Brief regering : Uitkomsten conferentie Santa Marta over de transitie weg van fossiele brandstoffen
31 793 Internationale klimaatafspraken
Nr. 302
BRIEF VAN DE MINISTER VAN KLIMAAT EN GROENE GROEI
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 1 juni 2026
Van 24 tot en met 29 april jl. vond in Santa Marta, Colombia, de eerste internationale
conferentie plaats over de afbouw van fossiele brandstoffen. Nederland organiseerde
deze conferentie samen met Colombia, in opvolging van de aankondiging tijdens de klimaatconferentie
van de Verenigde Naties, COP30 in Belém, Brazilië. De conferentie in Santa Marta stond
in het teken van de uitvoering van de eerder gemaakte mondiale afspraak om dit decennium
versneld toe te werken naar een transitie weg van fossiele brandstoffen.1
De wereldwijde energiecrisis die is ontstaan als gevolg van de blokkade van de Straat
van Hormuz laat zien hoe kwetsbaar landen zijn voor prijsschommelingen en leveringsrisico’s
van fossiele energie. De grote prijsvolatiliteit en hoge prijzen voor fossiele energie
leiden tot onzekerheid en onverwachte kosten voor huishoudens en bedrijven. Landen
met een hoger aandeel hernieuwbare energie zijn beter bestand tegen dergelijke schokken.
Door verwevenheid van fossiele brandstoffen in onze economieën is de afbouw van fossiel
geen gemakkelijke opgave. Het vergt naast analyses en maatregelen op nationaal niveau
internationale samenwerking, kennisdeling en gezamenlijke oplossingen. Deze conferentie
heeft een grote groep landen bijeengebracht om over al deze aspecten te spreken.
In deze brief zal ik nader ingaan op de opzet en inhoud van de conferentie, de belangrijkste
uitkomsten van de ministeriële bijeenkomst op 28 en 29 april en de Nederlandse inzet
en vervolgstappen richting COP31, in november in Antalya, Turkije.
Doel van de conferentie
Ter voorbereiding op de tweedaagse ministeriële dialoog tussen landen gingen zo’n
1500 belanghebbenden met elkaar in gesprek, waaronder wetenschappers, parlementariërs,
en vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld en bedrijfsleven. Bij de
start van de ministeriële bijeenkomst op 28 april presenteerden deze groepen hun bevindingen.
Aan de ministeriële bijeenkomst namen 57 landen deel, samen goed voor een derde van
het wereldwijde fossiele energieverbruik en een vijfde van de wereldwijde fossiele
productie. Ook waren de COP30- en COP31-voorzitters aanwezig, evenals Europees Commissaris
Hoekstra, en de speciaal adviseur voor Klimaatactie en Rechtvaardige Transitie van
de secretaris-generaal van de Verenigde Naties.
De conferentie richtte zich op implementatie van de in Dubai (COP28) gemaakte afspraken
over de transitie weg van fossiele brandstoffen. Het is nadrukkelijk géén vervanging
voor het maken van mondiale klimaatafspraken met consensus, maar dient als «buitenboordmotor»
voor versterking en versnelling van implementatie van multilaterale afspraken. Mede
hierom was er geen sprake van onderhandelingen over een gemeenschappelijke eindverklaring.
Wel hebben Colombia en Nederland als voorzitters een document opgesteld met voorgestelde
oplossingen en vervolgstappen. Deze vindt u in de bijlage van de brief. Deze aanpak
werd breed onderschreven door aanwezige partijen en het document wordt gezien als
een goede weergave van de gesprekken en noodzakelijke vervolgstappen voor de coalitie
van welwillende landen die in Santa Marta bijeen is gekomen. Een uitgebreid rapport
namens beide covoorzitters volgt voor de zomer en zal ook met de Tweede Kamer worden
gedeeld.
De belangrijkste uitkomsten van de ministeriële bijeenkomst
Gezamenlijke prioriteiten voor de transitie weg van fossiele brandstoffen
Drie thema’s stonden tijdens de gesprekken centraal: het doorbreken van economische
afhankelijkheid van fossiele brandstoffen, de transformatie van vraag en aanbod van
fossiel naar schone energiebronnen en het versterken van internationale samenwerking
en klimaatdiplomatie. Landen hebben de uitwisseling over deze thema’s als waardevol
ervaren en daarom worden er drie werkstromen opgezet om deze thema's verder uit te
werken.
Nederland en Colombia zullen deze werkstromen verder uitwerken samen met de genoemde
organisaties en de voorzitters van de tweede conferentie, Tuvalu en Ierland. Er is
gekozen om de uitvoering zoveel mogelijk door bestaande organisaties te laten doen,
zodat bestaand werk kan worden opgeschaald, inspanningen elkaar versterken, overlap
wordt voorkomen, en kosten worden bespaard. De werkstromen blijven open en flexibel,
om ook landen en initiatieven die niet aanwezig waren op de conferentie gelegenheid
te bieden aan te sluiten.
Er zal worden gewerkt aan drie thema’s:
i. Nationale routekaarten voor de transitie weg van fossiele brandstoffen, inclusief
aandacht voor de aanbodzijde van fossiele brandstoffen. Dit zal worden ondersteund
door het Science Panel for the Global Energy Transition2 en het NDC Partnership, dat landen nu al helpt hun verplichte klimaatplannen onder de Overeenkomst van Parijs
te ontwikkelen.
ii. Analyses en oplossingen voor knelpunten die voortvloeien uit macro-economische afhankelijkheden
en de financiële architectuur, waaronder aandacht voor schulden, fiscale afhankelijkheden
en fossiele brandstofsubsidies. Het werk wordt ondersteund door het International Institute for Sustainable Development (IISD);
iii. Kansrijke opties om via handel en investeringen decarbonisatie en fossielvrije handelsketens
te versterken, zoals bijvoorbeeld vraag- en marktcreatie voor producten en technologieën
voor de energietransitie. Dit wordt ondersteund door de Organisatie voor Economische
Samenwerking en Ontwikkeling (OESO).
Vergroten van transparantie
Nederland heeft tijdens de conferentie landen aangespoord transparanter te worden
over hun fossiele brandstofsubsidies en andere fossiele voordelen. Alle aanwezige
landen zullen worden uitgenodigd om deze subsidies en voordelen in kaart te brengen
op basis van de methodologie die is ontwikkeld in de Coalition on Phasing Out Fossil Fuel Incentives including Subsidies (COFFIS). Zo kan beter inzicht ontstaan in de verwevenheid van fossiele brandstoffen
in de economie en maatschappij, en in de aangrijpingspunten voor de afbouw daarvan.
Bij het uitfaseren van fossiele brandstofsubsidies is internationale samenwerking
vaak van groot belang, omdat sommige subsidies vastliggen in internationale verdragen
of Europese afspraken. In Nederland geeft het kabinet via de Miljoenennota transparantie
over de eigen fossiele subsidies en -voordelen.
De Nederlandse inzet en vervolgstappen richting COP31
De conferentie heeft een coalitie van welwillende landen bijeengebracht die het multilaterale
COP-proces willen versterken door de uitvoering van gemaakte afspraken te versnellen.
Het is dus van belang om aansluiting met het multilaterale proces te borgen. De conferentie
was daarbij een mijlpaal om het momentum voor het uitfaseren van fossiele brandstoffen
dat ontstond tijdens COP30 te behouden, ook richting andere relevante internationale
bijeenkomsten.
Nederland en Colombia zullen de resultaten van de conferentie en de vervolgstappen
op mondiaal niveau actief onder de aandacht brengen. Nederland heeft dit recent gedaan
bij de Copenhagen Climate Ministerial, door bovengenoemde uitkomsten toe te lichten en landen uit te nodigen inbreng te
leveren bij de werkstromen. Tijdens de London Climate Action Weekeind juni verwacht ik samen met de Colombiaanse Minister het officiële rapport van
de covoorzitters te kunnen overhandigen aan het voorzitterschap van COP30, als input
voor de wereldwijde routekaart over de transitie weg van fossiele brandstoffen die
zij ontwikkelen. Bij de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in september
zullen Nederland en Colombia de uitkomsten ook aanbieden aan de Secretaris Generaal
van de VN.
Voor Nederland en Colombia is het verder belangrijk dat het proces zo inclusief mogelijk
blijft, en dat de coalitie van welwillende landen en andere betrokkenen verder groeit.
De conferentie moet ook in de toekomst een platform blijven voor open samenwerking
en het bespreken van gezamenlijke uitdagingen. In dit kader is aangekondigd dat de
tweede conferentie over de transitie weg van fossiele brandstoffen in 2027 zal plaatsvinden
in Tuvalu, mede georganiseerd door Ierland. Nederland en Colombia zijn voornemens
het voorzitterschap tijdens COP31 officieel over te dragen aan de volgende covoorzitters.
Verder zullen de uitkomsten ook tijdens COP31 aan de orde komen. Nederland wil dat
hierbij de nadruk blijft liggen op uitvoering en het daadwerkelijk versnellen van
de energietransitie op verschillende plekken in de wereld. Daar is geen nieuw consensusbesluit
voor vereist. Richting 2028, wanneer de volgende algemene inventarisatie van de voortgang
van de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs plaatsvindt, de Global Stocktake, kan wel worden ingezet op een aanvullende onderhandelde afspraak. Hier kunnen de
uitkomsten van de conferentie in Santa Marta en de volgende in 2027 aan bijdragen.
Tot slot werkt ook Nederland aan een nationale routekaart in de vorm van het Nationaal
Plan Energiesysteem (NPE) en de actualisatie hiervan. De actualisatie van het NPE
wordt dit jaar nog gepubliceerd met daarin een onderdeel over de Verantwoorde Afbouw
van Fossiel. Het kabinet wil deze routekaart in aanloop naar COP31 ook internationaal
presenteren.
Conclusie
Tegen de achtergrond van de huidige geopolitieke spanningen en de wereldwijde energiecrisis
heeft de conferentie laten zien dat internationale samenwerking op de transitie weg
van fossiele brandstoffen blijvend momentum en groeiend draagvlak heeft. De door Nederland
en Colombia gekozen open en inclusieve aanpak heeft daarbij een positieve dynamiek
op gang gebracht die ook richting de komende COPs verder zal worden versterkt. Ik
blijf uw Kamer via de reguliere communicatie over COP31 informeren over de voortgang
van de vervolgstappen.
De Minister van Klimaat en Groene Groei,
S. van Veldhoven-van der Meer
Ondertekenaars
S. van Veldhoven-van der Meer, minister van Klimaat en Groene Groei