Brief regering : Weerbare natuur, veilige samenleving
30 821 Nationale Veiligheid
33 576
Natuurbeleid
Nr. 336
BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW, VISSERIJ, VOEDSELZEKERHEID EN NATUUR
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 22 mei 2026
Nederland is recent geconfronteerd met natuurbranden die onze samenleving direct raken.
Hierover heb ik uw Kamer samen met de Minister van Justitie en Veiligheid (JenV) en
de Staatssecretaris van Defensie geïnformeerd1. Deze natuurbranden onderstrepen onze kwetsbaarheid én het belang van goede voorbereiding,
samenwerking en tijdige actie. Rijk, provincies, gemeenten, veiligheidsregio’s, natuurbeheerders
en kennisinstellingen versterken daarom hun samenwerking voor bescherming van onze
natuur én onze veiligheid, in lijn met de Kamerbrief «Samen sterker tegen natuurbranden»2.
Hierbij informeer ik uw Kamer, mede namens de Minister van JenV, over recente inzichten,
ontwikkelingen en vervolgstappen op het gebied van natuurbrandbeheersing. Ik ga daarbij
in op internationale en Europese ontwikkelingen, het belang van vitale natuur en biodiversiteit,
effectieve en veilige inzet van hulpdiensten, bestuurlijke regie, wet- en regelgeving
en financiering.
Nederland bereidt zich voor, samen met de wereld
Internationaal groeit het besef dat natuurbranden niet uitsluitend met brandbestrijding
kunnen worden beheerst3. Effectievere bestrijding neemt onderliggende risico’s, zoals brandbare vegetatie,
verdroging en kwetsbare gebiedsinrichting, niet weg. Daarom verschuift de aandacht
wereldwijd naar integrale natuurbrandbeheersing, met meer nadruk op preventie en risicobeperking.
Het afgelopen najaar is binnen de Verenigde Naties dan ook een resolutie aangenomen
over het versterken van de wereldwijde inzet op integrale natuurbrandbeheersing4.
De door de Europese Unie gesteunde Kananaskis Wildfire Charter5 past binnen deze ontwikkeling. Daarin wordt het belang benadrukt van wetenschappelijke
én lokale kennis, op de natuur gebaseerde oplossingen en een brede maatschappelijke
aanpak van natuurbrandrisico’s. Afgelopen najaar ondertekende Nederland dan ook samen
met landen uit alle delen van de wereld een oproep om natuurbranden via een integrale
aanpak proactief te voorkomen en de weerbaarheid te vergroten6.
Ook in Europa is deze beweging duidelijk zichtbaar. De Europese Commissie publiceerde
afgelopen maart een nieuwe strategie voor integrale natuurbrandbeheersing7. Daarin benadrukt ook de Commissie het belang van op de natuur gebaseerde oplossingen
voor het realiseren van brandbestendige landschappen. Hiertoe publiceerde de Commissie
nieuwe richtsnoeren die relevant zijn voor natuurbrandbeheersing in Natura 2000-gebieden8. De kabinetsappreciatie van het voorstel van de Europese Commissie heeft uw Kamer
reeds ontvangen9.
Een structureel veiligheidsrisico, nu en in de toekomst
Natuurbranden vormen in Nederland een structureel veiligheidsrisico, met mogelijk
grote maatschappelijke gevolgen. Klimaat- en natuurrampen kunnen vrijwel alle nationale
veiligheidsbelangen raken, waaronder territoriale, fysieke, economische en ecologische
veiligheid, evenals sociaal-politieke stabiliteit10.
Door klimaatverandering nemen weersextremen toe en verschuift het gebied met een verhoogd
natuurbrandrisico richting Centraal- en Noord-Europa11. Ook Nederland krijgt daardoor vaker te maken met omstandigheden die natuurbranden
kunnen versterken. Droogte, hitte, drogere lucht, verdroging en vergrassing maken
natuurgebieden brandbaarder. Daardoor neemt de kans op sneller verspreidende en intensere
natuurbranden toe12, 13. Ook nu al zijn grootschalige natuurbranden in Nederland mogelijk14. De dichtbevolktheid van ons land en de verwevenheid van natuur met recreatie, wonen,
werken, zorgfuncties en vitale infrastructuur zorgen ervoor dat een brand al snel
grote maatschappelijke gevolgen kan hebben.
Het risico reikt verder dan de brand zelf: rookoverlast, gezondheidsschade, evacuaties,
schade aan natuur, verstoring van verkeer en energievoorzieningen en economische schade
zijn allemaal mogelijk. Schaarste aan personeel en middelen kan bovendien toenemen
en hulpdiensten en overheid voor moeilijke keuzes stellen15. Recente natuurbranden laten zien dat risicobeheersing noodzakelijk is. Daarom is
het versterken van natuurbrandbeheersing opgenomen als prioriteit in de Veiligheidsstrategie
voor het Koninkrijk der Nederlanden16.
De toekomst ligt in een integrale aanpak
Onze inzet is gericht op voorkomen wat kan, voorbereiden waar het moet, effectief
reageren wanneer nodig en herstellen met meer weerbaarheid voor natuur en samenleving.
Daarbij wordt het uitgangspunt van meerlaagsveiligheid gehanteerd: bewustwording,
preventie, mitigatie, bestrijding en herstel.17 Daarnaast zal ik binnenkort met hulp van Staatsbosbeheer een nationaal centrum voor
natuurbrandbeheersing oprichten dat gaat helpen om kennis en praktijkervaring over
natuurbranden samen te brengen en verder te ontwikkelen.
Natuurbrandbeheersing is een gezamenlijke opgave die geen enkele partij alleen kan
dragen.Het Rijk is verantwoordelijk voor de nationale kaders, de verbinding met klimaatadaptatie,
natuurbeleid, crisisbeheersing en internationale samenwerking. Daarbij is LVVN verantwoordelijk
voor risicobeheersing en JenV voor crisisbeheersing. Provincies hebben een centrale
rol in natuurbeleid, gebiedsprocessen en ruimtelijke keuzes. Gemeenten zijn verantwoordelijk
voor lokale ruimtelijke ordening en openbare orde en veiligheid. Veiligheidsregio’s
dragen zorg voor voorbereiding op incidentenbestrijding en crisisbeheersing. Terreinbeheerders
beheren de gebieden waar risico’s zich manifesteren en kennisinstituten leveren de
kennisbasis.
Aangezien de opgave meerdere beleidsterreinen en bestuurslagen raakt, vraagt deze
gezamenlijke verantwoordelijkheid om bestuurlijke regie. Daarbij gaat het niet om
het overnemen van taken, maar om samenhang, het adresseren van knelpunten en duidelijke
verantwoordelijkheden. Door de diversiteit aan landschappen en de verschillen in structuur,
samenstelling en staat van de natuur moet natuurbrandbeheersing zoveel mogelijk gebiedsgericht
worden aangepakt en op passend niveau worden geïmplementeerd.
De natuur beschermt ons, als wij de natuur beschermen
Vitale natuur en biodiversiteit zijn essentieel voor veiligheid. Wanneer natuur verdroogt,
verarmt of vergrast, neemt de kwetsbaarheid voor natuurbranden toe. Dat raakt niet
alleen natuurdoelen, maar ook de veiligheid van mensen, dieren en de fysieke leefomgeving.
Natuurbranden zijn nooit volledig uit te sluiten, maar gezonde, diverse en goed beheerde
ecosystemen maken het landschap weerbaarder tegen brand en helpen risico’s en gevolgen
te beperken.
Gezonde ecosystemen zijn bovendien beter in staat zich aan te passen aan klimaatverandering.
Op de natuur gebaseerde oplossingen kunnen daarbij tegelijk bijdragen aan risicobeheersing
en natuurherstel18. Denk aan beheerbranden, begrazing, hydrologisch herstel en het vergroten van variatie
in leeftijd, structuur en soorten in de vegetatie. Zulke maatregelen verminderen brandbaar
materiaal, houden brandgangen vrij en verkleinen de brandbaarheid. Het versterken
van veiligheid is dus geen reden om natuurdoelen los te laten, maar om natuur robuuster
te maken. Ook recente Europese richtsnoeren voor het beheer van Natura 2000-gebieden
in de context van klimaatverandering benadrukken dit19.
Deze aanpak vraagt om gebiedsgericht maatwerk en kennis. Niet elke maatregel is overal
wenselijk of effectief en vaak is een combinatie van maatregelen nodig. Timing is
daarbij net zo belangrijk als locatie. Zonder onderhoud neemt de werking van maatregelen
na verloop van tijd af. Overheden, terreinbeheerders en kennisinstituten moeten gezamenlijk
bepalen welke maatregelen effectief en haalbaar zijn. Duurzaam bosbeheer, natuurherstel,
revitalisering en klimaatadaptatie zijn daarbij essentieel voor brandbestendige natuur.
Effectieve en veilige inzet van hulpdiensten
Gezonde natuur, biodiversiteit en een slimme inrichting van de fysieke leefomgeving
vergroten de kans op een effectieve en veilige inzet van de brandweer. Onderbrekingen
in brandbare vegetatie, bereikbare locaties, voldoende bluswater, opstelplaatsen,
actuele informatie, toegangswegen en vluchtroutes zijn daarbij cruciaal. Zij creëren
tijd en ruimte voor de brandweer om een natuurbrand snel te bereiken, veilig te bestrijden
en escalatie naar mens, dier, natuur en bebouwing te voorkomen.
Kostbare tijd gaat verloren op het moment dat elke minuut telt wanneer pas tijdens
een natuurbrand wordt bepaald wat prioriteit heeft en waar ingrijpen mogelijk is.
De betrokkenheid van hulpdiensten begint daarom niet bij de melding, maar al bij de
inrichting en het beheer van een gebied. Veiligheidsregio’s moeten daarom vroegtijdig
worden betrokken bij gebiedsinrichting, natuurbeheer, recreatieve ontwikkelingen en
ruimtelijke plannen in en rond natuurgebieden.
De brandweer kan het meest effectief en veilig optreden in gebieden die daarop zijn
voorbereid. Dat betekent niet dat natuurgebieden als stedelijke omgeving moeten worden
ingericht, maar wel dat veiligheid een volwaardig onderdeel is van de afweging. De
verwevenheid van natuur, recreatie, wonen, infrastructuur en veiligheid vraagt daarbij
om gezamenlijke keuzes.
Bestaande juridische kaders
Natuurbrandbeheersing raakt aan natuur- en milieubescherming, veiligheid, gezondheid
en de inrichting en het beheer van de fysieke leefomgeving. Daardoor zijn verschillende
wettelijke kaders, bestuursorganen en zorgplichten van belang.
De Grondwet bepaalt dat de overheid zorg moet dragen voor de bewoonbaarheid van het
land, de bescherming en verbetering van het leefmilieu en de bevordering van de volksgezondheid20. Onder de Omgevingswet moeten bestuursorganen hun taken uitoefenen met oog voor de
wettelijke doelen en de samenhang binnen de fysieke leefomgeving, waarbij afstemming
met andere bestuursorganen nodig kan zijn21. Daarnaast geldt een algemene zorgplicht voor de fysieke leefomgeving: iedereen moet,
voor zover redelijkerwijs mogelijk, nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving
en de mens voorkomen, beperken of ongedaan maken22. Als dat niet mogelijk is, moeten activiteiten die zulke gevolgen veroorzaken achterwege
blijven, voor zover dat redelijkerwijs kan worden verlangd. De zorgplicht geldt daarbij
niet alleen voor actief handelen, zoals het wijzigen of gebruiken van onderdelen van
de fysieke leefomgeving of het uitvoeren van risicovolle activiteiten, maar ook voor
situaties waarin iemand juist nalaat om maatregelen te nemen en daardoor nadelige
gevolgen kunnen ontstaan.
Voor natuur, soorten en gebieden gelden meer specifieke verplichtingen. Er gelden
specifieke zorgplichten voor Natura 2000-gebieden en soorten en hun leefgebieden23. Het provinciebestuur moet maatregelen nemen voor de bescherming, instandhouding
en het herstel van leefgebieden van vogelsoorten en voor het behoud of herstel van
inheemse dier- en plantensoorten24. Voor Natura 2000-gebieden in beheer van het Rijk (uitgezonderd de gebieden van Staatsbosbeheer)
is het aan de beheerverantwoordelijke minister om maatregelen te treffen om de instandhoudingsdoelstellingen
te behalen25. Daarbij moeten ook economische, sociale, culturele en regionale belangen en lokale
omstandigheden worden meegewogen26.
De Natuurherstelverordening bepaalt bovendien dat Nederland bij natuurherstel rekening
moet houden met klimaatrisico’s en het voorkomen van natuurrampen27. Bij herstel van bosecosystemen moet specifiek worden gekeken naar het risico op
bosbranden. Ook moet bij de keuze en prioritering van herstelmaatregelen worden beoordeeld
hoe deze samenhangen met onder andere het voorkomen van natuurrampen. In het nationale
herstelplan moet worden toegelicht hoe rekening is gehouden met klimaatveranderingsscenario’s,
met de mate waarin herstelmaatregelen klimaatschade en natuurrampen kunnen voorkomen
of beperken, en met de aansluiting op de Nationale klimaatadaptatiestrategie28 en de Rijksbrede Risicoanalyse Nationale Veiligheid29.
Brandpreventieve maatregelen in beschermde natuurgebieden moeten zorgvuldig worden
afgewogen. Voor maatregelen in een Natura 2000-gebied, zoals beheer- of inrichtingsmaatregelen
om natuurbranden te voorkomen of te beperken, zal vaak vanwege de mogelijk significante
gevolgen voor natuurdoelen een passende beoordeling nodig zijn30. Die beoordeling is niet nodig als de maatregelen al onderdeel zijn van vastgestelde
instandhoudingsmaatregelen, of als er sprake is van een direct gevaar waardoor meteen
handelen nodig is.
Afwijken van beschermingsregels kan alleen onder strikte voorwaarden. Voor Natura
2000-gebieden mag dat alleen als er geen andere oplossing is, er sprake is van een
dwingende reden van groot openbaar belang (waaronder het beschermen van de gezondheid
van mensen en de openbare veiligheid) en eventuele schade wordt gecompenseerd31. Voor beschermde soorten gelden vergelijkbare voorwaarden32. Daarbij moet onder meer worden voorkomen dat de gunstige staat van instandhouding
van de soort wordt aangetast.
Ook voor brandweerzorg, crisisbeheersing en brandpreventie zijn wettelijke taken en
regels vastgelegd. Het college van burgemeester en wethouders is verantwoordelijk
voor de organisatie van brandweerzorg, rampenbestrijding en crisisbeheersing33; de burgemeester heeft het gezag bij brand en ongevallen waarbij de brandweer optreedt34; en de veiligheidsregio inventariseert risico’s, stelt een risicoprofiel op en adviseert
over brandpreventie en veiligheid35. Rook- en vuurverboden kunnen via de Algemene Plaatselijke Verordening worden geregeld.
Daarnaast moeten omgevingsplannen rekening houden met risico’s van branden, rampen
en crises36, moet natuurbrand worden opgenomen op de provinciale risicokaart37 en gelden in natuurgebieden regels over het voorkomen en melden van brandgevaar38. Onzorgvuldig of gevaarzettend handelen kan strafrechtelijke en civielrechtelijke
gevolgen hebben39.
Verder moet voor calamiteiten waarbij weersomstandigheden een belangrijke rol spelen,
tijdig worden gewaarschuwd40. Dit geldt ook voor natuurbranden, die sterk kunnen samenhangen met droogte, hitte
en wind. Het KNMI kan hierbij ondersteuning bieden41. Daarnaast kan de commissaris van de Koning bijdragen aan het bevorderen van de samenwerking
tussen betrokken partijen42.
Beoogde aanpassingen Omgevingswet
Afgelopen najaar nam de Kamer de motie van voormalig lid Veltman aan over de voorbereiding
van wetgeving ter voorkoming en beperking van natuurbranden43. De bestaande wettelijke kaders bieden aanknopingspunten voor natuurbrandbeheersing,
maar zij leiden nog niet vanzelf tot een samenhangende, gebiedsgerichte en bestuurlijk
geborgde aanpak. De Omgevingswet bevat al belangrijke uitgangspunten over samenhang
in de fysieke leefomgeving, zorgplichten, afstemming tussen bestuursorganen en het
betrekken van risico’s van branden, rampen en crises bij omgevingsplannen. Tegelijkertijd
is natuurbrandbeheersing daarin nog onvoldoende expliciet verankerd als opgave waarbij
bewustwording, preventie, mitigatie, bestrijding en herstel met elkaar worden verbonden
en gezamenlijk door betrokken partijen worden nagestreefd.
Daarom wordt bekeken hoe een samenhangende, gebiedsgerichte aanpak nadrukkelijker
in het stelsel van de Omgevingswet kan worden opgenomen. Het doel is niet een nieuw
stelsel te creëren, maar het duidelijker verbinden en uitvoerbaarder maken van bestaande
verantwoordelijkheden. Vanuit het oogpunt van bescherming van de fysieke leefomgeving
(waaronder natuur) biedt de Omgevingswet daarvoor het aangewezen kader.
Daarbij worden twee wettelijke ingrepen verkend, waarbij wordt aangesloten bij de
lijn die eerder richting de Kamer is geschetst44. Ten eerste wordt bekeken of onder de Omgevingswet een verplicht programma voor natuurbrandbeheersing
kan worden geïntroduceerd. Een verplicht programma kan de bestuurlijke samenhang borgen
en per natuurbrandrisicogebied doelen, maatregelen, prioriteiten, verantwoordelijkheden
en restrisico’s inzichtelijk maken. Daarbij ligt het voor de hand dat provincies een
centrale rol krijgen bij het opstellen van deze programma’s, gelet op hun rol in natuurbeleid,
gebiedsprocessen en de fysieke leefomgeving. Gemeenten, veiligheidsregio’s, terreinbeheerders
en andere relevante partijen worden daarbij betrokken.Ik zal hierover binnenkort bestuurlijk
in gesprek gaan met de provincies en bezien of nadere samenwerkingsafspraken kunnen
worden vastgesteld voor de periode tot aan de wettelijke verankering.
Ten tweede wordt bezien of een specifieke zorgplicht kan worden opgenomen voor het
voorkomen en beperken van natuurbrandrisico’s. De Omgevingswet kent al een algemene
zorgplicht voor de fysieke leefomgeving, maar een nadere explicitering kan verduidelijken
wat in natuurbrandrisicogebieden redelijkerwijs van eigenaren, beheerders, gebruikers
en overige partijen mag worden verwacht. Zo wordt de verantwoordelijkheid voor natuurbrandbeheersing
niet alleen in beleid en planvorming vastgelegd, maar ook verbonden met het dagelijks
beheer en gebruik van kwetsbare gebieden.
Duurzaam investeren in natuurbrandbeheersing
Aangezien Nederland vaker en intensiever met natuurbranden te maken krijgt, blijft
investeren in voorkomen en beperken essentieel. Daarmee worden schade, herstelkosten,
maatschappelijke ontwrichting en bestrijdingskosten beperkt. Investeringen op de korte
termijn leveren later besparingen op. De schade van één onbeheersbare natuurbrand
kan vele malen groter zijn dan de kosten van risicobeheersing. Tijdige risicobeperking
is daarmee niet alleen noodzakelijk vanuit het oogpunt van veiligheid en leefbaarheid,
maar ook doelmatig vanuit economisch en ecologisch perspectief.
Op de begroting van LVVN is voor de periode 2024 tot en met 2030 € 70 miljoen beschikbaar
voor het voorkomen en beperken van natuurbranden45. De Kamer is eerder geïnformeerd over de besteding van deze middelen in twee tranches:
circa € 12 miljoen in de eerste tranche46 en circa € 58 miljoen in de tweede tranche47. Over de inzet van circa € 29 miljoen voor risicobeperkende maatregelen binnen de
tweede tranche moest nog besluitvorming plaatsvinden. Dat besluit is inmiddels genomen.
De middelen worden zo spoedig mogelijk via een decentralisatie-uitkering overgeheveld
naar de provincies. Daarbij is het van belang dat zij, in overleg met natuurbeheerders,
bekijken hoe de middelen effectief en efficiënt kunnen worden ingezet en aangewend
voor maatregelen die bijdragen aan een brandveilig landschap. De komende periode blijft
hierover nauw overleg met de provincies plaatsvinden, met oog voor de gezamenlijke
verantwoordelijkheid en een zorgvuldige en effectieve benutting van de middelen. Daarmee
komt de inzet van de beschikbare € 70 miljoen neer op circa € 59 miljoen voor planvorming
en risicobeperkende maatregelen, en circa € 11 miljoen voor kennisontwikkeling en
innovatie.
Tijdens mijn werkbezoek over natuurbranden op de Utrechtse Heuvelrug van 6 mei 2026
hebben de Kring van de commissarissen van de Koning, het Veiligheidsberaad, het IPO,
de Vereniging van Bos- en Natuurterreineigenaren en de Unie van Bosgroepen benadrukt dat natuurbrandbeheersing meer vergt
dan een eenmalige investering en blijvende inzet vraagt.
Deze gezamenlijke oproep weegt zwaar, omdat hierin gezag, bestuur, veiligheid, natuur,
eigendom, beheer en uitvoering samenkomen. Zij pleiten voor structurele financiële
ondersteuning van jaarlijks € 45 miljoen, zodat zij gezamenlijk invulling kunnen geven
aan deze opgave en aan de voorgenomen nieuwe wettelijke taken. Met deze middelen willen
zij onder andere structureel beleid ontwikkelen, beheer- en inrichtingsmaatregelen
nemen, werken aan landelijke inzetbare specialistische natuurbrandteams, gezamenlijk
oefenen en trainen. Ook kunnen zij met het KNMI en het beoogde nationaal centrum voor
natuurbrandbeheersing werken aan projecten van nationaal belang, zoals een vernieuwde
wetenschappelijk onderbouwde waarschuwingssystematiek voor natuurbrandgevaar.
Voorop staat dat ik het zeer waardeer dat medeoverheden en natuurbeheerders bereid
zijn gezamenlijk bij te dragen aan het beschermen van de samenleving en het realiseren
van weerbare natuur. Ik zal beoordelen welke mogelijkheden er zijn binnen de beschikbare
middelen voor natuur uit het Coalitieakkoord, maar ik kan nu niet op de besluitvorming
vooruitlopen.
Tot slot
Bij de hierboven beschreven aanpak neemt de overheid haar verantwoordelijkheid door
duidelijke kaders te stellen en regie te voeren, met zorg voor mensen, dieren, natuur
en de leefomgeving. Tegelijkertijd blijft er ruimte voor lokale en regionale afwegingen.
De intrinsieke waarde van de natuur vraagt daarbij om een zorgvuldige omgang met ecosystemen,
ook wanneer veiligheidsmaatregelen noodzakelijk zijn. Samenwerking tussen betrokken
partijen is daarbij onmisbaar, omdat natuurbranden zich niet houden aan bestuurlijke,
eigendoms- of gebiedsgrenzen. Daarbij is ook een eerlijke verdeling van kosten, verantwoordelijkheden
en maatregelen tussen overheden, terreinbeheerders en gebruikers van belang.
De natuurbranden van de afgelopen weken tonen dat natuurbrandbeheersing geen abstracte
beleidsopgave is. Het gaat om mensen die hun woning, bedrijf of recreatieplek bedreigd
zien. Het gaat om hulpverleners die onder moeilijke omstandigheden hun werk doen.
Het gaat om natuur die snel zwaar beschadigd kan raken. En het gaat om een samenleving
die steeds vaker te maken krijgt met de gevolgen van een veranderend klimaat.
De les is helder: Nederland moet leren leven met een groter natuurbrandrisico, zonder
zich daarbij neer te leggen. Risico’s kunnen omlaag door gebieden slimmer in te richten,
natuur robuuster te maken, hulpdiensten beter te ondersteunen, te zorgen voor goede
publiekscommunicatie en bestuurlijk scherper te organiseren wie wanneer aan zet is.
Dat vraagt om vasthoudendheid en bereidheid om vooruit te kijken.
Ik zal uw Kamer blijven informeren over de ontwikkelingen en voortgang.
De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, J. van Essen
Indieners
J. van Essen, minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur