Brief regering : Tijdelijk sanctiebesluit onrechtmatige nederzettingen in de door Israël bezette gebieden
23 432 De situatie in het Midden-Oosten
Nr. 749
BRIEF VAN DE MINISTERS VAN BUITENLANDSE ZAKEN EN VAN BUITENLANDSE HANDEL EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 22 mei 2026
Op 22 mei heeft de ministerraad ingestemd met het aanhangig doen maken van het Tijdelijk sanctiebesluit onrechtmatige nederzettingen in de door Israël bezette gebieden voor spoedadvies bij de Afdeling advisering van de Raad van State (Raad van State).
Met het ontwerp voor een algemene maatregel van bestuur (het sanctiebesluit, of het
besluit) geeft het kabinet invulling aan de moties Paternotte c.s.,1 Van Baarle2 en Piri.3 Middels deze brief informeert het kabinet uw Kamer op hoofdlijnen over het sanctiebesluit.
Het sanctiebesluit is onder voorbehoud van mogelijke wijzigingen naar aanleiding van
het advies van de Raad van State. Voor de uitgebreide ratio achter het besluit verwijzen
wij u naar de bijbehorende nota van toelichting.4
De huidige situatie
Als bekend acht het kabinet de Israëlische bezetting van de Palestijnse Gebieden en
de Syrische Golanhoogvlakte onrechtmatig. Het Internationaal Gerechtshof heeft in
zijn advies opgeroepen de bezetting zo spoedig mogelijk te beëindigen, met inachtneming
van de legitieme veiligheidsbelangen van Israël.5
Het kabinet maakt zich grote zorgen over deze situatie in de Westelijke Jordaanoever
en Syrische Golanhoogvlakte, ook in de context van de bredere regionale escalatie.
Het Israëlische nederzettingenbeleid, het kolonistengeweld en recent aangekondigde
maatregelen, waaronder de besluiten die de Israëlische civiele controle over de Westelijke
Jordaanoever verder uitbreiden, ondermijnen een tweestatenoplossing verder, en druisen
in tegen het internationaal recht en aanbevelingen van organen van volkenrechtelijke
organisaties, zoals het advies van het Internationaal Gerechtshof (IGH) van 19 juli
2024, resoluties ES-10/24 en A-79/90 van de Algemene Vergadering van de VN, en resoluties
465 (1980) en 497 (1981) van de VN-Veiligheidsraad.
Het kabinet heeft zich steeds naar vermogen en in samenwerking met partners ingezet
om de zorgwekkende situatie in de bezette gebieden te verbeteren en zal dat blijven
doen.6 Wat betreft de Israëlische bezetting acht Nederland deze onrechtmatig in het verlengde
van het advies van het Internationaal Gerechtshof. Gezien het Israëlische nederzettingenbeleid
heeft het kabinet, naast publieke veroordelingen, besloten over te gaan tot handelsmaatregelen.
Het kabinet heeft, conform motie Van Campen/Boswijk,7 in Europees verband herhaaldelijk gepleit voor handelspolitieke maatregelen op het
niveau van de EU tegen de onrechtmatige nederzettingen. Voldoende steun voor dergelijke
EU-maatregelen blijft tot nu toe echter uit. Derhalve introduceert het kabinet, zoals
toegezegd8 en in lijn met de genoemde moties, nationale maatregelen die moeten voorkomen dat
Nederlandse economische activiteiten bijdragen aan het bestendigen van een situatie
die strijdig is met het internationaal recht.
Het sanctiebesluit
Dit sanctiebesluit is opgesteld op grond van de Sanctiewet 1977 als nadere invulling
van het voorgenoemde IGH-advies en de VN-resoluties.9 Het besluit ziet op maatregelen met betrekking tot de handel in goederen afkomstig
uit onrechtmatige nederzettingen in de door Israël bezette gebieden (Palestijnse Gebieden
en Syrische Golanhoogvlakte). Het besluit bevat zowel een douanemaatregel (invoerverbod),
diverse markttoezichtmaatregelen (aankoopverbod, verkoopverbod en het verbod op het
verlenen van tussenhandeldiensten), alsook een verbod op het omzeilen van deze verboden.
De maatregelen zijn van toepassing op iedere (rechts)persoon die zich bevindt in Nederland
(inclusief de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba) en op alle Nederlandse
(rechts)personen buiten Nederland.
Het kabinet kiest voor de combinatie van een douanemaatregel, markttoezichtmaatregelen
en een omzeilingsverbod om de omzeilingsrisico’s van een louter nationaal invoerverbod
te verkleinen. Als onderdeel van de Europese interne markt met een gemeenschappelijke
Europese douanegrens en open binnengrenzen voor het goederenverkeer, is Nederland
immers beperkt in het feitelijk handhaven van nationale invoerbeperkingen. De combinatie
met diverse markttoezichtmaatregelen en een omzeilingsverbod ondervangt dit zoveel
mogelijk.
Het kabinet heeft de doelmatigheid, doeltreffendheid, proportionaliteit, uitvoerbaarheid
en regeldruk van de maatregel zorgvuldig gewogen. Desondanks is het aannemelijk dat
de handhaving van de maatregelen tegen grenzen aan zal lopen. Dit heeft onder andere
te maken met de aard van de interne markt, het feit dat de onrechtmatige nederzettingen
geen afgebakend douanegebied vormen, en uitdagingen omtrent de identificatie van goederen
afkomstig uit de onrechtmatige nederzettingen. Het kabinet heeft ook samenwerking
gezocht met EU-lidstaten die vergelijkbare nationale maatregelen hebben aangekondigd,
om daarmee de effectiviteit zoveel mogelijk te waarborgen.
De verboden zien alleen toe op goederen, niet op diensten en investeringen. Voor nationale
maatregelen tegen goederen is een duidelijke grondslag beschikbaar in het Unierecht,
maar voor diensten en investeringen heeft het kabinet een dergelijke evidente grondslag
niet gevonden.10 Een dergelijke grondslag is noodzakelijk in verband met de exclusieve bevoegdheid
van de EU op het gebied van handelspolitiek. Om recht te doen aan de urgentie van
de situatie en de oproep vanuit uw Kamer om de nationale maatregel zo spoedig mogelijk
tot stand te laten komen, is niet verder gewacht bij het opstellen van de nationale
maatregel jegens goederen. Het kabinet zal doorgaan met het onderzoeken van de verdere
(juridische) mogelijkheden ten aanzien van diensten en investeringen.
Het sanctiebesluit is tijdelijk van aard en behoudens eerdere intrekking vervalt het
drie jaar na inwerkingtreding, tenzij bij nadere wet anders wordt bepaald.11 De maatregelen betreffen complexe materie en het kabinet begrijpt dat het besluit
nadere vragen bij uw Kamer zal oproepen. Het kabinet biedt uw Kamer daarom nogmaals
de mogelijkheid voor een technische briefing aan.12
Vervolgproces
Het kabinet zal, conform zijn verplichtingen onder het Unierecht, de Europese Commissie
informeren over de beoogde maatregelen.13 Het sanctiebesluit wordt tegelijkertijd aanhangig gemaakt bij de Raad van State met
het verzoek om een spoedadvies, omdat het recente Israëlische optreden urgente stappen
vergt. Het is de intentie van het kabinet dat het besluit zo spoedig mogelijk na het
advies van de Raad van State definitief zal worden vastgesteld waarna het volgens
de regels van de Sanctiewet 1977 twee maanden na publicatie in het Staatsblad in werking
treedt.14
De Minister van Buitenlandse Zaken,
T.B.W. Berendsen
De Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking,
S.W. Sjoerdsma
Indieners
-
Indiener
T.B.W. Berendsen, minister van Buitenlandse Zaken -
Medeindiener
S.W. Sjoerdsma, minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.