Brief regering : Geannoteerde agenda van de JBZ-Raad van 4-5 juni 2026
32 317 JBZ-Raad
Nr. 1003
BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID, DE MINISTER VAN ASIEL EN MIGRATIE
EN DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 22 mei 2026
Hierbij bieden wij, mede namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
uw Kamer de geannoteerde agenda aan van de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken (JBZ-Raad)
van 4–5 juni a.s. in Luxemburg.
Daarnaast informeren wij uw Kamer over de volgende onderwerpen.
Afronding Verordening bescherming volwassenen
De Raad en het Europees Parlement hebben onlangs een akkoord bereikt over het voorstel
voor een verordening inzake de bescherming van volwassenen die vanwege een stoornis
of ontoereikendheid van hun persoonlijke vermogens niet in staat zijn zelf hun belangen
te behartigen. Het voorstel heeft tot doel de bescherming van deze volwassenen te
versterken door te regelen welke rechter in grensoverschrijdende situaties bevoegd
is om beschermingsmaatregelen te treffen en welk recht daarop van toepassing is. Daarnaast
bevat het voorstel regels over de erkenning en tenuitvoerlegging van beschermingsmaatregelen
en de aanvaarding van authentieke akten in andere lidstaten. Het voorstel voorziet
ook in samenwerkingsbepalingen tussen de centrale autoriteiten van de verschillende
lidstaten.
Het kabinet verwelkomt deze stap. Met dit voorstel worden de rechten van volwassenen
die bescherming of ondersteuning nodig hebben in grensoverschrijdende situaties, zoals
verkoop van eigendom, medische zorg in het buitenland of verhuizing naar een ander
land, beter gewaarborgd. Na de formele goedkeuring en publicatie van de verordening
zal de uitvoeringswetgeving worden opgestart.
Toezegging juridisch kader herbeoordelen
In het commissiedebat Vreemdelingen- en asielbeleid van 13 mei jl. is uw Kamer toegezegd
het juridische kader inzake herbeoordelen per brief uiteen te zetten. Met deze brief
doe ik deze toezegging gestand.
Uit de EU Kwalificatierichtlijn en vaste jurisprudentie van het EU Hof van Justitie1 volgt dat de internationale beschermingsstatus enkel mag worden verleend aan personen
die aan de voorwaarden voor internationale bescherming voldoen. Indien een vreemdeling
met een status niet langer aan de voorwaarden voldoet kan worden overgaan tot de intrekking
van de verleende verblijfsstatus. In art. 11 en art. 16 van de huidige Kwalificatierichtlijn
en in artikel 11 en artikel 16 van de Kwalificatieverordening onder het Pact die op
12 juni aanstaande in werking treedt, staan de voorwaarden beschreven waaraan voldaan
moet worden alvorens overgegaan kan worden tot het intrekken van een beschermingsstatus.
Uit deze artikelen, geïmplementeerd in artikel 3.37g van het Voorschrift Vreemdelingen
2000 en vanaf 12 juni aanstaande met rechtstreekse werking op grond van de Kwalificatieverordening,
volgt dat bij veranderde omstandigheden in het land van herkomst beoordeeld wordt
of de wijziging van de omstandigheden een voldoende ingrijpend en niet-voorbijgaand
karakter heeft om de gegronde vrees voor vervolging dan wel het reële risico op ernstige
schade weg te nemen. In het kader van Syrië geldt zoals genoemd in de brief van 22 april
jl. dat het kabinet gelet op de geweldsuitbarstingen die in delen van Syrië plaatsvinden
nog niet kan concluderen dat er sprake is van een «niet-voorbijgaande» situatie. In
jurisprudentie van het EU Hof van Justitie is de invulling van de term «voldoende
ingrijpend en niet-voorbijgaand» nog niet uitgekristalliseerd ten aanzien van het
intrekken van subsidiaire bescherming, waar het in de context van Syrië naar verwachting
in het merendeel van de gevallen over zal gaan.
Bij de intrekking van een verblijfsvergunning dient rekening te worden gehouden met
de omstandigheid dat een vreemdeling de reeds verworven rechten zal verliezen. Een
dergelijk ingrijpend besluit kan derhalve niet te makkelijk worden genomen. Daar komt
bovenop dat bij het herbeoordelen van verleende statussen de bewijslast volledig op
de IND rust. Dit volgt uit artikel 14, tweede lid, Kwalificatierichtlijn waarin is
bepaald dat het aan de lidstaat is om aan te tonen dat een vreemdeling geen vluchteling
meer is of dat nooit is geweest en artikel 19, vierde lid, Kwalificatierichtlijn waarin
is bepaald dat het aan de lidstaat is om aan te tonen dat een vreemdeling niet of
niet langer in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming. Dit strookt met algemene
zorgvuldigheidsbeginselen zoals die voortvloeien uit o.a. artikel 3:2 en artikel 3:46
van de Awb.
Indachtig dit alles blijft de inzet van dit kabinet, zoals ook benoemd in de brief
van 22 april jl., om over te gaan tot het herbeoordelen van al afgegeven verblijfsvergunningen
aan Syriërs zodra dat kan.
De Minister van Justitie en Veiligheid,
D.M. van Weel
De Minister van Asiel en Migratie,
G. van den Brink
De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
K.T. van Bruggen
Geannoteerde agenda van de bijeenkomst van de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken,
4 en 5 juni 2026
I. Binnenlandse Zaken
1. Algemene staat van het Schengengebied
a. Verslag van de Commissie over de toestand van Schengen 2026
Gedachtewisseling
b. Prioritaire acties voor de Schengenraad-cyclus 2026–2027
Goedkeuring
Op 18 mei publiceerde de Europese Commissie (hierna: Commissie) het jaarlijkse Staat
van Schengenrapport.2 De Commissie benoemt de daling van irreguliere grensoverschrijdingen en secundaire
migratiebewegingen, alsook versterkte grensoverschrijdende samenwerking en een verhoging
van de terugkeercijfers als belangrijke successen voor de Staat van Schengen. Tegelijk
benadrukt de Commissie het belang dat tekortkomingen in het Schengengebied tijdig
worden geadresseerd, ook met het oog op de huidige volatiele geopolitieke omgeving
en een steeds complexer wordend veiligheidslandschap. In het rapport identificeert
de Commissie EU Visumbeleid, extern grensbeheer, terugkeer, interne veiligheid en
Schengengovernance als de belangrijkste aandachtsgebieden. Hierbij doet de Commissie
ook een voorstel voor operationele acties binnen deze gebieden, vooruitlopend op de
discussie in de Raad over de vaststelling van de prioriteiten van de Schengenraadscyclus
voor 2026–2027. Uw Kamer zal bij het verslag van de JBZ-Raad van 4 en 5 juni 2026
een kabinetsappreciatie ontvangen van het Staat van Schengenrapport.
De discussie in de Schengenraad zal naar verwachting focussen op de vaststelling van
de prioriteiten van de Schengenraadscyclus voor 2026–2027. Op het moment van schrijven
is er nog geen discussiestuk beschikbaar. Mogelijk zal het Voorzitterschap het voorstel
voor prioriteiten baseren op de hierboven benoemde aandachtsgebieden. Een andere mogelijkheid
is dat de bestaande prioriteiten (implementatie grootschalige IT-systemen, versterken
buitengrens en terugkeer en verbeteren interne veiligheid in een gebied zonder binnengrenscontroles)
met een jaar zullen worden verlengd. Het kabinet acht het van belang dat de prioriteiten
van de jaarlijkse Schengencyclus gericht zijn op het aanpakken van de belangrijkste
aandachtspunten en tekortkomingen binnen het Schengengebied. Specifieke aandachtsgebieden
voor het kabinet zijn daarbij externe grensbeheer, terugkeer en interne veiligheid.
Daarnaast is het streven om tijdens deze JBZ-Raad Raadsconclusies aan te nemen om
de Schengengovernance zowel op Europees en nationaal niveau te versterken, bijvoorbeeld
door het versterken van de nationale governance structuren, meer strategisch gebruik
van monitoringsmiddelen en het voeren van discussies op politiek niveau over tekortkomingen
in de implementatie van het Schengen acquis. Dit is een belangrijke prioriteit voor het kabinet. Tekortkomingen van de implementatie
van het Schengen acquis hebben immers een belangrijke impact op de integriteit en veiligheid van het Schengengebied
als geheel. Het kabinet kan daarom instemmen met de Raadsconclusies.
2. Implementatie van interoperabiliteit
Stand van zaken
Tijdens dit agendapunt zal het Cypriotisch voorzitterschap, samen met eu-LISA, een
update geven van de stand van zaken rondom de Interoperabiliteit routekaart. Deze
routekaart is tijdens de JBZ-Raad van 5-6 maart jl. aangenomen en betreft een routekaart
voor de implementatie van grootschalige IT-systemen en hun onderlinge interoperabiliteit.
Er zal een overzicht gegeven worden van de belangrijkste ontwikkelingen rondom deze
systemen.
Centraal staan de ervaringen en resultaten van de gefaseerde ingebruikname van het
Entry/Exit System (EES), dat op 12 oktober 2025 operationeel is geworden en na een periode van 180
dagen op 10 april is afgerond. Het EES is sinds die datum in Nederland op alle grensdoorlaatposten
operationeel, maar nog niet volledig in werking. Vanwege technische aandachtspunten
van de nationale ICT-systemen, is tijdelijk gebruik gemaakt van de mogelijkheid om
zo veel mogelijk biometrische gegevens te verwerken, maar in elk geval de biografische
gegevens in het systeem op te nemen. Samen met de relevante partners wordt toegewerkt
naar volledig biometrische registratie. Nederland staat hierover in nauw contact met
de Commissie.
Verder zal vooruit worden geblikt op de planning en voorbereidingen voor de implementatie
van het vernieuwde Eurodac-systeem, dat op 12 juni 2026 in werking zal treden. Dit
hangt samen met de inwerkingtreding van het Migratiepact, eveneens op 12 juni a.s.
De Commissie publiceerde op 8 mei jl. de voortgangsrapportage over de implementatie
van het Migratiepact, waarin zij ook ingaat op de stand van zaken met betrekking tot
Eurodac. De appreciatie van het kabinet over deze voortgangsrapportage heeft uw Kamer
dinsdag 19 mei jl. ontvangen.3 Voorts zal er vooruitgeblikt worden op de inwerkingtreding van het European Travel Information and Authorisation System (ETIAS), die gepland staat voor het vierde kwartaal van 2026.
Het kabinet zal tijdens de JBZ-Raad kennisnemen van de gepresenteerde ontwikkelingen.
3. Toekomstige juridische status van ontheemde personen uit Oekraïne
Gedachtewisseling (lunchbespreking)
Naar verwachting zal de Commissie onder dit agendapunt verschillende scenario’s presenteren
voor een mogelijke verlenging van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB), waarover
de JBZ-Raad van gedachten zal wisselen. Het doel van deze uitwisseling is een inventarisatie
voor de steun van een eventuele verlenging van de RTB en de voorwaarden voor een dergelijke
verlenging. In dat kader zal waarschijnlijk ook aandacht zijn voor een mogelijke scopebeperking
van de RTB. Bij de vorige verlenging werd de scope van de RTB al beperkt, waardoor
ontheemde personen uit Oekraïne die in een lidstaat al tijdelijke bescherming hebben
ontvangen, de tijdelijke bescherming geweigerd kan worden in een andere lidstaat.
Nederland kan een verlenging van de RTB van maart 2027 tot maart 2028 steunen. Een
verlenging zal meer ruimte geven voor het zorgvuldig inregelen van de nationale uitfasering
van de RTB en de ingezette overgang naar het langetermijnbeleid. Daarnaast staat Nederland
ervoor open om een verdere scopebeperking te overwegen, zolang deze juridisch haalbaar
en uitvoerbaar is. Een voorbeeld van scopebeperking is het uitzonderen van personen
die in Oekraïne dienstplichtig zijn. Voorstellen tot scopebeperking zullen door het
kabinet zorgvuldig worden overwogen op het moment dat de Commissie een concreet voorstel
doet hiertoe.
4. Uitvoering van het Asiel- en Migratiepact
Stand van zaken
De Commissie zal in alle waarschijnlijkheid onder dit agendapunt een update geven
van de stand van zaken rond de implementatie van het Asiel- en Migratiepact (hierna:
Pact). Op 8 mei publiceerde de Commissie ook de voortgangsrapportage over de implementatie.4 De appreciatie van het kabinet ten aanzien van deze voortgangsrapportage is eerder
deze week met uw Kamer gedeeld.5 Met oog op de naderende inwerkingtreding van het Pact is het voor Nederland van belang
dat eventuele knelpunten zo spoedig mogelijk geadresseerd worden, aan de hand van
concrete acties, in navolging van de voortgangsrapportage van de Commissie. Daarnaast
is het van belang dat de Commissie ook na de inwerkingtredingsdatum van 12 juni 2026
de implementatie nauw blijft monitoren en uitdagingen in de implementatie ook op politiek
niveau worden besproken. Het kabinet zal deze punten benadrukken.
Het kabinet maakt ook graag van de gelegenheid gebruik om in te gaan op de stappen
die voorhanden zijn indien andere lidstaten het Pact niet naleven, in navolging van
motie Van der Plas.6 Hiermee ziet het kabinet deze motie als afgedaan. Nederland is gebaat bij een goed
werkend Europese asiel- en migratiesysteem. Het Pact is daar een belangrijke stap
naartoe. Het is voor het slagen van het Pact van belang dat de balans tussen verantwoordelijkheid
enerzijds en solidariteit anderzijds behouden blijft en daar zet het kabinet zich
ook voor in. Het kabinet hecht grote waarde aan een nauwe monitoring van de implementatie
van het Pact in aanloop naar de implementatiedatum van 12 juni en ook daarna. Het
is daarbij de taak van de Commissie om toe te zien op een goede uitvoering van de
afgesproken regels (Uniewetgeving) door de lidstaten. Ook heeft het Europese asielagentschap
(EUAA) een monitorende taak gekregen en kan de Commissie ingrijpen als een lidstaat
de aanbevelingen naar aanleiding van de monitoringsresultaten niet adequaat oppakt.
Middels de voortgangsrapportage die op 8 mei jl. is gepubliceerd heeft de Commissie
gerapporteerd over de voortgang van de implementatie. Deze monitoring zal de Commissie
ook na de implementatie datum van 12 juni a.s. continueren. Nederland steunt de Commissie
hierin en vraagt ook aandacht voor het bespreken van de implementatie in Raadsgremia,
waaronder de JBZ-raad. Nederland zal hier ook aandacht voor vragen tijdens de JBZ-raad
op 4 en 5 juni. Nederland blijft ook in gesprek met andere lidstaten om, als dat nodig
is, te kunnen ondersteunen bij de implementatie van het Pact. Dit kan onder andere
via het standing corps van Frontex of de pool van het EUAA. Daarbij weegt mee dat
de implementatie van het Pact een enorm omvangrijke en complexe klus is. Het is daarom
mogelijk dat bepaalde elementen van het Pact nog niet helemaal correct worden uitgevoerd
door lidstaten. Nederland vindt het van belang dat de Commissie daarbovenop zit. Verder
heeft onder de nieuwe Pact-wetgeving het structureel niet nakomen van de Dublinverplichtingen
als gevolg dat een lidstaat geen aanspraak kan doen op solidariteit van andere lidstaten
in het kader van het solidariteitsmechanisme. Als dit aan de orde is, zal Nederland
zich hiervoor inzetten. In uiterste gevallen is het mogelijk voor de Commissie om
een inbreukprocedure te starten tegen lidstaten die zich niet aan de wet houden (artikel
258 en 260 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie).
5. Externe dimensie van migratie: samenwerking met Somalië
Gedachtewisseling
Het Voorzitterschap voorziet op dit punt een gedachtewisseling over de samenwerking
met Somalië op het gebied van migratie. Centraal hierin staan naar verwachting de
samenwerking rondom terugkeer- en overname en de voorgestelde visummaatregelen om
deze samenwerking te verbeteren.7 Nederland heeft de afgelopen twee jaar intensief ingezet op het verbeteren van de
brede relatie met Somalië, waaronder terugkeersamenwerking. Dit heeft er toe geleid
dat Nederland een voorzichtige vooruitgang waarneemt wat betreft de terugkeersamenwerking
met dit land. Nederland en Somalië zijn erin geslaagd om voor het eerst in jaren gedwongen
terugkeer naar Somalië te effectueren. Het kabinet heeft vertrouwen in deze ontwikkeling
en blijft daarom inzetten op de brede samenwerking in wederkerig verband. Verder heeft
het Voorzitterschap ook aangegeven de discussie te willen richten op de samenwerking
met Somalië op de aanpak van mensensmokkelnetwerken. Nederland onderschrijft het belang
van het nauw samenwerken hierop en staat open voor manieren om deze aanpak te versterken.
De verwachting is dat andere lidstaten deze aanpak ook ondersteunen, en dat verscheidene
lidstaten net zoals Nederland een eerste verbetering van de samenwerking op terugkeer
hebben gezien.
6. Raadsconclusies over de gezamenlijke operationalisering van de EU-drugsstrategie
Goedkeuring
Tijdens dit agendapunt zal het Voorzitterschap Raadsconclusies over de implementatie
van de EU-drugsstrategie bespreken met de wens deze goed te keuren. Het kabinet verwelkomde
al eerder de EU-drugsstrategie en het EU-actieplan drugshandel.8 Met onderhavige Raadsconclusies wordt het EU-actieplan gesteund. Daarnaast doet het
Cypriotische voorzitterschap met onderhavige raadsconclusies – en het daarin vast
te stellen implementatiekader – een voorstel voor een operationele uitwerking op de
pilaren «health» en «harm» uit de strategie. Dit naar aanleiding van de opmerkingen van verschillende lidstaten
tijdens de ontwerpfase van de strategie. De Raadsconclusies omvatten voorstellen rondom:
1) het aanvullen van het EU-actieplan tegen drugshandel met gerichte werkstromen,
2) het zo volledig mogelijk benutten van bestaande mechanismen, hulpmiddelen en processen
waar het gaat om vraagvermindering en schadebeperking, en 3) het ontwikkelen van innovatieve
samenwerkingsprojecten tussen de lidstaten, EU-agentschappen en andere relevante actoren.
Op dit moment worden de Raadsconclusies nog besproken in de betrokken raadswerkgroep
in Brussel en is er nog geen definitieve tekst uitgewerkt. Het Kabinet is in algemene
zin positief over de verdere operationalisering dat met het stuk wordt nagestreefd
en zet in op een zorgvuldige afronding.
7. Impact van de huidige geopolitieke context op de EU
Gedachtewisseling
Tijdens dit agendapunt zal de JBZ-Raad van gedachten wisselen over de impact van geopolitieke
ontwikkelingen op de interne veiligheid van de Europese Unie. Op het moment van schrijven
is nog geen discussiestuk beschikbaar. Naar verwachting zal de EU Counter-Terrorism
Coördinator (EU CTC) tijdens de Raad een update geven over de recente ontwikkelingen
in Iran en de mogelijke implicaties daarvan voor de EU.
Het kabinet volgt met bijzondere aandacht de ontwikkelingen in Iran en het Midden-Oosten
en de mogelijke implicaties. Het kabinet is positief over de mogelijkheid om met andere
EU-lidstaten van gedachten te wisselen over de ontwikkelingen in de regio en de mogelijke
gevolgen die dit kan hebben voor de interne veiligheid van de EU. Het kabinet zet
in op sterke coördinatie, uitwisseling van informatie en gezamenlijke respons in de
EU waar mogelijk en zal dit tijdens de JBZ-Raad ook benadrukken.
8. Tegengaan veiligheidsuitdagingen
a. Algemene veiligheidssituatie
b. Beoordeling door de Europese binnenlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten
Stand van Zaken
Onder het eerste deel van deze bespreking wordt de JBZ-Raad geïnformeerd over de algemene
veiligheidssituatie in de EU. Het is nog niet duidelijk hoe dit agendapunt precies
vorm zal krijgen, maar bekend is dat de aangekondigde Europese Veiligheidsstrategie
aan de orde zal komen. De Commissie werkt momenteel aan een brede Europese Veiligheidsstrategie
die de komende maanden wordt verwacht. Het kabinet heeft hiervoor een non-paper met
de Commissie en EDEO gedeeld.9
Het kabinet kijkt uit naar deze brede Europese Veiligheidsstrategie, waarbinnen interne
veiligheid ook een plek krijgt. Voor het kabinet is van belang dat het tegengaan van
hybride dreigingen en het vergroten van civiele weerbaarheid elementen zijn die prominent
een plek krijgen in deze nieuwe strategie. Het kabinet zet via verschillende sporen
in op versterking van de civiele weerbaarheid, waaronder via de zgn. Weerbaarheidscoalitie
(zie agendapunt hieronder). Daarnaast zal het kabinet naar verwachting benadrukken
dat een bijbehorend handelingsperspectief wenselijk is, om te voorkomen dat deze stukken
slechts een samenvatting van waargenomen trends en dreigingsanalyses blijven. Zo kan
de strategie bijdragen aan het faciliteren van een gesprek op politiek niveau, over
bijvoorbeeld gezamenlijke uitdagingen en hoe deze het hoofd te bieden.
Onder het tweede deel van dit agendapunt zal de JBZ-Raad zoals gebruikelijk in besloten
setting een briefing ontvangen. De veiligheidsdiensten van de Europese lidstaten,
Noorwegen, Zwitserland en het Verenigd Koninkrijk werken nauw samen aan de veiligheid
van Europa. Zoals gebruikelijk geeft het Voorzitterschap namens deze diensten tijdens
de JBZ-Raad een periodieke briefing over de huidige veiligheidssituatie. Het kabinet
zal de informatie aanhoren.
9. Overige punten
a. AOB Ministeriële Weerbaarheidscoalitie
Van 15–16 april jl. vond de derde ministeriële bijeenkomst van de Europese Weerbaarheidscoalitie
plaats, dit keer in Finland, waarvan ook Nederland deel uitmaakt. Daarbij werd in
aanwezigheid van de Commissie gesproken over de voortgang van de weerbaarheidsaanpak
binnen de EU en de inzet van de coalitie om deze verder te brengen. Binnen de prioriteiten
van de coalitie werd voornamelijk gesproken over het tegengaan van hybride dreigingen
en de lessen uit Oekraïne, die in veel landen het startpunt zijn van hun weerbaarheidsaanpak,
en hoe we deze lessen kunnen implementeren op EU-niveau. Finland zal tijdens de JBZ-Raad
deze bijeenkomst van de weerbaarheidscoalitie en de stand van zaken toelichten.
b. AOB Actieplan Kanaal
Naar verwachting zal de Commissie een presentatie geven van het aangekondigde actieplan
voor de aanpak van irreguliere migratie over het Kanaal. Het kabinet acht het van
belang dat er een Europese aanpak komt om de levensgevaarlijke oversteek over het
Kanaal aan te pakken. Voor het kabinet is van belang dat ook onderliggende oorzaken,
zoals mensensmokkel, hierbij worden aangepakt.
II. Justitie
1. Verordening inzake de grensoverschrijdende totstandbrenging en erkenning van ouderschap
Beleidsdebat
Het Commissievoorstel voor een verordening inzake de vaststelling en erkenning van
afstamming in grensoverschrijdende situaties (ouderschapsverordening) verscheen op
7 december 2022.10 Uw Kamer is op 3 februari 2023 via een BNC-fiche geïnformeerd.11 Na 3,5 jaar besprekingen op raadswerkgroepniveau zijn belangrijke stappen gezet,
maar zijn er ook verschillende punten waarover nog geen overeenstemming is bereikt.
De voortgang en vervolgstappen in dit dossier zijn onderwerp van het beleidsdebat
tijdens deze JBZ-Raad.
Doel van de verordening is dat eenmaal in een EU-lidstaat vastgesteld ouderschap in
de hele EU wordt erkend, zodat kinderen hun aan ouderschap ontleende rechten behouden
bij reizen of verhuizen. Het voorstel beoogt de (grond)rechten van kinderen te beschermen
en rechtszekerheid te bieden aan alle gezinnen in grensoverschrijdende situaties,
ongeacht gezinssamenstelling en wijze van verwekking of geboorte; ook afstamming na
draagmoederschap valt hieronder. Het kabinet steunt deze doelstellingen.
Besluitvorming over dit voorstel vereist unanimiteit.12 Sinds de JBZ-Raad van 14 juni 2024, waarin in de context van dit voorstel een politiek
debat plaatsvond over de erkenning van afstamming na draagmoederschap, is verder onderhandeld
over het voorstel, onder meer over de regels inzake rechterlijke bevoegdheid en toepasselijk
recht. Over de inhoud van deze regels is nog geen overeenstemming bereikt; verdere
uitwerking en compromisvorming zijn nodig. Enkele hoofdstukken, waaronder dat over
de Europese Akte van Afstamming, zijn bovendien nog nauwelijks besproken en wachten
nog op behandeling.
Om richting te geven aan de vervolgstappen, wil het Cypriotische voorzitterschap de
lidstaten tijdens deze JBZ-Raad vragen welke elementen van het voorstel voor hen essentieel
zijn en wat de weg voortwaarts zou moeten zijn in dit dossier.
Het kabinet is voorstander van een EU-brede verordening op grond waarvan het ouderschap
dat in één lidstaat is vastgesteld in alle andere lidstaten, via een ruimhartige,
laagdrempelige regeling, wordt erkend. De verordening moet betrekking hebben op de
afstamming van alle kinderen, ongeacht de wijze waarop het kind werd verwekt of is
geboren en ongeacht de samenstelling van het gezin waartoe het kind behoort, zoals
een kind met ouders van hetzelfde geslacht.
Vanwege de politieke gevoeligheden in dit dossier zal het bereiken van unanimiteit
lastig zijn. Wanneer unanimiteit uitblijft, dan ligt het voor de hand te verkennen
of nauwere samenwerking tussen een deel van de lidstaten13 de weg voorwaarts is.
Of unanimiteit haalbaar is en, zo niet, of nauwere samenwerking kansrijk is, hangt
af van de uiteindelijke tekst. Een vlotte afronding van de onderhandelingen is gewenst;
Nederland stelt zich daarbij constructief op. Zodra de tekst voldoende is uitgewerkt,
kan zij ter beoordeling aan de JBZ-Raad worden voorgelegd. Verwacht wordt dat de meeste
lidstaten tijdens dit beleidsdebat zullen aansturen op verdere onderhandelingen op
technisch niveau en het te vroeg vinden om te praten over nauwere samenwerking tussen
een deel van de lidstaten.
Beide Kamers hebben op grond van de Goedkeuringswet Verdrag van Lissabon instemmingsrecht
op het uiteindelijke onderhandelingsresultaat.14
2. Verordening tot vaststelling van het Justitieprogramma voor de periode 2028–2034
en tot intrekking van Verordening (EU) 2021/693
Gedeeltelijke algemene oriëntatie
Het Cypriotisch voorzitterschap is voornemens om tijdens de JBZ-Raad een algemene
oriëntatie voor het voorstel voor het aankomende Justitieprogramma vast te stellen.
Het Justitieprogramma 2028–2034 maakt onderdeel uit van de toekomstige EU-begroting
(Meerjarig Financieel Kader, MFK) en beoogt ondersteuning van justitiële samenwerking,
toegang tot het recht en versterking van de rechtsstaat binnen de EU. Het kabinet
heeft het voorstel al eerder positief beoordeeld15 en is tevreden over het verloop van de onderhandelingen in de Raad. Voor het kabinet
was hierbij van belang dat het programma niet beperkt wordt tot institutionele actoren,
maar de gehele rechtsketen omvat, gezien het belang van effectieve rechtsbescherming
en wederzijds vertrouwen én de inzet op verbetering van toegang tot het recht. Daarnaast
moet het programma bijdragen aan structurele versterking van rechtsstatelijke capaciteit
en aansluiten bij bredere EU-instrumenten en prioriteiten. Nu deze punten goed zijn
geadresseerd in de voorliggende tekst, kan het kabinet de algemene oriëntatie steunen.
Het is de verwachting dat de algemene oriëntatie brede steun krijgt van de lidstaten.
3. Europees Openbaar Ministerie (EOM)
Stand van zaken
De Commissie en de Hoofdaanklager van het EOM zullen de lidstaten vermoedelijk bijpraten
over de laatste ontwikkelingen binnen het EOM. De verwachting is dat daarbij stil
wordt gestaan bij de komst van een nieuwe Hoofdaanklager met ingang van 1 november
2026 en mogelijk ook bij de uitkomst van een evaluatie die de Commissie heeft laten
uitvoeren over de EOM-Verordening en die op 1 juni a.s. afgerond moet zijn. Het kabinet
zal de informatie aanhoren.
4. De Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne: bestrijding van straffeloosheid
Stand van zaken
Op het moment van schrijven is nog geen discussiestuk beschikbaar. Naar verwachting
zal de JBZ-Raad geïnformeerd worden over de stand van zaken van de strijd tegen straffeloosheid
in de context van de Russische agressieoorlog in en tegen Oekraïne. Vermoedelijk zal
in het bijzonder worden stilgestaan bij recente ontwikkelingen met betrekking tot
het Speciaal Tribunaal voor het Misdrijf Agressie.
Nederland blijft zich inzetten voor gerechtigheid voor Oekraïne en de strijd tegen
straffeloosheid. Een belangrijk onderdeel daarvan is de oprichting van het Speciaal
Tribunaal voor het Misdrijf Agressie tegen Oekraïne. Bij besluit van 17 oktober 2025
heeft de ministerraad ingestemd met vestiging in Nederland van de voorbereidende fases
van het Speciaal Tribunaal zonder dat daarmee vooruit wordt gelopen op een mogelijk
toekomstig besluit ten aanzien van het huisvesten van het operationele tribunaal.
Op vrijdag 15 mei jl. is tijdens de ministeriele vergadering van de Raad van Europa
in Moldavië de resolutie betreffende de Enlarged Partial Agreement inzake het Management Comité voor het Agressietribunaal aangenomen en ondertekend
door 36 landen, waaronder Nederland, en de EU. Daarnaast heeft Nederland medegedeeld
dat er een locatie is geïdentificeerd in de internationale zone van Den Haag, die
veelbelovend en geschikt lijkt voor de voorbereidende fase van het tribunaal. De Tweede
Kamer is op dezelfde dag hierover ook geïnformeerd.
Ook zal Nederland het belang van voortdurende steun aan het onafhankelijk werk van
het Internationaal Strafhof in het kader van het tegengaan van straffeloosheid blijven
benadrukken.
5. De aanpak van hate crime en hate speech
Gedachtewisseling (lunchbespreking)
Het Voorzitterschap heeft aangekondigd dat de werklunch over het onderwerp hate crime en hate speech zal gaan. Op dit moment is er nog geen discussiestuk. De verwachting is dat lidstaten
hun ervaringen zullen uitwisselen over de aanpak van hate crime en hate speech. Het kabinet zal toelichten dat het een brede aanpak nastreeft, waarbij preventieve,
normatieve en repressieve maatregelen worden ingezet. Het wettelijk kader is in overeenstemming
met Europese en anderszins internationale afspraken. Het repressieve apparaat is toegerust
op een zorgvuldige en effectieve afdoening van zaken. Eerder is onder Frans EU-Voorzitterschap
het voorstel gedaan om hate crime en hate speech in de lijst van artikel 83 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese
Unie (VEU) op te nemen, waarmee een bevoegdheid voor de Commissie wordt gecreëerd
om richtlijnvoorstellen te doen. Het kabinet heeft telkens aangeven daar positief
tegenover te staan, waarbij eventuele wetsvoorstellen vervolgens op inhoudelijke merites
zullen worden beoordeeld. Mocht dit aan de orde komen tijden de JBZ-Raad, zal het
kabinet deze positieve grondhouding herhalen.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid -
Mede ondertekenaar
K.T. van Bruggen, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid -
Mede ondertekenaar
G. van den Brink, minister van Asiel en Migratie
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.