Brief regering : Verzamelbrief pensioenonderwerpen voorjaar 2026
32 043 Toekomst pensioenstelsel
Nr. 711
BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 26 mei 2026
Met deze brief informeer ik uw Kamer over een aantal pensioenonderwerpen. Aan de orde
komen de volgende onderwerpen: (1) de motie over de financiering van het Nederlandse
pensioenstelsel1, (2) de motie over indexatie bij buitenlandse pensioeninstellingen2,
3, (3) de motie over inzicht in kosten aan de hand van kengetallen4, (4) de toezegging om jongeren te betrekken bij wijzigingen in de AOW5, (5) de motie over governance in het nieuwe pensioenstelsel6, (6) de publieksmonitor pensioenen van het eerste kwartaal van 2026 en (7) de evaluatie
van de experimenteerbepaling voor zelfstandigen. Tot slot wordt de stand van zaken
gegeven over (8) het Wetsvoorstel pensioenverdeling bij scheiding (WPS)7 en (9) de wijziging Pensioenwet voor stichtingsvereiste bedrijfstakpensioenfondsen.
1. De financiering van het Nederlandse pensioenstelsel
De motie Van Brenk vraagt naar de financiering van het Nederlandse pensioenstelsel
in vergelijking met andere landen.8 Het Nederlandse pensioenstelsel is gebouwd op drie pijlers, waarvan de eerste twee
pijlers voor de meeste Nederlanders de belangrijkste basis vormen voor het inkomen
tijdens pensionering.
Eerste pijler
De eerste pijler, de AOW, wordt aan elke inwonende in Nederland geboden zodra diegene
de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. De hoogte is afhankelijk van de verzekerde
jaren. De financiering van dit stelsel gebeurt aan de hand van het omslagstelsel waarbij
werkenden premie betalen en de overheid het tekort aanvult uit belastinginkomsten.
Dit betekent dat gepensioneerden in belangrijke mate afhankelijk zijn van het aantal
werkenden dat belast wordt om de pensioenen te kunnen financieren.
Deze verhouding van gepensioneerden ten opzichte van werkenden verschuift steeds meer
door de vergrijzing, waardoor een steeds kleinere groep werkenden het pensioen van
steeds meer gepensioneerden moeten opbrengen, wat de druk op werkenden en ook de begroting
verhoogt. De Wetenschappelijke Raad voor Regeringsbeleid (WRR) waarschuwt in haar
rapport «Europese vergrijzing in het vizier» gepubliceerd voor het hoge tempo waarin
Europa vergrijst.9 De AOW levert een belangrijke bijdrage in het voorkomen van armoede onder ouderen
en dat willen we graag zo houden. Tegelijkertijd is het belangrijk dat we gegeven
de veranderde situatie in de wereld en demografische ontwikkelingen kijken naar de
toekomstbestendigheid van de AOW. Het kabinet heeft daarbij kennis genomen van het
ultimatum van de vakbonden, onder meer ten aanzien van de AOW. Ik kom binnenkort met
een voorstel om weer in gesprek te komen met de sociale partners.
Tweede pijler
Het tweedepijlerpensioen wordt gefinancierd door middel van een kapitaaldekkingsstelsel.
Werkenden dragen premies af om zodra zij de pensioengerechtigde leeftijd bereiken
een levenslange uitkering aan te kunnen kopen. Het voordeel van dit stelsel is dat
het minder gevoelig is voor demografische ontwikkelingen, omdat het door de ontvanger
van het pensioen zelf gefinancierd wordt. Echter, het nadeel van dit stelsel is dat
het niet altijd mee kan groeien met de inflatie, omdat de uitkomsten afhankelijk zijn
van de rendementen die behaald worden op de financiële markten. Ook waarschuwt de
WRR dat de Europese vergrijzing tot een opwaartse (loon)inflatiedruk leidt door de
toenemende krapte die op de arbeidsmarkt zal ontstaan.
De motie Van Brenk vraagt het kabinet te bevestigen dat Nederland het best gefinancierde
stelsel heeft binnen de eurozone op basis van Eurostat-gegevens. Eurostat publiceert
gegevens over de mate van kapitaaldekking, de omvang van de kapitaaldekking en de
hoogte van de uitgekeerde pensioenen in Nederland ten opzichte van andere landen in
de eurozone en Europa. Ik zal hieronder kort de belangrijkste cijfers toelichten.
In grafiek 1 op basis van Eurostat-data is te zien dat in Nederland de pensioenaanspraken
voor een groot deel kapitaalgefinancierd zijn. Alleen IJsland en Denemarken kennen
een hoger aandeel kapitaalfinanciering in hun nationale pensioenstelsels. Dit laat
zien dat het Nederlandse pensioenstelsel niet te afhankelijk is van één bepaalde financieringsmethodiek.
Uit een rapport van de OECD uit 2024 valt op te maken dat Nederland binnen de eurozone
het hoogste pensioenvermogen heeft ten opzichte van het BBP, circa 150% BBP. Enkel
Denemarken en IJsland kenden eind 2024 een hoger vermogen als percentage van BBP van
respectievelijk 206% en 191%.10
Verder ontvangen de Nederlandse pensioengerechtigden gemiddeld genomen één van de
hoogste pensioenuitkeringen in de eurozone en Europa, ook wanneer er rekening wordt
gehouden met de verschillen in koopkracht tussen de landen zoals blijkt in grafiek
2. Gepensioneerden uit Oostenrijk en Luxemburg ontvangen in totaal een hoger pensioen
dan gepensioneerden in Nederland.
De gevraagde cijfers laten een positief beeld zien over de mate waarin het Nederlandse
pensioenstelsel op dit moment gefinancierd is. Zoals ook door de regering bij het
Pensioenakkoord geconstateerd, is een gebalanceerde mix van omslag- en kapitaaldekking
in het pensioenstelsel van belang. Daarbij is het ook raadzaam om oog te blijven houden
voor de lange termijn houdbaarheid. Het Nederlandse pensioenstelsel biedt namelijk
een goed pensioen en dat moeten we ook zo houden. Het kabinet heeft hier oog voor
en zal daarom maatregelen onderzoeken om ook in de toekomst de kwaliteit en houdbaarheid
van de AOW te behouden. Voor de AOW worden in het Interdepartementale beleidsonderzoek
(IBO) Inkomensvoorziening ouderen mogelijke aanpassingen in kaart gebracht om de inkomensvoorzieningen
voor ouderen (na de AOW-leeftijd) te verbeteren met het oog op de betaalbaarheid,
de uitvoerbaarheid en de effecten op het functioneren van de arbeidsmarkt en de woningmarkt.
Het aanvullend pensioen valt buiten de scope van dit rapport. Wat betreft de tweede
pijler zorgt de invoering van de Wet toekomst pensioenen voor de lange termijn houdbaarheid
van de tweede pijler.
Grafiek 1 – Pensioenaanspraken van huishoudens eind 2021 in percentage van het BBP
Grafiek 2 – Pensioenuitkeringen per ontvanger in 2022 uit eerste- en tweedepijlerpensioen.
Definitie: De gegevens hebben betrekking op verschillende soorten pensioen, waaronder
diverse (vervroegde) ouderdomspensioenen, het nabestaandenpensioen en het arbeidsongeschiktheidspensioen.
2. Indexatie bij buitenlandse pensioeninstelling
Tijdens het tweeminutendebat op 31 maart jl. heeft het lid Van Brenk (50PLUS) een
motie ingediend met betrekking tot indexatie-afspraken voor pensioendeelnemers met
werkgevers die hun pensioen in België hebben ondergebracht.11 Tijdens het debat heb ik aangegeven met De Nederlandsche Bank (DNB) in overleg te
treden. Met deze brief informeer ik uw Kamer over de uitkomsten van dat overleg.
Een pensioeninstelling gevestigd in een andere EU-lidstaat staat onder prudentieel
toezicht in de lidstaat waar de pensioeninstelling gevestigd is. In het geval van
pensioenfonds Johnson & Johnson (J&J Pension Fund OFP) is dat België. De IORP-II richtlijn
stelt daarbij minimumeisen aan onder meer de technische voorzieningen, governance
en beleggingsbeheer. Daarmee wordt beoogd dat ook bij de grensoverschrijdende uitvoering
een passend niveau van deelnemersbescherming wordt geborgd. Op een Nederlandse pensioenregeling
die wordt uitgevoerd door een pensioeninstelling gevestigd in een andere lidstaat,
is het Nederlandse arbeids- en sociaal recht van toepassing. Voor de naleving van
het Nederlandse arbeids- en sociaal recht is de pensioeninstelling onderworpen aan
toezicht door DNB en de Autoriteit Financiële Markten (AFM).
Bij de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel dient de werkgever de gewijzigde
pensioenovereenkomst en een transitieplan aan het pensioenfonds te zenden. Het voorschrift
om een implementatieplan en communicatieplan in te dienen bij de toezichthouder geldt
niet voor een pensioeninstelling gevestigd in een andere lidstaat. De inhoud van de
pensioenregeling, waaronder de toeslagverlening, is arbeidsvoorwaardelijk en komt
tot stand tussen werkgever en werknemersvertegenwoordiging. Binnen het wettelijk kader
is het aan partijen om de pensioenregeling in te vullen. De regering of toezichthouders
hebben geen rol bij die invulling.
DNB houdt zoals gezegd wel toezicht op naleving van het Nederlandse arbeids- en sociaal
recht, waaronder het voorschrift voor gelijke behandeling bij toeslagen (artikel 58
Pensioenwet). Het is toegestaan dat bij een toeslagverlening aan deelnemers, de pensioenen
van gewezen deelnemers en gepensioneerden niet in gelijke mate worden verhoogd. Het
maakt daarbij geen verschil of het pensioenfonds in Nederland of in een andere lidstaat
is gevestigd.
De pensioenregeling van pensioenfonds Johnson en Johnson kent zo’n wettelijk toegestaan
onderscheid. Bij Johnson & Johnson worden de pensioenaanspraken van actieve deelnemers
jaarlijks verhoogd met de ontwikkeling van de prijsindex. De pensioenregeling kent
echter geen toeslagambitie voor de verhoging van de pensioenen van gewezen deelnemers
en pensioengerechtigden.
Tot slot merk ik op dat op grond van de huidige wetgeving bij een collectieve waardeoverdracht
naar een pensioeninstelling in een andere lidstaat onder andere vereist is dat een
tweederdemeerderheid van de deelnemers en gewezen deelnemers en een tweederdemeerderheid
van de pensioengerechtigden die hebben gereageerd op een daartoe strekkend schriftelijk
verzoek het voorgenomen besluit met betrekking tot de collectieve waardeoverdracht
hebben goedgekeurd. Die huidige instemmingssystematiek was nog niet van toepassing
bij de overgang van pensioenfonds Johnson & Johnson naar België in 2015.12
Gelet op bovenstaande moet ik concluderen dat DNB geen rol speelt bij de inhoudelijke
afspraken die sociale partners maken over de toeslagverlening.
Hoewel ik goed kan voorstellen dat gewezen deelnemers en gepensioneerden van Johnson
& Johnson teleurgesteld zijn over hun indexatieperspectief, hebben mij geen signalen
bereikt dat de arbeidsvoorwaardelijke afspraken niet binnen de (toen) geldende wettelijke
kaders zijn gemaakt. Het staat de vertegenwoordigende partijen en Johnson & Johnson
als werkgever vrij om hierover nieuwe afspraken te maken.
3. Inzicht in kosten aan de hand van kengetallen
De motie Van Brenk vraagt de regering in samenspraak met de pensioensector enkele
verantwoord samengestelde (uniforme) kengetallen te ontwikkelen die het mogelijk maken
voor deelnemers om pensioenuitvoerders te beoordelen op de kosten van uitvoering.13
Transparantie over uitvoeringskosten is belangrijk, zeker met de overstap naar premieregelingen
waarbij ambitie, zekerheid en kosten directer aan elkaar gekoppeld zijn. Kostentransparantie
leidt er toe dat discussies op de juiste manier gevoerd kunnen worden, niet alleen
over de hoogte van de kosten, maar juist ook over de hoogte in relatie tot wat de
deelnemer hiervoor terugkrijgt. Daarnaast stelt heldere, meer persoonlijke informatie
deelnemers in staat om meer inzicht te krijgen in rendementen en kosten voor hun pensioenregeling,
en om, indien er keuzemogelijkheden zijn, weloverwogen keuzes te maken.
In de pensioenwet is daarom een aantal waarborgen opgenomen om de kosten voor deelnemers
inzichtelijk te maken. Zo moet het pensioenfonds in het bestuursverslag en op de website14 verantwoording afleggen over de uitvoeringskosten en moeten de kosten op het uniform
pensioenoverzicht (UPO) van de deelnemer worden getoond. Het is van belang dat deze
informatie voor de deelnemer transparant is. Indien een deelnemer vragen heeft over
deze kosten kan hij deze voorleggen aan zijn pensioenfonds of aan het verantwoordings-/
belanghebbendenorgaan van het pensioenfonds.15 Deze organen beoordelen namelijk de verantwoording van het bestuur over de gemaakte
kosten en het uitgevoerde beleid, evenals over de beleidskeuzes voor de toekomst waaronder
de keuzes die van invloed zijn op de uitvoeringskosten en kunnen hier indien nodig
ook het bestuur op aanspreken.
Het pensioenfonds moet de gemaakte kosten evalueren en kijken naar mogelijke verbeteringen
met betrekking tot de beheersing van deze kosten. Dit vergroot de druk om de kosten
effectief te beheersen. Toezichthouders DNB en AFM houden ook ieder vanuit de eigen
verantwoordelijkheid toezicht op de kosten van het pensioenfonds. DNB houdt toezicht
op de kosten van pensioenfondsen in het kader van het prudentiële toezicht op de beheerste
en integere bedrijfsvoering en de governance van pensioenfondsen. De AFM houdt toezicht
op de transparantie en informatievoorziening ten aanzien van deze kosten aan deelnemers.
Het Ministerie van SZW heeft met de pensioensector gesproken over de in de motie gevraagde
kengetallen en geconcludeerd dat er passende kengetallen beschikbaar zijn aan de hand
waarvan deelnemers en andere stakeholders hun pensioenuitvoerder(s) kunnen beoordelen
op de kosten van uitvoering. Er zijn drie uniforme, vergelijkbare en wettelijk voorgeschreven
kengetallen ten aanzien van de kosten van pensioenfondsen.16
Als bijlage bij deze brief wordt een overzicht gegeven van deze kengetallen voor pensioenfondsen.17 Dit overzicht biedt inzicht in:
1. Pensioenbeheerkosten; deze kosten omvatten onder meer de kosten voor de uitvoering
van de pensioenregeling, zoals administratie, communicatie, gegevensbeheer, premie-inning
en uitbetaling van pensioenen. De pensioenbeheerkosten worden uitgedrukt in een totaalbedrag
en in een bedrag per deelnemer of pensioengerechtigde.18
2. Vermogensbeheerkosten; kosten die gemaakt worden voor het beheren van de beleggingen,
zoals voor de administratie en beheer van de beleggingen (incl. eventuele prestatievergoedingen)
en advieskosten.
3. Transactiekosten; kosten die samenhangen met het kopen en verkopen van beleggingen,
en die dus losstaan van de vermogensbeheerkosten.
De vermogensbeheerkosten en de transactiekosten worden uitgedrukt in een totaalbedrag
en in een percentage van het in het verslagjaar gemiddeld belegde vermogen.
De kosten verschillen tussen pensioenfondsen en hangen onder meer samen met de karakteristieken
en beleidskeuzes van het fonds en sociale partners, zoals de grootte van het fonds,
de kenmerken van deelnemers, de keuzes die zijn gemaakt voor de uitvoering en communicatie,
de risicohouding en het gevoerde beleggingsbeleid. Deze verschillen in acht nemend,
geven de kengetallen een goed beeld van de uitvoeringskosten. Ten aanzien van de uitvoeringskosten
zijn er door pensioenfondsen ook afspraken gemaakt hoe de uitvoeringskosten dienen
te worden vastgesteld.19
4. Toezegging begrotingsbehandeling om jongeren te betrekken bij wijzigingen in de
AOW
Ik heb tijdens de begrotingsbehandeling SZW toegezegd om uw kamer te informeren over
hoe jongeren worden betrokken bij wijzigingen in de AOW. Ik vind het belangrijk dat
ook jongeren zich kunnen uitspreken over onze AOW. Ik benader daarom onder meer het
SER jongerenplatform of zij bereid zijn hierover het gesprek aan te gaan.
5. Governance in het nieuwe pensioenstelsel
Pensioen is een arbeidsvoorwaarde, overeengekomen tussen sociale partners of tussen
werkgever en werknemers en is daarmee meer dan een financieel product. Dit komt ook
tot uiting in de wijze waarop pensioenfondsen de governance hebben ingericht. De belanghebbenden
– deelnemers, gewezen deelnemers, gepensioneerden en werkgevers – vervullen daarbij
een belangrijke rol. Welke rol dat precies is, hangt af van het gekozen bestuursmodel.
De overgang naar het nieuwe pensioenstelsel is een goed moment om, in lijn met de
motie Palland, te inventariseren hoe de governance binnen pensioenfondsen nu is vormgegeven
en op welke wijze ingespeeld wordt op actuele ontwikkelingen.20 Vervolgens wordt bezien in hoeverre de vertegenwoordiging door de belanghebbenden
in het pensioenfonds nog steeds afdoende is voor de evenwichtige besluitvorming. Hiermee
geef ik tevens invulling aan de motie Vermeer.21
Een onderzoeksbureau wordt daartoe gevraagd om eerst in kaart te brengen hoe de governance
binnen pensioenfondsen is vormgegeven en op welke wijze momenteel invulling wordt
gegeven aan evenwichtige besluitvorming binnen het stelsel van de Wet toekomst pensioenen.
Daarbij wordt onder andere in kaart gebracht hoe pensioenfondsen inspelen op ontwikkelingen
in het deelnemersbestand. Vervolgens wordt, mede aan de hand van de resultaten uit
het eerste deel van het onderzoek, onderzocht in hoeverre de vertegenwoordiging door
de belanghebbenden in het pensioenfonds nog steeds afdoende is voor evenwichtige besluitvorming
binnen het stelsel van de Wet toekomst pensioenen. Naar verwachting start het onderzoeksbureau
deze zomer met de opdracht en wordt uw Kamer in de eerste helft van 2027 geïnformeerd
over de bevindingen.
6. Publieksmonitor pensioenen
SZW voert sinds 2022 de publieksmonitor pensioenen uit. Dit kwantitatief onderzoek
wordt elk kwartaal uitgevoerd onder een representatieve steekproef van Nederlanders.
De publieksmonitor pensioenen kijkt naar vertrouwen, kennis, houding en gedrag van
Nederlanders ten aanzien van het pensioenstelsel. Doel is om de publiekscommunicatie
omtrent de stelselwijziging te verbeteren op basis van de uitkomsten.
Het onderzoek is opnieuw aanbesteed vanwege het verstrijken van de contractperiode
en wordt sinds 2026 uitgevoerd door Motivaction. Dit onderzoeksbureau maakt gebruik
van een ander panel. Als gevolg van de overgang naar het nieuwe onderzoeksbureau en
wijzigingen aan de meetmethode en vragenlijst, zijn de resultaten van Q1 2026 niet
meer te vergelijken met voorgaande metingen. Q1 2026 dient als nieuw startpunt gezien
te worden (zie bijlage 2).
Belangrijkste uitkomsten meest recente meting
Het vertrouwen van Nederlanders in het pensioenstelsel is neutraal. De score bedraagt
5,7 (score op een schaal 1–10, daarbij is: <4 = weinig vertrouwen; 4–7 = neutraal;
>7 = veel vertrouwen). Het meetmoment was de eerste week van februari dit jaar. Het
vertrouwen in pensioenen is stabiel. Het pensioenvertrouwen ligt hoger onder de groep
die al met pensioen is en financieel hoog geletterden.
7. Evaluatie experimenteerbepaling voor zelfstandigen
Het kabinet wil dat iedereen een adequaat pensioen kan opbouwen. Om de pensioenopbouw
van zelfstandigen te bevorderen, zijn er in de Wet toekomst pensioenen (Wtp) verschillende
maatregelen genomen. Een van deze maatregelen is de zogenaamde experimenteerbepaling
die tot doel heeft om te onderzoeken of pensioenopbouw in de tweede pijler ook voor
zelfstandigen een aantrekkelijke optie kan zijn. Op basis van deze wetgeving kunnen
pensioenuitvoerders bij wijze van experiment, naast vrijwillige voortzetting, tweede-pijlerpensioenregelingen
aanbieden waarbij zelfstandigen zich vrijwillig kunnen aansluiten. Op die manier kunnen
zelfstandigen profiteren van het collectieve karakter van tweede-pijlerregelingen
en de (solidariteits)voordelen die daarbij horen.
Eind 2025 was er door pensioenuitvoerders echter nog geen gebruik gemaakt van de experimenteerbepaling.
Tijdens het commissiedebat van 21 november 2024 is toegezegd om in gesprek te gaan
met belanghebbenden wanneer er in 2025 nog geen gebruik is gemaakt van de experimenteerbepaling.22 Daarnaast is er ook uitvoering gegeven aan de motie Stoffer-Smals waarin gevraagd
wordt om aanvullende mogelijkheden te onderzoeken om de pensioenopbouw voor zelfstandigen
te verbeteren.23 Naar aanleiding van de toezegging en de wettelijke verplichting24 tot een evaluatie van de experimenteerbepaling heeft SEO Economisch Onderzoek (hierna:
SEO) in opdracht van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) onderzocht
waarom er tot eind 2025 nog geen gebruik is gemaakt van de experimenteerbepaling.
Hierbij informeer ik uw Kamer over de strekking van het rapport. Het rapport ontvangt
u als bijlage bij deze brief (zie bijlage 3).
Conclusies uit het rapport
Voor deze evaluatie heeft SEO een enquête uitgezet onder pensioenfondsen, verzekeraars
en premiepensioeninstellingen (PPI’s). Daarnaast zijn er gesprekken gevoerd met de
Pensioenfederatie, het Verbond van Verzekeraars en een aantal pensioenuitvoerders
om een breder beeld te krijgen van de redenen waarom er geen gebruik wordt gemaakt
van de experimenteerbepaling.
Uit het onderzoekt blijkt dat de meeste pensioenuitvoerders overwegend positief staan
tegenover het bieden van experimenteerruimte om pensioenopbouw in de tweede pijler
onder zelfstandigen te stimuleren. Een kwart van de pensioenfondsen geeft aan niet
bekend te zijn met de regeling. Dit betekent niet dat de fondsen in het geheel niet
van de regeling hebben gehoord, maar dat de respondenten mogelijk relatief nieuw zijn,
of dat de kennis bij de uitvoeringsorganisatie is belegd, en niet bij het bestuur.
Ook kan een verklaring zijn dat de experimenteerbepaling is ingevoerd met de Wtp.
In het kader van de Wtp kan de aandacht van de fondsen elders hebben gelegen. Voor
verzekeraars en PPI’s geldt dat zij wel allen bekend waren met de mogelijkheden van
de experimenteerbepaling.
Naast de overwegend positieve houding van pensioenuitvoerders, zijn pensioenfondsen
van mening dat de wijze waarop de experimenteerbepaling is vormgegeven, onvoldoende
ruimte biedt. Zij geven aan dat de kaders onvoldoende aansluiten bij hun uitvoeringspraktijk,
waardoor het ontwikkelen van een aantrekkelijk product lastig is. Overigens was dit
al bekend, aangezien de pensioensector ook betrokken was bij de totstandkoming van
de experimenteerbepaling. Bij de vormgeving van de experimenteerbepaling is al onderzocht
of de kaders verder konden worden opgerekt om beter aan te sluiten bij de uitvoeringspraktijk,
maar dit bleek juridisch niet haalbaar en stuit nog steeds op juridische belemmeringen.
Verzekeraars en PPI’s ervaren de huidige wettelijke ruimte als minder beperkend, doordat
zij niet sectorgebonden zijn en daardoor gemakkelijker producten aan een brede groep
zelfstandigen kunnen aanbieden. Pensioenfondsen zijn daarentegen gebonden aan hun
eigen sector en kunnen daardoor slechts een beperkte groep zelfstandigen aanschrijven,
wat het potentiële bereik beperkt. Ook vormen administratieve lasten en de verwachte
lage deelname belangrijke belemmeringen.
Sommige fondsen opereren in sectoren met relatief weinig zelfstandigen, waardoor het
potentiële bereik klein is. Daarnaast wordt aangegeven dat deze doelgroep moeilijk
te bereiken is.
Behalve naar uitvoerbaarheid is ook gevraagd of de verwachting is dat gedurende de
looptijd van het experiment (tot 30 juni 2028) meer experimenten op basis van deze
experimenteerruimte zullen worden gestart. Pensioenuitvoerders geven aan druk bezig
te zijn met de implementatie van de Wtp en hierdoor te weinig capaciteit te hebben
om aanvullende experimenten te starten. Binnen de huidige looptijd van de bepaling
worden dan ook nauwelijks initiatieven verwacht. Bij een structurele verankering van
de experimenteerbepaling verwachten sommige verzekeraars en PPI’s een pensioenproduct
voor zelfstandigen aan te bieden. Pensioenfondsen zijn hierin terughoudender. Ik zal
de komende periode met pensioenuitvoerders en sociale partners bespreken in hoeverre
het structureel maken van deze experimenteerbepaling opportuun is.
In dit onderzoek zijn tevens de modaliteiten betrokken die de Stichting van de Arbeid
(StvdA) in haar rapport van maart 2024 heeft aanbevolen om pensioenopbouw in de tweede
pijler aantrekkelijker en toegankelijker te maken voor zelfstandigen.25 Dit advies vloeit voort uit de afspraak in het Pensioenakkoord om de mogelijkheden
voor pensioenopbouw voor zelfstandigen binnen de tweede pijler nader te verkennen.
De StvdA heeft daarbij vier opties onderzocht en een aantal aanbevelingen gedaan.
Een van de door de StvdA onderzochte modaliteiten sluit sterk aan bij de huidige experimenteerbepaling.
Zoals hierboven aangegeven zal het Ministerie van SZW het gesprek aangaan met pensioenuitvoerders
en de sociale partners, daarbij zullen ook de aanbevelingen van de StvdA worden betrakken.
Overigens blijkt uit het SEO-rapport blijkt dat de aanbevolen modaliteiten geen duidelijke
of sterke voorkeur oproepen bij pensioenuitvoerders.
Vervolg
In het licht van de motie is bekeken hoe de pensioenopbouw onder zelfstandigen verder
kan worden gestimuleerd.26 Het Interdepartementaal Beleidsonderzoek Pensioenopbouw in balans (IBO) laat zien
dat een groot deel van de huishoudens na pensionering de levensstandaard kan behouden.
Voor zelfstandigen geldt dat dit afhankelijk is van het aanspreken van veelal illiquide
vermogen in de vierde pijler, zoals de eigen woning of onderneming.
Conform de kabinetsreactie op het IBO wordt de pensioenopbouw van zelfstandigen in
de tweede en derde pijler structureel gemonitord.27 De eerste resultaten zijn november 2025 met uw Kamer gedeeld. Dit najaar volgt een
tweede meting, waarmee beter kan worden gemonitord in hoeverre zelfstandigen in toenemende
mate pensioen opbouwen. In deze cijfers wordt naar verwachting ook het effect zichtbaar
van de fiscale verruiming in de derde pijler. Daarbij zijn er signalen uit de praktijk
dat in toenemende mate gebruik wordt gemaakt van derde-pijlerproducten als oudedagsvoorziening.28 Vooralsnog geeft de ontwikkeling van de pensioenopbouw onder zelfstandigen geen aanleiding
tot aanvullende maatregelen op dit terrein.
Wel zal ik, conform de eerdere toezegging, de ontwikkeling van de pensioenopbouw onder
zelfstandigen blijven monitoren. Daarbij heeft het kabinet in de verdere uitwerking
van de aankomende zzp-wetgeving ook oog voor de positie van zelfstandigen, waaronder
het aspect van pensioenopbouw.
8. Stand van zaken derde nota van wijziging bij Wetsvoorstel pensioenverdeling bij
scheiding (WPS)
Tijdens het Tweeminutendebat Pensioenonderwerpen op 31 maart jl. heeft het lid Michon-Derkzen
(VVD) een motie ingediend over het tijdpad voor het wetsvoorstel Wet pensioenverdeling
bij scheiding (WPS).29 Hierbij informeer ik uw Kamer over het voorgenomen tijdpad voor dit wetsvoorstel.
Het wetsvoorstel WPS is in september 2019 aan de Tweede Kamer aangeboden.30 Met dit wetsvoorstel wordt de opzet van de wettelijke regels voor pensioenverdeling
bij scheiding verbeterd. Bovendien wordt de wet vernieuwd om te kunnen voldoen aan
de eisen van de huidige tijd. De standaard voor verdeling van pensioenaanspraken wordt
«conversie», wat inhoudt dat het deel van het pensioen dat toekomt aan de ex-partner
wordt omgezet in een eigen ouderdomspensioen. Hierdoor wordt de afhankelijkheid tussen
ex-partners op pensioengebied verbroken en ontstaat er voor beide partners meer inzicht
in en handelingsperspectief bij het pensioen. Vanwege de samenloop met de uitvoering
van de Wet toekomst pensioen (Wtp) heeft de regering eerder in samenspraak met de
pensioensector aangegeven de beoogde inwerkingtredingsdatum van het wetsvoorstel op
te schuiven naar het einde van de transitie.31,
32 De beoogde inwerkingtredingsdatum is 1 januari 2028.
In dat kader is uw Kamer de toezegging gedaan om in 2026 een derde nota van wijziging
bij WPS open te stellen voor internetconsultatie.33 Deze nota van wijziging ziet op drie onderdelen: wetstechnische aanpassingen vanwege
de Wtp, overige aanpassingen vanwege de Wtp en overbruggingsmaatregelen voor echtscheidingen
onder bestaande wetgeving (Wet verevening pensioenrechten bij scheiding), zoals het
inzichtelijk maken van pensioenbedragen van gescheiden partners op mijnpensioenoverzicht.nl
(MPO). Daarbij is aangegeven dat de voorgestelde nota van wijziging zo omvangrijk
is dat deze aan de Raad van State zal worden voorgelegd voor advisering.
Overige aanpassingen vanwege de Wtp
Een van de aanpassingen voor de nota van wijziging die vanwege de Wtp wordt onderzocht
ziet op samenwoners. Onder het nieuwe pensioenstelsel is het partnerpensioen vóór
pensioendatum op risicobasis en het partnerpensioen vanaf pensioendatum op opbouwbasis.
Als samenwoners uit elkaar gaan, ontstaat van rechtswege een bijzonder partnerpensioen
vanaf pensioendatum.34 Voor het partnerpensioen op risicobasis ontstaat bij beëindiging van de relatie geen
recht op bijzonder partnerpensioen.
De Wtp voorziet wel in overgangsrecht voor partnerpensioen dat is opgebouwd voor de
overgang naar het nieuwe pensioenstelsel. Als samenwoners uit elkaar gaan, kan er
in dat geval eventueel ook een bijzonder partnerpensioen voor pensioendatum ontstaan.
Als samenwoners uit elkaar gaan is er geen wettelijk recht op het verdelen van ouderdomspensioen.
De pensioensector heeft voorgesteld om het verdelen van het ouderdomspensioen en partnerpensioen
vanaf pensioendatum voor ex-samenwoners op grond van het wetsvoorstel WPS mogelijk
te maken. Indien zij daarvoor kiezen wordt «conversie» het uitgangspunt van de verdeling,
net zoals dat in het wetsvoorstel het geval is voor echtscheidingen. Dit betekent
dat het ouderdomspensioen en partnerpensioen dat is opgebouwd tijdens de samenwoonperiode
wordt omgezet in een eigen ouderdomspensioen voor de ex-partner dat niet meer afhankelijk
is van de ex-partner. De regering is voornemens om te onderzoeken of deze wens kan
worden opgenomen in de derde nota van wijziging. Dit komt immers tegemoet aan de veranderde
samenlevingsvormen in de huidige maatschappij. Dit vergt echter zorgvuldige afweging
en vormgeving waarbij voor- en nadelen in kaart worden gebracht. In dat kader zal
er ook een Data protection impact assessment (DPIA) worden uitgevoerd en zal op grond van artikel 36, vierde lid, van de Algemene
verordening gegevensbescherming, de Autoriteit Persoonsgegevens om een advies worden
verzocht.
Tijdpad
De nadere uitwerking van de drie onderdelen voor de derde nota van wijziging vergt
meer ambtelijke capaciteit dan eerder verwacht. Om die reden zal de derde nota van
wijziging naar verwachting begin 2027 ter internetconsultatie worden aangeboden. Na
afronding van de internetconsultatie en de toezichttoetsen zal deze nota worden voorgelegd
ter advisering aan de Raad van State. Vervolgens zal de derde nota van wijziging bij
uw Kamer worden ingediend. Wellicht ten overvloede, de bestaande Wet verevening pensioenrechten
bij scheiding is van toepassing op scheidingen die hebben plaatsgevonden voordat de
WPS in werking zal zijn getreden.
9. Wijziging Pensioenwet stichtingsvereiste bedrijfstakpensioenfondsen
In 2022 is de Europese Commissie een EU Pilot (informele pre-infractiefase) gestart
naar aanleiding van een individuele klacht uit Nederland.35 De EU Pilot had betrekking op de vraag waarom een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds
de rechtsvorm van een stichting opgericht naar Nederlands recht dient te hebben («stichtingsvereiste»).
Door dit stichtingsvereiste kan een bedrijfstakpensioenfonds gevestigd in een andere
lidstaat niet als verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds actief zijn op de Nederlandse
markt, zonder een stichting naar Nederlands recht te worden.
In het kader van de EU Pilot heeft een aantal informele gesprekken plaatsgevonden
tussen het Ministerie van SZW en de Europese Commissie en is de informatie over de
Nederlandse pensioenwet- en regelgeving gedeeld. Op basis van deze uitwisseling is
de Europese Commissie van mening dat, door het stichtingsvereiste, Nederland een ongerechtvaardigde
belemmering heeft geïntroduceerd voor het recht van vrijheid van vestiging.36
De regering en de Europese Commissie delen daarbij het uitgangspunt dat de verplichtstelling
als zodanig niet strijdig is met EU-recht. Om deze belemmering weg te nemen is een
wetsvoorstel in voorbereiding, zodanig dat het stichtingsvereiste niet geldt voor
pensioeninstellingen uit een andere lidstaat die als verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds
actief zijn op de Nederlandse markt. Deze instellingen moeten echter wel een rechtspersoon
zonder winstoogmerk zijn en er mogen geen uitkeringen aan oprichters worden gedaan,
conform het doel van een Nederlandse stichting. Op deze manier wordt de noodzakelijke
bescherming van de pensioendeelnemers – dat pensioengelden inclusief rendementen/winsten
ten goede komen aan deelnemers- geborgd.
Daarnaast dient een pensioenuitvoerder uit een andere lidstaat waarborgen waaronder
een governancesysteem te hebben, dat de afbakening van taken en de controle van werkgevers,
werknemers en pensioengerechtigden omvat, dat hetzelfde resultaat bereikt als de governance
die van toepassing is op een in Nederland gevestigde pensioenuitvoerder. In overleg
met de Europese Commissie en de nationale toezichthouders zal worden onderzocht hoe
deze op resultaten gebaseerde beoordeling zo effectief mogelijk kan worden uitgevoerd,
rekening houdend met de voorwaarden die gelden onder de (herziene) IORP II-richtlijn
en het in Nederland gehechte belang aan de adequate bescherming van de belangen van
deelnemers bij een verplichtstelling. De betreffende wetswijziging zal worden meegenomen
in de implementatiewetgeving van de lopende herziening van de IORP II-richtlijn. Ik
zal uw Kamer in het tijdpad van die implementatiewetgeving ook meenemen in de nadere
uitwerking van dit voornemen.
Ik hecht eraan te benoemen dat hiermee invulling wordt gegeven aan de zienswijze van
de Europese Commissie. Het is en blijft ook na aanpassing van de wet aan sociale partners
om een pensioenregeling af te spreken en keuzes te maken over de onderbrenging van
de pensioenregeling bij een bedrijfstakpensioenfonds. Sociale partners zullen dus
altijd met inachtneming van de belangen van de (potentiële) deelnemers en gepensioneerden
en met instemming van deelnemers en gepensioneerden zelf moeten kiezen óf ze de pensioenregeling
bij een buitenlandse instelling willen onderbrengen en beoordelen welke consequenties
dit kan hebben voor de deelnemers.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.A. Vijlbrief
Ondertekenaars
J.A. Vijlbrief, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid