Brief regering : De rol van vrijwilligers in de archeologie
32 820 Nieuwe visie cultuurbeleid
Nr. 574
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 28 mei 2026
Tijdens het Wetgevingsoverleg van 19 januari 2026 sprak uw Kamer de zorg uit dat de
professionalisering in de archeologische sector ertoe heeft geleid dat vrijwilligers
in de archeologie onvoldoende ruimte krijgen. Uw Kamer gaf ook aan dat ten onrechte
zou worden aangenomen dat zij minder goed voor dit erfgoed kunnen zorgen. Mijn ambtsvoorganger
Moes heeft vervolgens toegezegd hier schriftelijk nader op in te gaan. Bij deze doe
ik deze toezegging gestand.
De positie van vrijwilligers in het archeologiestelsel
Ondanks dat het archeologisch onderzoek in Nederland – en veel andere Europese landen
– de afgelopen decennia sterk geprofessionaliseerd is, spelen vrijwilligers in de
archeologie nog altijd een belangrijke en waardevolle rol in het stelsel. In het hele
land zetten zij zich in voor het opsporen, documenteren, beschermen en presenteren
van archeologisch erfgoed op land en onder water. Ze helpen mee bij commerciële opgravingen
en andere vormen van (veld)onderzoek, het registreren van vondsten en het beheren
van collecties en geven vanuit hun eigen interesse en drijfveren invulling aan (zelfstandig)
onderzoek naar het verleden. Via allerlei educatieve activiteiten, zoals lezingen
en excursies, maken zij de verhalen uit de bodem toegankelijk voor een breed publiek
en dragen zo bij aan het draagvlak voor erfgoedzorg.
Om te garanderen dat vrijwilligers een actieve rol kunnen blijven spelen, spant mijn
ministerie zich reeds geruime tijd in om de positie van vrijwilligers in de archeologie
te versterken. Uw Kamer werd hierover de afgelopen jaren geïnformeerd in diverse brieven.1 In het kader van de ratificatie van het Verdrag van Faro wordt bovendien extra inzet
gepleegd op het verkennen hoe participatie in de archeologie verder vorm kan krijgen.
Het belang van goede zorg voor archeologisch erfgoed
Het archeologisch bodemarchief is een belangrijke bron van kennis over het menselijk
verleden. Dit archief is als bron echter niet oneindig: wanneer een archeologische
vindplaats wordt verstoord, kan de oorspronkelijke context nooit meer worden hersteld.
Het is juist deze context die essentieel is om het verhaal dat in de bodem ligt opgeslagen
te kunnen onderzoeken, reconstrueren en delen.
Vanaf de tweede helft van de twintigste eeuw riepen zowel professionele als vrijwillige
archeologen, in heel Europa, daarom op tot betere bescherming van het archeologisch
erfgoed. Vindplaatsen gingen in hoog tempo en op grote schaal verloren als gevolg
van de toenemende verstedelijking en bijbehorende, grootschalige bodemingrepen. In
1992 leidde dit tot het Verdrag van Valletta (vaak aangeduid als het Verdrag van Malta),
dat door Nederland en 18 andere landen werd ondertekend.2 Inmiddels zijn er 45 landen bij dit verdrag aangesloten.
Kernpunten uit het verdrag zijn het streven naar het behoud van archeologische vindplaatsen
in de bodem (in situ) en de plicht om deze te laten onderzoeken en documenteren, wanneer dat niet mogelijk
is. Net als het vergraven van een vindplaats in het kader van een bouwactiviteit,
leidt ook het archeologisch opgraven ervan tot vernietiging. Zulke opgravingen zijn
dus onderdeel van een onomkeerbaar proces en moeten met de grootste zorgvuldigheid
worden uitgevoerd. Conform het Verdrag van Valletta mag dit daarom alleen worden gedaan
op wetenschappelijke wijze, door gekwalificeerde personen die daarvoor toestemming
hebben gekregen. De uitgangspunten van het verdrag zijn geïmplementeerd via de (voorlopers
van de) Erfgoedwet en de Omgevingswet.
Niet iedereen mag archeologisch onderzoek uitvoeren
In de praktijk betekent het bovenstaande, dat alleen iemand die een opleiding tot
archeoloog heeft gevolgd en werkzaam is bij een instelling die is gecertificeerd voor
het uitvoeren van archeologisch onderzoek, een archeologische opgraving mag uitvoeren.
Wel mogen vrijwilligers deelnemen aan dergelijke opgravingen door gecertificeerde
partijen, omdat zij hun werkzaamheden dan uitvoeren onder toezicht van een professionele
archeoloog.
Het belang van vrijwilligers in de archeologie, die zelf onderzoek willen verrichten,
wordt ook duidelijk erkend in de Erfgoedwet. Deze bevat namelijk een aantal uitzonderingen
op het opgravingsverbod, die in samenspraak met de vrijwilligers tot stand zijn gekomen.
Het opgravingsverbod is bijvoorbeeld niet van toepassing op de activiteiten van metaaldetectoramateurs,
zolang zij (onder andere) niet dieper dan 30 cm onder het maaiveld graven. Daarnaast
mogen vrijwilligers opgravingen uitvoeren op terreinen waarvan het college van burgemeester
en wethouders heeft vastgesteld dat nader archeologische onderzoek niet is vereist.
Vrijwilligers in de onderwaterarcheologie kunnen bij de Minister van OCW een ontheffing
van het opgravingsverbod aanvragen voor het verrichten van kleine onderzoekshandelingen.
Net als aan archeologisch onderzoek dat professioneel wordt uitgevoerd, zijn, in het
belang van de archeologische monumentenzorg, aan de uitzonderingen voor vrijwilligers
specifieke voorwaarden verbonden. Het overtreden van het opgravingsverbod, of van
de voorwaarden die horen bij een uitzondering daarop, leidt onherroepelijk tot verlies
van archeologische vindplaatsen en informatie. Het is dan ook van belang om hier strikt
op te handhaven.
De gevolgen van illegale opgravingen
Er zijn diverse voorbeelden van de negatieve gevolgen van archeologische opgravingen
die worden uitgevoerd door personen die daar niet voor gekwalificeerd zijn.
In Heumen (provincie Gelderland) werd in 2018 een zeldzaam wagengraf uit circa 450
v.Chr. illegaal opgegraven.3 Een metaaldetectorzoeker groef een kuil van circa 60 cm (veel dieper dus dan de toegestane
30 cm) om een kluwen van ijzer en brons naar boven te halen. Later bleek het te gaan
om onderdelen van een zeer zeldzame strijdwagen. Omdat deze vondst ondeskundig werd
geborgen, kon de precieze ligging van de objecten niet meer worden vastgesteld. Hierdoor
is belangrijke en unieke informatie over het grafritueel en de datering van het graf
onherroepelijk verloren gegaan. De zaak leidde tot een strafrechtelijk onderzoek en
een veroordeling via het Openbaar Ministerie (OM).
In Meerlo (provincie Limburg) werd, eveneens in 2018, met een graafmachine illegaal
het wrak van een Britse Supermarine Spitfire opgegraven, die daar op 28 mei 1944 was
neergestort.4 Onder andere zuurstoftanks, het motorblok, landkaarten, een parachute en een reddingsvest
werden geborgen. Dat daarbij niet alleen uit interesse werd gehandeld, bleek uit het
feit dat diverse onderdelen te koop werden aangeboden, iets wat onder het Verdrag
van Valletta ten strengste verboden is. De verstoring van de vindplaats leidde tot
verlies van informatie die belangrijk is om vast te stellen wat zich heeft afgespeeld
tijdens, voorafgaand en direct na het neerstorten van het vliegtuig. Hiermee is niet
alleen kennis over een belangrijke periode in onze geschiedenis verloren gegaan, maar
is ook de mogelijkheid verdwenen voor de nabestaanden om meer te weten te komen over
wat zich op die bewuste dag precies heeft afgespeeld. De rechter – die de betrokkenen
in 2022 veroordeelde tot taakstraffen en een voorwaardelijke gevangenisstraf – stelde
bovendien dat hier tevens sprake is van diefstal, omdat de resten van het vliegtuig
formeel eigendom zijn van het Verenigd Koninkrijk.
Dit soort activiteiten spelen zich niet alleen op land af, maar ook onder water. Het
bekendste voorbeeld is ongetwijfeld de casus van het Palmhoutwrak, waarover regisseur
Arnold van Bruggen voor de NTR de goed bekeken documentaire De jurk en het scheepswrak maakte. Sportduikers hebben hier in hun enthousiasme veel vondsten naar boven gehaald,
waarbij grote delen van de constructie van het schip flink zijn beschadigd.5 Doordat er diepe kuilen in het wrak zijn gegraven en grote objecten zijn verwijderd,
is bovendien verdere erosie opgetreden, waardoor het schip en de inhoud verder beschadigd
zijn geraakt. De vondsten zelf zijn in meer of mindere mate beschadigd, doordat ze
onprofessioneel zijn behandeld. Ook de context van de vondsten binnen het schip is
niet gedocumenteerd, waardoor veel belangrijke informatie verloren is gegaan en verschillende
vragen aanzienlijk lastiger – of misschien wel nooit meer – beantwoord zullen kunnen
worden, zoals vragen over de herkomst van de lading, waaronder de beroemde jurk.
Samenwerking leidt tot waardevol onderzoek
Gelukkig zijn er ook vele voorbeelden waarbij vondsten die worden gedaan door vrijwilligers
in de archeologie juist bijdragen aan een goede omgang met archeologische resten en
het opbouwen van kennis over ons verleden. Deze voorbeelden laten zien dat daarbij
vooral de samenwerking tussen vrijwillige en professionele archeologen cruciaal is.
Dat is bijvoorbeeld het geval bij het onderzoek naar Doggerland, de grootste archeologische
vindplaats van Europa. Hier leefden mensen vanaf circa 900.000 tot 8.000 jaar geleden,
toen het gebied onder de Noordzee verdween.6 De talloze unieke en uitzonderlijk goed geconserveerde voorwerpen en fossielen van
Doggerland, worden al decennialang door vrijwilligers verzameld. Omdat zij steeds
vaker contact zochten met professionele archeologen, is een grote groep zoekers en
wetenschappers met elkaar verbonden geraakt via diverse (informele) netwerken, waarin
vondsten worden gedaan, gedeeld en onderzocht. Dit heeft geleid tot spectaculaire
ontdekkingen, zoals botfragmenten van de eerste Neanderthaler en van de oudste moderne
mens die in Nederland zijn aangetroffen. De verzamelaars zijn onmisbaar voor diverse
grote onderzoeksprojecten die worden uitgevoerd door bijvoorbeeld Naturalis, Universiteit
Groningen en het RMO, waarin zij worden betrokken als volwaardige onderzoekers. De
vondsten van Doggerland worden regelmatig (inter)nationaal belicht. Zo wijdde het
Rijksmuseum van Oudheden (RMO) er in 2021 een grote tentoonstelling aan en verschenen
er artikelen in de vermaarde wetenschappelijke tijdschriften Antiquity en Nature.
Ook twee omvangrijke metaalvondsten uit de Romeinse tijd (12 v.Chr.–450 n.Chr.) die
door metaaldetectoramateurs werden gedaan in Bunnik7 (2023, provincie Utrecht, ruim 400 gouden en zilveren munten) en Buggenum8 (2023, provincie Limburg, ruim 4000 koperen munten) getuigen van de meerwaarde van
dergelijke vormen van samenwerking. Doordat de personen die deze munten aantroffen
hun vondsten snel hebben gemeld bij officiële instanties, konden ze met passende wetenschappelijke
technieken (gedeeltelijk nog in situ) worden onderzocht en geconserveerd. Het onderzoek naar de munten heeft diverse nieuwe
inzichten opgeleverd, bijvoorbeeld rondom de belangrijke rol die de Neder-Germaanse
limes (de toenmalige grens van het Romeinse rijk) speelde voor de Romeinse invasies van
Britannia (het tegenwoordige Engeland). De munten zijn bovendien toegankelijk geworden
voor het brede publiek, doordat ze zijn opgenomen in de vaste tentoonstellingen van
respectievelijk het RMO en het Limburgs museum.
Een ander mooi voorbeeld is de zoektocht naar de plek waar de slag bij Ane (provincie
Overijssel) heeft plaatsgevonden.9 Hier werd in 1227 het leger van de bisschop van Utrecht verslagen door een troepenmacht
van Drentse boeren. Deze slag was onderdeel van een reeks historische gebeurtenissen
die bepalend zijn geweest voor de identiteit van het noordoosten van het huidige Nederland.
Ondanks het belang van deze historische veldslag, is er in wetenschappelijke kringen
nooit breed onderzoek naar gedaan. Een lokaal initiatief van een groep vrijwilligers
om de exacte plek van de veldslag te lokaliseren, heeft er inmiddels toe geleid dat
een brede groep van vrijwilligers en wetenschappers gezamenlijk onderzoek uitvoert.
Extra bijzonder hierbij is de samenwerking tussen lokale metaaldetectorzoekers en
veteranen van de stichting Recovery on the Battlefield. Deze organisatie helpt veteranen
en militairen bij herstel en re-integratie door hen te laten deelnemen aan archeologische
projecten op historische slagvelden.
De maritieme archeologie kent ook tal van goede voorbeelden. Zoals het onderzoek dat
de Stichting Archeos Fryslân uitvoert naar het Double Dutch-wrak bij Kornwerderzand (provincie Friesland).10 Vrijwilligers van de stichting hebben dit wrak in 2023 onderzocht en daarbij hun
waarnemingen en beeldmateriaal gedeeld en besproken met experts van de RCE. Op deze
manier konden uitspraken worden gedaan over het soort schip (vermoedelijk een 17e eeuw Nederlands «katschip» dat werd gebruikt voor houttransporten vanuit Noorwegen),
de fysieke kwaliteit van de vindplaats en eventuele bedreigingen. In overleg met de
lokale overheid is afgesproken dat de vrijwilligers een grote rol kunnen gaan spelen
in het afdekken (met steigergaas beschermen) van de vindplaats en het monitoren daarvan.
Bovendien heeft museum het Hannemahuis in Harlingen aangegeven graag de vondsten van
het onderzoek op te willen nemen in een tentoonstelling.
Ook de hierboven genoemde casus van het Palmhoutwrak kent positieve kanten. Naar aanleiding
hiervan zijn het contact en de samenwerking tussen professionele archeologen en diverse
vrijwillige duikers op Texel geïntensiveerd en sterk verbeterd. De zaak heeft ook
bijgedragen aan het creëren van de hierboven genoemde mogelijkheid om ontheffing van
het opgravingsverbod te verlenen aan vrijwilligers in de onderwaterarcheologie, waarmee
zij zelfstandig kleine onderzoekshandelingen kunnen verrichten en een grotere bijdrage
kunnen leveren aan de erfgoedzorg.
Tot slot
Uit deze voorbeelden blijkt duidelijk dat de inzet van vrijwillige archeologen van
grote waarde is voor het beschermen, behouden en onderzoeken van archeologisch erfgoed.
Wekelijks zijn vrijwilligers actief op opgravingen, uitgevoerd door professionele
bedrijven of voeren ze zelfstandig onderzoek uit binnen de ruimte die het archeologisch
bestel daarvoor biedt. Ik hecht er veel waarde aan dat zij een dergelijke actieve
rol kunnen blijven spelen.
Ik hoop u hiermee voldoende geïnformeerd te hebben.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
R.M. Letschert
Indieners
R.M. Letschert, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap