Brief regering : Beleidsreactie op de tweede voortgangsrapportage discriminatie in dienstverlening
30 950 Racisme en Discriminatie
Nr. 546
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 18 mei 2026
De afgelopen jaren zijn er verschillende rapporten en berichten naar buiten gekomen
over discriminatie door overheidshandelen. Discriminatie is te allen tijde verboden,
zoals in artikel 1 van de Grondwet staat. Dat geldt voor burgers onderling en des
te meer voor de overheid. De overheid heeft hierin een voorbeeldfunctie en dient er
alles aan te doen om (institutionele) discriminatie en racisme te voorkomen en te
bestrijden. Discriminatie raakt burgers in hun persoonlijk en maatschappelijk leven,
schaadt het vertrouwen in de overheid, vergroot de kloof van ongelijkheid en ongelijkwaardigheid
tussen groepen en individuen en heeft daarmee grote gevolgen.
De Staatscommissie tegen Discriminatie en Racisme heeft op 13 februari 2025 de voortgangsrapportage
«Ervaringen en lessen om discriminatie in publieke dienstverlening te voorkomen en
te bestrijden» uitgebracht waarin zij de door hen ontwikkelde Discriminatietoets Publieke
Dienstverlening (Discriminatietoets) introduceren. Naast de Discriminatietoets gericht
op publieke dienstverleners, heeft de staatscommissie ook nog een toets voor beleidsmedewerkers
op departementen ontwikkeld en een variant van de toets voor Bonaire, Sint Eustatius
en Saba (de BES). Op 3 november 2025 heeft de staatscommissie – naar aanleiding van
de wens van de Tweede Kamer om deze toets breed beschikbaar te stellen – de bijbehorende
website (www.discriminatietoets.nl) gelanceerd. Via deze website is de Discriminatietoets beschikbaar en kan deze –
onder begeleiding van een procesbegeleider – zelfstandig worden doorlopen door overheidsorganisaties.
Zoals aangekondigd in de voortgangsbrief over de aanpak van discriminatie van 25 april
20251, geef ik in deze brief een reactie op de Discriminatietoets en licht ik toe op welke
wijze dit door mijn ministerie – in samenwerking met het Netwerk Publieke Dienstverleners
(NPD) en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) – verder wordt opgepakt en
onder de aandacht wordt gebracht van overheidsorganisaties. Hiermee geef ik invulling
aan het verzoek om een kabinetsreactie van het lid Tseggai2, de motie van het lid Nispen3 om regie te pakken bij de implementatie van het advies van de staatscommissie en
de motie van het lid Azarkan om een brede doorlichting op discriminatie en etnisch
profileren te organiseren van de werkwijze en organisatiecultuur van alle (semi)overheidsinstanties
en uitvoeringsinstanties.4 Met de brief van de Staatssecretaris Justitie en Veiligheid en de Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid is er al invulling gegeven aan de motie van het lid Ceder
c.s die het kabinet verzoekt om de Discriminatietoets te implementeren in de uitvoeringstoets.5 Het programma Werk aan Uitvoering werkt op dit moment aan een handreiking met uniforme
punten voor uitvoeringstoetsen en daarbij zullen zij ook kijken hoe de verschillende
wensen daarin opgenomen kunnen worden. De (lessen uit de) Discriminatietoets horen
daar ook bij. De eerste versie van deze handreiking wordt in het voorjaar van 2026
opgeleverd.
Algemene reactie Discriminatietoets
Bij de instelling van de staatscommissie heeft de commissie de opdracht gekregen om
een brede doorlichting uit te voeren op discriminatie en etnisch profileren van de
werkwijze en organisatiecultuur van alle (semi)overheidsinstanties en uitvoeringsinstanties.
De staatscommissie heeft ervoor gekozen om via de ontwikkeling van een Discriminatietoets
invulling te geven aan deze opdracht en motie. Dit om twee redenen. Enerzijds is de
staatscommissie beperkt in middelen en organisatorische capaciteit, waardoor een brede
doorlichting van de overheid niet haalbaar is. Anderzijds is een eenmalige doorlichting
ook niet effectief. De Discriminatietoets, waarmee overheidsinstanties zelf structureel
en herhaaldelijk onderzoek kunnen doen naar hun dienstverlening, biedt de mogelijkheid
tot meer reflectie en structurele verandering zo stelt de staatscommissie.
Ik wil de staatscommissie bedanken voor het ontwikkelen van dit nuttige, duurzame
en belangrijke instrument voor de aanpak van institutionele discriminatie. Patronen
van discriminatie en racisme zijn vaak systemisch en zitten daarmee ook verankerd
in onze publieke dienstverlening. Het is van belang dat overheidsorganisaties kennis
hebben van de risico’s op discriminatie in hun beleid, werkprocessen, regels en praktijken,
zodat deze beter herkend en voorkomen kunnen worden. De Discriminatietoets biedt precies
de benodigde handvatten voor de departementen, uitvoeringsorganisaties en medeoverheden
om hier actief en doorlopend mee aan de slag te gaan, om te leren, te verbeteren en
te professionaliseren. Ik omarm de Discriminatietoets daarom van harte en ik pak de
regie op het vervolg van de toets. Dit doe ik door de toets in te bedden in bestaande
instrumentaria en door een projectteam in te stellen die organisaties stimuleert en
helpt bij het doorlopen van de toets.
In onderstaande reactie ga ik eerst in op de voortgangsrapportage van de staatscommissie
waarin zij de Discriminatietoets introduceren, de resultaten van de pilot delen en
overkoepelende lessen toelichten. In het tweede deel van de brief ga ik nader in op
de wijze waarop ik vervolg geef aan de toets.
Rapport
In haar voortgangsrapportage (hierna: rapport) introduceert de staatscommissie de
Discriminatietoets. De Discriminatietoets is een instrument waarmee overheidsorganisaties
zelf kunnen nagaan welke processen en praktijken risico’s vormen op discriminatie
in hun dienstverlening. Het instrument stelt organisaties in staat zichzelf door te
lichten aan de hand van een vijftal processtappen. Tijdens een pilot met drie organisaties
– de gemeente Arnhem, de Douane en DUO – is de Discriminatietoets toegepast om te
toetsen in hoeverre het instrument helpend en effectief is.
In haar rapport omschrijft de staatscommissie een aantal van de opgedane inzichten
uit de pilot die zowel relevant zijn voor de verdere ontwikkeling en bredere toepassing
van de Discriminatietoets alsook voor de structurele aanpak van discriminatie en racisme
door overheidsorganisaties. Allereerst werd zichtbaar dat mensbeelden – ideeën en
aannames over hoe bepaalde groepen burgers eruitzien, zich gedragen of welke behoeften
zij hebben – doorwerken in de vorming van beleid en de uitvoering van publieke taken
en diensten. Die mensbeelden kunnen bij discretionaire bevoegdheden, ingewikkelde
regelgeving of bij de uitvoering van regelgeving leiden tot risico’s op discriminatie.
Naast een aanbeveling om wet- en regelgeving te vereenvoudigen, stelt de staatscommissie
daarom dat overheidsorganisaties aandacht moeten besteden aan de organisatorische
inbedding van discretionaire bevoegdheden zodat risico’s op discriminatie verkleind
kunnen worden. Organisaties moeten hun medewerkers actief ondersteunen bij het reflecteren
op de invloed van mensbeelden op de dagelijkse praktijk en het maken van effectief
en door wetenschap ondersteund beleid. Daarnaast moet er ruimte gemaakt worden voor
training, intervisie en/of reflectie als onderdeel van ambtelijk vakmanschap. In aansluiting
hierop heeft mijn ambtsvoorganger in maart 2025 in de kabinetsreactie op het rapport
van Amnesty International over risicoprofilering toegelicht hoe uitvoeringsorganisaties
de afgelopen jaren in trainingen en opleidingen al steeds meer aandacht besteden aan
de rol van mensbeelden en vooroordelen.6
Ten tweede bleek uit de ervaringen bij de pilots dat het betrekken van burgers bij
de Discriminatietoets een duurzame aanpak vraagt van overheidsorganisaties. De overheid
draagt hierbij de verantwoordelijkheid om te investeren in een sterkere relatie met
burgers en de drempels voor participatie zo veel mogelijk te verlagen. Dit sluit aan
op de doelstelling van het kabinet in het regeerakkoord om de overheid slagvaardiger
te maken, dicht bij de burger te staan en samen te werken met maatschappelijke partijen.
In het Beleidskompas wordt hier reeds aandacht voor gevraagd. Op dit moment wordt
er interdepartementaal verkend hoe beleid zo inclusief mogelijk kan worden ingericht,
waaronder de participatie van burgers en het betrekken van burgers die op het eerste
gezicht niet meteen geassocieerd zouden worden met het beleid in kwestie. Mijn voorganger
heeft uw Kamer hierover geïnformeerd in de laatste voortgangsbrief discriminatie en
racisme.7
Ten derde werd in de pilots duidelijk dat het van belang is discriminatie in publieke
dienstverlening te benaderen als een institutioneel probleem, in plaats van alleen
als een individueel probleem van de professional. Discriminatie en racisme zijn op
zichzelf al gevoelige onderwerpen binnen veel organisaties. Mensen handelen vanuit
de overtuiging dat zij hun werk zo goed mogelijk doen, en dat zij daarom niet (kunnen)
discrimineren. In het geval van publieke professionals speelt mee dat zij (zeer) gespecialiseerde
kennis en vaardigheden hebben, waardoor hun handelen niet gemakkelijk door «buitenstaanders»
beoordeeld en genormeerd kan worden. Dit versterkt mogelijk de ervaring dat de Discriminatietoets
een inbreuk vormt op de professionele autonomie. Door nadruk te leggen op discriminatie
als institutioneel probleem en het tegelijkertijd voor professionals als onderdeel
van hun ambtelijk vakmanschap te bezien wordt het een collectief te adresseren probleem
in plaats van een individueel probleem.
Tot slot lieten de pilots het belang van specifieke organisatorische en maatschappelijke
randvoorwaarden zien voor toepassing van de Discriminatietoets. Divers samengestelde
teams binnen een sociaal en psychologisch veilige en inclusieve organisatie waarin
iedereen gelijkwaardig is, met voldoende ruimte voor reflectie en steun van leidinggevenden,
departementen en politici zijn essentiële randvoorwaarden voor een succesvol proces
bij het doorlopen van de toets maar gaat ook verder. Diversiteit, gelijkwaardigheid
en inclusie binnen teams die, onder meer met de Discriminatietoets, werken is essentieel,
dat geldt evenzo voor het bredere personeelsbestand van overheidsorganisaties. Dit
kan een continu proces in gang zetten waarin dominante mensbeelden en werkprocessen
die risico’s op discriminatie met zich meebrengen, worden uitgedaagd. Dit sluit tevens
aan bij de bevindingen uit het WRR rapport Deskundige Overheid (2025) waarin expliciet
wordt gemaakt dat diversiteit een buffer kan vormen tegen (onbewust) discriminatoir
overheidsoptreden, zeker als het gaat om minderheidsgroepen die doorgaans minder goed
«gehoord» worden in het beleidsproces.8
Een belangrijke voorwaarde voor een inclusieve organisatie is dat deze vrij is van
discriminatie en racisme tussen collega’s onderling. Discriminatie en racisme op de
werkvloer uit zich dikwijls in vooroordelen over collega’s die tot een bepaalde groep
behoren. Het is met name belangrijk dat hier kennis en bewustwording over is bij medewerkers
en leidinggevenden zodat dit erkend en herkend wordt. Vervolgens moeten medewerkers
en leidinggevenden ook handelingsbekwaam zijn om dit gedrag te corrigeren. In het
afgelopen jaar zijn verschillende instrumenten en maatregelen ontwikkeld om hierbij
te helpen, zoals een handreiking met escalatieladder voor leidinggevenden en een e-learning
over vooroordelen en sociale veiligheid. Ook wordt momenteel binnen het personeelsbeleid
gekeken hoe ongewenst gedrag zoals discriminatie als vast gespreksonderwerp rijksbreed
in personeelsgesprekken kan worden verankerd. Daarnaast wordt verkend hoe competenties
ten aanzien van inclusief leiderschap en psychologisch veilig leiderschap die nodig
zijn om onveilige situaties en discriminatie tegen te gaan, een plek kunnen krijgen
in functieprofielen en beoordelingscycli van leidinggevenden.9
Aan de hand van bovenstaande inzichten uit de pilots heeft de staatscommissie de Discriminatietoets
verder ontwikkeld en verbeterd. Daarbij heeft de staatscommissie zich gericht op het
vereenvoudigen van het instrument tot een toegankelijk en begrijpelijk leerinstrument
met meer ruimte voor verdiepende gesprekken over werkprocessen, mensbeelden en discretionaire
bevoegdheden. Uitdrukkelijk is dit instrument niet bedoeld ter vervanging van andere
effectieve maatregelen die door organisaties reeds zijn genomen. De Discriminatietoets
moet als aanvulling worden gezien op datgene wat er gebeurt. Op 3 november 2025 is
de Discriminatietoets officieel gelanceerd.
Organisaties kunnen vrijwillig, daarbij geholpen door een procesbegeleider, de toets
in vier sessies doorlopen. Het volwaardig doorlopen van de Discriminatietoets kost
twee tot vier maanden. Tijdens de vier bijeenkomsten krijgen de deelnemers van het
kernteam (4–6 medewerkers) kennis en informatie aangereikt om zelf onderzoek te kunnen doen naar risico’s
op discriminatie in hun dienstverleningsproces.
De staatscommissie adviseert – mede in het kader van uitvoerbaarheid voor organisaties
– om het instrument gericht in te zetten voor werkprocessen en praktijken met een
verhoogd risico op discriminatie, bijvoorbeeld omdat er signalen of klachten zijn
geweest, omdat de dienst een grote impact heeft op het leven van (kwetsbare) mensen,
of omdat de dienst expliciet gericht is op (groepen) mensen op basis van de persoonskenmerken
die genoemd worden in artikel 1 van de Grondwet. De Discriminatietoets is tegelijkertijd
ook bedoeld als instrument om als organisatie breder van te leren. Ter afsluiting
van de laatste sessie denkt het kernteam dat de Discriminatietoets doorloopt na over
hoe en wanneer het onderzoeksrapport wordt gedeeld met het management en andere relevante
afdelingen en hoe het onderzoeksrapport formeel geborgd wordt in bestaande structuren
(bijv. via jaarplannen, kwaliteitsdocumenten of beleidscycli). Dit stimuleert de bredere
dialoog binnen de organisatie. Tijdens de laatste sessie wordt ook een actieplan opgesteld
met gerichte acties om de risico’s op discriminatie in de organisatie aan te pakken.
Tijdens de laatste sessie van de Discriminatietoets stellen de deelnemers een actieplan
op waarmee ze vervolgens zelf aan de slag kunnen om de risico’s op discriminatie en
racisme in de publieke dienstverlening te weg te nemen. Daarbij merkt de staatscommissie
ook op dat het instrument het beste tot zijn recht komt als een periodieke kwaliteitscheck.
Het eenmalig doorlopen van de Discriminatietoets is geen wondermiddel waarmee patronen
van discriminatie en racisme binnen overheidsorganisaties direct verdwijnen. De resultaten
uit de toets kunnen weer als input dienen voor vervolgstappen om de kennis rondom
discriminatie te vergroten en verbeteringen in beleid, werkprocessen en organisatiecultuur
te realiseren.
Vervolg Discriminatietoets
Het is van belang dat overheidsorganisaties kennis hebben van de risico’s op discriminatie
in hun beleid, werkprocessen, regels en praktijken, zodat deze beter herkend en voorkomen
kunnen worden. Dit vraagt breed commitment, kritische zelfreflectie en dialoog binnen
de organisatie en met burgers. Maar niet alleen. Discriminatie door de overheid is
een institutioneel probleem, waarbij in de aanpak alle lagen van de overheid een rol
moeten spelen en er ook een stevige opdracht ligt voor de politiek, met name in het
uitdragen van de (sociale) norm en als hoeder van artikel 1 van de Grondwet. Bovenstaande
inzichten uit de pilot leren ons dat en zijn daarmee ook belangrijk voor het vervolg
en de verdere uitrol van de Discriminatietoets.
In onderstaande alinea’s zal ik toelichten op welke wijze ik een vervolg wil geven
aan dit doorlichtingsinstrument. Dit doe ik aan de hand van twee stappen: (1) de inbedding
van de Discriminatietoets in bestaande structuren en (2) het instellen van een projectteam
die organisaties stimuleert om de Discriminatietoets te gebruiken, procesbegeleiding
aanbiedt voor het doorlopen van de Discriminatietoets, nadenkt over duurzame borging
van de toets, kennissessies organiseert en de overkoepelende lessen verzamelt en deelt.
Het vervolgtraject van de Discriminatietoets geef ik in gezamenlijkheid met publieke
dienstverleners, medeoverheden en departementen vorm. Relevant daarbij is ook de praktische uitvoerbaarheid.
Ik trek hiervoor samen op met het NPD en de VNG.
Met onderstaande vervolgstappen, zet ik in op het stimuleren en faciliteren van organisaties
om de Discriminatietoets te gebruiken. Het enthousiasme voor het doorlopen van de
toets onder organisaties is groot, zo hebben bijvoorbeeld het NPD, gemeenten en de
VNG al aangegeven dit instrument te omarmen en melden organisaties zich actief om
de toets te doorlopen. Ik kies er bewust voor het niet tot een verplicht instrument
te maken. Organisaties kunnen er zelf voor kiezen om gebruik te maken van de Discriminatietoets
om hun organisatie door te lichten. Ik heb daarom nu ook geen voornemen om de Discriminatietoets
wettelijk te verankeren. Dit om een drietal redenen. De toets is er net en ik vind
het belangrijk om eerst ervaring op te doen met het instrument. Daarnaast is de Discriminatietoets
het effectiefst en betekenisvolst, wanneer organisaties bewust tijd vrijmaken voor
de kritische zelfreflectie die wordt gevraagd. Bij een verplichte afvinklijst, gaat
het lerende effect mogelijk verloren. Ook de staatscommissie geeft als belangrijke
randvoorwaarde draagvlak voor het doorlopen van de Discriminatietoets binnen de organisatie.
Ik meen dat daarvan sneller sprake is als een organisatie zelf besluit om de toets
te doorlopen. Tot slot zijn er ook organisaties die eigen instrumenten hebben ontwikkeld
of geadopteerd om bepaalde werkprocessen of praktijken door te lichten. Onderstaand
geef ik daar een aantal voorbeelden van. Organisaties moeten de flexibiliteit blijven
houden om daarin een keuze te maken voor het meest passende instrument.
Inbedding in bestaande structuren
De Discriminatietoets is een effectief en krachtig hulpmiddel om organisaties te helpen,
maar het is wel slechts één van de instrumenten en wijzen om dit te doen. De Discriminatietoets
sluit aan op al bestaande instrumenten, toetsen en initiatieven.
De afgelopen jaren is er steeds meer aandacht gekomen voor het verbeteren van de kwaliteit
van beleid en dienstverlening. Zo wordt er met de invoeringstoets beknopt onderzoek
gedaan naar de werking van nieuwe regelgeving in de praktijk. Deze toets richt zich
op de gevolgen van nieuwe regelgeving voor de doelgroep en de uitvoering. Het doel
is om snel te ontdekken of er problemen zijn met de regelgeving, zodat tijdig bijsturing
of aanpassing kan plaatsvinden. Met de uitvoeringstoets wordt er vooraf gekeken naar
de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van nieuwe wet- en regelgeving voor dienstverleners.
Beide instrumenten zijn er om ook de kwaliteit van de dienstverlening te waarborgen.
Allebei de instrumenten zijn onderdeel van het Beleidskompas, een centrale werkwijze
met een stappenplan voor het maken van beleid en wetgeving. Het Beleidskompas bevat
instrumenten om op verschillende manieren en op verschillende momenten in de beleidsvoorbereiding
en beleidsevaluatie aandacht te hebben voor het voorkomen van (onbedoelde) discriminatoire
gevolgen van nieuw beleid en wetgeving. Denk daarbij bijvoorbeeld ook aan de constitutionele
toets, doenvermogentoets en de regeldruktoets. Hoewel (net) anders van opzet en doelstelling
dan de Discriminatietoets van de staatscommissie, zijn ook dit instrumenten die gebruikt
kunnen worden om nieuwe werkprocessen en nieuw beleid door te lichten op risico’s
op discriminatie.
Naast deze algemene, brede doorlichtingsinstrumenten, zijn er ook toetsen en initiatieven
gericht op specifieke onderwerpen, terreinen of werkwijzen. Zo hebben publieke dienstverleners
hun eigen doorlichtingsinstrument ontwikkeld om institutionele discriminatie tegen
te gaan en zo heeft het College voor de Rechten van de Mens dit jaar een nieuw «Toetsingskader
risicoprofilering» uitgebracht. Dit instrument biedt praktische handvatten voor uitvoeringsorganisaties
om – bij het gebruik van risicoprofilering – de complexe juridische normen uit het
non-discriminatierecht op zorgvuldige wijze toe te passen in de dagelijkse uitvoeringspraktijk.
Een ander voorbeeld is het Impact Assessment voor Mensenrechten bij de inzet van Algoritmes
(IAMA). De Dienst Toeslagen is daarnaast bezig met de implementatie van de «Visie
op Algoritmische Systemen».10 Hiermee wil de dienst een verantwoord gebruik van algoritmische systemen breed in
de organisatie verankeren en maatregelen treffen om (in)directe discriminatie zo veel
mogelijk te voorkomen. Een voorbeeld hiervan is het uitvoeren van biastoetsen, om
te kijken of een systeem tot problematische onder- of oververtegenwoordiging van bepaalde
groepen leidt. Ook is er een model ontwikkeld voor een rijksbrede beleids- en effectrapportage
over de aanpak van discriminatie en racisme tussen collega’s op de werkvloer van de
rijksoverheid, en wordt via verschillende maatregelen gewerkt aan de bevordering van
diversiteit van inzichten en achtergronden bij het Rijk, in combinatie met inclusie
en gelijkwaardigheid.
Tot slot werkt ook de staatscommissie zelf aan de ontwikkeling van een toolbox met
daar in een verzameling van bestaande handreikingen, methodes en trainingen om discriminatie
en racisme effectief aan te pakken. Een aantal van bovengenoemde toetsen komt daarin
terug. De toolbox is onderdeel van de Discriminatietoets en kan worden gebruikt als
hulpmiddel bij het ontwikkelen van een actieplan, wat het sluitstuk is van het doorlopen
van de Discriminatietoets. Dat laat onverlet dat de instrumenten uit deze toolbox
ook op andere momenten gebruikt kunnen worden.
Bovenstaande bestaande instrumenten en de door de staatscommissie ontwikkelde Discriminatietoets
kunnen naast elkaar gebruikt worden en vullen elkaar aan. Veel van de bestaande brede
doorlichtingstoetsen kennen een vaste plek en moment in het proces van voorbereiden
en maken van wetgeving of beleid. De Discriminatietoets onderscheidt zich daarvan
doordat deze toets zich expliciet richt op al bestaande werkpraktijken en processen,
waardoor het een periodieke kwaliteitscheck kan zijn en losstaat van de formele beleidscyclus
van beleids- en wetgevingsontwikkeling. De Discriminatietoets kan op elk moment en
gericht op een specifiek proces of team worden ingezet en is bedoeld voor een continue
cyclus van analyse, inzicht en vermindering van risico’s op discriminatie in de praktijk.
Dit maakt de instrumenten complementair. Ze zijn gezamenlijk onderdeel van een brede
gereedschapskist met instrumenten om de patronen van discriminatie in een organisatie
te herkennen en voorkomen. Ik moedig zoveel mogelijk organisaties aan om gebruik te
maken van deze gereedschapskist. De keuze welk instrument het meest passend is, is
aan de organisatie zelf en moet worden bezien in combinatie met de interventies, het
beleid en de werkprocessen die de organisatie zelf al ingezet heeft. Wel is de verwachting
dat iedere organisatie met burgercontact een afweging maakt over de inzet van de Discriminatietoets
of een gelijkwaardig instrument en opvolging geeft aan de uitkomsten uit de doorlichting.
Projectteam discriminatietoets
De staatscommissie heeft de begeleiding tot nu toe op zich genomen en zal dit nog
tot het einde van haar instellingstermijn in de zomer van 2026 voortzetten. Ik vind
het belangrijk dat zo veel mogelijk organisaties met de Discriminatietoets aan de
slag kunnen. Daarom stel ik daar de komende jaren graag mensen en middelen voor beschikbaar.
De VNG heeft een subsidie ontvangen om een pilot te starten en zal in ieder geval
tot eind dit jaar de decentrale overheden begeleiden bij het doorlopen van de toets.
Daarnaast voer ik op dit moment afrondende gesprekken om de procesbegeleiding voor
uitvoeringsinstanties en beleidsmakers voort te zetten nadat de staatscommissie haar
opdracht heeft afgerond. Ik ben voornemens om daartoe voor de komende jaren een projectteam
in te richten. Of het projectteam op termijn ook de begeleiding door de VNG overneemt,
zal na de pilot worden bekeken.
Het projectteam zal begeleiding bieden, maar daarbij nauw samenwerken met de overheidsorganisatie
die de toets doorloopt. In feite is de Discriminatietoets meer een proces dan een
toets. Het gaat om een instrument dat vier stappen kent. Een organisatie die de toets
doorloopt, voert gesprekken in het eigen team, met leidinggevenden en met burgers.
De toets vraagt om reflectie op het eigen handelen en om concrete maatregelen als
daar aanleiding toe is. Het vraagt om commitment op de werkvloer en van hogerop. Uiteindelijk
leidt de toets tot een actieplan voor vervolgacties. Een procesbegeleider ondersteunt
daarbij.
Het projectteam zal ook periodiek kennissessies organiseren over de Discriminatietoets,
zodat organisaties die de toets doorlopen ook van elkaar kunnen leren en ervaringen
kunnen uitwisselen. Die sessies kunnen ook worden gebruikt om het instrument zo nodig
door te ontwikkelen. Het projectteam zal zowel de Discriminatietoets voor publieke
dienstverleners begeleiden als de discriminatietoets voor beleidsmakers waar de staatscommissie
de laatste hand aan legt.
Het project loopt tot medio 2030. Voor de komende jaren zijn de volgende middelen
gereserveerd. Het gaat om 500.000 in 2026, om 1,1 miljoen in 2027, 2028 en 2029 en
in 2030 nog eens 500.000. De opbouw van deze reeks is vanuit de gedachte dat 2026
een aanloopjaar is, dan drie volle jaren en daarna afbouw.
De eerste periode (tot eind 2026) zal in het teken staan van continuering van de begeleiding
en het opstellen van een projectplan voor de jaren tot 2030. Het doel is om, samen
met netwerken van uitvoeringsinstanties, gemeenten en departementen, te komen tot
een ambitieniveau voor het gebruik van de toets in de komende jaren, waarbij er ook
aandacht zal zijn voor de praktische haalbaarheid, uitvoerbaarheid en de vrijheid
voor organisaties om eigen interventies en instrumenten voorrang te geven.
Na 2030 moeten organisaties zelf in staat zijn om in de procesbegeleiding te voorzien.
Om hiervoor zorg te dragen zal in de laatste periode aandacht worden besteed aan het
train de trainers principe om organisaties in staat te stellen om zelf de benodigde begeleiding te
bieden. Daarnaast is het doel van het project om te bezien waar en hoe de toets breder
zou kunnen worden gebruikt, welke lessen eruit kunnen worden gedestilleerd voor beleid
en uitvoering en die te delen en zorg te dragen voor borging van de toets na afloop
van de looptijd van het project. Ik zal uw Kamer eenmaal per jaar informeren over
de Discriminatietoetsen.
Conclusie
Discriminatie door de overheid heeft grote impact. Niet alleen op de slachtoffers,
maar ook op onze maatschappij als geheel. Burgers en bedrijven verliezen hun vertrouwen
in de overheid en dit moeten we te allen tijde voorkomen. Ik wil de staatscommissie
daarom nogmaals bedanken voor het ontwikkelen van de Discriminatietoets. Het instrument
kan een effectief hulpmiddel voor organisaties zijn om zichzelf door te lichten en
de risico’s op discriminatie in werkprocessen, praktijk, beleid en regels te signaleren
en te bestrijden. Ik zie absoluut toegevoegde waarde in de Discriminatietoets.
Ik zal mij daarom inspannen om zoveel mogelijk partijen te stimuleren hier gebruik
van te maken. Ik ben ervan overtuigd dat het ons zo weer een stap verder brengt in
de aanpak van discriminatie en racisme.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
P.E. Heerma
Ondertekenaars
P.E. Heerma, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties