzorg
kunnen versterken en ze hierbij concreet te ondersteunen, kunnen zij het belang van
erfgoed in de fysieke leefomgeving – als nationaal belang opgenomen in de ontwerpnota
Ruimte18 – op een steeds volwaardigere manier betrekken bij ruimtelijke ontwikkelingen. Dit
stelt hen tevens in staat om op een positieve manier bij te dragen aan een soepel
verloop van de grote transities in onze leefomgeving en het draagvlak voor deze transities
te vergroten.
Ik hoop uw Kamer hiermee voldoende geïnformeerd te hebben.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
R.M. Letschert
Indieners
R.M. Letschert, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap