Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk over voortgang bedrijfsgerichte doelsturing (Kamerstuk 30252-209)
30 252 Toekomstvisie agrarische sector
Nr. 215
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 2 juni 2026
De vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur heeft een aantal
vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid
en Natuur over de brief van 23 september 2025 over voortgang bedrijfsgerichte doelsturing
(Kamerstuk 30 252, nr. 209).
De vragen en opmerkingen zijn op 28 april 2026 aan de Minister van Landbouw, Visserij,
Voedselzekerheid en Natuur voorgelegd. Bij brief van 2 juni 2026 zijn de vragen beantwoord.
De voorzitter van de commissie, Steen
De griffier van de commissie, Jansma
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van de bewindspersoon
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de voortgangsbrief
over bedrijfsgerichte doelsturing (Kamerstuk
30 252, nr. 209
). De huidige inzet richt zich op afrekenbare doelsturing in 2035. Deze leden begrijpen
de keuze voor een zorgvuldig tijdpad, maar vragen de Minister hoe hij de balans bewaakt
tussen voldoende tempo enerzijds en het risico van overvraging anderzijds. Op welke
momenten worden tussentijdse beslismomenten ingebouwd waarbij het tempo desnoods kan
worden bijgesteld? Is de Minister bereid die beslismomenten expliciet met de Kamer
te delen? Aanvullend vragen deze leden of de Minister een beeld kan schetsen van de
overgangsperiode waarin middelsturing en doelsturing door elkaar zullen lopen, terwijl
ondertussen natuurherstel moet worden geborgd.
Antwoord
Afrekenbare doelsturing op bedrijfsniveau is technisch complex. Daarom zal dit via
een stapsgewijs en zorgvuldig implementatieproces moeten worden ingevoerd. De komende
jaren zullen dan ook worden benut om de systematiek zo snel mogelijk te kunnen operationaliseren,
zodat de emissiereductie voor stikstof en klimaat in 2035 gerealiseerd is. Door vroegtijdig
de doelen bekend te maken kunnen veehouders de komende jaren emissie-reducerende maatregelen
in hun bedrijfsvoering inpassen en zo stap voor stap toewerken naar het doel in 2035.
Daarmee zal er ook al in de komende jaren emissiereductie behaald worden. In aanloop
naar het behalen van de afrekenbare bedrijfsspecifieke doelen in 2035, zal ook informerende
en stimulerende doelsturing worden ingezet om te sturen op emissiereductie.
Het kabinet wil voorkomen dat het systeem van doelsturing overvraagd wordt. Daarom
zijn de bedrijfsspecifieke emissienormen onderdeel van de bredere samenhangende aanpak
waaraan wordt gewerkt via de Ministeriële Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof.
Naast het stellen van emissienormen worden diverse andere instrumenten uitgewerkt,
onder meer gericht op het stimuleren van verduurzaming en extensivering om ondernemers
zo te ondersteunen in het bewerkstelligen van emissiereductie. Ook wordt ingezet op
gebiedsgericht beleid en maatregelen gericht op het verkleinen van de productiecapaciteit.
Zoals gecommuniceerd in de Kamerbrief van 27 maart 2026 over de samenhangende aanpak,
kiest dit kabinet voor een geborgde aanpak. Dat betekent dat aanvullende maatregelen
worden getroffen als de emissiedoelen voor de landbouw, industrie en mobiliteit voor
2035, of het tussenliggende streefdoel voor de landbouw voor 2030, niet worden bereikt
(«bijsturing»).
Doelsturing waterkwaliteit wordt uitgewerkt als onderdeel van het 8e actieprogramma Nitraatrichtlijn en volgt daarmee een ander tijdspad. Keuzes over
de inrichting van doelsturing op waterkwaliteit bezie ik in samenhang met de maatregelen
in het nog op te stellen 8e actieprogramma Nitraatrichtlijn. Zoals toegezegd, zal ik uw Kamer periodiek blijven
informeren over de voortgang van het 8e actieprogramma Nitraatrichtlijn.
De leden van de D66-fractie constateren dat in de brief wordt aangegeven dat de keuze
voor de eenheden waarin emissienormen worden uitgedrukt een fundamentele keuze is
met consequenties voor uitvoering, toezicht en handhaving. Deze leden onderschrijven
dat belang. Zij vragen wanneer de Minister verwacht die keuze te kunnen maken en op
welke wijze de Kamer daarbij wordt betrokken vóórdat de keuze definitief wordt vastgesteld.
Antwoord
De keuze voor de eenheden waarin emissienormen voor stikstof en klimaat worden uitgedrukt
zijn een belangrijke vormgevingskeuze van de systematiek en onderdeel van pijler 1
(generieke emissiereductie) van de Ministeriële Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof.
Het kabinet verwacht voor de zomer de Kamer te informeren over verdere beleidsmatige
invulling van de emissienormen voor stikstof en klimaat voor de veehouderij.
Na bekendmaking van de emissienormen kan het debat hierover worden gevoerd in het
parlement en moet worden uitgewerkt hoe de vastlegging in de regelgeving eruit komt
te zien en hoe de uitvoering, toezicht en handhaving zal gaan werken. Alvorens normen
in wetgeving kunnen worden vastgelegd, zal de Tweede en Eerste Kamer in ieder geval
betrokken zijn.
Ook voor andere onderwerpen waarvoor doelsturing mogelijk is, is de keuze voor de
eenheden van belang. Zodra hier besluitvorming over aan de orde is zal de Kamer hierbij
betrokken worden.
De leden van de D66-fractie lezen daarnaast dat Wageningen University and Research
(WUR) is gevraagd te onderzoeken wat het technisch reductiepotentieel is voor melkveebedrijven.
Deze leden vragen wanneer dat onderzoek beschikbaar is en hoe de uitkomsten worden
gebruikt bij het vaststellen van de hoogte van de normen. Worden normen gesteld op
basis van wat technisch haalbaar is, of op basis van wat beleidsmatig noodzakelijk
is voor het halen van de wettelijke klimaat- en stikstofdoelen? Hoe wordt omgegaan
met de spanning die daar mogelijk tussen bestaat?
Antwoord
Het onderzoek van Wageningen University and Research (WUR) over het technisch reductiepotentieel
voor melkveebedrijven is beschikbaar via de website van de WUR1. In het bepalen van de hoogte van de bedrijfsspecifieke emissienormen voor stikstof
en klimaat wordt rekening gehouden met wat technisch mogelijk is voor ondernemers.
Het kabinet vindt het belangrijk dat de normen waar bedrijven aan moeten voldoen in
de praktijk realiseerbaar zijn en ertoe leiden dat bedrijven in beweging komen. Dit
betekent niet dat de emissienormen ook altijd makkelijk te realiseren zullen zijn:
het kan forse inspanningen vragen van ondernemers om aan de normen te voldoen. Het
kabinet zal ook ondersteunend instrumentarium ontwikkelen gericht op het stimuleren
van managementmaatregelen en innovatie. Daar zijn in het coalitieakkoord ook middelen
voor aangekondigd. Door nu duidelijke kaders te stellen waar bedrijven uiteindelijk
aan zullen moeten voldoen kunnen bedrijven overwogen een beslissing maken over de
toekomstige ontwikkeling van hun bedrijf. Met de bedrijfsspecifieke emissienormen
alléén zullen de klimaat- en stikstofdoelen niet gehaald worden. Daarnaast wordt er
daarom ook gewerkt aan gebiedsgericht beleid rondom stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden
en generiek, landelijk beleid gericht op een kleinere productie, bijvoorbeeld via
vrijwillige beëindigingsregelingen en afroming bij verhandeling van productierechten.
Deze drie sporen zijn met elkaar communicerende vaten die gezamenlijk tot doelbereik
moeten leiden.
De leden van de D66-fractie zijn van mening dat één van de kernargumenten voor de
omslag naar doelsturing het terugdringen van administratieve lasten voor boeren is.
Deze leden vragen de Minister hoe hij borgt dat het nieuwe systeem per saldo daadwerkelijk
minder administratielast oplevert dan het huidige stelsel van middelvoorschriften
en niet, zoals het Mineralen Aangiftesysteem (MINAS) destijds ook liet zien, naast
de bestaande verplichtingen komt te staan in plaats van die te vervangen. Wordt er
een nulmeting gedaan van de huidige administratieve last, zodat het effect van doelsturing
later daadwerkelijk meetbaar is?
Antwoord
Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) adviseert de overheid over het voorkomen
van onnodige regeldruk. Dit gebeurt zo vroeg mogelijk in het proces van wet- en regelgeving.
Of invoering van de doelsturingssystematiek gaat leiden tot extra administratieve
lasten en een grotere complexiteit is nu nog niet te zeggen en hangt bijvoorbeeld
ook af van de mate van en het tempo waarin erin wordt geslaagd om middelsturing deels
af te bouwen. Administratieve lasten voor ondernemers worden weergegeven in het onderdeel
lastendruk wat een paragraaf is van de toelichting bij wet- en regelgeving. In dat
onderdeel wordt aangegeven wat de gevolgen zijn voor de ondernemers na invoering van
nieuwe regelgeving.
De leden van de D66-fractie constateren dat de brief een systeem beschrijft met een
stoffenbalans, een Key Performance Indicators (KPI)-kernset, een data-ecosysteem en
continue meting in stallen. Dat zijn vier afzonderlijke componenten die elk eigen
datavereisten meebrengen. Hoe wordt voorkomen dat de som van al die componenten voor
de gemiddelde ondernemer complexer en bewerkelijker wordt dan het huidige systeem?
Is een integrale lastentoets voorzien?
Antwoord
De KPI-kernset, stoffenbalans, (stal)metingen en het data-ecosysteem vervullen ieder
een eigen, maar samenhangende functie binnen bedrijfsgerichte doelsturing. De verschillende
componenten moeten daarom niet worden gezien als losse, stapelende verplichtingen,
maar als onderdelen van één geïntegreerd systeem.
De KPI-kernset bevat de indicatoren waarop gestuurd kan worden, terwijl de score op
een KPI op verschillende manieren (detailniveaus) kan worden vastgesteld, bijvoorbeeld
via een stoffenbalans of met behulp van (continu) metingen. In het rapport van WUR
over «De integrale KPI-kernset Duurzame Landbouw: uitwerking voor melkveehouderij
en akkerbouw» worden de mogelijkheden beschreven om KPI’s op verschillende detailniveaus
te berekenen. Deze methoden worden parallel uitgewerkt, omdat de meest geschikte methode
kan verschillen per sector en toepassing. Het beoogde data-ecosysteem faciliteert
daarbij het veilige gebruik en de uitwisseling van gegevens die nodig zijn voor berekeningen
en metingen en is erop gericht gegevensuitwisseling zoveel mogelijk te automatiseren
en administratieve lasten te verlagen. Bij de uitwerking en invoering van doelsturing
wordt nadrukkelijk aandacht besteed aan de uitvoeringslasten en administratieve gevolgen
voor ondernemers.
De leden van de D66-fractie zien dat de Minister toewerkt naar een Afrekenbare Stoffenbalans
(ASB) voor de melkveehouderij en akkerbouw. Deze leden vragen wat de lessen zijn uit
het gesprek met Duitsland over de «Stoffstrombilanzverordnung». Zij vragen meer specifiek
welke knelpunten daar in de juridische borging en handhaafbaarheid zijn opgetreden
en hoe worden die meegenomen in de Nederlandse uitwerking. Kan de Minister toelichten
waarom de brede verkenning die al in 2021 is gestart nog niet heeft geleid tot een
definitief besluit over de opzet van de stoffenbalans?
Antwoord
Er heeft overleg plaatsgevonden met vertegenwoordigers van het Duitse Thünen-Institut,
in afstemming met het Duitse federale Ministerie van Landbouw. Dit gesprek vond op
3 maart 2025 online plaats en had een informerend en verkennend karakter. Het Thünen-Institut
is een Duits federaal onderzoeksinstituut op het gebied van landelijke gebieden, landbouw,
bosbouw en visserij en ondersteunt de Duitse overheid met onderzoek en beleidsadvies.
Het gesprek was bedoeld om kennis en ervaringen uit te wisselen over de ontwikkeling
en toepassing van dergelijke systemen.
Tijdens het gesprek is onder meer gesproken over de Duitse Stoffstrombilanzverordnung. Op basis van dit beleid stellen agrarische bedrijven in Duitsland jaarlijks een
balans op van de aan- en afvoer van nutriënten, waaronder stikstof en fosfor op bedrijfsniveau.
Sancties zijn in Duitsland niet gericht op overschrijding, maar op het niet correct
of volledig aanleveren van documentatie. Tijdens het gesprek kwam naar voren dat juridische
borging en handhaving ook belangrijke aandachtspunten zijn bij de stoffenbalans in
Duitsland. Een stoffenbalans kan mogelijkheden bieden om te sturen op emissiereductie,
maar daarbij moet rekening worden gehouden met de biologische processen en weersinvloeden
die onlosmakelijk met de landbouw verbonden zijn. Dit zijn herkenbare uitdagingen.
Daarom werk ik momenteel verschillende methoden uit om emissies vast te stellen, zowel
via berekeningen als via metingen, waarbij ook de systemen en ontwikkelingen in onze
buurlanden worden bestudeerd. Bij deze opties wordt niet alleen gekeken naar de juridische
borging en handhaafbaarheid, maar ook naar de haalbaarheid en praktische toepasbaarheid
voor agrarische ondernemers. Lessen uit het verleden worden hier ook in meegenomen,
met als doel te komen tot een robuuste en uitvoerbare systematiek.
De leden van de D66-fractie constateren dat de Minister aangeeft in Europa te streven
naar voldoende ruimte in Europese regelgeving om doelsturing mogelijk te maken. Deze
leden vragen hoe reëel die ruimte is, met name in het licht van de Nitraatrichtlijn.
Eerder liep het MINAS-systeem juist stuk op de juridische onhoudbaarheid als nationale
uitwerking van die richtlijn. Welke juridische waarborgen bouwt de Minister in om
te voorkomen dat het nieuwe systeem over tien jaar hetzelfde lot beschoren is?
Antwoord
De ervaring met het MINAS-systeem heeft geleerd dat alleen een administratief systeem,
zonder gebruiksnormen, niet past binnen de Nitraatrichtlijn. Om deze reden is in 2006,
in vervolg op het arrest van het Hof van Justitie, in Nederland een stelsel van gebruiksnormen
in de mestwetgeving ingevoerd. Bedrijfsgerichte doelsturing op waterkwaliteit, waar
nu aan gewerkt wordt, zet voor de kwaliteit van grondwater in op twee indicatoren:
het berekenen van het N-bodemoverschot en het meten van het N-mineraal in de grond.
Daarmee wordt hier afgeweken van het MINAS-systeem waarin slechts een variant van
het N-bodemoverschot werd berekend.
Bij het uitwerken van doelsturing op waterkwaliteit streef ik ernaar dit te doen passend
binnen de Europese kaders. Dit betekent onder andere dat doelsturing op waterkwaliteit
altijd zal bestaan naast een bepaalde set aan generieke regels ter uitvoering van
Europese richtlijnen, zoals het gebruiksnormenstelsel.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de verschillende
stukken over de uitwerking van bedrijfsgerichte doelsturing. Deze leden ondersteunen
de beweging van middelsturing naar doelsturing, omdat deze beter kan aansluiten bij
het vakmanschap van ondernemers en ruimte kan bieden voor innovatie en maatwerk. Tegelijkertijd
constateren deze leden dat doelsturing een ingrijpende systeemwijziging betreft die
zorgvuldig moet worden ingevoerd en alleen kan slagen wanneer uitvoerbaarheid en rechtszekerheid
voor ondernemers centraal staan. Deze leden hebben enkele vragen.
Tijdpad en prioritering
De leden van de VVD-fractie lezen in de Kamerbrief Voortgang bedrijfsgerichte doelsturing
(Kamerstuk
30 252, nr. 209
) dat doelsturing gefaseerd wordt ingevoerd en dat een zorgvuldige balans wordt gezocht
tussen snelheid en uitvoerbaarheid. Deze leden onderschrijven het belang van zorgvuldigheid,
maar benadrukken tegelijkertijd dat duidelijkheid over het tempo van invoering essentieel
is voor ondernemers die investeringsbeslissingen moeten nemen.
Deze leden vragen het kabinet daarom om concreet inzicht te geven in de fasering van
de invoering van doelsturing. Kan het kabinet per fase aangeven welke onderdelen van
het doelsturingssysteem wanneer operationeel moeten zijn en welke mijlpalen daarbij
worden gehanteerd? Voorts vragen zij hoe wordt bepaald of het tempo van invoering
voldoende voortgang kent. Welke indicatoren gebruikt het kabinet om de voortgang van
de implementatie te monitoren en wanneer wordt ingegrepen als vertraging optreedt?
Daarnaast vragen deze leden of het kabinet mogelijkheden ziet om onderdelen van doelsturing
versneld in te voeren wanneer deze aantoonbaar uitvoerbaar en betrouwbaar zijn. De
Kamer heeft het kabinet opgeroepen om de ingroei naar doelsturing voort te zetten
zodat geen tijd verloren gaat en agrariërs komend najaar op perceelniveau het N-mineraal
residu kunnen gaan meten. Deze leden vragen het kabinet of uiteengezet kan worden
hoe die voorbereidingen lopen, welke departementen daarbij betrokken zijn en hoe de
inbreng van sectororganisaties wordt meegenomen. Zij vragen voorts of er per milieuopgave
(grondwaterkwaliteit, oppervlaktewaterkwaliteit, ammoniak, broeikasgassen) kan worden
aangeven hoe doelsturing per sector (met mogelijk onderscheid tussen open teelten,
glastuinbouw, grondgebonden veehouderij, intensieve veehouderij) kan worden ingevuld.
Antwoord
De omslag naar afrekenbare doelsturing op bedrijfsniveau vergt inderdaad voor de verschillende
opgaven en verschillende sectoren een specifieke aanpak die niet van vandaag op morgen
gerealiseerd is. Afrekenbare doelsturing zal daarom via een stapsgewijs en zorgvuldig
implementatieproces worden ingevoerd. Het kabinet spant zich hard in om deze randvoorwaarden
de komende periode op orde te brengen.
Voor ammoniak en broeikasgassen ligt de prioriteit bij de grondgebonden veehouderij
en de intensieve veehouderij. Het kabinet verwacht voor de zomer in het kader van
de Ministeriële Taskforce Landbouw, Stikstof en Natuur de Kamer te informeren over
de beleidsmatige invulling van de emissienormen voor stikstof en klimaat en het ingroeipad
hiervan.
Als onderdeel van het 8e actieprogramma Nitraatrichtlijn werk ik aan doelsturing op waterkwaliteit. Conform
de motie Grinwis is het mijn inzet om in het najaar te kunnen starten met N-mineraalmetingen,
wat een indicator kan zijn voor de kwaliteit van grondwater. Voor oppervlaktewater
ligt de situatie complexer, omdat nutriënten in dat water van diverse bronnen afkomstig
kunnen zijn. Voor de uitwerking van doelsturing op waterkwaliteit ben ik in gesprek
met sectorpartijen, waterschappen, provincies, de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland
(RVO) en de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).
Keuzes over de inrichting van doelsturing op waterkwaliteit bezie ik in samenhang
met de maatregelen in het nog op te stellen 8e actieprogramma Nitraatrichtlijn. Zoals toegezegd, zal ik uw Kamer periodiek blijven
informeren over de voortgang van het 8e actieprogramma Nitraatrichtlijn waarbij ook de ontwikkelingen rondom doelsturing
op waterkwaliteit worden meegenomen.
Uitrol naar andere beleidsthema’s en sectoren zal zodra dit van toepassing is met
de Kamer worden gedeeld.
Draagvlak en evaluatie
De leden van de VVD-fractie lezen dat doelsturing alleen kan slagen wanneer het systeem
in de praktijk uitvoerbaar en werkbaar blijkt te zijn voor ondernemers. Deze leden
delen deze opvatting. Zij vragen het kabinet daarom hoe de werkbaarheid van doelsturing
in de praktijk systematisch wordt getest en geëvalueerd. Daarnaast vragen zij welke
criteria worden gehanteerd om te bepalen of een pilot of maatregel succesvol is en
wanneer wordt besloten om een aanpak aan te passen of stop te zetten. Voorts vragen
zij hoe het kabinet het draagvlak onder ondernemers monitort en op welke wijze signalen
uit de praktijk worden betrokken bij verdere beleidsontwikkeling. De akkerbouwsector
heeft in de BO Akkerbouw een sectoraanpak nitraat ontwikkeld. Deze leden vragen het
kabinet in hoeverre die aanpak kan worden meegenomen in de ontwikkeling van het 8e actieprogramma Nitraatrichtlijn (AP)? Zij vragen voorts hoe wordt aangekeken tegen
het realiseren van draagvlak voor deelname aan doelsturing, door het opnemen van wederkerigheid
als incentive in het 8e AP. Dat wil zeggen; agrariërs die aantoonbaar aan de normen voldoen (en dus niet
bijdragen aan uitspoeling van nutriënten) zouden moeten worden uitgezonderd van een
deel van de generieke maatregelen. Deze leden vragen het kabinet of die wederkerigheid
wordt meegenomen in het te ontwikkelen 8e AP en of de metingen die in het najaar van
2026 worden uitgevoerd zullen meetellen in het op te bouwen driejarig gemiddelde.
Antwoord
Door doelsturing voor waterkwaliteit op te zetten middels een ingroeipad kan ervaring
opgedaan worden en kan deze op basis van de ervaringen verbeterd worden gedurende
de looptijd van het ingroeipad. Zoals aangegeven in het antwoord op de vorige vraag
van de leden van de VVD-fractie bezie ik de inrichting van doelsturing op waterkwaliteit
in nauwe samenhang met de maatregelen in het nog op te stellen 8e actieprogramma Nitraatrichtlijn. Daarbij zullen ook keuzes gemaakt worden over de
vorm van doelsturing op waterkwaliteit, de wederkerigheid en mogelijke uitzonderingen
op generieke maatregelen voor bedrijven die aantoonbaar aan de normen voldoen in relatie
tot de maatregelen in het 8e AP.
Meetmethode en betrouwbaarheid
De leden van de VVD-fractie constateren dat betrouwbare data en meetmethoden een randvoorwaarde
vormen voor het functioneren van doelsturing. Deze leden onderschrijven het belang
hiervan, maar wijzen erop dat onzekerheid over meetmethoden direct gevolgen kan hebben
voor rechtszekerheid en investeringsbeslissingen van ondernemers. Zij vragen het kabinet
daarom hoe wordt geborgd dat meetmethoden voldoende betrouwbaar, uniform en betaalbaar
zijn voordat deze worden gebruikt voor afrekenbare doelsturing. Daarnaast vragen zij
welke foutmarges worden gehanteerd bij het vaststellen van emissies op bedrijfsniveau
en hoe wordt omgegaan met situaties waarin meetresultaten onzeker zijn. Deze leden
vragen voorts of op korte termijn duidelijkheid wordt geboden over de financiering
van de N-mineraalmetingen dit najaar, over het protocol dat daarbij moet worden gevolgd
en de drempelwaarden die gaan gelden met oog op de kwaliteit van grondwater.
Antwoord
Om de stap naar doelsturing in de praktijk te zetten is het belangrijk dat het onderwerp/
indicator meetbaar en controleerbaar is. Per onderwerp/ indicator kan het verschillen
in hoe goed gemeten kan worden en wat de meetfouten zijn. Als voorbeeld; het meten
van emissies uit dichte stallen is eenvoudiger dan veldemissies bij mestaanwending.
Het doorontwikkelen van meetmethodes is iets wat ik continu zal stimuleren om daarmee
ook de investeringszekerheid van ondernemers te verbeteren. Bij het verbeteren van
meetmethodes wordt meegewogen wat de kosten hiervan zijn en wordt hier op gestuurd.
Voor doelsturing waterkwaliteit zet ik conform de motie Grinwis in om in het najaar
van 2026 te kunnen starten met N-mineraalmetingen. Om in het najaar van 2026 te kunnen
starten met het meten is in opdracht van LVVN een meetprotocol voor het meten van
N-mineraal (een indicator voor de nitraatuitspoeling) ontwikkeld door Wageningen University
& Research. Daarnaast laat ik ten behoeve van de borging van de systematiek streefwaarden
en een beoordelingsprotocol opstellen. Ook wordt er gewerkt aan het verstrekken van
een subsidie voor het uitvoeren van deze N-mineraalmetingen. Zie voor verdere toelichting
over het ingroeipad voor doelsturing op waterkwaliteit ook het antwoord een eerdere
vraag van de leden van de VVD-fractie.
Uitvoerbaarheid voor ondernemers
De leden van de VVD-fractie lezen dat doelsturing ondernemers ruimte moet geven om
zelf te bepalen hoe zij doelen realiseren, maar dat deze systematiek ook kan leiden
tot extra inspanningen, bijvoorbeeld op het gebied van rapportage en monitoring. Deze
leden vinden het van groot belang dat doelsturing niet leidt tot een toename van administratieve
lasten of complexiteit op het boerenerf. Deze leden vragen het kabinet daarom hoe
wordt geborgd dat de administratieve lasten voor ondernemers beheersbaar blijven.
Op welke wijze worden de lasten en uitvoeringskosten van doelsturing structureel gemonitord?
Antwoord
Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) adviseert de overheid over het voorkomen
van onnodige regeldruk. Dit gebeurt zo vroeg mogelijk in het proces van wet- en regelgeving.
Of invoering van de doelsturingssystematiek gaat leiden tot extra administratieve
lasten is nu nog niet te zeggen en hangt bijvoorbeeld ook af van de mate van en het
tempo waarin er in wordt geslaagd om middelsturing deels af te bouwen. Administratieve
lasten voor ondernemers worden weergegeven in het onderdeel lastendruk in de toelichting
van een regeling. In dat onderdeel lastendruk wordt aangegeven wat de gevolgen zijn
voor de ondernemers na invoering van nieuwe regelgeving. Zie ook het antwoord op een
eerdere vraag van de leden van de D66-fractie hierover.
Daarnaast vragen deze leden hoe wordt omgegaan met verschillen tussen bedrijven, sectoren
en regio’s. In hoeverre wordt maatwerk mogelijk gemaakt wanneer bepaalde doelen voor
specifieke bedrijven moeilijk haalbaar blijken te zijn, bijvoorbeeld door locatie,
bedrijfsomvang of sectorale kenmerken?
Antwoord
Dit kan verschillen per onderwerp en per sector en is afhankelijk van hoe doelsturing
precies wordt ingevuld.
Rechtszekerheid en de overgang van middelsturing naar doelsturing
De leden van de VVD-fractie lezen dat doelsturing zorgvuldig moet worden ingebed in
bestaande wetgeving om rechtsonzekerheid voor ondernemers te voorkomen. Deze leden
onderschrijven dit uitgangspunt en achten het cruciaal dat ondernemers tijdens de
overgang naar doelsturing duidelijkheid houden over hun rechten en verplichtingen.
Deze leden vragen het kabinet daarom welke wet- en regelgeving naar verwachting moet
worden aangepast om doelsturing volledig te kunnen implementeren. Daarnaast vragen
deze leden hoe de overgang van middelsturing naar doelsturing juridisch wordt vormgegeven.
Wordt voorzien in overgangsrecht of overgangsperioden voor bestaande bedrijven en
investeringen?
Antwoord
Het is goed dat de leden van de VVD-fractie de uitgangspunten onderschrijven om doelsturing
zorgvuldig in de wetgeving in te bedden en om rechtsonzekerheid voor ondernemers te
voorkomen. In de beleidsbrief van LVVN zijn in de bijlage met wetgevingsprioriteiten
de voornemens opgenomen voor de wetgeving over bedrijfsgerichte emissienormen voor
stikstof en klimaat2. Welke wet- en regelgeving daarbij precies wordt aangepast is afhankelijk van de
precieze nog te maken inhoudelijke keuzes. Over de verdere invulling van beleidsmatige
keuzes rondom de bedrijfsspecifieke emissienormen wordt u voor de zomer in het kader
van de Taskforce verder geïnformeerd3. Bij het ontwerp van de regelgeving zal ook aandacht zijn voor de invoeringsperiode
en de inzet van verschillende toepassingsvormen, zoals informeren en stimuleren. Bij
de voorbereiding op de invoering van de wetgeving zal ook aandacht zijn voor de verhouding
tot middelvoorschriften, bijvoorbeeld de middelvoorschriften die vereist zijn op grond
van Europese wet- en regelgeving. Het ontwerp van de wetgeving zal via de gebruikelijke
procedures ook aan de Kamer worden voorgelegd.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
Algemeen
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de voorliggende notities en brieven
over de transitie van middel- naar doelsturing. Deze leden vrezen dat dit beleid van
het kabinet in werkelijkheid zal ontaarden in een nieuw bureaucratisch monster waarbij
de voedselzekerheid van Nederland en de autonomie van de Nederlandse boer worden opgeofferd
aan onhaalbare milieudoelen.
Transitie van middel- naar doelsturing
De leden van de PVV-fractie constateren dat er 10 miljoen euro beschikbaar wordt gesteld
voor een transitie die stoelt op de ASB. Hoe kan de Minister garanderen dat de ASB
niet exact hetzelfde rampzalige pad zal volgen als het eerdere MINAS dat wegens juridische
onhoudbaarheid en beperkte effectiviteit in 2006 moest worden afgeschaft?
Antwoord
MINAS was een administratief systeem van mineralen in- en output (stelsel van verliesnormen
met heffingen bij overschrijding van die verliesnormen) op een bedrijf, zonder dat
Nederland tegelijkertijd een stelsel van gebruiksnormen had ingevoerd. Het hebben
van een stelsel van gebruiksnormen is een verplichting uit de Nitraatrichtlijn. MINAS
was een vorm van doelsturing, een prikkel om fosfaat- en stikstofoverschotten op bedrijfsniveau
te verlagen.
Het Europese Hof van justitie heeft geoordeeld dat een systeem van verliesnormen,
zoals MINAS, ter implementatie van de door de Nitraatrichtlijn voorgeschreven stikstofbalans
(de balans tussen de stikstofbehoefte van het gewas en de totale toevoer van stikstof
uit bemesting en de bodem naar het gewas), niet toereikend was. Dit omdat er geen
gebruiksnormen en normen voor dierlijke mest in Nederland waren en de afrekening achteraf
plaatsvond. Deze ervaring leert dat alleen een administratief systeem op het gebied
van doelsturing waterkwaliteit, zonder gebruiksnormen, niet past binnen de Nitraatrichtlijn.
In 2006 zijn de gebruiksnormen ingevoerd.
De beschikbare middelen worden ingezet om deze ontwikkeling zorgvuldig vorm te geven,
samen met sectorpartijen, kennisinstellingen en uitvoeringsorganisaties, zodat wordt
toegewerkt naar een werkbaar en juridisch houdbaar systeem.
Is de Minister zich ervan bewust dat de agrarische sector al zwaar gereguleerd is
en waarom wordt er dan opnieuw ingezet op een systeem dat volgens de bronnen nog steeds
kampt met hoge administratieve lasten?
De leden van de PVV-fractie vernemen graag dat de Minister 100 procent zekerheid geeft
dat de administratieve lasten worden verlaagd, graag een reactie hierop van de Minister.
Antwoord
Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) adviseert de overheid over het voorkomen
van onnodige regeldruk. Dit gebeurt zo vroeg mogelijk in het proces van wet- en regelgeving.
Of invoering van de doelsturingssystematiek gaat leiden tot extra administratieve
lasten is nu nog niet te zeggen en hangt bijvoorbeeld ook af van de mate van en het
tempo waarin er in wordt geslaagd om middelsturing deels af te bouwen.
Administratieve lasten voor ondernemer worden weergegeven in het onderdeel lastendruk
van de toelichting bij de regelgeving. In dat onderdeel lastendruk wordt aangegeven
wat de gevolgen zijn voor de ondernemers na invoering van nieuwe regelgeving. Zie
ook het antwoord op een eerdere vraag van de leden van de D66-fractie hierover.
De leden van de PVV-fractie vragen in hoeverre er bij de selectie van genodigden voor
het rondetafelgesprek werkelijk oog voor de praktijkervaring van de gewone boer is.
Of worden hier enkel partijen gehoord die meebewegen met de klimaatagenda van het
kabinet?
Antwoord
Het uitnodigingsbeleid van de Tweede Kamer is aan de Kamer zelf. Bij het uitwerken
van doelsturing worden boeren zo veel mogelijk betrokken, juist om het beleid zo goed
mogelijk te ontwikkelen.
Programma Vernieuwing Stalbeoordeling
De leden van de PVV-fractie hebben vragen bij de overheveling van verantwoordelijkheden
naar private partijen zoals de Stichting Koninklijk Nederlands Normalisatie Instituut
(NEN). Waarom wordt een taak als stalbeoordeling overgeheveld naar private certificeringsinstanties
en hoe voorkomt de Staatssecretaris dat dit leidt tot torenhoge kosten en extra bureaucratie
voor de veehouder? Hoe verhoudt de weigering om boeren te compenseren voor investeringen
in stalsystemen die achteraf onvoldoende worden bevonden zich tot het principe van
rechtszekerheid voor ondernemers?
Uit verschillende onderzoeken4,
5,
6 blijkt dat de prestaties van de huidige emissiearme stalsystemen en technieken in
de praktijk tegenvallen. Daarom moet de zekerheid over de prestaties van emissiearme
stalsystemen en technieken worden vergroot. Met het Programma Vernieuwing Stalbeoordeling
wordt hierop ingezet. Zowel veehouderijsector als meetbedrijven staan erachter om
het proces publiek-privaat in te richten, zoals ook toegelicht in de Kamerbrief «Uitgangspunten
Programma Vernieuwing Stalbeoordeling» van 19 december 20247 en de Kamerbrief over de voortgang daarvan van 22 september 20258. Het huidige stelsel van stalbeoordeling is volledig publiek ingericht, met een hoog
detailniveau in de regelgeving. Emissiefactoren worden opgenomen in bijlage V en emissiereductiepercentages
in bijlage VI van de Omgevingsregeling. Het vastleggen en wijzigen van deze regelgeving
is een tijdrovend proces. Private partijen geven aan meer ruimte te willen om zelf
invulling te geven aan onderdelen van het stelsel, waarbij ook wordt gestreefd naar
meer mogelijkheden voor innovatie. Tegelijkertijd wordt het beoordelingsstelsel gebruikt
voor publieke doelen, zoals de milieu- en natuurvergunningverlening. Dit stelt duidelijke
eisen aan de wijze waarop private partijen hun rol kunnen invullen. In combinatie
leidt dit tot de ontwikkeling van een publiek-privaat stelsel dat bijdraagt aan een
beter evenwicht. Haalbaarheid, betaalbaarheid en een evenwichtige verdeling van de
kosten tussen de betrokken partijen binnen het stelsel zijn belangrijke aandachtspunten
in de verdere uitwerking.
Een dergelijk stelsel kan alleen goed functioneren wanneer er heldere en navolgbare
afspraken worden gemaakt, zowel tussen marktpartijen onderling als tussen marktpartijen
en de overheid. Zeker bij technische onderwerpen kunnen deze afspraken effectief worden
vastgelegd in kwaliteits- en borgingsnormen, bijvoorbeeld voor emissiereducerende
producten en continue metingen. In andere domeinen is hiermee al positieve ervaring
opgedaan. Binnen Nederland is Stichting Koninklijk Nederlands Normalisatie Instituut
(NEN) de organisatie die de ontwikkeling en vastlegging van dergelijke normen faciliteert.
Het ingezette normalisatietraject heeft als doel om met alle betrokken partijen tot
consensus te komen over de inhoud van de normen. Deze normen zullen vervolgens worden
gebruikt binnen het publiek-private stelsel. Private partijen zullen volgens deze
normen moeten gaan werken. NEN krijgt verder geen rol in het daadwerkelijke beoordelen
van de prestaties van emissiereducerende technieken. Deze rol gaat naar verwachting
uitgevoerd worden door een conformiteitsbeoordelingsinstantie met toezicht door onder
andere de Raad voor Accreditatie. De tegenvallende werking van emissiearme stalsystemen
en technieken in de praktijk heeft geen gevolgen voor de rechtszekerheid voor ondernemers
die een bestaande onherroepelijke vergunning hebben.
Onderzoek Borging en Faalfactoren
De leden van de PVV-fractie constateren dat uit onderzoek van Connecting Agri & Food
blijkt dat doelsturing gepaard gaat met hogere kosten en een enorme tijdsbesteding
voor de veehouder. Deze leden vragen hoe de regering kan spreken over perspectief
voor boeren als uit dit onderzoek blijkt dat de kosten voor brede implementatie van
sensoren momenteel te hoog zijn en de uitvoering voor natuurlijk geventileerde stallen
nog onvoldoende betrouwbaar zou zijn. De onderzoekers stellen dat veehouders staltechnieken
vaak instellen op dierprestaties in plaats van milieudoelen. Vindt de Minister het
acceptabel dat het welzijn van het dier ondergeschikt wordt gemaakt aan de stikstofboekhouding
van het kabinet?
Antwoord
Hier wordt waarschijnlijk verwezen naar het onderzoek «Borging emissiearme systemen»:
deelrapport a, die als bijlage bij de Kamerbrief van 22 september 2025 is gevoegd9. In het nieuwe stelsel is niet voorzien om iedere veehouder de verplichting tot continu
meten met sensoren op te leggen. Dit is inderdaad op dit moment niet voor alle stallen
goed mogelijk, al wil ik het beeld nuanceren dat emissiemetingen bij open stallen
niet mogelijk zijn. Daarom werk ik er ook aan om zoveel mogelijk staltypen op deze
wijze meetbaar te maken. Het doel is het stelsel zo vorm te geven dat continu meten
uitvoerbaar en betaalbaar wordt en tegelijkertijd voldoende zekerheid voor vergunningverlening
biedt.
Het is niet zo dat dierenwelzijn ondergeschikt is aan het behalen van emissiedoelen.
Het kabinet stuurt integraal op het behalen van de verschillende doelen, en zo ook
het welzijn van dieren. Integrale toetsing van innovatieve stalsystemen is dan ook
het uitgangspunt van het Programma Vernieuwing Stalbeoordeling.
Uitvoerbaarheid en Bedrijfsgerichte Doelsturing
De leden van de PVV-fractie vragen hoe de Minister de belofte van het centraal stellen
van vakkennis rijmt met het feit dat boeren door dit nieuwe beleid feitelijk worden
gedegradeerd tot fulltime boekhouders die elke gram stikstof moeten millimeteren.
Kan de Minister garanderen dat doelsturing niet zal leiden tot een gedwongen inkrimping
van de veestapel in gebieden rondom Natura 2000, ondanks de belofte dat boeren ruimte
krijgen om te ondernemen?
Antwoord
Het kabinet wil voorkomen dat het systeem van doelsturing overvraagd wordt. Daarom
zijn de bedrijfsspecifieke emissienormen voor stikstof en klimaat onderdeel van de
bredere samenhangende aanpak waaraan wordt gewerkt via de Ministeriële Taskforce Landbouw,
Natuur en Stikstof. Naast het stellen van emissienormen worden diverse andere instrumenten
uitgewerkt, onder meer gericht op het stimuleren van verduurzaming en extensivering
om ondernemers zo te ondersteunen in het bewerkstelligen van emissiereductie. Ook
wordt ingezet op gebiedsgericht beleid en maatregelen gericht op het verkleinen van
de productiecapaciteit.
In het bepalen van de hoogte van de bedrijfsspecifieke emissienormen wordt rekening
gehouden met wat technisch mogelijk is voor ondernemers. Het kabinet vindt het belangrijk
dat de normen waar bedrijven aan moeten voldoen in de praktijk realiseerbaar zijn
en ertoe leiden dat bedrijven in beweging komen. Dit betekent niet dat de emissienormen
ook altijd makkelijk te realiseren zullen zijn: het kan om forse inspanningen vragen
van ondernemers om aan de normen te voldoen. Zie ook de antwoorden op de vragen van
de leden van de D66-fractie.
Bovenwettelijke Eisen en Marktinvloed
De leden van de PVV-fractie vragen wat het kabinet gaat doen om boeren te beschermen
tegen de machtsconcentratie van supermarkten die, bovenop de overheidsregels, extra
eisen stapelen zonder daarvoor een eerlijke prijs te betalen.
Antwoord
De positie van de boer in de keten is een belangrijk onderwerp voor het kabinet. Vandaar
dat in opdracht van het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
door de Autoriteit Consument & Markt (ACM) terugkerend periodiek onderzoek gedaan
wordt naar de prijzen, kosten en marges in voedselketens. Via de Agro-Nutri Monitor
kijkt de ACM specifiek naar concentratie en marktmacht bij primaire producenten, handel
en supermarkten. Op 12 september 2025 heeft de ACM de 4e rapportage van de Agro-Nutri
Monitor op haar website gepubliceerd. Daarnaast heeft de ACM de taak om toezicht te
houden op concurrentie en mededinging. In het kader van die taak heeft de ACM op 18 september
2025 publiek gemaakt dat een onderzoek naar de prijzen van boodschappen in Nederlandse
supermarkten uitgevoerd wordt. De verwachting is dat de resultaten van dit onderzoek
in het najaar beschikbaar komen. Wat betreft de bevoegdheden van de ACM verwijs ik
graag naar de beantwoording van 4 september 2025 op de vragen van het lid Dijk (SP)
over de motie Dijk (Kamerstuk 36 600 XV, nr. 101) met het voorstel om de ACM het mandaat en de middelen te geven om de prijzen van
boodschappen te reguleren10.
Contouren Bedrijfsspecifieke Emissienormen
De leden van de PVV-fractie constateren dat het kabinet wil toewerken naar afrekenbare
normen in 2035. Deze leden vragen hoe het kabinet nu al kan koersen op een niet vrijblijvende
daling van emissies terwijl de juridische basis wankel is en de data-infrastructuur
voor doelsturing nog volledig in de kinderschoenen staat.
Antwoord
Het kabinet zet in op afrekenbare bedrijfsspecifieke emissienormen voor stikstof en
klimaat in 2035 en hiermee wordt beoogd een geborgde reductie van emissies te realiseren.
Voor de operationalisering van deze systematiek zullen de komende jaren nog verschillende
keuzes gemaakt moeten worden, variërend van juridische borging tot aspecten voor de
ontwikkeling van het systeem zoals monitoring en beschikbaarheid van data van de juiste
kwaliteit. Deze uitwerking is technisch complex en vraagt daarom om een zorgvuldig
implementatieproces en stapsgewijze invoering. Daarbij zijn er de afgelopen jaren
in verschillende sectoren al de nodige stappen gezet en beginnen we niet op nul.
Overig
De leden van de PVV-fractie vrezen voor de voedselzekerheid en vragen of de Minister
klip en klaar kan aangeven welk effect deze fundamentele systeemwijziging zal hebben
op de totale voedselproductie in Nederland. Deze leden verwachten een gedetailleerde
en feitelijke beantwoording van deze vragen, waarbij niet langer voorbij wordt gegaan
aan de dagelijkse realiteit en de belangen van de agrarische ondernemers.
Antwoord
Het doelsturingssysteem als zodanig heeft geen effect op de voedselproductie. Zodra
voor specifieke onderwerpen normen worden vastgesteld zou dit mogelijk een effect
op de voedselproductie kunnen hebben als sommige ondernemers als gevolg daarvan besluiten
hun bedrijf te beëindigen. Ik kan nu niet vooruitlopen op de mogelijke consequenties
daarvan.
Binnen de Ministeriële Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof werkt het kabinet aan
een brede aanpak die zich richt op de opgaven voor natuur en stikstof, in samenhang
met de opgaven op water en gewasbeschermingsmiddelen, klimaat en dierwaardigheid,
gericht op het vormgeven van een toekomstbestendige landbouw en een toekomstgericht
voedselsysteem.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de agenda voor het schriftelijk
overleg over doelsturing en hebben hierbij nog enkele vragen.
Vormgeving en reikwijdte van doelsturing in de landbouw
De leden van de CDA-fractie vragen of de Minister een wettelijk verankerd en gefaseerd
systeem van doelsturing op emissies, met landelijke doelen, regionale differentiatie,
keuzevrijheid voor bedrijven, beperkte generieke randvoorwaarden, een betrouwbare
datastructuur en expliciete beloning en afrekening, beschouwt als de meest effectieve
aanpak.
Antwoord
Door de invoering van doelsturing wordt het vakmanschap en de keuzevrijheid van de
ondernemer aangesproken, meer dan bij generieke maatregelsturing. Er wordt hierbij
een ingroeipad gehanteerd om het systeem zorgvuldig en stapsgewijs uit te bouwen en
de ondernemer hierin mee te nemen en te faciliteren. Het belonen van goede prestaties
en het afrekenen bij het niet halen van de normen is nodig voor het tijdig halen en
borgen van de beoogde emissiereductie voor stikstof en klimaat. Het zal per opgave
en per sector verschillen wat mogelijk en nodig is.
De leden van de CDA-fractie vragen of naast een doelsturingsaanpak er ook een eenvoudige
forfaitaire (systeem)norm kan bestaan waarmee eenvoudig aan doelen kan worden voldaan.
Antwoord
Voor de operationalisering van doelsturing zullen de komende jaren nog verschillende
keuzes gemaakt moeten worden. Voor het vaststellen van emissies op bedrijfsniveau
zijn verschillende methodes mogelijk, variërend van eenvoudigere rekenmethodes tot
een gedetailleerde rekenmethode of (continu) meten. Het zal daarbij per opgave en
per sector verschillen wat mogelijk en nodig is. Deze mogelijkheden worden nader uitgewerkt
in de bredere ontwikkeling van het doelsturingssysteem.
Deze leden vragen of doelsturing kalenderlandbouw kan vervangen en zo ja, onder welke
voorwaarden.
Antwoord
Zoals toegelicht in het antwoord op een eerdere vraag van de leden van de VVD fractie
bezie ik keuzes over de inrichting van doelsturing op waterkwaliteit, waaronder het
al dan niet vervangen van generieke regelgeving, in samenhang met de maatregelen in
het nog op te stellen 8e actieprogramma Nitraatrichtlijn.
De leden van de CDA-fractie zien mogelijkheden om waterkwaliteit te koppelen aan doelsturing
om zo regie bij de ondernemer te leggen en de waterkwaliteit te bevorderen. Deze leden
vragen hoe de Minister doelsturing concreet wil inzetten om de waterkwaliteit te verbeteren
en welke instrumenten daarbij worden overwogen.
Antwoord
Door inzicht te verschaffen aan de agrariër in het effect van het eigen handelen op
de waterkwaliteit, kan doelsturing een instrument zijn om de waterkwaliteit te verbeteren.
Keuzes over instrumenten bezie ik in samenhang met de maatregelen in het nog op te
stellen 8e actieprogramma Nitraatrichtlijn. Zie ook het antwoord op een eerdere vraag van de
leden van de VVD-fractie hierover.
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van initiatieven in provincies, zoals
Gelderland en Friesland, waar doelsturing wordt gekoppeld aan vergunningverlening.
Is de Minister op de hoogte van deze initiatieven en ziet de Minister hierin een wenselijke
ontwikkeling? Zo ja, onder welke voorwaarden?
Antwoord
Ja, ik ben op de hoogte van deze initiatieven. De provincie Gelderland, de gemeentes
Berkelland en Oost-Gelre ondersteun ik in het traject van de eerste afgegeven doelvoorschriftenvergunningen.
In december 2024 zijn voor twee varkenshouders doelvoorschriftvergunningen afgegeven,
hierin is het emissieplafond (een maximale uitstoot kg ammoniak per jaar) leidend.
Met sensormetingen wordt continu gemeten om de emissie van de stal te bepalen. De
Kamer is over dit traject geïnformeerd op 14 april 202511. Deze vergunningen hebben op 25 maart jl. voorgelegen bij de Rechtbank Gelderland.
De Rechtbank heeft op dit moment nog geen uitspraak gedaan in deze zaken. De uitkomst
van deze rechtszaken is van belang voor het opdoen van kennis en ervaring met het
continu meten van stalemissies en bepalen of dit een aanpak is om de onzekerheid van
de werking van emissiearme stalsystemen in de praktijk weg te kunnen nemen. Binnenkort
verwacht ik de Kamer nader te kunnen informeren over de voortgang in dit traject.
De leden van de CDA-fractie vragen hoe de Minister de rol van de kringloopwijzer ziet
in de monitoring en borging van doelsturing. In hoeverre acht de Minister de kringloopwijzer
geschikt als instrument om bedrijfsspecifieke prestaties inzichtelijk te maken en
te toetsen aan gestelde doelen? Ook vernemen deze leden graag hoe de Minister de kringloopwijzer
wil positioneren ten opzichte van andere monitoringsinstrumenten en meetmethoden en
of hij voornemens is het gebruik hiervan te standaardiseren of verder te ontwikkelen
binnen het kader van doelsturing.
Antwoord
Het kabinet vindt het belangrijk dat ondernemers inzicht kunnen krijgen in waar zij
staan ten opzichte van de norm en dat zij betrouwbaar kunnen aantonen dat zij aan
de normen voldoen. Voor het vaststellen van emissies op bedrijfsniveau zijn verschillende
methodes mogelijk, variërend van eenvoudigere rekenmethodes tot een gedetailleerde
rekenmethode of (continu) meten. Deze mogelijkheden worden nader uitgewerkt. In dit
kader wordt ook gekeken naar welke rol de Kringloopwijzer kan spelen. Daarbij is het
relevant dat de Kringloopwijzer niet van de overheid is. Over de rol van de Kringloopwijzer
vindt dan ook afstemming plaats met sectorpartijen en Wageningen University en Research
die verantwoordelijk is voor de software die de berekeningen maakt. Het beheer van
de centrale database ligt bij ZuivelNL.
Voor monitoring worden emissies uit de landbouwsector naar de atmosfeer op dit moment
op nationaal niveau vastgesteld door Emissieregistratie met behulp van het rekenmodel
NEMA (National Emission Model for Agriculture). Emissies worden op nationaal niveau
gemonitord, omdat er op provinciaal of regionaal niveau nog onvoldoende betrouwbare
activiteitendata zijn. Het is belangrijk dat NEMA zoveel mogelijk emissie-reducerende
maatregelen bevat. LVVN heeft Wageningen Research (WR) daarom gevraagd NEMA te actualiseren
aan de meest recente emissie-reducerende maatregelen. Hiervoor ontwikkelt WR een afwegingskader
om te bepalen wat er nodig is om nieuwe maatregelen in de emissieberekeningen op te
kunnen nemen en welke afwegingen daarbij gemaakt moeten worden. Het gaat daarbij om
wetenschappelijke onderbouwing, borging van de emissiearme werking en de beschikbaarheid
van activiteitendata.
De Kringloopwijzer is alleen voor de melkveehouderij en wordt door een groot aantal
melkveehouders gebruikt maar niet door allemaal. Dit maakt het instrument geschikt
voor bedrijfsmanagement, maar (nog) niet voor landelijke monitoring. Met de ontwikkeling
van het model ReNEMA wordt eraan gewerkt om in de toekomst nationale emissies te kunnen
berekenen op basis van emissies op bedrijfsniveau.
De leden van de CDA-fractie vragen hoe de Minister waarborgt dat ondernemers voldoende
worden beschermd bij het verstrekken van gegevens in het kader van doelsturing, met
name ten aanzien van databescherming en het voorkomen van oneigenlijk gebruik.
Antwoord
Van belang is dat besluiten in het kader van doelsturing zorgvuldig worden voorbereid
en dragend worden gemotiveerd. Er moet nog bepaald worden welke gegevens daarvoor
nodig zijn. Bij het maken van deze keuzes zal ik de belangen van openbaarheid en de
bescherming van bedrijfs- en persoonsgegevens afwegen binnen de geldende kaders. Deze
geldende kaders zijn onder andere de Algemene wet bestuursrecht, de Wet open overheid
en de Algemene verordening gegevensbescherming. Hierbij wijs ik er tevens op dat de
evaluatie van de Woo mogelijk nog nieuwe inzichten zal bieden, die ook voor dit vraagstuk
van belang is.
Ik verwijs u tevens naar de antwoorden op Kamervragen over openbaarmaking bedrijfsgegevens
naar aanleiding van de technische briefing over doelsturing12.
Ketenverantwoordelijkheid behalen natuur- en milieudoelstellingen en kosten doelsturing
De leden van de CDA-fractie constateren dat doelsturing van boeren investeringen en
aanpassingen op het boerenerf vergt, terwijl de financiële opbrengst van duurzamere
productie achterblijft. Het regeerakkoord stelt dat ketenpartijen hun verantwoordelijkheid
moet nemen in het (financieel) steunen van de transitie van boeren naar duurzame landbouw.
Deze leden vragen hoe de Minister concreet gaat borgen dat ketenpartijen een eerlijke
financiële bijdrage leveren aan de meerkosten van doelsturing op het boerenerf.
Antwoord
Het kabinet vindt het belangrijk dat boeren die aantoonbaar goed presteren op KPI’s
ook worden ondersteund door ketenpartijen. Op dit moment wordt bijvoorbeeld verkend
of via het private initiatief van True Value Language (TVL) een publiek-private samenwerking
mogelijk is voor het gebruiken van de opgeleverde KPI-kernset om te komen tot een
gemeenschappelijke taal voor het meten, waarderen, delen en belonen van duurzaamheidsprestaties.
De toegevoegde waarde van TVL is de deelname van een aantal ketenpartijen en de toezegging
van hen om op basis van deze gemeenschappelijke taal hun leveranciers op duurzaamheidsprestaties
te belonen. Deze verkenning is nog in een pril stadium, maar een gemeenschappelijke
taal kan mogelijk in de toekomst de basis bieden voor een eerlijke financiële bijdrage
vanuit ketenpartijen voor de eventuele meerkosten van doelsturing op het boerenerf.
De leden van de CDA-fractie vragen of de Minister bereid is om via productschappen
2.0 bindende afspraken te realiseren over een structurele financiële bijdrage van
verwerkers en retail aan boeren die aantoonbaar presteren op doelsturings-KPI’s.
Antwoord
Het kabinet vindt het belangrijk dat boeren die aantoonbaar goed presteren op KPI’s
ook worden ondersteund door ketenpartijen. Het is nog te bezien of een productschap
2.0 daarvoor het middel is. Momenteel werkt de Sociaal Economische Raad (SER) aan
een advies over de land- en tuinbouw. In dat advies wordt ook het versterken van uitvoeringskracht
betrokken. Dit advies zal bijdragen aan een gezamenlijk beeld van de opdracht van
een nieuw publiek privaat orgaan. De inzichten van de SER zou ik willen betrekken
bij de verdere uitwerking van deze ambitie. Dat vind ik belangrijk, omdat draagvlak
bij de betrokken sectoren en partijen essentieel is voor het bepalen van de taken
en verantwoordelijkheden van een nieuw publiek privaat orgaan.
De leden van de CDA-fractie wijzen erop dat uit recente inventarisaties, waaronder
het eindrapport van True Value Language (True Value Language, 25 februari 2026, «Bevindingen
en aanbevelingen uit de inventarisatie», (https://truevaluelanguage.nl/wp-content/uploads/2026/03/260226_TVL_Inve…)), blijkt dat een directe koppeling tussen prestatieniveau op KPI's en financiële
beloning in de keten nog zeldzaam is. Veel initiatieven werken met een zogeheten pass/fail-systeem
met een forfaitaire beloning, waardoor koplopers niet worden onderscheiden van boeren
die net aan de norm voldoen. Deze leden vragen de Minister of hij mogelijkheden ziet
om, in samenwerking met ketenpartijen, toe te werken naar een meer gedifferentieerd
beloningssysteem dat aantoonbare prestatieverbetering op doelsturings-KPI's daadwerkelijk
financieel waardeert.
Antwoord
In lijn met het antwoord op een eerdere vraag van de leden van de CDA-fractie hierover,
wordt op dit moment verkend of via het private initiatief van True Value Language
(TVL) een publiek-private samenwerking mogelijk is voor het gebruiken van de opgeleverde
KPI-kernset om te komen tot een gemeenschappelijke taal voor het meten, waarderen,
delen en belonen van duurzaamheidsprestaties. De toegevoegde waarde van TVL is de
deelname van een aantal ketenpartijen en de toezegging van hen om op basis van deze
gemeenschappelijke taal hun leveranciers op duurzaamheidsprestaties te belonen. Deze
verkenning is nog in een pril stadium, maar een gemeenschappelijke taal kan mogelijk
in de toekomst de basis bieden voor een beloningssysteem op aantoonbare prestatieverbeteringen.
Harmonisatie van keurmerken en bovenwettelijke eisen
De leden van de CDA-fractie constateren dat boeren in de praktijk te maken hebben
met een groot aantal keurmerken, ketenprogramma's en bovenwettelijke eisen die elk
hun eigen indicatoren, definities en verificatie-eisen hanteren. Dit leidt tot dubbele
registraties, onduidelijkheid en administratieve lasten. Deze leden vragen de Minister
hoe hij de harmonisatie van keurmerken en private duurzaamheidseisen wil bevorderen,
zodat de boer niet voor ieder afzonderlijk programma een aparte set gegevens moet
bijhouden. Ziet de Minister een rol voor de overheid om een gedeelde meetbasis, zoals
de KPI-Kernset, als gemeenschappelijke standaard te stimuleren waarop keurmerken en
ketenprogramma's kunnen aansluiten?
Antwoord
In opdracht van het Ministerie van LVVN is afgelopen jaren door Wageningen Universiteit
& Research (WUR) een wetenschappelijke basis ontwikkeld voor een integrale KPI-kernset
in de melkveehouderij- en akkerbouwsector. In februari is het rapport gepubliceerd
met de set aan indicatoren13. Dit is een belangrijke stap om duurzaamheidsdoelen meetbaar en waardeerbaar te maken,
maar ook administratieve lasten te verminderen. Ketenpartijen kunnen gebruik maken
van deze integrale KPI-kernset, als gedeelde meetbasis voor nieuwe duurzaamheidsprogramma’s
en keurmerken. Daarvoor zie ik ook een rol vanuit de Rijksoverheid om op basis van
deze integrale KPI-kernset samen te werken met private organisaties en andere overheden
om de landbouwsector te verduurzamen. Op dit moment wordt verkend of via het private
initiatief van True Value Language publiek-private samenwerking mogelijk is voor het
gebruiken van deze opgeleverde KPI-kernset. Hierbij worden ook de lessen meegenomen
uit het rapport van Berenschot14, waarin de opties voor een governance-structuur zijn verkend. Ook enkele keurmerkhouders
nemen deel aan het True Value Language initiatief.
De leden van de CDA-fractie vragen hoe de Minister de stapelbaarheid van beloningen
uit verschillende ketenprogramma’s en keurmerken wil verbeteren. Is de Minister bereid
om binnen de vorm te geven productschappen 2.0 afspraken te maken zodat boeren die
aan meerdere duurzaamheidseisen voldoen cumulatief worden beloond en niet telkens
dezelfde inspanningen hoeven te verantwoorden?
Antwoord
Diverse ketenprogramma’s of keurmerken worden vanuit de private partijen geïnitieerd.
Eisen en beloningen kunnen onderling verschillen, en het verantwoorden van duurzaamheidsinspanningen
voor verschillende doeleinden kan voor sommige boeren een administratieve last veroorzaken.
Doelsturings-KPI’s en afspraken over meetmethoden of monitoring kunnen handvatten
bieden om deze programma’s en keurmerken goed op elkaar af te stemmen. Ik vind het
belangrijk om in te zetten op het spreken van een gezamenlijke taal, zodat transparantie
over duurzaamheidsinspanningen en prestaties verbetert. Deze transparantie is te benutten
om publieke en private duurzaamheidseisen te monitoren en te belonen. Dit kan ook
bijdrage aan het verminderen van de administratieve lasten, niet alleen voor de primaire
producenten maar voor alle ketenpartijen. Momenteel werk ik aan de eerste stappen
voor de inrichting van een nieuw soort productschap 2.0, zoals ik ook op het antwoord
op een eerdere vraag van de leden van de CDA-fractie aangeef. De taken en verantwoordelijkheden
van dit nieuwe publiek private orgaan moeten verder worden uitgewerkt. Onderdeel hiervan
kan zijn om de mogelijkheden nader te bezien in hoeverre boeren die aan meerdere duurzaamheidseisen
voldoen cumulatief worden beloond en niet telkens dezelfde inspanningen hoeven te
verantwoorden.
Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van de agenda voor het schriftelijk
overleg Doelsturing. Deze leden hebben hierover nog enkele vragen.
De leden van de JA21-fractie lezen dat afrekenbare bedrijfsspecifieke emissienormen
een fundamentele systeemwijziging vergen, dat deze niet van vandaag op morgen gerealiseerd
zijn en dat implementatie, borging en vastlegging dit jaar nog niet geregeld kunnen
zijn.
De leden van de JA21-fractie vragen welk concreet tijdpad de Minister hanteert tot
het moment waarop afrekenbaarheid gerealiseerd is.
Antwoord
Het kabinet zet in op afrekenbare bedrijfsspecifieke emissienormen voor stikstof en
klimaat in 2035. Door nu duidelijke kaders te stellen waar bedrijven uiteindelijk
aan zullen moeten voldoen kunnen bedrijven overwogen een beslissing maken over de
toekomstige ontwikkeling van hun bedrijf. In aanloop daarnaartoe zet het kabinet ook
al in om informerende en stimulerende maatregelen om ondernemers te ondersteunen in
het toewerken naar de emissienormen. Het kabinet verwacht voor de zomer de Kamer te
informeren over de beleidsmatige invulling van de emissienormen en het ingroeipad.
Keuzes over de inrichting van doelsturing op waterkwaliteit zie ik in nauwe samenhang
met de maatregelen in het nog op te stellen 8e actieprogramma Nitraatrichtlijn. Zoals toegezegd, zal ik uw Kamer periodiek blijven
informeren over de voortgang van het 8e actieprogramma Nitraatrichtlijn waarbij ook de ontwikkelingen rondom doelsturing
op waterkwaliteit worden meegenomen. Zie ook het antwoord de vraag hierover van de
leden van de VVD-fractie.
De leden van de JA21-fractie merken op dat verschillende stakeholders een tijdpad
van 10 tot 15 jaar schetsen voor normerende doelsturing. Hoe beoordeelt de Minister
de effectiviteit van doelsturing in deze voor de te behalen doelen in 2035?
Antwoord
Het kabinet zet in op normen voor stikstof en klimaat die afrekenbaar zijn in 2035.
Dan moeten veehouders de gevraagde emissiereductie behaald hebben. Dit betekent echter
niet dat er de komende jaren niets gebeurt. Na bekendmaking van de normen zal zo snel
mogelijk worden aangevangen met het informeren van ondernemers waar zij staan ten
opzichte van de norm, en het stimuleren van het nemen van emissie-reducerende maatregelen.
Hiermee wordt veehouders de mogelijkheden geboden om nu al aan emissiereductie te
werken en dit in te passen in hun bedrijfsvoering. Dit zal stapsgewijs gebeuren en
daarmee ook al voor 2035 emissies terugdringen. Daarbij geldt dat voor het realiseren
van de doelen in 2035 ook inzet op andere instrumenten, waaronder aanvullend gebiedsgericht
beleid en maatregelen gericht op het verkleinen van de productiecapaciteit, onder
meer via afroming bij verhandeling of vrijwillige beëindiging.
De leden van de JA21-fractie constateren dat het opzetten van een robuust meetnetwerk
op grote schaal, mede vanwege de benodigde validatie, een meerjarig traject kan zijn.
Hoe beoordeelt de Minister berekende reductie in verhouding tot gemeten reductie en
biedt berekende reductie op bedrijfsniveau voldoende zekerheid?
Antwoord
Het opzetten van een robuust meetnetwerk kost inderdaad tijd. Metingen, binnen of
buiten de stal, kunnen op verschillende manieren plaatsvinden, waarvan elke manier
andere voordelen en uitdagingen kent waarbij tijdspad en kosten variëren. Daarnaast
geldt dat niet ieder staltype – zoals open stallen – op dit moment goed meetbaar is.
Voor het berekenen van emissies op bedrijfsniveau zijn in de Integrale KPI-kernset
Duurzame Landbouw voor melkveehouderij en akkerbouw verschillende detailniveaus beschreven
voor het bepalen van KPI’s, variërend van eenvoudigere rekenmethodes tot een gedetailleerde
rekenmethode of (continu) meten. Deze mogelijkheden worden nader uitgewerkt binnen
de bredere ontwikkeling van het doelsturingssysteem.
Berekende en gemeten emissies hoeven daarbij niet tegenover elkaar te staan, maar
kunnen juist complementair zijn. Metingen in een onderzoeksopzet kunnen bijvoorbeeld
worden gebruikt om berekeningen te valideren en daarmee de betrouwbaarheid van berekende
reducties verder te versterken. Per sector en beleidsdoel kan verschillen welke methode
het meest logisch, haalbaar en doelmatig is. Daarom wordt ingezet op de verdere ontwikkeling
van zowel meetmethoden als berekeningsmethoden, zodat een zo betrouwbaar en uitvoerbaar
mogelijk systeem van emissievaststelling op bedrijfsniveau ontstaat.
De leden van de JA21-fractie constateren dat de Minister in de brief van 14 februari
2025 (Kamerstuk 35 334, nr. 331) heeft aankondigd dat in 2025 pilots zouden starten om de stoffenbalans en bedrijfsspecifieke
emissiedoelen in de praktijk te testen. Inmiddels zijn we ruim een jaar verder. Wat
is de huidige stand van zaken van deze pilots en zijn er inmiddels resultaten geboekt?
Antwoord
Om hier snel mee aan de slag te kunnen, is ervoor gekozen voort te bouwen op reeds
lopende initiatieven en pilots en deze verder door te ontwikkelen voor de uitwerking
van de stoffenbalans en bedrijfsspecifieke emissienormen voor stikstof en klimaat.
Vanuit het programma doelsturing worden aanvullende onderzoeksvragen gekoppeld aan
deze initiatieven, zodat opgedane kennis direct kan bijdragen aan de verdere ontwikkeling
van het doelsturingssysteem. Daarnaast wordt ingezet op meer samenhang tussen de verschillende
pilots van provincies, experimenteerlocaties en het ministerie waarin emissiemetingen
worden uitgevoerd. De inzichten uit deze metingen dragen bij aan de verdere onderbouwing
en robuustheid van de stoffenbalans.
Met de provincies Drenthe, Brabant en Zeeland wordt samengewerkt aan ontwikkelingen
binnen de akkerbouw en met de provincies Noord- en Zuid-Holland binnen de melkveehouderij.
Daarbij ligt de focus onder meer op het verbeteren van gegevensuitwisseling en de
borging van data.
De leden van de JA21-fractie maken zich zorgen over de gevolgen van Wet open overheid
(Woo)-verzoeken voor de agrarisch ondernemers in verband met privacygevoelige gegevens
zoals woonadressen en de kwetsbaarheid voor concurrentie. Welke maatregelen is de
Minister voornemens te nemen om de privacy van deze ondernemers te verbeteren?
Antwoord
De Wet open overheid (Woo) geeft algemene regels voor het openbaar maken van de informatie
waarover de overheid beschikt. Daaronder vallen in beginsel ook de bedrijfsgegevens
van individuele bedrijven waar de overheid over beschikt, ongeacht hoe de overheid
daarover de beschikking heeft gekregen.
Ik realiseer mij dat er zich dilemma’s kunnen voordoen bij de openbaarmaking van informatie,
bijvoorbeeld wanneer openbaarmaking van informatie mede raakt aan de persoonlijke
levenssfeer van agrarische ondernemers. Ik vind het daarom van belang om de verschillende
belangen die hier kunnen spelen af te wegen, binnen de kaders die onder meer de Woo
biedt. Dit zal ook worden meegenomen bij de vormgeving van doelsturing. Hierbij wijs
ik er tevens op dat de evaluatie van de Woo mogelijk nog nieuwe inzichten zal bieden,
die ook voor dit vraagstuk van belang is. Tevens werk ik met de Minister van Justitie
en Veiligheid aan een onderzoek naar de sociale veiligheid van agrarisch ondernemers15.
Ik verwijs u tevens naar de antwoorden op Kamervragen over openbaarmaking bedrijfsgegevens
naar aanleiding van de technische briefing over doelsturing16.
De leden van de JA21-fractie constateren dat doelsturing weliswaar een bijdrage kan
leveren aan het verminderen van de stikstof problematiek, maar niet voldoende is om
de volledige opgave in te vullen en aanvullend beleid nodig blijft. Kan de Minister
kwantitatief aangeven welk deel van de stikstofopgave hij verwacht te realiseren via
doelsturing?
Antwoord
Via bedrijfsspecifieke emissienormen voor stikstof en klimaat kan een substantiële
emissiereductie worden gerealiseerd op het bedrijfsniveau. Er ligt een aanzienlijke
technische potentie via het nemen van management- en stalmaatregelen. Tegelijkertijd
zal dit niet voldoende zijn om de gestelde landelijke emissiereductiedoelen te realiseren.
Daarom zet het kabinet ook in op aanvullend gebiedsgericht beleid en maatregelen gericht
op het verkleinen van de productiecapaciteit, onder meer via afroming bij verhandeling
of vrijwillige beëindiging. Het aandeel van de stikstofopgave dat via de bedrijfsspecifieke
emissienormen wordt ingevuld is afhankelijk van de maatvoering van emissienormen.
De komende periode werkt het kabinet in het kader van Pijler 1 van de Ministeriële
Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof aan de beleidsmatige invulling van de systematiek
van emissienormen. De Kamer wordt daar voor de zomer over geïnformeerd.
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de stukken over de voortgang
van bedrijfsgerichte doelsturing. Deze leden onderschrijven het uitgangspunt dat boeren
moeten worden gestuurd op doelen in plaats van op middelen zodat vakmanschap, innovatie
en ondernemerschap centraal staan. Voor deze leden geldt dat doelsturing hand in hand
moet gaan met het loslaten van middelenvoorschriften. Tegelijkertijd constateren zij
dat de uitwerking van doelsturing complex is en in de praktijk nog aanzienlijke vragen
en zorgen oproept.
De leden van de BBB-fractie benadrukken dat doelsturing alleen kan slagen als deze
haalbaar, uitlegbaar en betaalbaar is en als boeren erop kunnen vertrouwen dat het
systeem eerlijk en uitvoerbaar is.
De leden van de BBB-fractie constateren dat doelsturing wordt gepresenteerd als een
fundamentele systeemverandering, waarbij ondernemers uiteindelijk afrekenbaar worden
op bedrijfsspecifieke emissienormen. Deze leden vragen de Minister hoe wordt voorkomen
dat te snel wordt overgestapt naar afrekenbare doelsturing, terwijl de randvoorwaarden
nog niet op orde zijn.
Antwoord
De omslag naar afrekenbare doelsturing op bedrijfsniveau vergt een systeemwijziging
die niet van vandaag op morgen gerealiseerd is. Het vraagt om een systematiek waarbij
met een hoge mate van zekerheid kan worden vastgesteld hoeveel emissies aan een bedrijf
kunnen worden toegerekend zodat daarop kan worden afgerekend. Dit is technisch complex
en vraagt om een verdere uitwerking de komende jaren. Doelsturing zal daarom via een
stapsgewijs en via zorgvuldig implementatieproces worden ingevoerd. Na bekendmaking
van de normen voor stikstof en klimaat zal zo snel mogelijk worden aangevangen met
het informeren van ondernemers waar zij staan ten opzichte van de norm, en het stimuleren
van het nemen emissiereducerende maatregelen om te zorgen dat stapsgewijs toegewerkt
wordt naar het moment waarop de emissiereductie behaald moet zijn en de doelen afrekenbaar
zijn. In de tussenliggende jaren zal verdere uitwerking gegeven aan de operationalisering
van de systematiek. Hierin zijn nog verschillende keuzes te maken, variërend van juridische
borging tot aspecten voor de ontwikkeling van doelsturing zoals monitoring en beschikbaarheid
van data van de juiste kwaliteit.
De leden van de BBB-fractie vragen de Minister om concreet uiteen te zetten wat volgens
hem de minimale randvoorwaarden zijn voordat sprake kan zijn van afrekenbare doelsturing.
Wanneer is het systeem volgens de Minister «rijp» om daadwerkelijk juridisch afdwingbaar
te worden?
Antwoord
Om doelsturing juridisch afdwingbaar te kunnen laten zijn moet worden voldaan aan
een aantal voorwaarden. Er moet bijvoorbeeld een wetenschappelijke onderbouwde Kritische
Prestatie Indicator (KPI) zijn, deze KPI moet betrouwbaar kunnen worden vastgesteld,
de data die hiervoor nodig zijn moeten van goede kwaliteit zijn, beschikbaar zijn
en geschikt zijn om besluiten te kunnen nemen en om toezicht te kunnen uitoefenen.
De norm die een ondernemer moet halen moet in regelgeving zijn verankerd en hier moet
op kunnen worden toegezien en gehandhaafd, bovendien moet het geheel fraudebestendig
zijn. Daarnaast moet het duidelijk zijn welke sanctie kan worden opgelegd indien een
ondernemer niet voldoet.
De leden van de BBB-fractie wijzen erop dat experts tijdens een georganiseerd rondetafelgesprek
in de Kamer aangeven dat normerende doelsturing realistisch gezien een tijdpad van
10 tot 15 jaar kent (Tweede Kamer der Staten-Generaal, 2 april 2026, «Rondetafelgesprek
Doelsturing», (https://www.tweedekamer.nl/debat_en_vergadering/commissievergaderingen/…)). Hoe verhoudt dit zich tot de huidige ambities en tijdslijnen van het kabinet? Acht
de Minister het realistisch dat boeren eerder dan dat al worden afgerekend op doelen?
Antwoord
De omslag naar afrekenbare doelsturing op bedrijfsniveau vergt een systeemwijziging
die niet van vandaag op morgen gerealiseerd is. Het vraagt om een systematiek waarbij
met een hoge mate van zekerheid kan worden vastgesteld hoeveel emissies aan een bedrijf
kunnen worden toegerekend zodat daarop kan worden afgerekend. Dit is technisch complex
en vraagt om een verdere uitwerking de komende jaren. Doelsturing zal daarom via een
stapsgewijs en zorgvuldig implementatieproces worden ingevoerd. Het kabinet spant
zich hard in om deze randvoorwaarden de komende periode op orde te brengen.
De leden van de BBB-fractie vinden dat doelsturing voor iedereen die mee wil doen,
mits realistisch en uitvoerbaar, haalbaar moet zijn. Kan de Minister ingaan op de
middelen die hij tot zijn beschikking heeft om het systeem van doelsturing uit te
werken en hoeveel middelen hij tot zijn beschikking heeft om boeren daarin vervolgens
te ondersteunen? Kan hij deze twee bedragen naast de bedragen zetten die het vorige
kabinet tot haar beschikking had? Heeft dit kabinet meer of minderen middelen om het
systeem op touw te zetten? Heeft dit kabinet meer of minder middelen om boeren te
ondersteunen binnen het systeem van doelsturing?
Antwoord
Het kabinet onderkent dat voldoende middelen van belang zijn voor een succesvolle
invoering van doelsturing. Er is € 200 miljoen beschikbaar voor de verdere ontwikkeling
en implementatie van doelsturing, onder meer voor pilots, kennisontwikkeling en ondersteuning
van ondernemers.
Tegelijk is duidelijk dat doelsturing een meerjarige systeemverandering is. Daarom
kiest het kabinet voor een gefaseerde invoering, waarbij stapsgewijs wordt opgebouwd
en waarbij benodigde aanvullende financiering nader wordt uitgewerkt in samenhang
met de bredere aanpak voor landbouw, natuur en stikstof. Het kabinet verwacht hierover
voor stikstof en klimaat rond de zomer meer duidelijkheid te geven en daarna pas is
een vergelijking te maken.
De leden van de BBB-fractie constateren dat doelsturing een ingrijpende systeemverandering
is die gepaard zal gaan met aanzienlijke kosten, zowel voor de overheid als voor individuele
ondernemers. Deze leden vragen de Minister om een gedetailleerde onderbouwing te geven
van de verwachte kosten van de invoering en uitvoering van doelsturing. Kan de Minister
inzichtelijk maken wat de structurele en incidentele kosten zijn voor de overheid
en welke kosten op het bord van de boer terechtkomen? Hoe verhouden deze kosten zich
tot de beschikbare budgetten, en acht de Minister dit financieel haalbaar voor de
sector? Graag ontvangen deze leden alle beschikbare documenten van de Minister die
inzicht kunnen geven in de te verwachten kosten om het systeem op touw te zetten.
Antwoord
De kosten die doelsturing met zich meebrengt worden meegewogen in de besluitvorming
daarover en met uw Kamer gedeeld zodra hier meer informatie over beschikbaar is.
De leden van de BBB-fractie constateren dat doelsturing sterk afhankelijk is van meet-
en rekenmethoden, waaronder KPI-systematiek en stoffenbalansen. Tegelijkertijd is
men er in zijn algemeenheid over eens dat zowel metingen als modellen aanzienlijke
onzekerheden kennen.
De leden van de BBB-fractie vragen de Minister hoe wordt omgegaan met deze onzekerheden.
Hoe wordt voorkomen dat boeren worden afgerekend op uitkomsten die mede afhankelijk
zijn van modelaannames, weersinvloeden of meetfouten? Deze leden vragen voorts of
de Minister kan garanderen dat een ondernemer altijd kan herleiden hoe zijn score
tot stand is gekomen en welke handelingsperspectieven daaruit volgen. Hoe wordt geborgd
dat doelsturing niet ontaardt in een «black box»?
Antwoord
Voor de operationalisering van doelsturing zullen de komende jaren nog verschillende
keuzes gemaakt moeten worden, variërend van juridische borging tot aspecten voor de
ontwikkeling van het systeem zoals monitoring en beschikbaarheid van data van de juiste
kwaliteit. Ook vindt het kabinet het belangrijk dat ondernemers inzicht kunnen krijgen
in waar zij staan ten opzichte van de norm, hoe dit bepaald is/wordt en dat zij betrouwbaar
kunnen aantonen dat zij aan de normen voldoen. Voor het vaststellen van emissies op
bedrijfsniveau zijn verschillende methodes mogelijk, variërend van eenvoudigere rekenmethodes
tot een gedetailleerde rekenmethode of (continu) meten. Deze mogelijkheden worden
nader uitgewerkt in de bredere ontwikkeling van het doelsturingssysteem.
De leden van de BBB-fractie vragen daarnaast hoe de Minister aankijkt tegen de veel
gehoorde aanname dat volledige metingen op bedrijfsniveau praktisch en financieel
nauwelijks haalbaar zijn en dat daarom altijd een combinatie van modellen en metingen
nodig blijft. Wat betekent dit voor de juridische houdbaarheid van doelsturing?
Antwoord
Metingen kunnen op verschillende manieren worden uitgevoerd. Er bestaan diverse methoden
om emissies binnen of buiten de stal te meten, maar ook om bodemmetingen te verrichten.
Iedere methode kent daarbij eigen voordelen en uitdagingen en niet alle methodes zijn
overal toepasbaar. Daarnaast verschillen de kosten en de benodigde ontwikkeltijd per
meetmethode. Niet elke meetmethode is direct kostbaar, maar goedkopere varianten kunnen
beperkingen hebben op het gebied van nauwkeurigheid of betrouwbaarheid.
Ik werk momenteel verschillende manieren om emissies vast te stellen, zowel via berekeningen
als via metingen, parallel aan elkaar uit. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar
juridische borging en handhaafbaarheid, maar ook naar de praktische haalbaarheid en
toepasbaarheid voor agrarische ondernemers. Dit zijn belangrijke afwegingen die om
een zorgvuldige aanpak vragen.
De leden van de BBB-fractie constateren dat de doelsturingssystematiek sterk leunt
op KPI’s als centrale stuurinformatie. Tegelijkertijd ontvangen deze leden signalen
dat dit kan leiden tot een forse toename van administratieve lasten en complexiteit.
Deze leden vragen de Minister hoe hij voorkomt dat doelsturing in de praktijk leidt
tot méér regeldruk in plaats van minder. Kan de Minister concreet maken hoeveel extra
administratieve handelingen een gemiddeld bedrijf moet verrichten?
Antwoord
Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) adviseert de overheid over het voorkomen
van onnodige regeldruk. Dit gebeurt zo vroeg mogelijk in het proces van wet- en regelgeving.
Of invoering van de doelsturingssystematiek gaat leiden tot extra administratieve
lasten is nu nog niet te zeggen en hangt bijvoorbeeld ook af van de mate van en het
tempo waarin er in wordt geslaagd om middelsturing deels af te bouwen. Administratieve
lasten voor ondernemer worden weergegeven in het onderdeel lastendruk in de toelichting
van regelgeving. In dat onderdeel lastendruk wordt aangegeven wat de gevolgen zijn
voor de ondernemers na invoering van nieuwe regelgeving. Zie ook het antwoord op een
eerdere vraag van de leden van de D66-fractie hierover.
De leden van de BBB-fractie constateren dat doelsturing moet passen binnen Europese
regelgeving en juridisch houdbaar moet zijn. Deze leden vragen de Minister hoe wordt
voorkomen dat Nederland opnieuw een systeem ontwikkelt dat uiteindelijk juridisch
onderuitgaat. Zij vragen de Minister expliciet in te gaan op de verhouding tussen
doelsturing en bestaande Europese verplichtingen, zoals de Nitraatrichtlijn en staatssteunkaders.
In hoeverre is doelsturing daadwerkelijk verenigbaar met deze kaders?
Antwoord
In lijn met de beantwoording van vragen van de leden van de fracties van D66 en PVV
over het MINAS-systeem heeft deze ervaring geleerd dat alleen een administratief systeem,
zonder gebruiksnormen, niet past binnen de Nitraatrichtlijn. Om deze reden is in 2006,
in vervolg op het arrest van het Hof van Justitie, in Nederland een stelsel van gebruiksnormen
in de mestwetgeving ingevoerd. Bedrijfsgerichte doelsturing op waterkwaliteit, waar
nu aan gewerkt wordt, zet in op twee indicatoren voor de kwaliteit van grondwater:
het berekenen van het N-bodemoverschot en het meten van het N-mineraal in de grond.
Daarmee wordt hier afgeweken van het MINAS-systeem waarin slechts een variant van
het N-bodemoverschot werd berekend.
Bij het uitwerken van doelsturing op waterkwaliteit zal ik dit doen passend binnen
de Europese kaders.
De leden van de BBB-fractie maken zich zorgen over de omgang met bedrijfsgegevens
binnen doelsturing. Deze leden constateren dat gegevens over individuele bedrijven
onder de Woo kunnen vallen. Deze leden vragen de Minister hoe wordt voorkomen dat
gevoelige bedrijfsinformatie openbaar wordt, met risico’s voor boeren. Welke concrete
waarborgen worden ingebouwd? Zij vragen tevens of de Minister bereid is om dataverzameling
zoveel mogelijk buiten de overheid te organiseren, bijvoorbeeld via ketenpartijen
of onafhankelijke platforms, om risico’s te beperken. Is de Minister nog voornemens
om te komen tot een vorm van een data-autoriteit of vergelijkbare structuur die toeziet
op het gebruik en de bescherming van agrarische data? Zo ja, op welke termijn en met
welke bevoegdheden? Zo nee, waarom niet?
Antwoord
Van belang is dat besluiten in het kader van doelsturing zorgvuldig worden voorbereid
en dragend worden gemotiveerd. Er moet nog bepaald worden welke gegevens daarvoor
nodig zijn. Bij het maken van deze keuzes zal ik de belangen van openbaarheid en de
bescherming van bedrijfs- en persoonsgegevens afwegen binnen de geldende kaders. Hierbij
wijs ik er tevens op dat de evaluatie van de Woo mogelijk nog nieuwe inzichten zal
bieden, die ook voor dit vraagstuk van belang is.
In het kader van doelsturing zal nog besloten moeten worden hoe de organisatie van
data delen ingericht zal worden. Daarbij is het goed om op te merken dat informatie
die nodig is voor een goede taakuitoefening door de overheid niet gepositioneerd kan
worden buiten de invloedsfeer van het ministerie waardoor documenten buiten de reikwijdte
van de Woo vallen. Ook indien het verzamelen, controleren en bewerken van agrarische
bedrijfsinformatie gebeurt door een specifiek daarvoor op te richten private entiteit,
is niet uit te sluiten dat die entiteit geheel of gedeeltelijk onder de Woo valt,
omdat voor milieu-informatie een ruim begrip van «overheid» moet worden gehanteerd.
Bij besluitvorming door de overheid is het noodzakelijk dat de overheid over relevante
gegevens beschikt
Ik verwijs u tevens naar de antwoorden op Kamervragen over openbaarmaking bedrijfsgegevens
naar aanleiding van de technische briefing over doelsturing17.
De leden van de BBB-fractie vragen de Minister in hoeverre hij mogelijkheden ziet
om de uitvoering van doelsturing, met name op het gebied van dataverzameling en -beheer,
zoveel mogelijk bij de sector zelf te beleggen, bijvoorbeeld via coöperaties of andere
collectieve verbanden. Deze leden zien hierin het grote voordeel dat de gegevens dan
privaat blijven en niet «Woo-baar» zijn. Is de Minister bereid om serieus te onderzoeken
of doelsturing op basis van gebiedsdoelen, georganiseerd via coöperaties, een werkbaar
alternatief of aanvulling kan zijn op individuele afrekenbaarheid?
Antwoord
De basis van bedrijfsspecifieke emissienormen voor stikstof en klimaat blijft dat
individuele ondernemers duidelijkheid krijgen over de opgave op hun bedrijf en ook
verantwoordelijk zijn op de afrekenbare doelen in 2035 te halen. Dat neemt niet weg
dat er al veel goede voorbeelden zijn van collectieve groepen die werken aan emissiereductie.
Ik vind het belangrijk om die energie te benutten en zal in de uitwerking bezien hoe
dergelijke collectieven een rol kunnen spelen in het reduceren van emissies via bijvoorbeeld
faciliterend beleid.
De leden van de BBB-fractie constateren dat vertrouwen tussen overheid en sector onmisbaar
is voor het slagen van doelsturing. Tegelijkertijd ontvangen deze leden signalen van
boerenorganisaties dat dit vertrouwen onder druk staat, onder andere door onzekerheid,
complexiteit en mogelijke juridische risico’s. Zij vragen de Minister hoe hij het
draagvlak onder boeren concreet gaat versterken. Op welke wijze worden boeren daadwerkelijk
betrokken bij de verdere uitwerking van het systeem?
Antwoord
Vertrouwen en draagvlak zijn inderdaad van essentieel belang voor de invoering van
doelsturing. Hieraan wordt op verschillende manieren aan gewerkt. Plannen en ontwikkelingen
worden met sectororganisaties besproken en in de praktijk getest in pilots waarbij
ook goed geluisterd wordt naar de ondernemers die daaraan meedoen. Daarnaast worden
de geëigende routes voor inspraak gevolgd.
De leden van de BBB-fractie constateren dat doelsturing nauw samenhangt met andere
trajecten, zoals het vernieuwde stelsel van stalbeoordeling en vergunningverlening.
Deze leden vragen de Minister hoe deze systemen op elkaar aansluiten. Hoe wordt ervoor
gezorgd dat verschillende systemen (stalbeoordeling, doelsturing, vergunningverlening)
elkaar versterken en op elkaar aansluiten? Zij vragen tevens hoe continue metingen
en doelsturing zich tot elkaar verhouden en of ondernemers daadwerkelijk keuzevrijheid
houden tussen verschillende manieren om aan doelen te voldoen.
Antwoord
Met het Programma Vernieuwing Stalbeoordeling wordt gewerkt aan een nieuw stelsel
van stalbeoordeling om (innovatieve) stalsystemen, technieken en maatregelen te beoordelen
op de mate waarin emissies van ammoniak, fijnstof, geur en broeikasgassen daarmee
worden verminderd. Het nieuwe stelsel van stalbeoordeling vormt daarmee een bouwsteen
voor vergunningverlening, doelsturing, toepassing van continu meten en het met vertrouwen
toepassen van maatregelen. Onderdeel van het programma is dus ook het mogelijk maken
van continu meten als onderbouwing van de emissie in de omgevingsvergunning. Dit geeft
een extra optie voor vergunninghouders om te voldoen aan de vereisten uit de vergunning.
Een forfaitaire benadering blijft daarnaast bestaan. Het mogelijk maken van continue
metingen is noodzakelijk voor doelsturing. Met doelsturing wordt gewerkt aan de overgang
naar bedrijfsspecifieke normen voor onder meer broeikasgas- en stikstofemissie. Dit
is een systeemverandering, waarbij de agrarische ondernemer meetbaar en afrekenbaar
moet voldoen aan deze bedrijfsspecifieke emissienormen, maar de ruimte heeft om zelf
te kiezen welke maatregelen genomen worden om de doelen te halen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie
De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van de stukken ten behoeve van het
schriftelijk overleg over doelsturing. Deze leden constateren dat er verschillende
gradaties van doelsturing zijn. De ultieme vorm bestaat uit juridisch afdwingbare,
bedrijfsspecifieke doelen. Bijbehorende berekeningen en metingen zijn echter complex
en gaan gepaard met onzekerheden. Deelt de Minister de mening dat eerst ervaring moet
worden opgedaan met minder vergaande vormen van doelsturing, zoals benchmarken en
belonen? Komt er op korte termijn substantiële inzet op bijvoorbeeld het belonen van
prestaties op het gebied van reductie van de ammoniakemissie? Zo ja, hoe?
Antwoord
Doelsturing kan inderdaad in verschillende vormen worden toegepast. In aanloop naar
2035 zullen eerst andere toepassingsvormen van doelsturing worden ingezet. Na bekendmaking
van de normen voor stikstof en klimaat zal bijvoorbeeld zo snel mogelijk worden begonnen
met het informeren van ondernemers waar zijn staan ten opzichte van de norm en ten
opzichte van de rest van de sector (benchmark). Ook zet het kabinet in op het stimuleren
van het nemen van emissie-reducerende maatregelen.
De leden van de SGP-fractie constateren dat in verschillende provincies wordt gewerkt
met subsidieregelingen waarbij positieve scores op verschillende kritische prestatie
indicatoren worden beloond. Hoe waardeert de Minister de ervaringen met deze regelingen?
Is de Minister voornemens meer te investeren in het op deze wijze stimuleren van onder
meer emissiereducties?
Antwoord
De energie en de lessen die we kunnen trekken van lokale initiatieven worden omarmd
en zullen waar mogelijk worden meegenomen in de vormgeving van het doelsturingssysteem.
Zie ook het antwoord van de vraag van de leden van de BBB-fractie hierover.
De leden van de SGP-fractie constateren dat er grote verschillen kunnen zijn tussen
bedrijven, zeker in een sector als de melkveehouderij, wat betreft de mate waarin
ongewenste emissies verlaagd kunnen worden. Deze leden pleiten voor een vorm van flexibiliteit
en uitruil, bijvoorbeeld door een aanpak waarbij in coöperatieverband of op gebiedsniveau
eerder gestuurd wordt op een gezamenlijk (gebieds)doel dan op harde, bedrijfsgebonden
normen. Zij horen graag hoe de Minister dit weegt.
Antwoord
Het kabinet richt zich op een landelijke bedrijfsspecifieke emissienorm voor stikstof
en klimaat die in beginsel generiek van aard zal zijn. Hiermee wordt beoogd te komen
tot een duidelijk norm die zowel voor de ondernemer als de overheid uitvoerbaar is
en onnodige complexiteit wordt voorkomen. Tegelijkertijd is het kabinet het met de
SGP-fractie eens dat binnen een sector als de melkveesector er een ruimte diversiteit
bestaat aan verschillende bedrijfstypen. In de verdere uitwerking van de systematiek
zullen keuzes gemaakt moeten worden in welke mate binnen het kader van de generieke
norm op bedrijfsniveau verdere flexibiliteit of differentiatie mogelijk gemaakt wordt.
De leden van de SGP-fractie hebben begrepen dat voor eventuele invoering van bedrijfsemissienormen
een tijdpad van tien tot vijftien jaar realistisch is. Deelt de Minister de analyse
dat een dergelijke normering op korte termijn niet zal helpen om Nederland van het
stikstofslot te krijgen?
Antwoord
Omdat de stap naar afrekenbare emissienormen voor stikstof en klimaat technisch complex
is, zal deze via een stapsgewijs en zorgvuldig implementatieproces moeten worden ingevoerd
richting afrekenbaarheid in 2035. Dit betekent echter niet dat er in de tussenliggende
jaren niks gebeurt: in aanloop naar afrekenbaarheid in 2035, zal ook informerend en
stimulerend instrumentarium worden ingezet om te sturen op emissiereductie.
Daarbij geldt ook dat de bedrijfsspecifieke emissienormen voor stikstof en klimaat
onderdeel zijn van de bredere samenhangende aanpak waaraan wordt gewerkt via de Ministeriële
Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof. Met die brede aanpak waar bedrijfsspecifieke
emissienormen een onderdeel van zijn wordt beoogd invulling te geven aan landelijke
stikstofdoelstelling in 2035 en het stapsgewijs op gang brengen van vergunningsverlening.
De leden van de SGP-fractie horen graag wat voor het kabinet de randvoorwaarden zijn
voor eventuele invoering van bedrijfsspecifieke emissienormen voor ammoniak en broeikasgassen.
Antwoord
Randvoorwaardelijk aan de invoering van bedrijfsspecifieke emissienormen voor stikstof
en klimaat is dat er een voldoende robuust systeem is waarmee doelsturing kan worden
geïmplementeerd en dat er voldoende handelingsperspectief voor de ondernemer is om
te kunnen voldoen aan die normen. Voor de operationalisering van doelsturing zullen
de komende jaren nog verschillende keuzes gemaakt moeten worden, variërend van juridische
borging tot aspecten voor de ontwikkeling van het systeem zoals monitoring en beschikbaarheid
van data van de juiste kwaliteit. Ook vindt het kabinet het belangrijk dat ondernemers
inzicht kunnen krijgen in waar zij staan ten opzichte van de norm en dat zij betrouwbaar
kunnen aantonen dat zij aan de normen voldoen. Voor het vaststellen van emissies op
bedrijfsniveau zijn verschillende methodes mogelijk, variërend van eenvoudigere rekenmethodes
tot een gedetailleerde rekenmethode of (continu) meten.
De leden van de SGP-fractie maken zich zorgen over de dataverzameling in het kader
van doelsturing in relatie tot de Woo. In hoeverre zijn bedrijfsdata die opgeslagen
zijn bij private partijen, maar wel relevant zijn in het kader van het behalen van
overheidsdoelen, milieu-informatie die opgevraagd kan en verstrekt moet worden in
het kader van de Woo? Op welke wijze kan dit worden voorkomen, zo vragen deze leden.
Lopen er trajecten om de Woo aan te passen om ondernemers beter te beschermen tegen
de ongewenste effecten van de openbaarheid. Zo ja, welke en wanneer?
Antwoord
In lijn met de antwoorden op eerdere vragen van de leden van de fractie van JA-21
en BBB is het van belang dat besluiten in het kader van doelsturing zorgvuldig worden
voorbereid en dragend worden gemotiveerd. Er moet nog bepaald worden welke gegevens
daarvoor nodig zijn. Bij het maken van deze keuzes zal ik de belangen van openbaarheid
en de bescherming van bedrijfs- en persoonsgegevens afwegen binnen de geldende kaders.
Als dergelijke gegevens bij de overheid berusten en er wordt een verzoek gedaan tot
openbaarmaking, is het van belang om welke gegevens verzocht wordt. Als bedrijfsgegevens
ook als milieu-informatie aan te merken zijn, dan dient een afweging te worden gemaakt
tussen het belang van openbaarmaking tegenover het belang van het bedrijf om de bedrijfsgegevens
niet openbaar te maken. Bij deze belangenafweging staat openbaarmaking van de gegevens
voorop. Er kan alleen van openbaarmaking van de (betreffende) informatie worden afgezien
wanneer het bedrijf concreet kan onderbouwen dat openbaarmaking daadwerkelijk en ernstige
schade toebrengt aan het bedrijfsbelang18.
Op grond van artikel 5.1, zevende lid, van de Woo mogen er bij emissiegegevens geen
uitzonderingsgronden worden toegepast. Deze gegevens moeten dan ook altijd openbaar
worden gemaakt als daartoe een verzoek wordt gedaan. Ook als het hierbij gaat om gegevens
die de persoonlijke levenssfeer raken, zoals bedrijfsadressen die tevens woonadressen
zijn19. Dit laatste is een verplichting die direct voortvloeit uit de Europese milieu-informatierichtlijn
(Richtlijn 2003/4/EG).
Ik realiseer mij dat er zich dilemma’s kunnen voordoen bij de openbaarmaking van informatie,
bijvoorbeeld wanneer openbaarmaking van informatie mede raakt aan de persoonlijke
levenssfeer van agrarische ondernemers. Ik vind het daarom van belang om de verschillende
belangen die hier kunnen spelen af te wegen, binnen de kaders die onder meer de Woo
biedt. Dit zal ook worden meegenomen in de wetsevaluatie van de Woo en bij de vormgeving
van doelsturing. Tevens werk ik met de Minister van Justitie en Veiligheid aan een
onderzoek naar de sociale veiligheid van agrarisch ondernemers20.
Ik verwijs u tevens naar de antwoorden op Kamervragen over openbaarmaking bedrijfsgegevens
naar aanleiding van de technische briefing over doelsturing21.
De leden van de SGP-fractie horen graag op welke wijze de Minister doelsturing wil
verwerken in het 8e AP.
Antwoord
Zie ook het antwoord op een eerdere vraag hierover van de leden van de VVD-fractie.
Keuzes over de inrichting van doelsturing op waterkwaliteit bezie ik in samenhang
met de maatregelen in het nog op te stellen 8e actieprogramma Nitraatrichtlijn. Zoals toegezegd, zal ik de Kamer periodiek blijven
informeren over de voortgang van het 8e actieprogramma Nitraatrichtlijn waarbij ook de ontwikkelingen rondom doelsturing
op waterkwaliteit worden meegenomen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie
De leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van de agenda voor het schriftelijk
overleg over doelsturing en hebben hier nog enkele vragen over.
De leden van de PvdD-fractie constateren dat de invoering van normerende vormen van
doelsturing een lange tijd kan duren (Ros e.a., 2 april 2026, «Position paper doelsturing»,
(https://www.tweedekamer.nl/debat_en_vergadering/commissievergaderingen/…). Deze leden vragen de Minister om te reflecteren over hoe dit tijdpad zich verhoudt
tot de nodige veranderingen in de landbouw die niet zo lang kunnen wachten.
Antwoord
Gegeven de benodigde systeemwijziging, zal doelsturing de komende jaren via een stapsgewijs
en zorgvuldig implementatieproces worden ingevoerd. Dit betekent echter niet dat er
de komende jaren niks gebeurt. Na bekendmaking van de normen voor stikstof en klimaat
zal zo snel mogelijk worden aangevangen met het informeren van ondernemers waar zijn
staan ten opzichte van de norm, en het stimuleren van het nemen van emissie-reducerende
maatregelen richting het toewerken naar het moment waarop de emissiereductie gerealiseerd
moet zijn, de afrekenbare emissienormen voor 2035. Tegelijkertijd zal doelsturing
alleen niet voldoende zijn om de gestelde landelijke emissiereductiedoelen te realiseren.
De leden van de PvdD-fractie vragen verder wat de concrete doelen zullen zijn waarop
gestuurd zal worden middels doelsturing. Op welke manier wordt de daadwerkelijke staat
van de natuur hierin meegenomen? Deze leden vragen of de Minister kan toelichten welke
concrete normering en monitoringmechanismen het kabinet gaat instellen en op welke
termijn dit juridisch bindend zal zijn. Hoe wordt er voorkomen dat doelsturing in
de praktijk te veel op vrijwillige basis zal blijven en daarmee onvoldoende of moeilijk
meetbaar zal bijdragen aan het halen van wettelijke doelen?
Antwoord
Het uitgangspunt van het kabinet is dat de emissienormen voor stikstof en klimaat
in 2035 afrekenbaar zullen worden op bedrijfsniveau. Hiermee kennen deze emissienormen
geen vrijblijvend karakter en zal een sanctie volgen wanneer hier niet aan wordt voldaan.
Bij het stellen van de hoogte de normen zal rekening gehouden worden met de technische
reductiepotentie die er is om emissies te reduceren. Dit betekent dat om op gebiedsniveau
de benodigde doelen te realiseren ook aanvullend gebiedsgericht beleid nodig zal zijn
(bijvoorbeeld via zoneringsaanpak) alsmede maatregelen gericht op het verkleinen van
de productiecapaciteit (afroming, vrijwillige beëindiging). De komende periode werkt
het kabinet in het kader van Pijler 1 van de Ministeriële Taskforce Landbouw, Natuur
en Stikstof aan de beleidsmatige invulling van de systematiek van emissienormen. De
Kamer wordt daar naar verwachting voor de zomer over geïnformeerd.
De leden van de PvdD-fractie willen verder aandacht vragen voor de wettelijke uitspraken
uit het Greenpeace-vonnis over stikstofreductie in 2030 (ECLI:NL:RBDHA:2025:578).
Deze leden vragen of de Minister kan toelichten hoe de voorgestelde doelsturingssystematiek
concreet bijdraagt aan het behalen van de resterende reductieopgave in 2030. Acht
de Minister doelsturing voldoende snel en effectief om de wettelijke verplichtingen
te halen?
Antwoord
Met afrekenbare bedrijfsspecifieke emissienormen voor stikstof en klimaat wordt ingezet
op het realiseren van een substantiële en geborgde emissiereductie, via onder meer
het nemen van managementmaatregelen en doorvoeren van stalaanpassingen. Daarbij geldt
dat niet de gehele opgave met deze normen kan worden ingevuld en dat het invoeren
van afrekenbaarheid op bedrijfsniveau in 2030 nog niet uitvoerbaar is. Door echter
nu wel helderheid te bieden over waar een bedrijf in 2035 aan moet voldoen, ontstaat
een prikkel voor bedrijven om in beweging te komen en emissies te reduceren. Daarnaast
zet het kabinet ook in op andere sporen om te komen tot een ambitieuze aanpak waarmee
een maximale reductie van depositie wordt gerealiseerd in de meest urgente gebieden.
Landelijk wordt gestuurd op het geborgd realiseren van een emissiereductie van 42–46%
voor de landbouw in 2035.
Ook wijzen de leden van de PvdD-fractie op de zorgen die gedeeld werden door onder
andere WUR en Caring Farmers tijdens het rondetafelgesprek met betrekking tot de administratieve
lasten en transactiekosten die gepaard gaan met doelsturing. Deze leden vragen of
de Minister kan aangeven hoe voorkomen wordt dat doelsturing leidt tot een kostbaar
controleapparaat, terwijl we allang weten welke maatregelen nodig zijn, zoals een
forse krimp van het aantal dieren in de veehouderij en de omslag naar een landbouwsysteem
in balans met de natuur. Zij vragen of de Minister het ermee eens is dat technologische
innovatie onvoldoende kan bijdragen aan het halen van de stikstofdoelen, de druk op
landgebruik te verlichten, positief kan bijdragen aan biodiversiteit en de omslag
naar een dierwaardige veehouderij. Zo ja, hoe zal dit worden meegenomen in het beleid?
Antwoord
De omslag naar doelsturing is erop gericht om ondernemers zoveel mogelijk zelf te
laten bepalen hoe doelen worden gehaald. Dat zal per ondernemer verschillen. Het toepassen
van technologische innovatie hoort daar ook bij. Bij het bepalen van het beleid wordt
meegenomen hoe maatregelen uitpakken op verschillende doelen en wordt afwenteling
zoveel mogelijk voorkomen.
De leden van de PvdD-fractie vragen tevens hoe de Minister gaat waarborgen dat doelsturing
er niet toe leidt dat veehouders volop gaan investeren in bepaalde technieken die
in het gunstige geval maar één probleem voortkomend uit het huidige landbouwsysteem
oplossen. Als voorbeeld wijzen deze leden op koeientoiletten, waarbij koeien in de
stal moeten staan en ze door een robot worden geforceerd te urineren in een potje.
Is de Minister het ermee eens dat dergelijke technieken geen integrale oplossing bieden
voor de uitdagingen in de landbouw, zoals de transitie naar een dierwaardige veehouderij
uiterlijk in 2040? Hoe gaat de Minister garanderen dat boeren niet nu volop gaan investeren
in dergelijke technieken, zodat er iets minder uitstoot is, maar zonder dat de problemen
integraal worden opgelost?
Antwoord
Zoals ook is aangegeven bij het vorige antwoord zullen voor verschillende boeren verschillende
maatregelen voor de hand liggen om tot doelbereik te komen. Ik ben het met de leden
van de PvdD-fractie eens dat het belangrijk is om integraal te kijken naar ondernemers,
op het erf komt immers alles samen. Bij de voorbereiding van beleid wordt goed gekeken
naar effecten van maatregelen op verschillende doelen en worden meekoppelkansen zoveel
mogelijk benut.
De leden van de PvdD-fractie vragen ook aandacht voor koplopers in de landbouw, diverse
boeren die juist bewuste keuzes maken om bij te dragen aan een duurzame landbouwtransitie.
Zij hebben aangegeven dat ze door doelsturing juist tegen obstakels aanlopen omdat
regelgeving is ingericht op de intensieve landbouw. Is dit probleem bij de Minister
bekend? Wat gaat hij hieraan doen?
Antwoord
Ik ben het met de leden van de fractie van de PvdD eens dat er rekening gehouden moet
worden met de prestaties die koplopers al geleverd hebben. Voor verschillende opgaven
werkt het kabinet aan het duidelijk maken van kaders, o.a. via bedrijfsspecifieke
emissienormen voor stikstof en klimaat voor de veehouderij. Stikstof en klimaat zijn
niet de enige opgaven die om inspanningen vragen. Daarom heeft het kabinet in de uitwerking
ook oog voor de interactie met andere opgaven en de stelsels die daar op sturen. Hierbij
gaat het bijvoorbeeld om waterkwaliteit en dierwaardige veehouderij. Bij het maken
van beleid wordt daarnaast het effect daarvan op verschillende typen bedrijven en
op koplopers meegewogen.
De leden van de PvdD-fractie vragen tot slot hoe het kabinet gaat voorkomen dat doelsturing
een langdurig beleidsproces zal worden dat noodzakelijke keuzes en maatregelen verder
vooruit gaat schuiven.
Antwoord
Binnen pijler 1 (generieke emissiereductie) van de Ministeriële Taskforce Landbouw,
Natuur en Stikstof werkt dit kabinet aan bedrijfsspecifieke emissienormen voor stikstof
en klimaat. Met deze normen krijgen agrarisch ondernemers duidelijkheid over waar
ze in de toekomst aan zullen moeten voldoen en kunnen ze hun vakmanschap toepassen
om de normen in te vullen. Deze normen zijn niet vrijblijvend. Ze zullen behaald moeten
worden in 2035 en krijgen dan een afrekenbaar karakter. Om ondernemers te ondersteunen
in het toewerken naar de emissienormen, werkt het kabinet binnen pijler 5 van deze
taskforce ook aan informerende en stimulerende maatregelen.
Na bekendmaking van de normen voor stikstof en klimaat zal zo snel mogelijk worden
aangevangen met het informeren van ondernemers waar zijn staan ten opzichte van de
norm, en het stimuleren van het nemen emissie-reducerende maatregelen. Parallel wordt
verdere uitwerking gegeven aan de operationalisering van de systematiek. Het kabinet
verwacht voor de zomer de Kamer te informeren over de beleidsmatige invulling van
de emissienormen en het ondersteunend beleid.
In lijn met mijn eerdere antwoord op een vraag vanuit de VVD fractie werk ik als onderdeel
van het 8e actieprogramma Nitraatrichtlijn aan doelsturing op waterkwaliteit. Conform de motie
Grinwis is het mijn inzet om in het najaar te kunnen starten met N-mineraalmetingen.
Keuzes over de inrichting van doelsturing op waterkwaliteit bezie ik in samenhang
met de maatregelen in het nog op te stellen 8e actieprogramma Nitraatrichtlijn.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CU-fractie
De leden van de CU-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de onderliggende
stukken en maken graag van de gelegenheid gebruik om nog wat vragen aan de het kabinet
te stellen. Deze leden onderschrijven het belang van het overschakelen op doelsturing,
maar zijn daarbij waakzaam op een effectieve en uitvoerbare uitwerking. Doelsturing
moet boerenondernemers prikkelen en belonen op hun vakmanschap, zodat er veel minder
nadruk komt te liggen op de voor velen frustrerende middelsturing. Tegelijk waken
deze leden voor te veel optimisme, alsof elk middelvoorschrift ten grave gedragen
kan worden. Bij alle positieve gevoelens die deze leden koesteren voor doelsturing,
hebben zij ook scherp voor ogen dat een managementtool nog niet hetzelfde is als een
te handhaven instrument. Hoe ziet de Minister deze verhoudingen, tussen doel- en middelsturing
en tussen management en handhaving?
Antwoord
Doelsturing kent verschillende toepassingsvormen (informeren, stimuleren, verantwoorden,
beprijzen, afrekenen). Afhankelijk van de toepassingsvorm zijn de eisen aan borgbaarheid
en handhaafbaarheid verschillend. De handhaafbaarheid van sommige managementmaatregelen
is inderdaad lastig in vergelijking met bijvoorbeeld de inzet van technische maatregelen.
Ik ben het daarom met de leden van de CU-fractie eens dat het heel duidelijk moet
zijn hoe gehandhaafd kan worden voordat doelsturing afrekenbaar wordt en daarna eventueel
middelsturing kan vervangen.
De leden van de CU-fractie merken op dat zij nog niet zijn geïnformeerd over de visie
en voortgang van het nieuwe kabinet op het gebied van doelsturing. Deze leden zijn
erg benieuwd naar de uitwerking hiervan. Immers, door de ambtsvoorganger van de huidige
Minister van LVVN is bij herhaling een doelsturingswet aangekondigd. Hoe staat het
daarmee, wat houdt deze in en wanneer komt deze naar de Kamer? Kan de Minister rapporteren
over de voortgang van het uitwerken van doelsturing? Deze leden zouden graag een indicatief
tijdpad krijgen voor de invoering van doelsturing. Ook vragen zij om een plan van
aanpak waarin wordt gespecificeerd welke stappen worden genomen alvorens er wordt
overgegaan op het invoeren van doelsturing. Hoe wordt het een stelsel dat uitvoerbaar
is in de praktijk? Welke rol kan met het oog op de handhaafbaarheid en controle een
«groene accountant» daarbij spelen? Deze leden zijn tevens benieuwd hoe de diverse
moties-Grinwis c.s. (Kamerstuk 33 037, nr. 634) (Kamerstuk 28 973, nr. 273) inzake doelsturing daarin worden meegenomen en uitgevoerd.
Antwoord
Er is geen sprake van één doelsturingswet. Doelsturing krijgt vorm in verschillende
beleidstrajecten. Het kabinet verwacht voor de zomer de Kamer te informeren over de
beleidsmatige invulling van de bedrijfsspecifieke emissienormen voor stikstof en klimaat.
Daarna zal ook verdere uitwerking worden gegeven aan de vastlegging van emissienormen
in wet- en regelgeving. Ook zijn er dan nog diverse stappen te zetten in de operationalisering
van de systematiek, variërend van juridische borging en de invulling van toezicht
en handhaving, tot aspecten voor de ontwikkeling van het doelsturingssysteem zoals
monitoring en beschikbaarheid van data van de juiste kwaliteit. In de verdere uitwerking
spreek ik ook met diverse sectorpartijen over de invulling van de systematiek, conform
moties Grinwis22.
In lijn met mijn eerdere antwoord op een vraag vanuit de VVD fractie werk ik als onderdeel
van het 8e actieprogramma Nitraatrichtlijn aan doelsturing op waterkwaliteit. Conform de motie
Grinwis is het mijn inzet om in het najaar te kunnen starten met N-mineraalmetingen.
Keuzes over de inrichting van doelsturing op waterkwaliteit bezie ik in samenhang
met de maatregelen in het nog op te stellen 8e actieprogramma Nitraatrichtlijn.
De leden van de CU-fractie zien verschillende randvoorwaarden om doelsturing op een
effectieve en efficiënte wijze uit te werken. Hoe borgt de Minister dat de doelen
onderbouwd en realistisch zijn? Hoe biedt de Minister voldoende handelingsperspectief
aan boeren om de milieunormen daadwerkelijk te kunnen realiseren? Hoe ziet de Minister
daarbij de wisselwerking tussen een individueel bedrijf en een gebied? Is de Minister
voornemens tot een emissieruimte per gebied te komen, een gebiedsplafond, in lijn
met het rapport «De stikstofcrisis: van verwarring naar verbinding»? Ziet de Minister
daarbij een route voor zich waarbij emissienormen in de tijd steeds scherper worden,
zodat er enerzijds tijd is om toe te werken naar een lagere uitstoot en er anderzijds
ruimte blijft voor nieuwe ontwikkelingen in een gebied? En hoe ziet de Minister de
relatie tussen doelsturing en vergunningverlening?
Antwoord
Voor het kabinet is het van belang dat met bedrijfsspecifieke emissienormen voor stikstof
en klimaat duidelijkheid wordt geboden aan welke vereisten ondernemers in de toekomst
moeten voldoen. Hierdoor worden zij in staat gesteld om overwogen keuzes te maken
over verdere ontwikkeling van hun bedrijf en om aan de slag te gaan met emissiereductie.
Bij het bepalen van de hoogte van de normen wordt hierbij gekeken naar de technisch
reductiepotentie die er is om emissies te reduceren. Hiermee wordt beoogd om te komen
tot ambitieuze en duidelijke doelen die in de praktijk realiseerbaar zijn voor ondernemers.
Bedrijfsspecifieke emissienormen realiseren een generieke verlaging van emissies in
de stikstofdeken. Daarmee wordt een bijdrage geleverd aan het op gang brengen van
vergunningsverlening, maar om dit te realiseren zullen tegelijkertijd ook aanvullende
inspanningen nodig zijn. Als onderdeel van de aanpak zet het kabinet daarom ook in
op gebiedsgericht beleid, bijvoorbeeld in zones rondom N2000-gebieden en prioritaire
gebieden. Via gebiedsprocessen zal per gebied gekeken moeten worden wat nodig is om
op termijn vergunningsverlening weer op gang te brengen. De verdere uitwerking van
doelsturing en het gebiedsgerichte beleid vindt plaats in de Ministeriële Taskforce
Landbouw, Natuur en Stikstof waarover de Kamer voor de zomer wordt geïnformeerd.
De leden van de CU-fractie lezen in ieder geval in het coalitieakkoord dat er gebiedsspecifieke
doelen worden vastgelegd, waarna waar mogelijk dit wordt uitgesplitst per bedrijf.
In hoeverre komt er daarbij ruimte dat bij bedrijf A op doel X een extra inspanning
levert en bedrijf B op doel Y en dat ze dat kunnen «poolen» op regionaal niveau? Hoe
beziet hij het risico dat verschillen in provinciaal beleid de verschillen tussen
agrarische bedrijven vergroten? Met andere woorden: hoe wil de Minister een gelijk
speelveld borgen?
Antwoord
Om een gelijk speelveld te borgen richt het kabinet zich op een landelijke bedrijfsspecifieke
emissienorm voor stikstof en klimaat als onderdeel van de generieke pijler van de
aanpak. Hiermee wordt beoogd te komen tot een duidelijk norm die zowel voor de ondernemer
als de overheid uitvoerbaar is. In de verdere uitwerking van de systematiek zullen
keuzes gemaakt moeten worden in welke mate binnen het kader van deze generieke norm
verdere flexibiliteit of differentiatie mogelijk gemaakt wordt.
De leden van de CU-fractie achten het van groot belang dat er op lange termijn perspectief
wordt geboden voor agrarische ondernemers en de natuur. Is de Minister bereid een
meerjarenprogramma vast te stellen omtrent doelsturing, waarin vooraf duidelijkheid
wordt geboden over een tijdspad naar implementatie, de juridische borging en consequenties,
wijze van borging/monitoring en de Ontwikkeling van de ASB?
Antwoord
Ik ben het eens met de leden van de CU-fractie dat het van belang is om perspectief
voor de langere termijn te bieden aan agrarisch ondernemers en de natuur. Hier werkt
het kabinet aan in het kader van de Ministeriële Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof.
Doelsturing via bedrijfsspecifieke emissienormen voor stikstof en klimaat is onderdeel
van deze aanpak. Na bekendmaking van de normen zal zo snel mogelijk worden aangevangen
met het informeren van ondernemers waar zijn staan ten opzichte van de norm, en het
stimuleren van het nemen emissie-reducerende maatregelen. Parallel wordt verdere uitwerking
gegeven aan de operationalisering van de systematiek waarin inderdaad nog keuzes gemaakt
moeten worden over onder meer de borging/monitoring en juridische borging. Het kabinet
verwacht voor de zomer de Kamer te informeren over de beleidsmatige invulling van
de emissienormen en zal hierbij ook op hoofdlijnen het implementatiepad schetsen.
In de uitwerking van een ingroeipad voor doelsturing op waterkwaliteit neem ik ook
het toekomstperspectief van de landbouw mee. Daarbij bezie ik de uitwerking van doelsturing
op waterkwaliteit in nauwe samenhang met de maatregelen in het nog op te stellen 8e actieprogramma Nitraatrichtlijn. Ik zal de Kamer hier op een later moment over informeren.
De leden van de CU-fractie zijn waakzaam op veel extra administratieve lasten voor
agrarische ondernemers. Hoe zorgt de Minister ervoor dat het uitgangspunt om administratieve
lasten te minimaliseren wordt meegenomen in de uitwerking van doelsturing? Deze leden
beseffen dat doelsturing meer vergt van het vakmanschap van agrariërs dan middelsturing,
maar zij beseffen ook het belang van eenvoud en uitvoerbaarheid op het boerenerf.
Hoe wil de Minister deze verschillende noties bij elkaar brengen en daar recht aan
doen?
Antwoord
In lijn met de beantwoording op de vragen van de fracties van D66, VVD, PVV en BBB
adviseert het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) de overheid over het voorkomen
van onnodige regeldruk. Dit gebeurt zo vroeg mogelijk in het proces van wet- en regelgeving.
Of invoering van de doelsturingssystematiek gaat leiden tot extra administratieve
lasten en een grotere complexiteit is nu nog niet te zeggen en hangt bijvoorbeeld
ook af van de mate van en het tempo waarin er in wordt geslaagd om middelsturing deels
af te bouwen.
Administratieve lasten voor ondernemer worden weergegeven in het onderdeel lastendruk
in de toelichting bij regelgeving. In dat onderdeel lastendruk wordt aangegeven wat
de gevolgen zijn voor de lasten van ondernemers na invoering van nieuwe regelgeving.
De leden van de CU-fractie vragen hoe de Minister doelsturing ziet in relatie met
de andere sporen in de stikstofaanpak, namelijk landelijke generieke maatregelen en
gebiedsspecifiek beleid. Daarnaast zijn deze leden benieuwd naar de keuze voor de
indicator voor ammoniak (onder andere: ammoniak per dier of per dierrecht/fosfaatrecht;
ammoniak per hectare; ammoniak uitstal versus ammoniak voor veldemissies). Hoe verhoudt
dit zich tot het concept van grondgebondenheid, waartoe ook in het coalitieakkoord
een voorzet wordt gedaan?
Antwoord
Via de bedrijfsspecifieke emissienormen voor stikstof en klimaat kan een substantiële
emissiereductie worden gerealiseerd op het bedrijfsniveau. Er ligt een aanzienlijke
technische potentie via nemen van management- en stalmaatregelen. Tegelijkertijd zal
dit niet voldoende zijn om de gestelde landelijke emissiereductiedoelen te realiseren.
Daarom zet het kabinet ook in op aanvullend gebiedsgericht beleid en maatregelen gericht
op het verkleinen van de productiecapaciteit, onder meer via afroming bij verhandeling,
extensivering of vrijwillige beëindiging. De samenhang tussen deze sporen is onderdeel
van de uitwerking die momenteel plaats vindt binnen de Ministeriële Taskforce Landbouw,
Natuur en Stikstof en waar de Kamer voor de zomer over wordt geïnformeerd. Hierbij
wordt binnen Pijler 1 ook gekeken naar de beleidsmatige invulling van de emissienormen
en de samenhang met grondgebondenheid.
De leden van de CU-fractie vragen wanneer de Minister verwacht het vernieuwde 8e AP te kunnen presenteren? Deze leden benadrukken het belang van het sturen op waterkwaliteit
door middel van doelsturing. Zij zien nu dat niet in alle regio’s de waterkwaliteitsdoelen
worden gehaald. Zij vinden doelsturing op basis van milieunormen een effectieve methode
om de waterkwaliteit te verbeteren, maar ook om ruimte te geven aan boeren en telers.
Zij hebben hierover verschillende vragen aan de Minister. Op welke wijze geeft de
regering concreet uitvoering aan de aangenomen motie-Grinwis c.s. (Kamerstuk 33 037, nr. 634)? Welke stappen zijn gezet om metingen op het N-mineraal residu mogelijk te maken
dit najaar? Is er een passende vergoeding vanuit de overheid om deze metingen mogelijk
te maken? Gaat het behalen van goede N-mineraal residu scores concreet leiden tot
vrijstellingen of uitzonderingen op generieke mestmaatregelen? Let de Minister er
daarbij op dat een bepaalde interpretatie van de Kaderrichtlijn Water toepassing van
doelsturing in de praktijk niet onmogelijk maakt? Daar hebben deze leden namelijk
al enige tijd zorgen over, wat ook één van de redenen is dat dit zo expliciet staat
verwoord in de reeds genoemde motie.
Antwoord
In lijn met de beantwoording van de eerdere vragen van de leden van de fractie van
de VVD werk ik als onderdeel van het 8e actieprogramma Nitraatrichtlijn aan doelsturing op waterkwaliteit. Zoals toegezegd,
zal ik uw Kamer op een later moment informeren over de voortgang van het 8e actieprogramma Nitraatrichtlijn
Conform de motie Grinwis zet ik in om in het najaar van 2026 te kunnen starten met
N-mineraalmetingen. Om in het najaar van 2026 te kunnen starten met het meten is in
opdracht van LVVN een meetprotocol voor het meten van N-mineraal (een indicator voor
de nitraatuitspoeling naar het grondwater) ontwikkeld door Wageningen University &
Research. Daarnaast laat ik ten behoeve van de borging van de systematiek streefwaarden
en beoordelingsprotocol opstellen. Ook wordt er gewerkt aan het verstrekken van een
subsidie voor het uitvoeren van deze N-mineraalmetingen. Keuzes over de inrichting
van doelsturing op waterkwaliteit bezie ik in samenhang met de maatregelen in het
nog op te stellen 8e actieprogramma Nitraatrichtlijn.
De leden van de CU-fractie vragen te slotte of de Minister kan ingaan op de Woo-zorgen
inzake doelsturing en hoe deze zijn te mitigeren.
Antwoord
In lijn met de beantwoording van de eerdere vragen van de leden van de fracties van
JA-21, BBB en SGP is het van belang dat besluiten in het kader van doelsturing zorgvuldig
worden voorbereid en dragend worden gemotiveerd. Er moet nog bepaald worden welke
gegevens daarvoor nodig zijn. Bij het maken van deze keuzes zal ik de belangen van
openbaarheid en de bescherming van bedrijfs- en persoonsgegevens afwegen binnen de
geldende kaders.
Ik realiseer mij dat er zich dilemma’s kunnen voordoen bij de openbaarmaking van informatie,
bijvoorbeeld wanneer openbaarmaking van informatie mede raakt aan de persoonlijke
levenssfeer van agrarische ondernemers. Ik vind het daarom van belang om de verschillende
belangen die hier kunnen spelen af te wegen, binnen de kaders die onder meer de Woo
biedt. Dit zal ook worden meegenomen in de wetsevaluatie van de Woo en bij de vormgeving
van doelsturing. Tevens werk ik met de Minister van Justitie en Veiligheid aan een
onderzoek naar de sociale veiligheid van agrarisch ondernemers23.
Ik verwijs u tevens naar de antwoorden op Kamervragen over openbaarmaking bedrijfsgegevens
naar aanleiding van de technische briefing over doelsturing24.
Vragen en opmerkingen van de leden van Groep Markuszower
De leden van Groep Markuszower hebben kennisgenomen van de agenda van het schriftelijk
overleg Doelsturing en hebben hierover nog enkele vragen en opmerkingen.
De leden van Groep Markuszower constateren dat de haalbaarheid van doelsturing nog
steeds onzeker is. Wanneer doelsturing wordt ingevoerd, ontstaat er een groot risico
voor de agrarische sector. Wat zijn de consequenties wanneer doelen niet gehaald worden
terwijl dat buiten de invloedssfeer van ondernemers ligt? Agrarische ondernemers hebben
daar geen invloed op, maar worden in een systeem van doelsturing mogelijk wel afgerekend.
Immers, er wordt afgerekend op de uiteindelijke uitkomst, niet op de inspanningen.
Op welke manier houdt de Minister hier rekening mee?
Antwoord
De omslag naar afrekenbare doelsturing is een complexe systeemwijziging en vergt zorgvuldigheid.
Daarom wordt doelsturing in verschillende sectoren en voor verschillende opgaven met
verschillende toepassingsvormen van doelsturing stapsgewijs ingevoerd. Hierbij wordt
rekening gehouden met wat beleidsbeslissingen betekenen voor ondernemers en wat voor
hen technisch haalbaar is. Het uitgangspunt bij doelsturing is dat indicatoren om
de prestaties van de boer te beoordelen zo worden gekozen dat deze de inspanningen
van de boer weergeven.
De leden van Groep Markuszower staan niet achter onomkeerbare maatregelen waarvan
de effectiviteit niet is bewezen. Maatregelen moeten aantoonbaar werken voordat ze
structureel worden ingevoerd.
Antwoord
Ik ben het met de leden van Groep Markuszower eens dat maatregelen aantoonbaar moeten
werken voordat ze structureel worden ingevoerd.
De leden van Groep Markuszower vragen hoe de Minister rekening houdt met de veiligheid
op het boerenerf in verband met Woo-verzoeken. Is de Minister bereid om de conclusies
van het lopende onderzoek naar de sociale veiligheid van agrarische ondernemers mee
te nemen in zowel de reikwijdte van Woo-verzoeken op doelsturing alsmede op de uitwerking
van doelsturing in het algemeen?
Antwoord
Ik realiseer mij dat er zich dilemma’s kunnen voordoen bij de openbaarmaking van informatie,
bijvoorbeeld wanneer openbaarmaking van informatie mede raakt aan de persoonlijke
levenssfeer van agrarische ondernemers. Ik vind het daarom van belang om de verschillende
belangen die hier kunnen spelen af te wegen, binnen de kaders die onder meer de Woo
biedt. Dit zal inderdaad ook worden meegenomen in de wetsevaluatie van de Woo en bij
de vormgeving van doelsturing. Conclusies van het lopende onderzoek naar de sociale
veiligheid van agrarische ondernemers, dat ik met de Minister van Justitie en Veiligheid
uitvoer zal ik betrekken bij de uitwerking van doelsturing25.
De leden van Groep Markuszower constateren dat vergunningverlening een wezenlijk onderdeel
is van mogelijke doelsturing. Hoe ziet de Minister de vergunningverlening voor zich
in relatie tot de maatregelen die voor doelsturing nodig zijn? Welke specifieke plannen
zijn er om de capaciteit van vergunningverlening op orde te brengen, onder andere
bij de provincies?
Antwoord
Doelvoorschriftenvergunningen bieden de mogelijkheid vergunningen niet te baseren
op specifieke emissiearme stalsystemen en technieken zoals opgenomen in bijlage V
en VI van de Omgevingsregeling, maar op basis van een doel, zoals een emissieplafond
voor de emissie van ammoniak uit een stal. Zoals in het antwoord op een eerdere vraag
van de CDA-fractie is weergegeven, wordt hier nu kennis en ervaring met vergunningen
op basis van doelvoorschriften opgedaan ten aanzien van milieu- en natuurvergunningen
voor stallen. Bij het opstellen van deze vergunningen is toezicht en handhaving van
het bevoegd gezag ook betrokken geweest.
Voldoende capaciteit bij bevoegde gezagen voor het afgeven van vergunningen is primair
de verantwoordelijkheid van de desbetreffende bevoegde gezagen. Het Ministerie van
Infrastructuur en Waterstaat werkt samen met onder andere IPO en VNG aan robuuste
omgevingsdiensten zodat zij toegerust zijn om in het algemeen hun Vergunning, Toezicht
en Handhavings-taken goed uit te voeren. Onderdeel van dit traject is het voldoen
aan de eerder vastgestelde kwaliteitseisen, waar het hebben van voldoende opgeleid
personeel in eigen dienstonderdeel van uitmaakt. In een bestuurlijke afspraak tussen
Ministeries van Infrastructuur en Waterstaat, Ministerie Justitie en Veiligheid, het
Interprovinciaal Overleg, Vereniging Nederlandse Gemeenten, de Unie van Waterschappen
en Omgevingsdienst NL is vastgelegd dat de omgevingsdiensten op 1 april 2026 robuust
dienen te zijn26. Naar verwachting ontvangt de Tweede Kamer in oktober dit jaar de eindbeoordeling
van de monitoring met specifieke informatie per dienst27.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
H.S. Steen, voorzitter van de vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur -
Mede ondertekenaar
R.P. Jansma, griffier