Inbreng verslag schriftelijk overleg : Inbreng verslag van een schriftelijk overleg over het ontwerp-wijzigingsbesluit uitzonderen mkb van rapportageverplichting zakelijk en woon-werkverkeer (wijziging Bal)(Kamerstuk 32637-757)
2026D25666 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Binnen de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat hebben verschillende fracties
de behoefte om vragen en opmerkingen voor te leggen aan de Staatssecretaris van Infrastructuur
en Waterstaat over het Ontwerp-wijzigingsbesluit uitzonderen mkb van rapportageverplichting
zakelijk en woon-werkverkeer (wijziging Bal) (Kamerstuk 32 637, nr. 757).
De voorzitter van de commissie,
Huizenga
Adjunct-griffier van de commissie,
Koerselman
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Inhoudsopgave
Inleiding
D66-fractie
GroenLinks-PvdA-fractie
CDA-fractie
Inleiding
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het ontwerpbesluit
tot wijziging van het Besluit activiteiten leefomgeving (hierna: het ontwerpbesluit),
dat regelt dat organisaties met minder dan 250 werknemers worden uitgezonderd van
de rapportageverplichting werkgebonden personenmobiliteit. Deze leden danken de Staatssecretaris
voor de nota van toelichting en de begeleidende brief. Zij hebben hierover nog enkele
vragen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de stukken en van
het eerdere streven van het vorige kabinet om de klimaatdoelen af te zwakken. Deze
leden kunnen hier niet mee instemmen.
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het ontwerpbesluit. Zij hebben
tevens kennisgenomen van de door het midden- en kleinbedrijf (mkb) ervaren en daadwerkelijke
regeldruk ten gevolge van de rapportageverplichting zakelijk en woon-werkverkeer en
onderschrijven het belang van de vermindering daarvan. Deze leden zijn vanwege het
belang van die vermindering van regeldruk voorstander van de voorliggende uitzondering.
Zij hebben over de uitwerking van het ontwerpbesluit nog diverse vragen.
D66-fractie
De leden van de D66-fractie lezen dat door dit ontwerpbesluit het beoogde reductiedoel
voor werkgebonden personenmobiliteit in 2030 wordt verlaagd van 1,5 megaton naar 1,2
megaton CO2. Zij lezen tevens dat de Staatssecretaris dit verlies wil compenseren door de brandstoftransitieverplichting
geleidelijk te verhogen. Deze leden vragen de Staatssecretaris hoe zij garandeert
dat deze verhoging de ontbrekende 0,3 megaton daadwerkelijk, tijdig en volledig zal
opvangen.
De leden van de D66-fractie vragen tevens, in navolging van het Adviescollege toetsing
regeldruk (ATR), of deze compenserende maatregelen op zichzelf niet tot nieuwe en
mogelijk forse regeldruk zullen leiden, waardoor de nu beoogde vermindering van regeldruk
deels teniet wordt gedaan. Op welke wijze wordt de Kamer over de regeldrukeffecten
van deze compenserende maatregelen geïnformeerd? Daarnaast delen deze leden de zorgen
van het ATR omtrent het snel wijzigende overheidsbeleid. Deze leden constateren dat
binnen twee jaar na invoering verplichtingen worden geschrapt waarvoor bedrijven reeds
investeringen in tijd en systemen hebben gedaan. Zij lezen dat de Staatssecretaris
onderkent dat dit haaks staat op het streven naar een betrouwbare overheid en stabiel
beleid. Deze leden vragen de Staatssecretaris hoe dergelijke snelle en ingrijpende
beleidswijzigingen en de daarmee gepaard gaande desinvesteringen en onzekerheid voor
ondernemers in de toekomst bij klimaatwetgeving voorkomen kunnen worden.
De leden van de D66-fractie lezen tot slot dat verschillende overheidsorganisaties
tijdens de internetconsultatie hebben gewezen op het belang van de rapportageverplichting
voor het verkrijgen van inzicht in de CO2-uitstoot en voor het stimuleren van verduurzaming bij werkgevers. Aangezien een aanzienlijk
deel van de bedrijven nu buiten de rapportageplicht valt, vragen deze leden hoe de
Staatssecretaris de monitoring van de CO2-uitstoot bij het midden- en kleinbedrijf (mkb) de komende jaren gaat vormgeven. Welke
alternatieve instrumenten gaat zij inzetten om ook het mkb te blijven stimuleren tot
het verduurzamen van hun mobiliteitsbeleid?
GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie kunnen zich voorstellen dat het voor kleine
ondernemers een opgave is om te rapporteren over hun klimaatschade en de bijdrage
van het woon-werkverkeer van hun werknemers. Zeker voor werk dat niet rechtstreeks
bijdraagt aan het bedrijfsresultaat zal het worden ervaren als hinderlijk en ondoelmatig
voor het bedrijf zelf. Het maatschappelijk belang is echter groot en bedrijven met
meer dan 100 werknemers hebben met hun activiteiten een voldoende grote maatschappelijke
en klimaatimpact om een bijdrage te kunnen vragen. De rapportageverplichting is immers
niet alleen bedoeld om gegevens te verzamelen voor een beter inzicht in kilometers
en emissies, maar ook om werkgevers te stimuleren hun inzet op het beperken van de
klimaatimpact en woon-werkkilometers op te voeren.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat de klimaatdoelen steeds verder
uit zicht komen, met het schrappen van de verplichting voor duizenden bedrijven en
honderdduizenden werknemers en tegelijk het verlagen van de doelstellingen voor de
CO2-uitstoot. Deze leden hadden hier eventueel mee kunnen instemmen, als het kabinet
met een geloofwaardig effectieve alternatieve maatregel was gekomen, die ervoor zorgt
dat de transitie naar emissievrij verkeer en afname van het woon-werkverkeer geen
vertraging oploopt. Dat is niet gebeurd. Erger nog, de toch al weinig ambitieuze doelstellingen
zijn gewoon verlaagd. In artikel 5,3 van de memorie schrijft de Staatssecretaris dat
in 2026 wordt bepaald of een aanpassing van het (verlaagde) emissieplafond noodzakelijk
is. Wat deze leden betreft is dat zeker noodzakelijk. Terug naar 1,5 megaton of beter
met een bijbehorend pakket aan alternatieve maatregelen. Is de Staatssecretaris hiertoe
bereid? Welke extra maatregelen zijn in voorbereiding en hoe snel kunnen die worden
ingevoerd? Hoe voorkomt de Staatssecretaris dat met een compensatie via de brandstoftransitieverplichting
de last op het behalen van de doelen verschuift van werkgevers naar gewone mensen,
die nu al worstelen met hoge brandstofprijzen? Waarom is dit beter of eerlijker of
effectiever? Was de regeling niet ook bedoeld om werkgevers te stimuleren om hun werknemers
minder te laten rijden? Wat zijn de gevolgen voor de filedruk en het aantal afgelegde
kilometers woon-werkverkeer? Wat zijn de gevolgen voor de transitie naar EV en de
lease?
CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben allereerst vragen over de drie verschillende loketten
waar ondernemingen op dit moment bij dienen te rapporteren over werkgebonden personenmobiliteit.
In de ontwerpnota van toelichting staat dat deze loketten zijn ingesteld op grond
van respectievelijk het besluit Werkgebonden Persoonsmobiliteit (WPM), de Corporate
Sustainability Reporting Directive (CSRD) en de Energy Efficiency Directive (EED).
Deze leden onderschrijven het door de werkgroep regeldruk werkgebonden personenmobiliteit
geuite ideaalbeeld dat organisaties maar één keer gegevens hoeven aan te leveren via
één loket, juist in het kader van de vermindering van de regeldruk. Daarom maken deze
leden zich zorgen over de reactie van de Staatssecretaris op deze uiting, namelijk
dat dit ideaalbeeld pas na 2028 gerealiseerd zou kunnen worden en het ingrijpende
maatregelen zou vergen van het besluit WPM. Deze leden vragen hoe de Staatssecretaris
haar reactie beoordeelt in het licht van het doel van het ontwerpbesluit, namelijk
de directe vermindering van regeldruk voor het mkb.
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de uitleg van de Staatssecretaris
dat de gegevens die op grond van het besluit WPM, de CSRD en de EED moeten worden
gerapporteerd en de methode voor het berekenen van de CO2-uitstoot momenteel niet hetzelfde zijn. De Staatssecretaris doet momenteel onderzoek
naar de mogelijkheid en wenselijkheid van de aanpassing van het besluit WPM, zodanig
dat op grond daarvan dezelfde gegevens worden gerapporteerd als op grond van de CSRD
en de EED. Deze leden vragen hoe de voortgang van het onderzoek verloopt en of de
Staatssecretaris bereid is maatregelen te treffen die deze voortgang bespoedigen.
De leden CDA-fractie hebben voorts kennisgenomen van het standpunt van de Staatssecretaris
dat er momenteel slechts sprake is van een beperkte overlap tussen de door de CSRD
en de EED vereiste gegevens enerzijds en de door de WPM vereiste gegevens anderzijds.
Deze leden hechten er toch aan te benadrukken dat het van groot belang is dat – ondanks
dat sprake zou zijn van beperkte overlap – de Staatssecretaris een oplossing biedt
voor die bedrijven die wél moeten rapporteren op grond van zowel de CSRD en de EED,
als de WPM.
De leden van de CDA-fractie wijzen op het feit dat het, ondanks dat er een uitzondering
gaat gelden, van belang is dat er zicht blijft op de werkgebonden mobiliteit van de
organisaties die onder de uitzondering vallen. Deze leden vragen op welke manier de
Staatssecretaris dit gaat doen.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
R.A. Huizenga, voorzitter van de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat -
Mede ondertekenaar
G.B. Koerselman, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.