Brief regering : Rapport verbreding Cyclus van Gepast Gebruik (CvGG)
31 765 Kwaliteit van zorg
Nr. 978
BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 13 mei 2026
Op 10 december 2025 heeft het Ministerie van VWS van ZonMw het rapport «Samen cyclisch werken aan Passende zorg. Verkenning naar de brede toepassing van de
Cyclus van Gepast Gebruik» ontvangen. Met deze brief stuurt het kabinet dit rapport aan de Kamer.
Het rapport is opgesteld door bureau Zorgmarkten en bevat een verkenning voor het
toepassen van de Cyclus van Gepast Gebruik (CvGG) in vijf zorgsectoren: de huisartsenzorg,
GGZ, geboortezorg, paramedische zorg en wijkverpleging. Daarnaast bevat het rapport
een plan op hoofdlijnen ter ondersteuning van de verdere uitwerking van het toepassen
van de CvGG, voor de drie sectoren die het meest gereed lijken om met deze werkwijze
aan de slag te gaan. Deze sectoren zijn de huisartsenzorg, GGZ en geboortezorg.
Achtergrond
In het Integraal Zorgakkoord hebben de partijen afgesproken om in alle sectoren die
onder de Zorgverzekeringswet vallen, de werkwijze van de CvGG toe te gaan passen.
Daarmee wordt geborgd dat zorg cyclisch wordt geëvalueerd en resultaten uit onderzoek
(versneld) worden geïmplementeerd, zodat alleen bewezen effectieve zorg wordt geleverd.
Deze afgestemde cyclus van agenderen, evalueren, implementeren en monitoren wordt
gehanteerd als continue motor voor het concretiseren van Passende Zorg. Ook in het
Coalitieakkoord 2026–2030 (bijlage bij 36 848, nr. 31) is afgesproken dat passende zorg de norm blijft en dat alleen zorg wordt vergoed
die bewezen meerwaarde heeft voor de patiënt. Daarmee blijft de zorg voor iedereen
toegankelijk en krijgt iedereen de bewezen beste zorg.
Binnen de medisch-specialistische zorg wordt er via het programma Zorgevaluatie &
Gepast Gebruik al gewerkt met de werkwijze van de CvGG, waarbij zorg cyclisch wordt
getoetst en bewezen effectieve zorg wordt geïmplementeerd, en bewezen niet-effectieve
zorg wordt gedeïmplementeerd. Voor de overige sectoren geldt dat in zeer verschillende
mate geleverde zorg wordt getoetst, op o.a. effectiviteit.
Als er wordt getoetst leidt dit bovendien niet noodzakelijk tot tijdige (de)implementatie
van zorg. Het Ministerie van VWS heeft ZonMw daarom opdracht gegeven om de behoeften,
benodigdheden en mogelijkheden voor het toepassen van de CvGG in vijf sectoren inzichtelijk
te maken.
Inhoud rapport
De brede verkenning laat zien dat de huisartsenzorg, de ggz en de geboortezorg op
dit moment de beste uitgangspositie hebben om aan de slag te gaan met de CvGG. Een
sectorale aanpak voor de paramedische zorg en wijkverpleging is op dit moment niet
haalbaar, wat niet betekent dat deze sectoren geen stappen willen zetten om aan passende
zorg te werken. Voor de eerste drie sectoren is daarom op hoofdlijnen een plan uitgewerkt
hoe de CvGG kan worden toegepast in die sectoren en wat daarvoor nodig is.
Er is gestreefd naar zo groot mogelijk draagvlak binnen sectoren. Het rapport kan
een hulpmiddel voor de sectoren vormen om het werken volgens de CvGG verder in te
gaan vullen.
Opvolging
In het coalitieakkoord wordt het belang benadrukt van betaalbare, toegankelijke en
kwalitatief hoogwaardige zorg. Passende zorg blijft hierbij de norm. Om ervoor te
zorgen dat alleen bewezen effectieve zorg in het pakket komt en wordt geleverd, is
het systematisch toetsen van de effectiviteit van zorg belangrijk. Partijen hebben
met elkaar afgesproken om dat via de werkwijze van de CvGG te doen.
Het Kaderprogramma Passende Zorg van ZonMw speelt hierbij een belangrijke rol.
Dit programma stimuleert kennisontwikkeling en onderzoeksinfrastructuur ten behoeve
van de beoordeling van de pakketwaardigheid van (de organisatie van) interventies,
aanpakken en methodieken. Dit kaderprogramma moet het werken volgens de CvGG in alle
sectoren faciliteren en stimuleren. Dat betekent dat sectoren vanuit het programma
ondersteund kunnen worden bij het opzetten en ontwikkelen van structuren die nodig
zijn om volgens de werkwijze van de CvGG te werken. Daarnaast biedt het kaderprogramma
ook ruimte voor onderzoek naar de effectiviteit van zorg op basis van deze werkwijze.
Sectoren zijn in beginsel zelf verantwoordelijk voor de verdere uitwerking van de
plannen om met de werkwijze van de CvGG aan de slag te gaan. Naar aanleiding van het
rapport is het Ministerie van VWS met de sectoren in gesprek over de uitwerking van
de plannen en mogelijke ondersteuning die het Ministerie van VWS en ZonMw daarbij
kunnen bieden. De verwachting is dat de huisartsensector in Q2 2026 met een plan komt
over hoe zij met de CvGG aan de slag wil gaan. Voor de GGZ zal er de komende periode
worden uitgewerkt hoe de CvGG samenhangt met andere lopende trajecten binnen de GGZ
en de uitwerking van de CvGG daarbij verder opgepakt kan worden. De geboortezorg ziet
de CvGG als een kans om als sector gezamenlijk aan passende zorg te werken. De vraag
over hoe de sector met de uitwerking van de CvGG aan de slag wil, wordt geagendeerd
voor het sectoroverleg aan de landelijke tafel integrale geboortezorg.
Tot slot
Het kabinet ziet dit rapport, ook gezien het coalitieakkoord waarin staat dat er strenger
getoetst gaat worden op bewezen effectiviteit en bijdrage aan passende zorg, als een
belangrijke bijdrage aan de beweging naar passende zorg. Het rapport biedt de sectoren
namelijk handvatten om met de werkwijze van de CvGG aan de slag te gaan, zodat zorg
continue getoetst wordt en bewezen effectieve zorg wordt geïmplementeerd. Gelet op
de maatschappelijke urgentie verwacht het kabinet dat sectoren hier ook zo snel mogelijk
mee aan de slag gaan.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
S.T.M. Hermans
Ondertekenaars
S.T.M. Hermans, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport