Brief regering : Stand van zaken versterking lokale publieke omroepen en evaluatie bekostiging lokale publieke omroepen 2022-2024
32 827 Toekomst mediabeleid
Nr. 381
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 27 mei 2026
Lokale publieke omroepen zijn essentieel voor de samenleving. Ze vervullen een informerende,
controlerende en verbindende functie in onze lokale gemeenschappen. Het kabinet blijft
daarom inzetten op de versterking van lokale publieke omroepen. Dit is een belangrijk
onderdeel van het integrale mediabeleid waar dit kabinet voor staat.1
Met deze brief informeer ik uw Kamer over twee zaken. Ten eerste de stand van zaken
van het wetsvoorstel ter versterking van de lokale publieke omroepen. In uitvoering
van de motie-Ceder c.s. geef ik daarbij ook inzicht in de verwachte bedragen die voor
de lokale omroepen beschikbaar zijn bij de voorziene start van het nieuwe stelsel
in 2028.2 Ook beschrijf ik de uitkomsten van een inventarisatie die de VNG heeft uitgevoerd
over de (toekomstige) bekostiging van lokale publieke omroepen door gemeenten. Ten
tweede informeer ik uw Kamer over de meest recente periodieke rapportage van het Commissariaat
voor de Media (hierna: Commissariaat) over de bekostiging van lokale publieke omroepen
in de periode 2022–2024.
Deze brief verstuur ik in identieke vorm naar de Eerste Kamer.
Stand van zaken wetsvoorstel en bekostiging lokale publieke omroepen
Stand van zaken en planning wetsvoorstel versterking lokale publieke omroepen
Ik heb het wetsvoorstel ter versterking van de lokale publieke omroepen (hierna: het
wetsvoorstel) op 24 maart jl. aan uw Kamer aangeboden.3 Met het pakket aan maatregelen in het wetsvoorstel beoog ik de uitvoering van de
publieke media-opdracht door de lokale publieke omroepen fundamenteel te verstevigen.
Dat doe ik onder meer door de bekostiging van de gemeenten over te brengen naar de
mediabegroting, en aan het overgehevelde bedrag een structurele investering toe te
voegen. Ook worden de gebieden waarvoor lokale publieke omroepen media-aanbod verzorgen
groter, en in samenhang daarmee gaat het aantal lokale publieke omroepen terug van
ruim 220 nu naar maximaal 80 in de toekomst.
Het streven is dat het nieuwe stelsel op 1 januari 2028 van start gaat. Zoals ik in
een eerdere brief aan uw Kamer schreef, is het daartoe noodzakelijk dat het wetsvoorstel
uiterlijk op 1 november 2026 in werking treedt.4 Dit vanwege de voorbereidingen die nodig zijn in de aanloop naar het nieuwe stelsel.
Inzicht in toekomstige bekostiging lokale publieke omroepen
De afgelopen periode bleek dat er in de sector en, blijkens de genoemde motie-Ceder
c.s., bij uw Kamer behoefte is aan meer inzicht in zowel het totaalbudget als de verwachte
budgetten per lokaal verzorgingsgebied vanaf 1 januari 2028.
In het wetsvoorstel staat dat er per 1 januari 2028 een totaalbedrag is voorzien van
circa € 31 miljoen. In mijn Beleidsbrief 2026–2030 kondigde ik aan dat het kabinet dat bedrag ophoogt met een extra investering van € 3,4
miljoen.5 Het voorziene totaalbedrag per 1 januari 2028 komt daarmee op € 34,5 miljoen euro.
Van dat totaalbedrag is per 2028 op basis van de huidige ramingen van de NLPO en het
Commissariaat € 3,5 miljoen bestemd voor de verwachte structurele extra uitvoeringslasten
voor de NLPO en het Commissariaat. Het resterende voorziene bedrag van circa € 31
miljoen is per 2028 bestemd voor de lokale publieke omroepen.
Vanaf 1 januari 2028 wordt dit voorziene totaalbudget van circa € 31 miljoen volgens
een verdeelsleutel verdeeld over de lokale verzorgingsgebieden. Het wetsvoorstel beschrijft
deze verdeelsleutel in algemene zin. In de consultatieversie van de bijbehorende aanpassing
van het Mediabesluit 2008 staat de precieze uitwerking van de verdeelsleutel, evenals
de voorgestelde indeling in 80 verzorgingsgebieden.6 Met deze variabelen (het totaalbudget, de verdeelsleutel en de indeling in verzorgingsgebieden)
heb ik in bijgevoegde tabel een berekening gemaakt van het bedrag dat vanaf 1 januari
2028 jaarlijks voorzien is per lokaal verzorgingsgebied.
Ik hecht eraan te benadrukken dat dit een voorlopige berekening is, bedoeld om de
sector en uw Kamer meer inzicht te geven in de voorziene bedragen per 1 januari 2028.
Indien uw Kamer akkoord gaat met het wetsvoorstel, zal ik in een latere publicatie
de bedragen per verzorgingsgebied actualiseren. Die later te publiceren bedragen zijn
bedoeld voor (kandidaat-)lokale publieke omroepen om te gebruiken tijdens de aanwijzingsprocedure
die na inwerkingtreding van de wet van start gaat.
De motie Ceder c.s. spreekt uit dat voorkomen moet worden dat lokale publieke omroepen
vanaf 2028 per saldo minder ontvangen dan nu. Ook verzoekt de motie de regering om
duidelijkheid te geven over hoe geborgd wordt dat lokale publieke omroepen over voldoende
budget blijven beschikken. Het is begrijpelijk dat lokale publieke omroepen het voorziene
budget vanuit het Rijk per 2028 vergelijken met hun huidige begrotingen. En dan is
niet uit te sluiten dat voor een lokale publieke omroep de huidige optelsom van de
structurele bekostiging door gemeenten en eventuele aanvullende tijdelijke middelen
vanuit gemeenten of bijvoorbeeld het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek (hierna:
SvdJ) hoger uitvalt dan het structurele bedrag dat per 2028 in een lokaal verzorgingsgebied
beschikbaar is vanuit het Rijk.
Tegelijkertijd acht ik het van belang daar een nuancering bij te plaatsen. Aanvullende
gemeentelijke subsidies zijn vaak tijdelijk van aard. Ook de subsidies van het SvdJ
betreffen tijdelijke middelen. De subsidies van het SvdJ die sinds 2023 ingezet worden,
hebben het karakter van een transitiesubsidie, met als doel om lokale publieke omroepen
in aanloop naar het nieuwe stelsel te ondersteunen bij hun professionalisering.7 De regeling van het SvdJ stopt met de start van het nieuwe stelsel per 1 januari
2028. Vanaf dat moment worden de bijbehorende middelen structureel verdeeld volgens
de voorgestelde verdeelsleutel. Met andere woorden: de middelen die in de jaren 2023
tot en met 2027 nog tijdelijk ingezet worden via het SvdJ hebben dezelfde omvang en
komen uit dezelfde bron als de structurele middelen die per 2028 volgens de verdeelsleutel
verdeeld worden onder lokale publieke omroepen.
Het is daarom in mijn ogen passender om de toekomstige bekostiging vanuit het Rijk
te vergelijken met de huidige, structurele bekostiging van lokale publieke omroepen
door gemeenten. Op basis van de bijgevoegde meest recente cijfers van het Commissariaat
bedroeg de structurele gemeentelijke bekostiging van lokale publieke omroepen in 2024
in totaal € 21,9 miljoen. De hoogte van de aanvullende gemeentelijke subsidies bedroeg
in 2024 in totaal € 3,7 miljoen.8 Dat betekent dat de per 2028 voorziene bekostiging vanuit het Rijk van circa € 31
miljoen hoger ligt dan de optelsom van structurele en aanvullende bekostiging vanuit
de gemeenten, op basis van de meest recente cijfers van het Commissariaat.
Bovendien is er in het nieuwe stelsel per 2028 meer voorspelbaarheid en continuïteit
van de bekostiging voor lokale publieke omroepen dan nu het geval is. In het nieuwe
stelsel is voor de start van de vijfjaarlijkse aanwijzingsprocedure voor ieder lokaal
verzorgingsgebied duidelijk wat het voorziene beschikbare budget voor de gehele komende
aanwijzingsprocedure van vijf jaar is. Daarentegen betrof in de periode 2022–2024
de bekostigingsperiode door gemeenten in gemiddeld 85% van de gevallen slechts één
jaar.
Met het oog op bovenstaande zie ik het gehele pakket maatregelen uit het wetsvoorstel,
inclusief de nieuwe bekostiging, als een stevige impuls voor de lokale publieke omroepen,
en voorzie ik dat er vanaf 2028 in alle lokale verzorgingsgebieden genoeg budget is
om de basis van 3 journalistieke fte mogelijk te maken die het SvdJ adviseert.9
Aanvullende bekostiging gemeenten in het nieuwe stelsel
De hoogte van de jaarlijkse bekostigingsbijdrage door gemeenten is niet vastgelegd
in de Mediawet 2008. Wel geldt er vanuit de VNG een zogeheten richtsnoerbedrag per
huishouden. In 2026 is het richtsnoerbedrag € 1,68 per huishouden. Gemeenten zorgen
op dit moment op meerdere plekken voor aanvullende ondersteuning voor hun lokale publieke
omroepen. Soms door ervoor te kiezen om meer te bekostigen dan het richtsnoerbedrag,
soms door lokale omroepen met aanvullende projectsubsidies te helpen bij de transitie
naar het nieuwe stelsel. Dat waardeer ik; gemeenten tonen daarmee betrokkenheid bij
hun lokale omroep en vervullen zo een waardevolle rol bij de stelselherziening.
Ik vind het van belang dat gemeenten ook in het nieuwe stelsel aanvullend op het Rijk
kunnen blijven bekostigen. Daarom behouden zij in het nieuwe stelsel de mogelijkheid
om financieel aanvullend bij te dragen aan hun lokale publieke omroep. Zo blijft er
vanaf 2028 ruimte voor maatwerk, en kunnen gemeenten blijven inspelen op lokale omstandigheden
en wensen, bovenop de solide basis die er vanuit het Rijk straks ligt.
De motie-Ceder c.s. verzoekt mij om in kaart te brengen in hoeverre gemeenten ook
vanaf 2028 bereid blijven om aanvullend bij te dragen aan hun lokale publieke omroep.
Hiertoe heeft de Vereniging Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG) in overleg met mijn
ministerie een enquête uitgezet onder alle gemeenten.
142 van de 342 gemeenten reageerden op de enquête. Van die gemeenten verwacht circa
16% in het nieuwe stelsel aanvullend te bekostigen, bovenop de bijdrage van het Rijk.
Circa 45% verwacht niet aanvullend te bekostigen in het nieuwe stelsel. Circa 39%
weet het nog niet. Relevant om hierbij te benoemen is dat uit het bijgevoegde rapport
van het Commissariaat blijkt dat in 2024 25% van de gemeenten meer dan het richtsnoerbedrag
toekenden aan hun lokale omroep. Met andere woorden: ook in 2024 leverde een relatief
beperkt deel van de gemeenten een aanvullende bijdrage. Eveneens van belang om te
melden is dat de enquête is uitgevoerd tijdens de vorige bestuursperiode van gemeenten,
voorafgaand aan de gemeenteraadsverkiezingen van 18 maart jl.
Naast de enquête van de VNG staat mijn ministerie ook in contact met de VNG en individuele
gemeenten. Uit die gesprekken blijkt dat gemeenten het van groot belang vinden om
inzicht te krijgen in de voorziene bedragen vanuit het Rijk die vanaf 2028 per lokaal
verzorgingsgebied beschikbaar zijn. Zij achten dat inzicht noodzakelijk alvorens zij
tot besluitvorming overgaan over eventuele aanvullende bekostiging. Dat gewenste inzicht
beoog ik met deze brief en de bijgevoegde tabel te bieden.
Ik ben gemeenten en de VNG dankbaar voor de samenwerking tot nu toe, en blijf de komende
tijd in nauw overleg met hen over de overgang naar het nieuwe stelsel, en in het bijzonder
de rol die gemeenten kunnen blijven spelen vanaf 2028.
Evaluatie bekostiging lokale publieke omroepen 2022–2024
Hierbij bied ik uw Kamer de evaluatie aan die het Commissariaat uitvoerde van de bekostiging
van de lokale publieke omroepen gedurende de periode 2022–2024. U ontvangt deze evaluatie
conform artikel 2.170b, vijfde lid, van de Mediawet 2008. Het Commissariaat voert
deze evaluatie elke drie jaar uit. Hieronder beschrijf ik een aantal conclusies uit
het rapport.
Eind 2024 verzorgden 225 lokale publieke omroepen het media-aanbod in 334 gemeenten.
Als hierboven beschreven is de hoogte van de jaarlijkse bekostigingsbijdrage niet
vastgelegd in de Mediawet 2008. Wel geldt er vanuit de VNG een richtsnoerbedrag per
huishouden. In de periode 2022–2024 kende gemiddeld circa 42% van de gemeenten een
relatief lage bijdrage toe (dat wil zeggen minder dan 95% van het richtsnoerbedrag).
Dat was in de vorige periode van 2019–2021 gemiddeld 37% van de gemeenten.10 Een nuancering die het Commissariaat hierbij plaatst, is dat dit percentage in 2024
daalde naar 30%. Gemiddeld 22% van de gemeenten kende tijdens de evaluatieperiode
een relatief hoge bijdrage toe (dat wil zeggen meer dan 105% van het richtsnoerbedrag).
Dat was in de vorige periode van 2019–2021 gemiddeld 25% van de gemeenten. Als eerder
benoemd betrof in de periode 2022–2024 de bekostigingsperiode door gemeenten in gemiddeld
85% van de gevallen slechts één jaar, ten opzichte van gemiddeld 83% van de gevallen
in de periode 2019–2021.
Ook de financiële gezondheid van lokale publieke omroepen blijft een aandachtspunt,
zo blijkt uit de evaluatie. Gedurende de evaluatieperiode werd de financiële positie
van gemiddeld 31% van de lokale publieke omroepen als ongezond aangemerkt, ten opzichte
van 25% in de vorige periode.
De resultaten van deze evaluatie onderstrepen de blijvende noodzaak en urgentie om
onze lokale publieke omroepen te versterken. Dat doe ik met het wetsvoorstel dat momenteel
in uw Kamer ligt. Ik zie uit naar de verdere behandeling van het wetsvoorstel door
het parlement.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
R.M. Letschert
BIJLAGE: VOORLOPIGE RAMINGEN VAN BEDRAGEN PER LOKAAL VERZORGINGSGEBIED VANAF 1 JANUARI
2028
Gebruikmakend van de volgende variabelen:
– voorzien totaalbudget van circa € 31 miljoen per 2028 voor lokale publieke omroepen;
– verdeelsleutel als beschreven in consultatieversie Mediabesluit 200811;
– indeling als beschreven in consultatieversie van Mediabesluit 2008; en
– gebruikte CBS-gegevens met peildatum 2025.
Dit betreft een voorlopige berekening is, bedoeld om de sector en het parlement meer
inzicht te geven in de voorziene bedragen per 1 januari 2028.
Verzorgingsgebied
Percentage totaalbudget
Geraamd bedrag per 2028
Almere
1,04%
€ 322.541
Alphen en omgeving
1,12%
€ 346.810
Amstelland
1,48%
€ 460.011
Amsterdam
2,94%
€ 911.418
Arnhem en De Liemers
1,71%
€ 529.208
Betuwe
1,54%
€ 477.227
Achterhoek
1,79%
€ 554.650
Baronie van Breda
1,72%
€ 534.069
De Bevelanden
1,15%
€ 356.302
De Friese Meren
0,82%
€ 253.545
De Kempen
1,33%
€ 412.264
De Meierij
1,66%
€ 513.072
De Peel
1,00%
€ 310.931
De Werven
1,15%
€ 356.779
Zuidwesthoek
1,34%
€ 416.921
Delft
1,12%
€ 346.145
Drechtsteden en Dordrecht
1,85%
€ 574.456
Duin- en Bollenstreek
1,08%
€ 335.116
Eemland
1,25%
€ 386.622
Eindhoven en omgeving
1,55%
€ 480.402
Flevopolder
0,96%
€ 297.356
Food Valley
1,37%
€ 424.163
Goeree-Overflakkee
0,86%
€ 266.159
Gooi- en Vechtstreek
1,30%
€ 403.744
Gouwe en Hollandse IJssel
1,51%
€ 467.478
Groningen Stad
1,11%
€ 344.090
Hart van Brabant
1,89%
€ 584.626
Vechtdal
1,11%
€ 343.383
Heuvelland Maastricht
1,31%
€ 404.797
Hoeksche Waard
1,10%
€ 341.725
IJmond
0,91%
€ 283.270
IJsseldelta
1,09%
€ 339.371
Kop van Noord-Holland
1,20%
€ 373.036
Land van Cuijk
0,93%
€ 287.332
Leeuwarden
0,89%
€ 274.387
Lekstroom
0,97%
€ 299.504
Midden-Groningen
0,79%
€ 246.117
Midden-Limburg
1,59%
€ 493.599
Noord- en Midden-Drenthe
1,15%
€ 357.960
Noord-Groningen
1,00%
€ 310.511
Noord-Kennemerland en Alkmaar
1,44%
€ 446.964
Noord-Limburg
1,68%
€ 522.154
Noordoost-Friesland
1,21%
€ 375.377
Noordoostpolder en Urk
0,79%
€ 243.567
Noord-Veluwe
1,45%
€ 448.178
Oost-Brabant
1,77%
€ 549.282
Oost-Groningen
0,93%
€ 287.058
Parkstad
1,32%
€ 409.755
Rijk van Nijmegen
1,87%
€ 578.388
Rijnland
1,42%
€ 440.028
Rotterdam
2,22%
€ 687.276
Salland
0,98%
€ 304.454
Schouwen-Duiveland
0,73%
€ 226.759
’s-Gravenhage
1,92%
€ 593.708
Twente
2,37%
€ 733.795
Utrecht Stad
1,43%
€ 442.226
Utrechtse Heuvelrug
1,27%
€ 393.436
Vecht en Venen
0,92%
€ 285.437
Veenkoloniën
0,86%
€ 265.208
Veluwerand
1,51%
€ 468.469
Voorne-Putten
1,07%
€ 330.491
Waadhoeke en Harlingen
0,84%
€ 260.461
Waddeneilanden
0,78%
€ 241.102
Walcheren
0,99%
€ 307.403
Waterland
1,00%
€ 310.564
Waterweg-Noord
0,92%
€ 284.702
West-Brabant Zuid
1,16%
€ 359.235
Westelijke Mijnstreek
0,89%
€ 274.878
Westerkwartier
0,96%
€ 296.304
West-Friesland
1,29%
€ 401.217
Westland en Midden Delfland
0,96%
€ 296.130
Zaanstreek
1,03%
€ 318.720
Zeeuws-Vlaanderen
1,13%
€ 350.325
Zoetermeer en omgeving
0,99%
€ 305.595
Zuid-Hollandse IJssel
0,94%
€ 292.501
Zuid-Kennemerland
1,19%
€ 368.672
Zuidoost-Drenthe
1,13%
€ 350.877
Zuidoost-Friesland
1,06%
€ 327.079
Zuidwest-Drenthe en Kop van Overijssel
1,03%
€ 318.612
Zuidwest-Friesland
0,91%
€ 282.511
Totaal
100,00%
€ 31.000.000
Indieners
R.M. Letschert, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap