Brief regering : Besluit- en vertrekmoratorium Libanon
19 637 Vreemdelingenbeleid
Nr. 3563
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ASIEL EN MIGRATIE
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 1 juni 2026
Sinds een aantal weken is de oorlog tussen Israël en Hezbollah geëscaleerd en is ook
Libanon betrokken in het regionale conflict tussen Israël en de Verenigde Staten enerzijds
en Iran anderzijds. De situatie in Libanon ontwikkelt zich snel en er verschijnt geregeld
nieuwe informatie over de aanvallen die Israël in Libanon pleegt, met grootschalige
ontheemding, verwoesting van civiele doelen en burgerdoden als gevolg. Het is momenteel
niet te voorspellen hoe lang deze situatie zal blijven duren, in hoeverre de escalatie
verder doorzet en welk effect het regionale conflict heeft op de situatie in Libanon.
Omdat het huidige landgebonden asielbeleid voor Libanon gebaseerd is op informatie
die niet meer actueel is en de situatie in Libanon op dit moment te volatiel is om
zorgvuldig te beslissen op asielaanvragen, heb ik besloten om een besluit- en vertrekmoratorium
in te stellen voor Libanon, in beginsel voor de duur van zes maanden.
Een besluit- en vertrekmoratorium wordt ingesteld in gevallen waarin er naar verwachting
voor een korte periode onzekerheid zal bestaan over de algemene veiligheidssituatie
in een land waardoor redelijkerwijs niet zorgvuldig op asielaanvragen van vreemdelingen
uit dat land kan worden beslist en niet kan worden overgegaan tot gedwongen uitzettingen
naar dat land.
Met het instellen van een besluitmoratorium kunnen asielaanvragen tijdelijk worden
aangehouden totdat er meer duidelijkheid ontstaat over de situatie in Libanon. Indien
er asielaanvragen zijn die ouder zijn dan 21 maanden – en daarmee de maximale termijn
van het besluitmoratorium overschrijden – beslist de IND op de individuele merites
van de zaak en de dan bekende informatie.
Uitgezonderd van zowel het besluit-, als het vertrekmoratorium zijn onder meer Dublinclaimanten,
vreemdelingen ten aanzien van wie een veilig derde land wordt tegengeworpen, vreemdelingen
die reeds in het bezit zijn van internationale bescherming in een andere EU-lidstaat
of zijn erkend als vluchteling in een derde land dan wel in een derde land anderszins
voldoende bescherming genieten, en zogenoemde openbare-orde en 1F-zaken (zie voor
het volledige overzicht paragraaf C3/2 van de Vreemdelingencirculaire 2000). Op deze
aanvragen kan ondanks het moratorium worden beslist.
In 2025 en 2026 (januari t/m 30 maart) dienden circa 100 mensen uit Libanon een eerste
asielaanvraag in, dit vormt dus een relatief kleine groep op het totale aantal (eerste)
asielaanvragen. Sinds de opheffing van het vorige BVM (mei 2025) heeft de DT&V geen
gedwongen vertrek gerealiseerd naar Libanon. Als gevolg van het vertrekmoratorium
is ook in formele zin gedwongen vertrek van afgewezen asielzoekers niet aan de orde
en behouden personen onder de werking van het moratorium recht op opvang.
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken is gevraagd om een algemeen ambtsbericht over
de situatie in Libanon opstellen. Momenteel moet nog bezien worden wanneer het ambtsbericht
gepubliceerd kan worden. Aan de hand van dit ambtsbericht zal worden bezien welke
beleidsmatige stappen aangewezen zijn. De situatie wordt ondertussen nauwlettend gevolgd.
De Minister van Asiel en Migratie,
G. van den Brink
Indieners
G. van den Brink, minister van Asiel en Migratie