Brief regering : Verslag van de Raad Buitenlandse Zaken Ontwikkelingssamenwerking van 18 mei 2026
21 501-04 Ontwikkelingsraad
Nr. 304
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE HANDEL EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 26 mei 2026
Hierbij bied ik u het verslag aan van de Raad Buitenlandse Zaken Ontwikkelingssamenwerking
van 18 mei 2026.
De Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking,
S.W. Sjoerdsma
VERSLAG RAAD BUITENLANDSE ZAKEN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING VAN 18 MEI 2026
Introductie
Op 18 mei vond de Raad Buitenlandse Zaken Ontwikkelingssamenwerking (RBZ-OS) plaats
in Brussel onder voorzitterschap van de Hoge Vertegenwoordiger (HV) Kaja Kallas en
in aanwezigheid van Commissaris voor Internationale Partnerschappen Jozef Síkela.
De Raad sprak over de toekomst van het externe optreden van de Europese Unie in het
licht van geopolitieke ontwikkelingen, met bijzondere aandacht voor het toekomstige
Global Europe-instrument binnen het volgende Meerjarig Financieel Kader (MFK). Daarnaast
stond de uitvoering van de Global Gateway-strategie, op de agenda. De Raad sprak tevens
over de mondiale gevolgen van de Iran-oorlog en de impact die dit heeft op ontwikkelingslanden.
De toekomst van EU extern beleid in het licht van geopolitieke ontwikkelingen
De Raad sprak over de toekomst van het externe optreden van de EU tegen de achtergrond
van toenemende geopolitieke spanningen, conflicten en mondiale onzekerheid. HV Kallas
en Commissaris Síkela benadrukten daarbij het belang van een sterkere geopolitieke
rol voor de EU, mede door ontwikkelingssamenwerking sterker te verbinden aan het brede
externe beleid van de Unie. Tevens werd gewezen op het belang van partnerschappen
met derde landen gebaseerd op gedeelde belangen en waarden.
De gedachtewisseling stond in belangrijke mate in het teken van de lopende onderhandelingen
over het toekomstige Global Europe-instrument binnen het volgend EU Meerjarig Financieel
Kader. Daarbij werd gesproken over de wijze waarop het instrument kan bijdragen aan
zowel klassieke ontwikkelingsdoelstellingen, zoals armoedebestrijding en duurzame
ontwikkeling, als bredere Europese strategische belangen, waaronder veiligheid, economische
weerbaarheid en migratie. Breed werd erkend dat het instrument voldoende flexibel
moet zijn om in te kunnen spelen op veranderende geopolitieke omstandigheden, terwijl
tegelijkertijd voorspelbaarheid van financiering en adequate verantwoording behouden
moeten blijven. Ook benadrukten lidstaten het belang van een sterke rol van de Raad
bij de strategische sturing van het instrument.
Nederland benadrukte het belang van een effectief en slagvaardig extern instrumentarium
dat zowel Europese belangen als de behoeften van partnerlanden dient en daarmee de
relaties tussen Europa en het mondiale Zuiden versterkt. Nederland onderstreepte daarbij
het belang van duurzame partnerschappen gebaseerd op gedeelde belangen en waarden,
evenals het belang dat middelen binnen het toekomstige instrument gericht blijven
op ontwikkelingsdoelen en armoedebestrijding.
Daarnaast pleitte Nederland voor een goede balans tussen flexibiliteit en voorspelbaarheid,
met verankering van humanitaire hulp en zonder een groot aantal aanvullende thematische
bestedingsdoelen. Nederland steunde het door de Europese Commissie voorgestelde bestedingsdoel
van 30% voor klimaat en milieu in Global Europe. Daarnaast benadrukte Nederland het
belang dat de programma’s een genderdoelstelling bevatten, in lijn met het derde EU
Gender Action Plan (GAP III). Dit schrijft voor dat 85% van de programma’s een genderdoelstelling
bevat en minimaal 5% specifiek gericht is op het bevorderen van gendergelijkheid.
Nederland wees tevens op het belang van betrokkenheid van maatschappelijke organisaties
in implementatie van het instrument en betere zichtbaarheid van EU-optreden. Verder
benadrukte Nederland het belang van voldoende en blijvende steun aan Oekraïne, ook
als onderdeel van het volgende MFK.
Het kabinet interpreteert de motie Hoogeveen en Boomsma (Kamerstuk 21 501-04, nr. 296) aangaande «migratiebeperking» als beperking van irreguliere migratie. Conform deze
motie zet het kabinet zich in de onderhandelingen over het toekomstige Global Europe-instrument
in voor partnerschappen in wederzijds belang. Migratie is voor Nederland een beleidsdoelstelling
van deze externe inzet van de EU. Daarbij kijkt het kabinet naar de volledige migratiesamenwerking,
waaronder het tegengaan van irreguliere migratie, terugkeersamenwerking, opvang in
de regio, het bevorderen van bescherming van migranten en vluchtelingen.
De rol van Global Gateway in EU-buitenlandbeleid
De Raad wisselde van gedachten over de rol van de Global Gateway strategie binnen
het EU externe beleid. De Raad sprak onder meer over de noodzaak voor betere communicatie
richting partnerlanden en de lokale bevolking over het Global Gateway-aanbod, en over
de noodzaak om het Europese bedrijfsleven beter te betrekken.
Daarnaast wisselde de Raad van gedachten over de zogenoemde 360-graden aanpak. Nederland
en enkele andere lidstaten wezen er op dat de EU zich van andere geopolitieke actoren
kan onderscheiden door het vormgeven van een waarde-gedreven aanbod, met een bijdrage
aan lokale economische ontwikkeling en goed bestuur in partnerlanden, met betrokkenheid
van maatschappelijke organisaties. Nederland benadrukte hierbij dat kwalitatief hoogstaande
investeringen onder de Global Gateway-strategie een extra factor van betekenis kunnen
zijn in de positionering van de EU ten opzichte van andere actoren.
De Raad sprak tevens over Europese aanbestedingsregels in het kader van Global Gateway,
waaronder de vraag hoe deze beter kunnen bijdragen aan strategische weerbaarheid,
een gelijk speelveld en risicobeheersing in sectoren van bijzonder strategisch belang.
Conform de motie Verkuijlen-Stoffer (Kamerstuk 21 501-04, nr. 299) zet het kabinet in de lopende onderhandelingen over de Global Europe verordening
in op aanbestedingsregels met gerichte beperkingen voor deelname van bedrijven uit
derde landen in specifieke strategische- of hoog-risico sectoren. Voor Nederland is
het daarbij van belang dat relevante internationale handelsstandaarden in acht worden
genomen, ontwikkelingsimpact en impact op global public goods, zoals klimaat, meegewogen wordt, en toegang voor bedrijven uit gelijkgezinde of
partnerlanden van de EU behouden blijft.
Oorlog in Iran en gevolgen wereldwijd
De Raad sprak over de wereldwijde impact van de oorlog in Iran, in het bijzonder de
sluiting van de Straat van Hormuz en de gevolgen daarvan voor veel landen in het mondiale
zuiden op het gebied van voedselzekerheid, energieprijzen, economische stabiliteit,
humanitaire toegang en kritieke importen. Er was consensus over de ernst van de situatie
en de noodzaak om snel en doortastend op te treden, mede met het oog op de nog grotere
mondiale impact wanneer de huidige situatie voortduurt of verder verslechtert. De
EU spant zich in dit kader in om een beter en completer beeld te krijgen van de wereldwijde
gevolgen van de crisis. HV Kallas en Commissaris Síkela verwezen naar lopende processen
voor een geïntegreerde EU-brede aanpak.
In de discussie werd benadrukt dat de crisis niet alleen een regionale veiligheidscrisis
is, maar ook een mondiale ontwikkelings- en aanbodschok. Meerdere lidstaten wezen
op risico’s voor voedsel-, energie- en financiële stabiliteit, met name voor importafhankelijke,
fragiele en financieel kwetsbare landen. Daarbij werd onder meer gewezen op het belang
van diversificatie van voedsel- en energiesystemen, het verminderen van afhankelijkheden
en het versnellen van de energietransitie. Ook werd stilgestaan bij het belang van
humanitaire hulp en ondersteuning van landen die disproportioneel geraakt worden door
de gevolgen van de crisis. De EU is zelf een grote humanitaire donor, en sommige EU-lidstaten
behoren tot de grootste humanitaire donoren ter wereld. Dit biedt mogelijkheden om
in EU-verband op te trekken, zodat tijdig en adequaat en met zo groot mogelijke impact,
wordt gereageerd op humanitaire en andere noden.
Breed werd het belang onderstreept van nauwe samenwerking met de Verenigde Naties
(VN), de Wereldbank, het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en regionale ontwikkelingsbanken.
Verschillende lidstaten riepen op tot humanitaire toegang, veilige doorvaart en ondersteuning
van initiatieven gericht op de doorgang van voedsel, kunstmest en andere kritieke
goederen. Tevens werd gesproken over het belang van een zichtbare EU-inzet richting
partnerlanden om toekomstige samenwerking te bevorderen.
Nederland benadrukte het belang van een stevige, gecoördineerde EU respons, waarbij
goed wordt samengewerkt met multilaterale partners en bestaande structuren en initiatieven
optimaal worden benut. Daarbij wees Nederland op de rolverdeling tussen verschillende
internationale partners: de VN voor humanitaire toegang en noodlogistiek, de Wereldbank
en regionale ontwikkelingsbanken voor sociale bescherming, voedselzekerheid en prioritaire
uitgaven, Internationale Financieringsmaatschappij en ontwikkelingsfinancieringsinstellingen
voor handelsfinanciering en kritieke importen, en het IMF voor macro-economische stabilisatie
en schuldhoudbaarheid. Nederland onderstreepte daarnaast dat Europese maatregelen
op het gebied van energiezekerheid niet onbedoeld mondiale schaarste en prijsdruk
voor kwetsbare importerende landen moeten vergroten. Ook onderstreepte Nederland het
belang van vrije en veilige doorvaart in internationale zeeroutes.
Nederland vroeg daarnaast ook bijzondere aandacht voor de impact die de crisis op
migratie kan hebben. Nederland wees daarbij op het belang van tijdige en goede opvang
van vluchtelingen in de regio. Het PROSPECT-programma in onder andere Egypte en Libanon,
waarin Nederland nauw samenwerkt met de VN, werkt goed en zou uitgebreid kunnen worden
als andere Europese landen of de Commissie zich aansluiten.
Ten slotte benadrukte Nederland dat de huidige crisis niet alleen risico’s met zich
meebrengt, maar ook het belang onderstreept van een proactieve en zichtbare EU-inzet
richting partnerlanden. Volgens Nederland biedt dit de EU de mogelijkheid zich nadrukkelijker
te positioneren als betrouwbare partner voor landen die geraakt worden door de crisis
en op zoek zijn naar duurzame samenwerking en steun.
Overig
Toezeggingen
Toezegging Kröger
Naar aanleiding van de toezegging aan het lid Kröger1 over wat Nederland en de EU kunnen doen om de negatieve gevolgen van de Iran-oorlog
voor ontwikkelingslanden te beperken, verwijst het kabinet naar de inzet zoals hierboven
beschreven.
Nederland wil dat de EU hierin snel en samenhangend handelt. Dat begint met een gedeeld
beeld van de gevolgen per land en per type schok, en met een overzicht van bestaande
EU- en lidstaatinitiatieven. Zo kan worden bepaald waar Team Europe het verschil kan
maken, waar gaten in de respons zitten en waar Europese maatregelen onbedoelde gevolgen
kunnen hebben voor kwetsbare importerende landen.
Daarbij staat voor Nederland voorop dat de EU gebruikmaakt van bestaande systemen
en inzet op een duidelijke rolverdeling tussen internationale partners. De VN zijn
primair aangewezen voor humanitaire toegang, noodlogistiek en veilige doorgang van
kritieke goederen; de Wereldbank en regionale ontwikkelingsbanken voor sociale bescherming,
voedselzekerheid en prioritaire publieke uitgaven; ontwikkelingsfinancieringsinstellingen
voor handelsfinanciering, garanties en kritieke importen; en het IMF voor macro-economische
stabilisatie en schuldhoudbaarheid.
Nederland zal hierop sturen via zijn rol als lidstaat, donor en aandeelhouder, onder
meer door in EU-verband aan te dringen op duidelijke gezamenlijke boodschappen richting
deze instellingen en partnerlanden. Het doel is dat de juiste organisatie het juiste
probleem oppakt, overlap wordt voorkomen en Europese maatregelen de mondiale schaarste
niet vergroten. Maatregelen om Europese burgers, bedrijven en boeren te beschermen
kunnen nodig zijn, maar mogen kwetsbare importerende landen niet onbedoeld harder
raken.
Aan het lid Kröger werd eveneens een toelichting toegezegd over hoe de noodhulp in
Gaza kan worden verbeterd. Het kabinet maakt zich veel zorgen over de humanitaire
situatie in Gaza die buitengewoon slecht blijft. Dat komt in de eerste plaats door
het gebrek aan humanitaire toegang: er komt nog steeds veel te weinig humanitaire
hulp binnen en Israël weigert goederen die het als dual use beschouwt. Bovendien maakt Israël het werk van professionele, erkende hulporganisaties
– waaronder vertrouwde partners van Nederland – steeds moeilijker. Nederland roept
Israël zowel bilateraal als in multilateraal (EU-)verband op om hulporganisaties veilige,
ongehinderde en onvoorwaardelijke toegang te verlenen. Dat geldt voor de VN en de
Rode Kruis- en Halve Maanbeweging, en eveneens voor de relevante internationale ngo’s.
Nederland roept Israël, conform motie met Kamerstuk 21 501-20, nr. 2312 van het lid Dobbe c.s., constant op de registratieplicht voor internationale ngo’s,
die het werk van tientallen hulporganisaties ernstig bemoeilijkt, te heroverwegen.
Deze raakt ook de hulpverlening van onze vertrouwde humanitaire partners – zoals de
leden van de Dutch Relief Alliance. Daarnaast blijft het kabinet gericht op het vergaren
van voldoende steun binnen de EU voor de door de Commissie voorgestelde EU-maatregelen
in het kader van artikel 2 van het Associatieakkoord tussen de EU en Israël. Aanvallen
op hulpverleners zijn totaal onacceptabel en worden door het kabinet ondubbelzinnig
veroordeeld, conform motie met Kamerstuk 21 501-02, nr. 3242 van het lid van Baarle. Hulpverleners moeten hun belangrijke werk veilig kunnen uitvoeren,
ook in de bezette Palestijnse gebieden, inclusief Oost-Jeruzalem, en mogen nooit tot
doelwit van geweld worden gemaakt.
Nederland draagt ook financieel bij om de hulpverlening voor Gaza te verbeteren. Nederland
heeft, sinds 7 oktober 2023, reeds 94,2 miljoen euro vrijgemaakt voor crisisspecifieke
noodhulp voor de Gaza-crisis. Dat is exclusief de 25 miljoen euro ter ondersteuning
van medische en humanitaire hulp aan mensen uit Gaza, ook ten behoeve van medische
evacuaties, en eveneens exclusief het de bedragen van 5 miljoen euro aan het Horizon
Fund van de VN en de 20 miljoen euro die via Unicef aan vroeg herstel en wederopbouw
werd uitgegeven. Daarnaast is Nederland onder meer voornemens om in 2026 een bedrag
van 16 miljoen euro beschikbaar te stellen voor het humanitaire landenfonds van de
VN voor de Palestijnse gebieden. Via dat fonds wordt, conform motie met Kamerstuk
36 180, nr. 157 van het lid van Baarle, bijgedragen aan de humanitaire respons op de verschillende
urgente humanitaire noden: van water- en sanitaire voorzieningen tot onderdak, medische
hulp, voedselhulp en gespecialiseerde steun voor ondervoede kinderen.
Toezegging Bamenga: termijn Kamerbrief diaspora2
De Kamerbrief diaspora volgt voor het zomerreces, waarbij het kabinet ook zal ingaan
op geleerde lessen van andere Europese landen met bredere betrokkenheid van diaspora
als integraal onderdeel van het maatschappelijk middenveld.
Indieners
S.W. Sjoerdsma, minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking