Lijst van vragen en antwoorden : Lijst van vragen en antwoorden over het Jaarverslag Ministerie van Financiën en Nationale Schuld 2025 (Kamerstuk 36945-IX-1)
36 945 IX Jaarverslag en slotwet Ministerie van Financiën en Nationale Schuld 2025
Nr. 6
LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN
Vastgesteld 1 juni 2026
De vaste commissie voor Financiën heeft een aantal vragen voorgelegd aan de Minister
van Financiën over de brief van 20 mei 2026 over het Jaarverslag Ministerie van Financiën
en Nationale Schuld 2025 (Kamerstuk 36 945 IX, nr. 1)
De Minister heeft deze vragen beantwoord bij brief van 1 juni 2026. Vragen en antwoorden
zijn hierna afgedrukt.
De voorzitter van de commissie, Jansen
Adjunct-griffier van de commissie, Van der Steur
Vragen en antwoorden
Vraag 1
Kunt u in een grafiek weergeven hoe de uitgaven aan (1) zorg en sociale zekerheid
en (2) defensie als percentage van het bbp zich sinds het jaar 2000 hebben ontwikkeld?
Antwoord op vraag 1
Hieronder staat de ontwikkeling van deze uitgaven als percentage van het BBP sinds
2000. Dit is op basis van de lange reeksen uit het Centraal Economisch Plan 2026 van
het CPB. Deze cijfers kunnen afwijken van de cijfers die het Kabinet hanteert door
verschillen in definities. Zo wordt de zorgtoeslag door het CPB meegenomen bijsociale
zekerheid en door het kabinet bij de zorg. Daarnaast zijn de defensie-uitgaven in
deze reeks genoteerd op transactiebasis, terwijl het kabinet in de begroting rekent
op kasbasis.
Figuur 2
Vraag 2
Wat zijn de uitgaven aan alle sociale uitkeringen uitgedrukt als percentage van de
jaarlijkse opbrengsten van de inkomstenbelasting? Hoe heeft dit cijfer zich sinds
het jaar 2000 ontwikkeld?
Antwoord op vraag 2
Onderstaande tabel laat de sociale uitkeringen als percentage van de opbrengst van
loon- en inkomstenbelasting zien. Voor de uitgaven aan sociale uitkeringen is uitgegaan
van de wettelijke sociale regelingen, deze data is verkregen van het CBS. Omdat het
CBS definitieve cijfers beschikbaar heeft tot en met 2023, is tot en met2023 weergeven.
Tabel 7 Sociale uitkeringen als percentage van de loon- en inkomstenbelasting
Jaar
2002
2003
2004
2005
2006
2007
2008
2009
2010
2011
Percentage
248%
268%
292%
252%
251%
223%
231%
211%
218%
231%
Jaar
2012
2013
2014
2015
2016
2017
2018
2019
2020
2021
Percentage
255%
260%
260%
219%
234%
194%
200%
190%
185%
191%
Jaar
2022
2023
Percentage
187%
177%
Vraag 3
Hoe hebben de rentelasten die Nederland op de staatsschuld betaalt zich ontwikkeld
als percentage van het bbp sinds het jaar 2000?
Antwoord op vraag 3
Sinds het jaar 2000 hebben de rentelasten op de staatsschuld zich als volgt ontwikkeld
als percentage van het bbp.
Tabel 8 Rentelasten als percentage van het bbp
Jaar
Rentelasten (€ mld.)
bbp (€ mld.)
Rentelasten (% bbp)
2000
12,2
452,2
2,7%
2001
12,1
482,9
2,5%
2002
11,3
502,9
2,2%
2003
10,8
514,9
2,1%
2004
9,6
531,6
1,8%
2005
9,4
553,1
1,7%
2006
9,1
587,4
1,5%
2007
9,3
622,8
1,5%
2008
10,8
651,3
1,7%
2009
10,3
630,2
1,6%
2010
11,1
643,0
1,7%
2011
9,3
656,0
1,4%
2012
9,6
658,2
1,5%
2013
9,1
665,6
1,4%
2014
8,4
678,6
1,2%
2015
6,9
699,2
1,0%
2016
7,2
720,2
1,0%
2017
6,5
750,9
0,9%
2018
5,9
787,3
0,8%
2019
5,4
829,8
0,7%
2020
4,7
816,5
0,6%
2021
4,2
891,6
0,5%
2022
4,3
993,8
0,4%
2023
7,2
1.050,1
0,7%
2024
9,1
1.121,5
0,8%
2025
8,7
1.179,5
0,7%
Vraag 4
De doelstelling voor het aantal groene transacties bij de EKV-faciliteit is niet gehaald
(49 tegenover een doelstelling van tien procent groei ten opzichte van 68); bent u
bereid om dergelijke ideologische klimaatdoelen los te laten en uitsluitend te sturen
op het economisch belang voor de Nederlandse export?
Antwoord op vraag 4
Met de inzet op groen bij de exportkredietverzekering (ekv) ondersteunen we Nederlandse
bedrijven bij de energietransitie en stimuleren we groene export. Dit past bij de
inzet van het kabinet om door te werken aan de klimaatdoelen en bedrijven in staat
te stellen te investeren in verduurzaming. Tegelijkertijd draagt de inzet op groen
binnen de ekv bij aan de Nederlandse economie. Het loslaten van de doelstelling voor
groene transacties is dus niet nodig om te sturen op het economisch belang van de
Nederlandse export.
Vraag 5
In de beantwoording van de vragen bij de Voorjaarsnota 2026 gaf u aan dat de evaluatie
van de verhoging van de kansspelbelasting in het tweede kwartaal van dit jaar gedeeld
zou worden met de Kamer. Nu wordt in het jaarverslag gesproken over juli dit jaar.
Welke datum is nu correct en kunt u garanderen dat er voldoende tijd is om de evaluatie
afdoende te kunnen betrekken bij de augustusbesluitvorming over onder meer het Belastingplan
2027?
Antwoord op vraag 5
In Financieel Jaarverslag van het Rijk 2025 is inderdaad per abuis opgenomen dat de
monitoring van de verhoging van de kansspelbelasting in juli wordt gedeeld met de
Kamer, in plaats van in juni. Dat is onjuist. Zoals ook is aangegeven in de beantwoording
van de feitelijke Kamervragen over de Voorjaarsnota 2026 zal de monitoring, conform
de toezegging, in het tweede kwartaal worden aangeboden. Dus uiterlijk in juni.
Vraag 6
In hoeverre dragen de kosten voor het opstellen van de «Factsheets Brede Welvaart»
bij aan de kerntaak van het ministerie en bent u bereid deze rapportages te schrappen
om de bureaucratie te verminderen?
Antwoord op vraag 6
De Factsheets Brede Welvaart worden sinds 2022 gepubliceerd en zijn een reactie op
de motie Hammelburg1. Deze motie vraagt om bredewelvaartsindicatoren een centrale positie te geven in
de Miljoenennota, begrotingen en jaarverslagen. Daarnaast is er toenemende aandacht
voor niet-financiële informatie in begrotingsstukken.
De komende maanden wordt opnieuw geëvalueerd hoe deze motie ingevuld kan worden, ook
in het licht van de uitwerking van motie van der Lee2, over hoofddoelen en resultaten in de begrotingsstukken.
Vraag 7
Wat zijn de consequenties voor de Nederlandse Staat van de aankondiging dat de Duitse
staat slechts een «deel» van TenneT Duitsland zal kopen en welke garanties zijn er
dat Nederlands kapitaal niet alsnog weglekt naar de Duitse energietransitie?
Antwoord op vraag 7
Zoals toegelicht in de Kamerbrieven van 24 september 20253 en 3 februari 20264 biedt deze transactie, samen met de transactie met private investeerders, een structurele
oplossing voor de kapitaalbehoefte van TenneT Duitsland. Door de combinatie van de
drie institutionele private investeerders (APG, NBIM en GCI) en de Duitse staat als
aandeelhouders wordt niet alleen de volledige kapitaalbehoefte gedekt, maar is er
ook een financiële buffer beschikbaar (circa 3,3 miljard euro). Mocht tegen de verwachting
in, de kapitaalbehoefte van TenneT Duitsland toch hoger worden dan het kapitaal dat
nu beschikbaar is, dan zal TenneT Duitsland van alle aandeelhouders vragen om kapitaal
bij te storten. Geen van de aandeelhouders is hiertoe verplicht. Door deelname van
de Duitse staat is er een additionele partij toegetreden die zich verantwoordelijk
zal voelen voor de financiële stabiliteit van TenneT Duitsland. Hierdoor wordt de
rol van de Nederlandse staat als lender of last resort verkleind.
Vraag 8
Kunt u nader toelichten waarom er een nieuwe garantie is verleend van 119 miljoen
euro aan EFSM?
Antwoord op vraag 8
Het betreft geen verlening van nieuwe garanties, maar reguliere bijstellingen van
reeds bestaande garanties voor EFSM, NGEU, BoP en de Oekraïnefaciliteit. Deze worden
gegarandeerd door de beschikbare ruimte onder het plafond van het Eigenmiddelenbesluit
(EMB), de headroom. Het Nederlandse aandeel in de garanties is gebaseerd op het bni-aandeel
binnen de EU en een inschatting van de rentekosten. Het Nederlandse bni-aandeel is
toegenomen van 6,1% naar 6,4%, waardoor ook het Nederlandse aandeel in de garanties
is toegenomen.
Vraag 9
Kunt u nader toelichten waarom er een nieuwe garantie is verleend van 3,7 miljard
euro aan NGEU?
Antwoord op vraag 9
Het betreft geen verlening van nieuwe garanties, maar reguliere bijstellingen van
reeds bestaande garanties voor EFSM, NGEU, BoP en de Oekraïnefaciliteit. Deze worden
gegarandeerd door de beschikbare ruimte onder het plafond van het Eigenmiddelenbesluit
(EMB), de headroom. Het Nederlandse aandeel in de garanties is gebaseerd op het bni-aandeel
binnen de EU en een inschatting van de rentekosten. Het Nederlandse bni-aandeel is
toegenomen van 6,1% naar 6,4%, waardoor ook het Nederlandse aandeel in de garanties
is toegenomen.
Vraag 10
Kunt u nader toelichten waarom er een nieuwe garantie is verleend van 204 miljoen
euro aan de BoP-faciliteit?
Antwoord op vraag 10
Het betreft geen verlening van nieuwe garanties, maar reguliere bijstellingen van
reeds bestaande garanties voor EFSM, NGEU, BoP en de Oekraïnefaciliteit. Deze worden
gegarandeerd door de beschikbare ruimte onder het plafond van het Eigenmiddelenbesluit
(EMB), de headroom. Het Nederlandse aandeel in de garanties is gebaseerd op het bni-aandeel
binnen de EU en een inschatting van de rentekosten. Het Nederlandse bni-aandeel is
toegenomen van 6,1% naar 6,4%, waardoor ook het Nederlandse aandeel in de garanties
is toegenomen.
Vraag 11
Kunt u nader toelichten waarom er een nieuwe garantie is verleend van 103 miljoen
euro aan de Oekraïne faciliteit?
Antwoord op vraag 11
Het betreft geen verlening van nieuwe garanties, maar reguliere bijstellingen van
reeds bestaande garanties voor EFSM, NGEU, BoP en de Oekraïnefaciliteit.
Deze worden gegarandeerd door de beschikbare ruimte onder het plafond van het Eigenmiddelenbesluit
(EMB), de headroom.5 Het Nederlandse aandeel in de garanties is gebaseerd op het bni-aandeel binnen de
EU en een inschatting van de rentekosten. Het Nederlandse bni-aandeel is toegenomen
van 6,1% naar 6,4%, waardoor ook het Nederlandse aandeel in de garanties is toegenomen.
Vraag 12
Waarom is er voor 69,9 miljard euro aan nieuwe garanties verleend? Was het niet de
bedoeling om de garanties af te bouwen, danwel zo veel mogelijk te beperken?
Antwoord op vraag 12
Paragraaf 1.2.2, en in het bijzonder figuur 1.2.2.2 in het FJR 2025 beschrijft de
ontwikkeling van risicoregelingen. Daarbij is aangegeven dat de uitstaande risicoregelingen
van het Rijk in het afgelopen jaar zijn gestegen van 582,7 miljard euro in 2024 naar
646,1 miljard euro in 2025; een toename van ruim 60 miljard euro. Deze toename is
voornamelijk veroorzaakt door de nieuwe garantie aan TenneT van 51,6 miljard euro6 en de Europese regeling Security Action for Europe (SAFE) voor 15,3 miljard euro.
Bijlage 8 bij het FJR toont een uitgebreidere toelichting op de mutaties aan garanties.
Verder geldt ten aanzien van risicoregelingen voor het Rijk een «nee-tenzij-beleid»,
en houdt in dat het kabinet terughoudend is met het aangaan van nieuwe risico’s en
verruimingen van bestaande regelingen.
Vraag 13
Wat zijn de exacte financiële risico’s voor de Nederlandse staat met betrekking tot
de nieuwe garantie van15,3 miljard euro voor het Europese «Security Action for Europe»-instrument
(SAFE) en waarom is hiervoor gekozen binnen de bestaande headroom van de Europese
begroting?
Antwoord op vraag 13
Het Europese «Security Action for Europe»-instrument (SAFE) wordt gegarandeerd door
de beschikbare ruimte onder het plafond van het Eigenmiddelenbesluit (EMB), de headroom7 Pas indien een lidstaat niet in staat blijkt te voldoen aan de aflossing van een
verstrekte lening, zal de Commissie mogelijk middelen bij de lidstaten moeten ophalen
om ervoor te zorgen dat de Unie zelf aan haar financiële verplichtingen kan voldoen.
Dit gebeurt pro rata op basis van het bni-aandeel van een lidstaat binnen de EU. Bij
het huidige bni-aandeel van Nederland van 6,4% betreft de inschatting van het maximale
langjarige risico circa 15,3 miljard euro.
Vraag 14
Hoe verklaart u de totale onderuitputting van ruim 503 miljoen euro en in hoeverre
is de forse onderuitputting bij Toeslagen Herstel (390,6 miljoen euro) een teken dat
de ramingen onrealistisch hoog waren of de uitvoering simpelweg te traag verloopt?
Antwoord op vraag 14
Voornaamste reden van onderuitputting houdt verband met het later volledig operationeel
krijgen van een nieuw stelstel voor de behandeling van aanvragen aanvullende schade.
Zowel het tempo van opschaling van de productie bij Stichting (Gelijk)waardig Herstel
als het ontwikkelen en implementeren van de MijnHerstel-route heeft meer tijd gevraagd
dan voorzien. Een deel van het voor 2025 geplande werk is hiermee doorgeschoven naar
2026 en daarmee ook de programma- en apparaatsmiddelen die hier aan gerelateerd zijn.
Over de voortgang in 2026 zal de Kamer in de volgende voortgangsrapportage geïnformeerd
worden.
Daarnaast heeft de voorbereiding van de uitvoering van enkele andere elementen zoals
de uitbetaling van wettelijke rente meer tijd gevraagd en is de uitvoering verschoven
in de tijd.
Vraag 15
De herstelkosten voor de Wet tegenbewijsregeling box 3 worden geraamd op 12,4 miljard
euro: kunt u garanderen dat deze enorme derving van belastinginkomsten niet wordt
afgewenteld op de werkende burger?
Antwoord op vraag 15
Het parlement heeft reeds besloten over de dekking van de derving van de box 3 hersteloperatie
die is verwerkt in de Wet tegenbewijsregeling box 3. De budgettaire verwerking is
weergegeven in de onderstaande tabel. Het voorgaande kabinet had voorgesteld om de
derving van het uitstellen van de invoering van het wetsvoorstel werkelijk rendement
naar 2028, te dekken met het verhogen van het forfait voor overige bezittingen en
het verlagen van het heffingvrije vermogen. Dit is echter door de Tweede Kamer teruggedraaid
met het amendement 38 812, nr. 47
(Grinwis, Stoffer en Vermeer). In plaats hiervan wordt de Wet Hillen versneld afgebouwd.
Tabel 9 Budgettaire verwerking herstelkosten Wet tegenbewijsregeling box 3
Maatregel
2024
2025
2026
2027
Derving: Uitspraak Hoge Raad box 3 6 juni 2024
– 6.385
– 1.695
– 1.751
0
Derving: Uitstel WWR box 3 inclusief niet voorinvullen eigen gebruik
0
190
– 189
– 2.381
Infaseren koopkrachtenveloppen (maatregel 1 hoofdlijnenakkoord)
0
1.350
800
350
Versnellen verhoging AWf naar 2025
0
245
0
0
Terugdraaien verlaging box 3-tarief
0
100
100
100
Verhogen AOF-premie met ca. 0,03%-punt
0
80
80
80
Versneld afbouwen Wet Hillen t/m 2041
0
0
15
29
Vraag 16
Kunt u uitleggen waarom Nederland in 2025 een bedrag van 45,7 miljoen euro aan vertragingsrente
heeft moeten betalen aan de Europese Commissie vanwege nabetalingen van invoerrechten
(Traditionele Eigen Middelen)?
Antwoord op vraag 16
De Douane heft en int voor de Europese Commissie (EC) invoerrechten (traditionele
eigen middelen) ter hoogte van ongeveer 4 miljard euro per jaar. Als de Douane op
specifieke casussen te weinig invoerrechten heft moet de Douane dit nabetalen aan
de EC en hier vertragingsrente over betalen. In 2025 was dit een bedrag van 45 miljoen
euro verdeeld over 11 casussen. Dit is een regulier proces met aandacht vanuit de
organisatie om de nabetalingen te minimaliseren; gezien het mensenwerk van het beoordelen
en controleren van aangiften zijn enige nabetalingen niet te voorkomen.
Vraag 17
Hoe verklaart u de forse overschrijding van de tolerantiegrens bij de huurtoeslag
(214,6 miljoen euro aan fouten en onzekerheden) en waarom is er nog steeds onvoldoende
informatie beschikbaar bij particuliere verhuurders om dit te controleren?
Antwoord op vraag 17
Er is 214,6 miljoen euro aan rechtmatigheidsfouten en onzekerheden bij de huurtoeslag.
Een belangrijk deel hiervan wordt veroorzaakt door onvoldoende beschikbare contra-informatie
bij particuliere verhuur. Hierdoor kan onvoldoende worden vastgesteld of opgegeven
huur- en objectgegevens juist zijn en of de verstrekte huurtoeslag rechtmatig is toegekend.
Daarnaast zijn in de reguliere steekproef meer en grotere afwijkingen geconstateerd
dan in voorgaande jaren.
Dienst Toeslagen werkt samen met het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties
aan een versterking van het M&O-beleid voor de huurtoeslag. Daarbij wordt ingezet
op het verbeteren van de kwaliteit en omvang van contra-informatie, het uitbreiden
van gegevenslevering door particuliere verhuurders, het verbeteren van de objectadministratie
en het versterken van risicogericht toezicht en nalevingsacties. Deze maatregelen
moeten eraan bijdragen dat de gegevenspositie van dienst toeslagen significant verbeterd
zodat het risico op onrechtmatigheden vanaf 2026 wordt teruggedrongen.
Vraag 18
Waarom is een signaal uit 2020 over het bestaan van een verzendadministratie (KOT-database)
destijds niet opgevolgd en in hoeverre heeft dit geleid tot onterechte compensatie-uitkeringen
die nu als «onzeker» in de boeken staan?
Antwoord op vraag 18
Het signaal uit 2020 over een verzendbatch is destijds niet opgevolgd omdat deze destijds
is beoordeeld binnen de bestaande beleidsuitgangspunten, namelijk dat bij het ontbreken
van een brief mogelijk gedupeerdheid werd vastgesteld. Zonder concrete aanwijzingen
over het bestaan van een betrouwbare verzend- en ontvangstadmini-stratie hebben signalen
– soms in afstemming met de Commissie van Wijzen – steeds geleid tot herbevestiging
van het beleid of hoogstens tot beperkte aanpassingen daarvan.
In 2024 is een signaal ontvangen over een KOT-database met vastleggingen van verzonden
brieven en reacties. Dit heeft geleid tot een onafhankelijk onderzoek door de Auditdienst
Rijk (ADR), waar u reeds over geïnformeerd bent via onder andere de Kamerbrief van
17 maart 20268. Als deze informatie eerder was gebruikt, had dit mogelijk invloed kunnen hebben
op individuele beoordelingen. Het is niet mogelijk om inzichtelijk te maken in hoeveel
gevallen de administratie invloed had kunnen hebben op eerdere conclusies over gedupeerdheid.
Dit vergt altijd een individuele herbeoordeling. Daarbij geldt dat ouders op meerdere
gronden gedupeerd kunnen zijn. Als een ouder als gedupeerde is aangemerkt als gevolg
van een onterechte verlaging of nihilstelling vanwege non-response wordt geen onderzoek
gedaan naar andere elementen die duiden op vooringenomenheid en die tot gedupeerdheid
kunnen leiden. De aanwezigheid van een registratie in de administratie betekent daarom
niet dat een eerdere conclusie over de gedupeerdheid van een ouder onjuist zou zijn.
Dit leidt tot de conclusie dat wel sprake is van een onzekerheid over de rechtmatigheid
van deze verantwoorde uitgaven, maar de omvang hiervan is echter, door de individuele
afhankelijkheid, niet te kwantificeren is. Voor een nadere toelichting verwijs ik
u naar de genoemde kamerbrief.
Vraag 19
De Algemene Rekenkamer waarschuwt opnieuw voor continuïteitsrisico’s door verouderde
IT-systemen: kunt u per belastingsoort (Inkomensheffing, Loonheffing, Omzetbelasting)
aangeven wat de definitieve deadline is voor het vervangen van deze kwetsbare systemen?
Antwoord op vraag 19
De planning is dat de systemen van Inkomensheffingen, Loonheffingen en Omzetbelasting
in 2028 vervangen zijn. Het kabinet geeft prioriteit aan de modernisering van het
ICT-landschap binnen de Belastingdienst, zoals het ook heeft bevestigd in het coalitieakkoord,
en de voortgang wordt strak gemonitord. Uw Kamer wordt periodiek geïnformeerd over
de modernisering van de ICT-systemen van de Belastingdienst.
Vraag 20
Hoe beoordeelt u het feit dat het nalevingstekort bij het MKB wordt geschat op 5,18
miljard euro (5,5 procent van het fiscaal belang) en welke extra stappen worden ondernomen
om dit miljardengat te dichten zonder de bonafide ondernemer extra te belasten?
Antwoord op vraag 20
Zie het antwoord op vraag 17 over het Verantwoordingsonderzoek bij het jaarverslag
Financiën en Nationale Schuld (IX).
Vraag 21
Hoe reageert u op het afkeurende oordeel van de Auditdienst Rijk over de privacy-audit
(Wet politiegegevens) bij de FIOD en welke maatregelen zijn genomen om te voorkomen
dat strafrechtelijke onderzoeken hierdoor juridisch onder vuur komen te liggen?
Antwoord op vraag 21
Ik heb kennis genomen van het oordeel van de Auditdienst Rijk (ADR). De privacy-audit
beslaat de periode 2020–2023. De audit is uitgevoerd in 2024 en de rapportage is in
juni 2025 opgeleverd. In de tussenliggende periode is de FIOD gestart met het oppakken
en oplossen van de geconstateerde onvolkomenheden. De onvolkomenheden zijn niet van
dien aard dat dit strafrechtelijke onderzoeken raakt.
Kunt u toelichten waarom de uitgaven voor externe inhuur in 2025 met 14,8 procent
nog steeds fors boven de eigen Roemer-norm van tien procent liggen en waarom specifiek
bij de Belastingdienst het maximumtarief opnieuw is overschreden?
Antwoord op vraag 22
De uitgaven aan externe inhuur bij het Ministerie van Financiën zijn sinds 2023 gedaald.
Het ministerie blijft inzetten op een daling tot onder de Roemernorm. Het Ministerie
van Financiën kende een daling van 20,3% externe inhuur in 2023 naar 14,8% externe
inhuur in 2025, voor de Belastingdienst is dat van 17,5% externe inhuur in 2023 naar
12,4% externe inhuur in 2025. Het overschreden tarief betreft één situatie bij de
directie IV op de technische infrastructuur.
Zoals ook in de reactie op de vragen naar aanleiding van «de bevindingen van rapporteurs
ontwerpbegroting Financiën/Nationale schuld 20269» is aangegeven, blijft het Ministerie van Financiën tijdelijke inzet en specialis-tische
kennis nodig hebben om aan de maatschappelijke opgaven te voldoen. Dit betreft inhuur
vanwege de modernisering van de ICT bij de Belastingdienst, de blijvende behoefte
aan uitzendkrachten voor de Belastingte-lefoon en de herstelopgave bij Toeslagen.
Vraag 23
Waarom is er in 2025 maar liefst 33,7 miljoen euro aan belastinggeld uitgegeven aan
rentecompensatie voor EU-leningen aan Oekraïne en tot welke bedragen loopt deze jaarlijkse
verplichting de komende jaren op?
Antwoord op vraag 23
In 2023 is in de Europese Unie (EU) met steun van Nederland afgesproken om Oekraïne
middels het instrument Macro-Financiële Bijstand+ (MFB+) begrotingssteun te verlenen
ter hoogte van 18,3 miljard euro. Hierbij is ook afgesproken dat de rentekosten middels
een rentesubsidie door de EU gedekt worden. De rentesubsidie is nu vastgelegd voor
4 jaar (2023–2027) en het Nederlandse aandeel hierin bedraagt maximaal 165,7 miljoen
euro over de gehele periode van 4 jaar, wat jaarlijks maximaal 41,4 miljoen euro is.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
C.A. (Chris) Jansen, voorzitter van de vaste commissie voor Financiën -
Mede ondertekenaar
R.A. van der Steur, adjunct-griffier