Brief regering : Voortgangsrapportage intensiveringsplan preventie vogelgriep 2026
28 807 Vogelpest (Aviaire influenza)
Nr. 326
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN LANDBOUW, VISSERIJ, VOEDSELZEKERHEID EN NATUUR
EN VAN DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 15 mei 2026
Met deze brief informeren wij u over de voortgang van de uitvoering van het Intensiveringsplan
preventie vogelgriep. Het afgelopen jaar is hard gewerkt aan het uitwerken en implementeren
van de verschillende geplande maatregelen ten behoeve van het terugdringen van verspreiding
en uitbraken van het vogelgriepvirus en daarmee het verminderen van risico’s voor
de volksgezondheid en de gezondheid van wilde en gehouden dieren. Deze brief gaat
in op de uitvoering van het Intensiveringsplan, enkele moties en toezeggingen en een
aantal bijgevoegde onderzoeksrapporten.
De Kamer heeft op 5 maart 2026 (kenmerk: 2026D09956) verzocht om voorafgaand aan geplande commissiedebatten die voor het eerst gevoerd
worden met de bewindspersonen van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN)
een brief te sturen indien er wijzigingen zijn in het beleid van dit kabinet ten opzichte
van het beleid van het vorige kabinet. Ten aanzien van diergezondheid wordt de ingezette
lijn rondom preventie en monitoring van dierziekten gecontinueerd. In deze brief wordt
ten aanzien van vogelgriep geschetst welke nieuwe en aanvullende stappen er de komende
periode worden gezet.
Huidige vogelgriepsituatie
Op 6 oktober 2025 vond er, na 6 maanden van afwezigheid van besmettingen van pluimvee,
weer een uitbraak met vogelgriep plaats. Sindsdien hebben we te maken gehad met een
groot aantal uitbraken op commerciële pluimveehouderijen en hobbyhouderijen. In totaal
zijn 51 locaties besmet geraakt sinds 6 oktober 2025 en zijn ruim 2,25 miljoen dieren
geruimd. Uit de dodewildevogelmonitoring van Dutch Wild Health Center (DWHC) en Wageningen
Bioveterinary Research (WBVR) en de levendewildevogelmonitoring van het Erasmus MC
(EMC) bleken veel wilde vogels besmet, vooral ganzen, eenden en meeuwen. Sinds april
wordt een afname gezien van het aantal dode en levende wilde vogels met HPAI. In andere
Europese landen neemt het aantal uitbraken ook af. Op 14 april jl. heeft de Deskundigengroep
Dierziekten de kans dat een Nederlands pluimveebedrijf momenteel wordt besmet met
HPAI ingeschat als matig. Daarom is op 21 april jl. besloten om de ophok- en afschermplicht
voor commercieel en hobbymatig gehouden vogels grotendeels in te trekken. De ophok-
en afschermplicht blijft alleen van toepassing in het pluimveedichte gebied in en
rond de Gelderse Vallei. De recente besmetting in Biddinghuizen van 14 mei 2026 laat
zien dat nog steeds alertheid geboden is. Wij roepen pluimveehouders op om de noodzakelijke
hygiënemaatregelen te blijven volgen. Binnenkort zal de Deskundigengroep Dierziekten
een nieuwe risicobeoordeling uitvoeren, indien nodig worden de maatregelen aangepast.
De kosten van de ruimingen in de commerciële pluimveehouderij komen via de heffingen
van het Diergezondheidsfonds (DGF) voor rekening van de pluimveesector. Deze kosten
worden doorberekend aan pluimveehouders via DGF-heffingen. De kosten van de bestrijding
van vogelgriep kunnen tussen de jaren flink fluctueren, afhankelijk van het aantal
uitbraken en bedrijfstype. Dat betekent dat ook de heffingen voor pluimveehouders
elk jaar kunnen variëren. Als gevolg van de vele uitbraken in de periode 2025–2026
zullen de tarieven voor komend jaar flink stijgen.
Humaan
De vele uitbraken, en de relatief hoge circulatie van vogelgriep onder wilde vogels,
waarbij opvallend was dat een relatief groot aantal wel besmet is maar niet overlijdt,
besmettingen van katten met vogelgriep en antistoffen tegen vogelgriep bij melkkoeien
op een bedrijf in Nederland zijn ontwikkelingen die maken dat we alert moeten blijven.
Risk assessment en humane epidemiologie
De in 2024 gestarte Riskassessment-groep, een multidisciplinaire groep bestaande uit
humane en veterinaire experts die zelf direct betrokken zijn bij het volgen en bestrijden
van vogelgriep in Nederland, is meerdere keren bijeengeweest om het risico van deze
ontwikkelingen te beoordelen1. Dit leidde in december 2025 tot een verhoging van de inschatting van het risico
voor personen die beroepsmatig met het vogelgriepvirus in aanraking kunnen komen,
van laag/matig naar gemiddeld. Bij de verdere beoordelingen in het RT-Z in januari
en april is deze inschatting onveranderd gebleven. Het risico voor de algemene Nederlandse
bevolking wordt nog steeds ingeschat als zeer laag. Niemand van de ruim 125 mede door
de GGD geteste personen in de actieve en passieve surveillance is besmet geraakt met
vogelgriep. Dit waren personen die, al dan niet beroepsmatig, (onbeschermd) zijn blootgesteld
aan besmet pluimvee of katten of melkkoeien met antistoffen tegen vogelgriep. Ook
in andere Europese landen zijn geen humane besmettingen met de nu in Europa circulerende
vogelgriepvariant vastgesteld.
Humane vaccinatie
Seizoensgriepvaccinatie
Influenzastammen die humane griep veroorzaken, kunnen zich vermengen met influenzastammen
van dierlijke oorsprong, zoals van vogels, zodat via reassortment nieuwe virusvarianten
kunnen ontstaan. Dit kan leiden tot een voor mensen meer besmettelijke variant van
(aviaire) influenza, waartegen in de bevolking veel minder immuniteit is. Seizoensgriepvaccinatie
van mensen die potentieel blootgesteld worden aan dierlijke influenzastammen kan het
risico op reassortment verkleinen. Op dit moment kunnen deze beroepsmatig blootgestelden
via de werkgever of op eigen initiatief bij de huisarts terecht voor deze vaccinatie.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) wil personen die professioneel
in aanraking kunnen komen met aviaire influenza de seizoensgriepvaccinatie laagdrempelig
aanbieden. Eerder is dit geadviseerd door het Deskundigenberaad-Zoönosen en vervolgens
door de Gezondheidsraad onderschreven. Het gaat om varkens- en pluimveehouders en
andere personen die contact hebben met wilde vogels en zoogdieren, zoals dierenartsen,
medewerkers van de dierenambulance, dierenhulpvrijwilligers, terreinbeheerders en
medewerkers van kinderboerderijen.
Binnen het Intensiveringsplan preventie vogelgriep is het laagdrempelig aanbieden
van seizoensgriepvaccinatie voor personen die professioneel in aanraking komen met
(potentieel) besmette dieren nader onderzocht. Er is met diverse organisaties over
gesproken en ook is er een onderzoek gedaan bij GGD Gelderland-Midden naar de vaccinatiebereidheid
onder pluimveehouders en motiverende factoren om die te vergroten.2 VWS spreekt met uitvoeringspartners om deze vaccinatie op korte termijn laagdrempelig
aan te kunnen bieden aan deze doelgroepen.
Humaan vogelgriepvaccin
Het RIVM is gevraagd te adviseren over de inzet van het beperkt beschikbare humane
vogelgriepvaccin van CSL Seqirus (hierna CSL-vaccin). Het RIVM is van mening dat vaccineren
bij het huidige zeer lage zoönotische dreigingsniveau nog steeds weinig toegevoegde
waarde heeft. Een advies over inzet op de langere termijn, en de vervolgaankoop van
nieuwe vaccins ter vervanging van de huidige voorraad volgt voor deze zomer. Uit een
vaccinatiestudie van Erasmus MC en het RIVM en onderzoek in Finland blijkt dat het
CSL-vaccin zorgt voor de aanmaak van antistoffen en dat het bescherming biedt tegen
zowel de vogelgriepvirusvariant die in Europa heerst als tegen de variant die in de
Verenigde Staten circuleert.3 Het EMC en het RIVM doen aanvullend onderzoek naar de duur van deze immuniteit.
Wilde dieren
Omdat vogelgriep jaarrond aanwezig is in wilde vogels, blijven wij ons inzetten om
de kans dat mensen of dieren besmet raken na contact met besmette wilde vogels te
verkleinen. Daarnaast wordt de aanwezigheid van nieuwe varianten van het vogelgriepvirus
gemonitord door het Dutch Wildlife Health Centre (DWHC), die (met WBVR) dode wilde
dieren test op vogelgriep.
Inzet LVVN en VWS
LVVN en VWS zitten gezamenlijk het Landelijk platform vogelgriep wilde dieren voor
waarin alle partijen uit het veld aan tafel zitten die in hun werk in aanraking komen
met wilde dieren met vogelgriep. Via dit platform worden signalen en knelpunten uit
het veld snel opgepikt en nieuwe informatie gedeeld. Zo werd afgelopen november aanvullende
informatie en adviezen gedeeld voor mensen die voor hun werk in aanraking komen met
wilde eenden, zoals jagers en dierenambulancemedewerkers, toen er veel vogelgriep
in levende wilde eenden werd aangetoond (Kamerstuk 28.807, nrs. 310 en 311). Ook is samen met deze partijen de Leidraad omgang met wilde dieren met vogelgriep opgesteld. Hierin staan adviezen over het opruimen van dode wilde dieren met vogelgriep
en de rollen en verantwoordelijkheden uitgewerkt. Daarnaast is er Vogelgriep app voor het melden van dode wilde vogels en zoogdieren en een telefoonnummer met informatie
over vogelgriep.
Financiële bijdrage Stichting Dierenlot
De hoge mate van aanwezigheid van het vogelgriepvirus heeft veel gevraagd van dierenhulporganisaties.
Wij willen daarom onze dank en waardering uitspreken voor de extra inzet die zij afgelopen
periode hebben geleverd voor de maatschappelijk wens om te zorgen voor zieke wilde
dieren. Daarom hebben onze voorgangers van LVVN en VWS tijdens het plenair debat van
18 december jl. over de toenemende uitbraken van vogelgriep incidenteel € 100.000
toegezegd aan Stichting Dierenlot vanwege de vogelgriepsituatie op dat moment. Stichting
Dierenlot zal dit geld verdelen onder dierenambulances en wildopvangen die vanwege
de uitbraak van vogelgriep onder wilde vogels extra kosten moeten maken. Het geld
is bedoeld voor de aanschaf van persoonlijke beschermingsmiddelen en de extra dierenartsenkosten
die zij maken voor het euthanaseren van zieke dieren. We willen de dierenhulporganisaties
erop wijzen dat het de verantwoordelijkheid is van de werkgever dat medewerkers en
vrijwilligers hun werk op een veilige manier kunnen uitvoeren. Het dragen van persoonlijke
beschermingsmiddelen draagt bij aan het verkleinen van het risico op het verspreiden
van vogelgriep of andere ziektes onder mens en dier.
Vogelgriep en jacht
Zoals eerder aangegeven is in het najaar van 2025 een opvallend hoge prevalentie van
vogelgriep onder levende wilde eenden gezien. Hierbij was vaak sprake van subklinische
besmettingen. Dit betekent dat de wilde eenden wel besmet waren met het vogelgriepvirus,
maar geen ziekteverschijnselen lieten zien. Omdat op wilde eenden gejaagd mag worden
in het jachtseizoen, en het vlees van deze dieren ter humane consumptie kan worden
aangeboden, is het wenselijk om meer inzicht te krijgen in de eventuele risico’s hiervan.
De Ministeries van VWS en LVVN hebben Bureau Risicobeoordeling en Onderzoek (Buro)
van de NVWA gevraagd om een beoordeling te maken van de risico’s van vogelgriep onder
wilde eenden voor de jagers/verwerkers en voor consumenten die dit vlees eten. Dit
advies wordt naar verwachting na de zomer van 2026 opgeleverd.
Uw Kamer op heeft 18 december 2025 een motie van het lid Kostić c.s. (Kamerstuk 28.807, nr. 314) aangenomen die de regering verzoekt om vanwege vogelgriep de hobbyjacht op wilde
vogels stil te leggen. De voormalig Minister van LVVN heeft tijdens debat van 18 december
jl. benadrukt dat de risico’s op verspreiding van vogelgriep en de invloed van vogelgriep
op de betreffende populatie op zichzelf onvoldoende reden zijn om op grond van de
wet Dieren een jachtverbod in te stellen als preventiemaatregel tegen vogelgriep op
grond van de Wet dieren. Vogelgriep is al breed aanwezig bij wilde vogels in Nederland.
Jacht op vogels (of de afwezigheid daarvan) heeft daarmee geen substantiële invloed
op de verspreiding van vogelgriep. Er zijn derhalve geen veterinaire argumenten om
vanwege vogelgriep een jachtverbod in te stellen. Om te bezien hoe invulling wordt
gegeven aan deze motie, is advies aan SOVON gevraagd over de mogelijke effecten van
de combinatie van vogelgriep en jacht op de betreffende vogelpopulaties. Dit advies
treft u in bijlage 3. Het rapport geeft geen aanleiding te veronderstellen dat vogelgriep,
in combinatie met jacht, er op dit moment toe bijdraagt dat die situatie verslechtert.
De Minister van LVVN zal Uw Kamer op een later moment verder informeren.
Gehouden dieren
Het grote aantal besmette en geruimde bedrijven en de situatie bij de wilde fauna
tonen de ernst van de situatie aan en de urgentie om de kans op uitbraken en verspreiding
van vogelgriep verder te verkleinen. De preventie- en bestrijdingsmaatregelen beperken
de risico’s, maar hebben een grote impact.
Vaccinatie pluimvee
Vaccinatie tegen vogelgriep wordt gezien als een van de extra maatregelen om het aantal
vogelgriepuitbraken te verlagen. In veel landen is er echter weerstand tegen vaccinatie,
vanwege de wisselende effectiviteit van beschikbare vaccins en de mogelijke handelsgevolgen.
Als gevolg van de wereldwijde spreiding van de huidige H5N1 HPAI-virusvariant, de
vele uitbraken, de miljoenen kippen en andere vogels die zijn geruimd, en de grote
economische schade is die opvatting over het non-vaccinatiebeleid bij vogelgriep internationaal
wat aan het kantelen.
In 2023 heeft Frankrijk als eerste in de Europese Unie de stap naar preventieve vaccinatie
gezet, door eenden op houderijen te vaccineren. De Franse overheid geeft aan dat vaccinatie
een gunstig effect heeft gehad op het aantal uitbraken en dat de gevolgen voor de
handel relatief gering waren. Zij zetten de vaccinatie van eenden voorlopig voort.
Ook Italië en Bulgarije hebben recent aangegeven plannen op te willen stellen voor
vaccinatie van pluimvee.
In Nederland wordt sinds 2022 een stapsgewijze aanpak gevolgd om vaccinatie tegen
vogelgriep zo snel mogelijk en met zo gering mogelijke risico’s voor volks- en diergezondheid
te realiseren, en met zo min mogelijk negatieve gevolgen voor de handel. We doen dit
stap voor stap, omdat er veel zaken zijn die moeten worden geregeld voordat we kunnen
overgaan tot vaccinatie. Dit betreft bijvoorbeeld het vaststellen van de effectiviteit
van vaccins, de inrichting van het verplichte surveillanceprogramma en vooral het
wegnemen van eventuele handelsbelemmeringen Als dit niet goed is geregeld, kunnen
de gevolgen van vaccinatie groot zijn. In deze brief wordt een overzicht gegeven van
alle acties die de afgelopen jaren zijn uitgevoerd. Hierbij worden de resultaten van
de veldproef naar de effectiviteit van vaccinatie, en de voortgang van de pilot gepresenteerd.
Samen met de resultaten van andere reeds uitgevoerde acties vormen die een goede basis
vormen om vervolgstappen te zetten om tot grootschalige verplichte vaccinatie in de
legsector te kunnen overgaan. Daartoe zal de komende maanden samen met de sector een
plan van aanpak worden uitgewerkt inclusief tijdspad, dat de Tweede Kamer voor het
einde van het jaar zal ontvangen. Een belangrijk onderdeel hiervan is de internationale
acceptatie van vaccinatie en van de producten van gevaccineerd en niet-gevaccineerd
pluimvee.
Veldproef
In 2023 is een veldproef gestart met twee vaccins die in de laboratoriumproef uitgevoerd
bij Wageningen Bioveterinary Research (WBVR), effectief bleken (Kamerstuk 28.807, nr. 286). In deze veldproef zijn legkippen, die onder reguliere omstandigheden zijn gehouden,
gevaccineerd met een vectorvaccin, al dan niet in combinatie met een booster. Doel
was om de effectiviteit gedurende de hele productieperiode te kwantificeren. De resultaten
uit de veldproef zijn veelbelovend. De kans op een grote uitbraak wordt door vaccinatie
significant verlaagd en met het Europees verplichte surveillanceprogramma kunnen we
de uitbraken, die zich desondanks kunnen voordoen, snel genoeg opsporen voor het virus
spreidt naar andere bedrijven. Dat zou betekenen dat het aantal infecties op pluimveebedrijven
substantieel kan worden verlaagd.
Bij jonge hennen, van 8 weken oud, waren beide vectorvaccins zeer effectief, en werd
geen virusspreiding waargenomen. Gedurende de legperiode was de virusverspreiding
significant verlaagd ten opzichte van een groep niet-gevaccineerd kippen. Dat zou
betekenen dat in de praktijk een eventuele infectie in een gevaccineerd koppel in
de meeste gevallen beperkt blijft tot een kleine uitbraak, dus maar enkele besmette
kippen. Het betekent echter ook dat in sommige gevallen er in een gevaccineerde groep
nog wel een uitbraak kan optreden, maar dat de kans daarop aanzienlijk kleiner is
dan in een niet-gevaccineerde groep. Samen met een surveillanceprogramma en het ruimen
van een besmette locatie is deze gereduceerde mate van virusverspreiding volgens de
onderzoekers voldoende om in de praktijk verdere verspreiding in een koppel, naar
andere pluimveebedrijven en naar mensen te voorkomen. Alle resultaten van de veldproef
zijn te vinden in de twee eindrapporten (per vaccinfabrikant één rapport incl. een
annex) die bij deze brief gevoegd zijn (bijlage 2 t/m 5). De Staatssecretaris van
LVVN zal ook de Europese Commissie, de lidstaten en derde landen op de hoogte brengen
van de resultaten van de veldproef.
Pilot
Een ander onderdeel uit de stapsgewijze aanpak is de pilot vaccinatie vogelgriep.
Doel van de pilot vaccinatie vogelgriep is ervaring op te doen met de praktische uitvoering
van vaccinatie, het surveillanceprogramma uit de Europese verordening (2023/361),
en de effecten op de handel. De pilot is in maart 2025 gestart en verloopt voorspoedig.
Er zijn geen handelsbarrières opgeworpen, de tafeleieren van de kippen van het bedrijf
worden in Nederland afgezet en de handelspartners zijn zeer te spreken over de transparante
wijze waarop Nederland de hele pilot vorm heeft gegeven en de communicatie daarover
heeft verzorgd. De pluimveesector heeft daaraan een constructieve bijdrage geleverd.
De pilot loopt tot eind december dit jaar.
Voorafgaand aan de start van de pilot zijn op ambtelijk niveau veel gesprekken gevoerd
met belangrijke handelspartners buiten Europa, te weten Canada, de Verenigde Staten,
het Verenigd Koninkrijk en Japan. Mede dankzij deze gesprekken, de opzet van de pilot
én de garantie die Nederland heeft gegeven dat de eieren van de hennen uit de pilot
in Nederland zouden worden afgezet conform een kanalisatieprotocol, hebben zij te
kennen gegeven dat ze geen bezwaren zien tegen de pilot. Deze landen hebben geen importstop
op producten van niet-gevaccineerde kippen opgelegd. Dat biedt ook vertrouwen in het toekomstige traject om eventuele
handelsbelemmeringen weg te nemen als we tot grootschalige vaccinatie overgaan.
Vervolgstappen; plan van aanpak verplichte vaccinatie legsector
De werkzaamheid van de vaccins bieden voldoende perspectief om volgende stappen te
zetten ten aanzien van vaccinatie tegen vogelgriep. Met de pluimveesector heeft de
Staatssecretaris van LVVN afgesproken om voor het einde van het jaar een plan van
aanpak op te stellen voor verplichte vaccinatie in de legsector. De sector ziet vaccinatie
tegen vogelgriep als een zeer belangrijk instrument, naast o.a. bioveiligheid, om
uitbraken van vogelgriep in de toekomst zo veel mogelijk te voorkomen. De sector heeft
wel een aantal randvoorwaarden gesteld aan het invoeren van een vaccinatieprogramma.
Die hebben onder andere betrekking op de internationale acceptatie van producten van
gevaccineerd pluimvee en de grote internationale verwevenheid van deze sector. Daarnaast
pleit de sector voor een haalbaar en betaalbaar surveillanceprogramma. Deze randvoorwaarden
worden betrokken bij de verdere uitwerking van mijn vaccinatieplan.
De focus ligt nu dus op verplichte vaccinatie van leghennen. De redenen daarvoor zijn
dat dit een relatief grote bedrijfstak is binnen de pluimveehouderij, er de afgelopen
jaren veel uitbraken zijn geweest op legbedrijven en de vectorvaccins zijn getest
bij leghennen. In het plan van aanpak dat de Staatssecretaris van LVVN voor het einde
van het jaar naar de Kamer stuurt, worden ook de kosten en baten van vaccinatie, inclusief
het surveillanceprogramma en eventuele aanpassing van wet- en regelgeving en de economische
gevolgen in kaart gebracht. De pluimveesector, waaronder de legsector, is zeer internationaal
georiënteerd, wat het uitvoeren van een vaccinatiestrategie compliceert. Dat geldt
niet alleen voor de handel in (producten van) gevaccineerd pluimvee, maar ook voor
de bedrijfsvoering. In de pluimveesector wordt voor enkele miljarden euro’s binnen
de EU en naar derde landen geëxporteerd. De exportwaarde van bijvoorbeeld consumptie-eieren
is zo’n 700 miljoen. Het is daarom van groot belang dat de handel in pluimvee en pluimveeproducten
niet wordt geschaad. Een zorgvuldige aanpak en goede inschatting van de impact op
de sector is noodzakelijk. Daarom is onderzoekers van Wageningen Social & Economic
Research (WSEcR) gevraagd een economische impactanalyse uit te voeren. Daarbij wordt
gekeken naar de economische impact voor zowel de legsector als voor de hele sector,
waaronder ook de vleeskuikenhouderij en de vermeerderingssector. De resultaten worden
na de zomer verwacht.
Ook hobbyhouders worden geconfronteerd met uitbraken van vogelgriep en met de preventieve
maatregelen. Sommigen geven aan hun pluimvee te willen vaccineren, maar hebben ook
laten weten dat mede door de strikte eisen uit de verordening en de bijbehorende kosten
en verplichtingen, vaccinatie op dit moment niet haalbaar is. De Staatssecretaris
van LVVN zet zich in om vaccinatie van pluimvee van hobbydierhouders op termijn wel
mogelijk te maken.
Op 13 mei 2026 is een amendement op het Europese verplichte surveillanceprogramma
gepubliceerd4. Op basis van onder andere een rapport van de European Food Safety Authority (EFSA)
wordt de frequentie van bemonstering verlaagd5. De Staatssecretaris van LVVN verwacht dat deze aanpassing tegemoetkomt aan de voorwaarde
van de sector om te komen tot een haalbaar en betaalbaar surveillanceprogramma. Met
deze informatie wordt ook invulling gegeven aan de toezegging van voormalig Minister
van LVVN uit het debat van 18 december 2025 om de Kamer te informeren over aanpassingen
in de Europese vaccinatieverordening (EU) 2023/361.
Naar aanleiding van het debat op 18 december 2025 is de motie van het lid Korevaar
aangenomen, die de regering verzoekt om met andere landen te werken aan internationale
acceptatie van producten van gevaccineerde kippen en gezamenlijke onderzoeks-, vaccinatie-
en kennistrajecten en hiervoor extra diplomatieke en technische capaciteit in te zetten
(Kamerstuk 28.807, nr. 317). De afzet van producten van gevaccineerd pluimvee binnen de EU is mogelijk, al gelden
voor sommige producten specifieke voorwaarden voor het ompakken van eieren op aangewezen
pakstations. De detailhandel maakt echter een eigen afweging of zij producten van
gevaccineerd pluimvee afneemt. De overheid heeft hier geen invloed op. Het is de verantwoordelijkheid
van de sector om eventuele bezwaren bij retailers goed in beeld te brengen en, waar
deze niet gerechtvaardigd zijn, weg te nemen. De sector zal hier een plan voor opstellen.
LVVN is bereid om de sector hierbij te ondersteunen.
Voor de afzet buiten de EU kunnen zich knelpunten voordoen. De Wereldorganisatie voor
Diergezondheid (WOAH) stelt weliswaar dat vaccinatie geen invloed heeft op de vrijstatus
van een land, maar de praktijk laat zien dat niet alle landen deze lijn consequent
volgen. LVVN neemt het voortouw om deze belemmeringen in de komende maanden waar mogelijk
weg te nemen. Daarvoor worden gesprekken gevoerd met belangrijke handelspartners om
gezamenlijk op te trekken in dit dossier. In januari heeft mijn voorganger het initiatief
genomen voor het oprichten van een internationale werkgroep over vaccinatie, met het
Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten, Canada, Frankrijk, de Europese Commissie
en de WOAH. LVVN heeft daarin de lead. Er zijn verschillende gezamenlijk vervolgacties
geformuleerd om de wederzijdse acceptatie van producten van gevaccineerde dieren te
vergroten. De WOAH heeft aangegeven richtlijnen te willen opstellen voor surveillance,
zodat handelslanden weten waarop ze kunnen vertrouwen als in een land wordt gevaccineerd.
LVVN steunt de initiatieven van de WOAH van harte en zal bijgedragen waar mogelijk.
Tijdens de General Session van de WOAH in mei zal LVVN als eerste vervolg daarop een
side-event organiseren om de acties van deze werkgroep verder toe te lichten en andere
landen hierover te informeren. Het is belangrijk dat we daarmee een stap verder komen
in de acceptatie van vaccinatie wereldwijd en dat vaccinatie tegen vogelgriep op termijn
gemeengoed wordt, mits veilig en verwantwoord toegepast. Met de organisatie van deze
internationale werkgroep en de daarop volgende acties met de deelnemende partijen
is invulling gegeven aan de motie (Kamerstuk 28 807, nr. 317).
De Kamer heeft naar aanleiding van het debat over de vogelgriepsituatie van 18 december
2025 snelheid gevraagd in de verdere uitwerking van vaccinatie met de motie van het
lid Podt (D66), die de regering verzoekt in kaart te brengen wat er logistiek, juridisch,
beleidsmatig en in het kader van handel nodig is om uiterlijk in 2027 een grootschalig
vaccinatieprogramma uit te rollen, en tevens te schetsen welke projecties er zijn
ten aanzien van vogelsterfte, de kans op gezondheidsschade bij zoogdieren en mensen,
en de maatschappelijke en financiële consequenties daarvan (Kamerstuk 28.807, nr. 315). In reactie op deze motie heeft de voormalig Minister van LVVN aangegeven deze motie
te steunen, maar dat het niet mogelijk is om al in 2027 te starten met een grootschalig
vaccinatieprogramma. Zoals hiervoor uiteengezet worden de komende maanden diverse
acties uitgevoerd om te komen tot vaccinatie. Daarmee is invulling gegeven aan deze
motie.
Melkkoeien met antistoffen tegen vogelgriep
Op 23 januari jl. is de Kamer geïnformeerd over de situatie rondom een melkkoe met
antistoffen tegen HPAI-virus (Kamerstuk 28.807, nr. 323). Het melkveebedrijf werd onderzocht door de NVWA naar aanleiding van een melding
van HPAI bij een kat (Kamerstuk 28.807, nr. 322). Daarnaast is op 29 januari jl. tijdens het Tweeminutendebat Zoönosen en Dierziekten
gemeld aan de Kamer dat uit tussentijdse onderzoeksresultaten bleek dat bij nog vier
melkkoeien antistoffen tegen vogelgriep gevonden waren. Inmiddels zijn de resultaten
van alle aanwezige melkkoeien op het bedrijf bekend. Bij 47% van de melkgevende koeien
en bij 63% van het jongvee zijn antistoffen gevonden tegen het HPAI-virus. Ook het
kalf van de in eerste instantie gevonden melkkoe bleek antistoffen te hebben. Dit
zijn waarschijnlijk maternale anistoffen geweest. Dat zijn afweerstoffen die door
het moederdier zijn aangemaakt en worden doorgegeven aan het kalf. De GGD heeft zowel
de houder, het gezin van de houder en dierenarts onderzocht en adviezen gegeven over
hygiënemaatregelen. Bij deze mensen is geen vogelgriep aangetoond.
Naar aanleiding van deze casus is op 29 januari jl. het Responseteam Zoönosen (RT-Z)
bijeengekomen. Het advies aan ons, de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
en Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, treft u als
bijlage aan (bijlage 6). Mede op basis van dit advies is retrospectief virus onderzoek
uitgevoerd op tankmelkmonsters op het betreffende melkveebedrijf, is het bedrijf voor
langere tijd gemonitord om inzicht te krijgen in het verloop van de uitbraak en is
retrospectief bloedonderzoek uitgevoerd op bloedmonsters van melkkoeien bij andere
bedrijven in Nederland. Hiermee kunnen eventuele infecties met vogelgriep uit het
verleden bij andere melkveebedrijven worden opgespoord.
Wageningen Bioveterinary Research (WBVR) heeft tankmelkmonsters van het betreffende
bedrijf onderzocht van de maand november, december en januari. Hierin is geen vogelgriepvirus
aangetoond. Op 9 april jl. heb ik de resultaten van het retrospectief bloedonderzoek
van WBVR ontvangen (bijlage 7). Uit de resultaten blijkt dat er geen antistoffen zijn
aangetoond in de bloedmonsters van melkkoeien van andere bedrijven in Nederland. De
situatie op het melkveebedrijf in Friesland lijkt daarom een incident te zijn geweest.
Daarnaast concluderen de onderzoekers dat ondanks de wijdverspreide aanwezigheid van
het vogelgriepvirus in het veld bij wilde vogels de kans op besmetting van runderen
met het vogelgriepvirus zeer klein is.
Naar aanleiding van deze nieuwe onderzoeksresultaten is op 14 april jl. het RT-Z opnieuw
bijeen geweest om de onderzoeksresultaten te duiden. Volgens de experts lijkt de casus
in Friesland een incident te zijn geweest en kunnen we aannemen dat infectie van runderen
met vogelgriep zeer beperkt voorkomt. Het RIVM organiseert na de zomer een Deskundigenberaad-Zoönosen waarin wordt gesproken over de huidige monitoring bij melkkoeien en
of deze voldoende is. Het verslag is als bijlage aan deze brief toegevoegd (bijlage
8).
Momenteel hebben we een goed monitoringsysteem, de basismonitoring van de Royal GD,
waar we signalen van infectieziekten bij koeien vroegtijdig opsporen en opvolgen.
Daarnaast wordt bij iedere nieuwe uitbraak van vogelgriep op pluimveebedrijven waar
ook zoogdieren, waaronder koeien, aanwezig zijn, deze dieren door de NVWA gescreend
op vogelgriep. Verder geldt een meldplicht voor positieve laboratoriumuitslagen van
HPAI bij zoogdieren, waaronder koeien. Of deze huidige monitoring voldoende is zal
worden beoordeeld door het Deskundigenberaad-Zoönosen. Aangezien er momenteel geen uitbraken zijn en nauwelijks vogelgriep
wordt gevonden in wilde vogels, achten wij het niet nodig om in de tussentijd aanpassingen
door te voeren in de monitoring.
Hoewel herkauwers eerder niet als vatbaar werden beschouwd, wordt sinds 2024 in de
Verenigde Staten HPAI H5N1 virus gevonden in melkvee. Eerder experimenteel onderzoek
liet zien dat ook Europese stammen van het virus in staat zijn om runderen te infecteren.
Het vinden van HPAI-antistoffen op het melkveebedrijf in Friesland, als eerste en
tot nu toe enige bedrijf in Europa, past daarmee binnen het zich ontwikkelende beeld
dat melkkoeien, net als andere zoogdieren, HPAI kunnen krijgen. Dat er behalve op
het betreffende bedrijf geen andere melkveebedrijven zijn waar HPAI-antistoffen zijn
gevonden, komt overeen met het beeld dat de Royal GD in de monitoring van de afgelopen
jaren geen klinische verschijnselen hebben gezien passend bij een HPAI virus infectie
bij melkkoeien. Daarnaast past het ook bij het beeld van de rest van Europa waar geen
aanwijzingen zijn voor besmettingen van melkkoeien.
De situatie op het melkveebedrijf in Friesland benadrukt het belang dat melkveehouders
alert moeten blijven. Melkveehouders worden geadviseerd contact op te nemen met hun
dierenarts en passende hygiënemaatregelen te nemen als meerdere melkkoeien een combinatie
van de volgende ziekteverschijnselen vertonen: plotselinge daling in de melkproductie,
dikke verkleurde melk, koorts en/of verlies van eetlust. Informatie voor melkveehouders
is te vinden op de website van de Rijksoverheid6. Daarnaast geldt een meldplicht voor positieve laboratoriumuitslagen van HPAI bij
zoogdieren7, waaronder melkkoeien en is er een draaiboek voor HPAI bij melkkoeien8 waarin staat beschreven welke maatregelen er kunnen worden genomen als er vogelgriep
bij melkkoeien wordt gevonden.
Verbetering van de bioveiligheid
Het nemen van bioveiligheidsmaatregelen op pluimveebedrijven kan de kans op introductie
en verdere verspreiding van vogelgriep of andere dierziekten en zoönosen verminderen.
Dit betreft bijvoorbeeld het gebruiken van een hygiënesluis, douchen en het gebruik
van bedrijfseigen laarzen en overalls voor medewerkers en bezoekers. Een deel van
de noodzakelijk geachte bioveiligheidsmaatregelen is vastgelegd in regelgeving, waaronder
regels rondom het reinigen en ontsmetten van (vee)transportmiddelen. Sinds maart 2025
is het voor elk commercieel pluimveebedrijf verplicht een bioveiligheidsplan te hebben.
Pluimveehouders kunnen hiervoor gebruik maken van de Hygiënescan van AVINED, die door
veel pluimveehouders wordt gebruikt.
Uit recent onderzoek1 is gebleken dat de naleving van bioveiligheidsmaatregelen verschilt tussen bedrijven.
Om de naleving van bioveiligheidsmaatregelen verder te verbeteren, kunnen gedragsveranderingen
nodig zijn. Om gedragsverandering te bewerkstelligen is het van belang te achterhalen
welke factoren een belemmerende en motiverende rol spelen bij het naleven van verschillende
bioveiligheidsmaatregelen. Hiertoe wordt in 2026 interdisciplinair onderzoek uitgevoerd
door WBVR, WSER en de Universiteit Utrecht (UU). Uw Kamer wordt begin 2027 over de
uitkomsten en eventuele vervolgacties geïnformeerd.
Structuurmaatregelen
Het Deskundigenberaad Zoönosen (DB-Z) heeft in 2022 en 2023 een advies opgesteld over
risico’s van aviaire influenza voor de humane volksgezondheid (Kamerstuk 25.295, nrs. 1872 en 2051). Daarin gaf het DB-Z aan dat het verlagen van het aantal pluimveebedrijven in pluimveedichte
gebieden en waterrijke gebieden zou kunnen bijdragen aan het verlagen van de kans
op vogelgriepbesmettingen. Deze adviezen zijn de aanleiding geweest voor het opnemen
van structuurmaatregelen in het Intensiveringsplan: een mogelijk verbod op nieuwvestiging
en uitbreiding van pluimveebedrijven in pluimveedichte en waterrijke gebieden. Deze
maatregelen zijn bedoeld om op de lange termijn het risico op en de impact van uitbraken
met vogelgriep te verkleinen. Dit zijn ingrijpende maatregelen, waarvoor een stevige
onderbouwing en nieuwe wettelijke bevoegdheden nodig zijn. Het uitgangspunt daarbij
is dat de maatregelen geschikt, noodzakelijk en proportioneel zijn. Op dit moment
kunnen we nog niet bepalen of deze maatregelen aan deze voorwaarden voldoen. Om te
bepalen of deze maatregelen daadwerkelijk iets bijdragen aan het terugdringen van
het risico, wordt momenteel een impactanalyse uitgevoerd. Daarbij wordt gekeken naar
de impact van deze maatregelen op de volks- en diergezondheid en de pluimveesector.
Naar verwachting wordt uw Kamer rond de zomer geïnformeerd over de afgeronde impactanalyse.
Invloed van waterrijke natuurgebieden op verspreiding vogelgriep
De motie Van der Plas (Kamerstuk 28.807, nr. 319) betreft een verzoek om te onderzoeken
of en in welke mate waterrijke natuurgebieden nog van invloed zijn op de verspreiding
van vogelgriep en uw Kamer daarover te informeren. Er is door Wageningen Bioveterinary
Research uitvoerig onderzoek gedaan naar verschillende risicofactoren voor de insleep
van het vogelgriepvirus op commerciële pluimveebedrijven in Nederland. Uit dit onderzoek
zijn verschillende risicofactoren gebleken die betrekking hebben op landschapskenmerken,
waaronder de nabijheid van water. Nederland is een waterrijk land dat op de trekroute
ligt van veel vogelsoorten. Dit betekent dus dat er een verhoogd risico op insleep
is van vogelgriep vanuit wilde vogels bij pluimveebedrijven in waterrijke gebieden.
In dit onderzoek is gekeken naar data uit de periode 2014–2022. In de huidige reeks
uitbraken sinds oktober 2025, zien we dat er uitbraken verspreid over heel Nederland
voorkomen, zowel in waterrijke gebieden als niet-waterrijke gebieden, en in pluimveedichte
gebieden en in pluimveearme gebieden. Het verloop van de vogelgriepvirusbesmettingen
vertoont in Nederland jaarlijks schommelingen in verspreiding en ernst. We zullen
de deskundigen die de impactanalyse uitvoeren verzoeken om een duiding te geven aan
de huidige reeks uitbraken in relatie tot de bekende risicofactoren. Daarmee is invulling
gegeven aan deze motie.
In het debat van 18 december 2025 is door mijn voorganger richting het lid Graus (PVV)
toegezegd om schriftelijk terug te komen op een tijdens het debat aan de Kamerleden
uitgedeelde brief van brief van Prof. T. Kuiken. Het lid Graus heeft gevraagd om zijn
bevindingen mee te nemen in de impactanalyse naar de structuurmaatregelen vogelgriep.
In de brief wordt onder meer ingegaan in op het verhoogde risico op vogelgriep in
pluimveedichte gebieden en waterrijke gebieden, en doet hij een aanbeveling om het
aantal pluimveebedrijven in deze gebieden te verlagen. De structuurmaatregelen waarnaar
nu een impactanalyse wordt uitgevoerd, betreffen maatregelen om nieuwvestiging en
mogelijk uitbreiding van pluimveebedrijven in deze gebieden met een verhoogd risico
tegen te gaan. Daarmee is invulling gegeven aan deze toezegging.
Toepassing van sneltesten op vogelgriep
Zoals aangegeven in de Kamerbrief van 26 maart 2024 (Kamerstuk 28807, nr. 297) is vervolgonderzoek uitgevoerd naar het gebruik van sneltesten bij vogelgriep. Het
doel van dit onderzoek was om te beoordelen of en hoe sneltesten in de praktijk kunnen
worden toegepast. Hiervoor zijn twee onderzoeken uitgevoerd, die zijn bijgevoegd (bijlage
9 en 10).
Aviaire Influenza sneltest (commercieel) gehouden vogels 2024–2025
In de periode 2024–2025 heeft de NVWA bij elke verdenking bij commercieel gehouden
pluimvee een sneltest afgenomen en monsters voor PCR-onderzoek, uitgevoerd door Wageningen
Bioveterinary Research (WBVR). De uitslagen van de sneltest zijn vergeleken met de
uitslagen van de PCR-test. Alle uitslagen die positief waren in de PCR-test, hadden
ook een positieve uitslag in de sneltest.
Bij gehouden pluimvee kan de positieve sneltest een goede indicatie geven of de PCR-test
waarschijnlijk positief zal zijn. De uitslag van de sneltest kan helpen bij de besluitvorming
over te nemen maatregelen. Daarom gebruikt de NVWA deze sneltest nu bij het bezoek
aan pluimveehouderijen waar sprake is van een verdenking op vogelgriep.
Ondanks dat de sneltest soms een waardevolle aanvulling kan zijn, is het belangrijk
om te benadrukken dat de sneltest de bestaande diagnostiek niet vervangt. De uitslag
van de PCR-test blijft de gouden standaard. Daarnaast is het belangrijk om te benadrukken
dat een negatieve uitslag van een sneltest geen reden mag zijn om een verdenking van
vogelgriep niet te melden. Wanneer een houder of dierenarts vermoedt dat er sprake
is van vogelgriep bij gehouden dieren, moet dit direct worden gemeld bij de NVWA.
Aviaire Influenza sneltest wilde vogels 2024–2025
WBVR en Dutch Wildlife Health Centre (DWHC) hebben onderzoek gedaan naar de betrouwbaarheid
van de sneltest bij wilde vogels, uitgevoerd op dode wilde vogels. Ook in dit onderzoek
is de uitslag van de sneltest vergeleken met de officiële uitslag (PCR-test). Helaas
blijkt uit de resultaten van het onderzoek dat de sneltest vals negatieve uitslagen
geeft in >60–70% van de gevallen. Dit betekent dat de sneltest een negatief resultaat
geeft terwijl de vogel in werkelijkheid wel besmet is met vogelgriepvirus. Een mogelijke
verklaring is dat de sneltest onvoldoende gevoelig is om de relatief lage virushoeveelheden
in wilde vogels aan te tonen.
Voor wilde vogels blijkt de sneltest dus helaas niet geschikt. Als op basis van de
sneltest wordt bepaald of een wilde vogel wordt opgenomen in een wildopvang of niet,
kan dit zeer vergaande gevolgen hebben. Als een uitslag vals negatief is, en de vogel
in werkelijkheid wel vogelgriep heeft, kan het zijn dat deze vogel de hele opvang
besmet. Ook kan het gevaren opleveren voor de medewerkers van de wildopvang of dierenambulance,
omdat bij het hanteren van dieren met vogelgriep wordt geadviseerd om persoonlijke beschermingsmiddelen te dragen. We adviseren daarom om de sneltest niet te gebruiken bij wilde vogels.
Afsluitend
Het blijft belangrijk aandacht te houden voor het verder voorkomen van uitbraken van
het vogelgriepvirus. Daarom blijven we ons inzetten voor de uitvoering van de maatregelen
uit het Intensiveringsplan preventie vogelgriep.
De ontwikkelingen in het afgelopen jaar hebben laten zien dat het belangrijk is alert
te blijven op dat het virus onvoorspelbaar kan zijn en dat impact en het verloop per
jaar kan variëren. We blijven de situatie monitoren en zullen u informeren over relevante
ontwikkelingen rondom vogelgriep.
De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, S.P.A. Erkens
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
S.T.M. Hermans
Indieners
-
Indiener
S.P.A. Erkens, staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur -
Medeindiener
S.T.M. Hermans, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport