Brief regering : Fiche: Verordening EU-ruimtevaartagentschap
22 112 Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie
Nr. 4345
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 13 mei 2026
Overeenkomstig de bestaande afspraken ontvangt u hierbij drie fiches die werden opgesteld
door de werkgroep Beoordeling Nieuwe Commissie voorstellen (BNC).
Fiche 1: Voorstel voor flexibele en snelle defensie-innovatie (AGILE) (Kamerstuk 22 112, nr. 4344)
Fiche 2: Verordening EU-ruimtevaartagentschap
Fiche 3: Strategie Voor Gendergelijkheid 2026–2030 (Kamerstuk 22 112, nr. 4346)
De Minister van Buitenlandse Zaken,
T.B.W. Berendsen
Fiche 2: Verordening EU-ruimtevaartagentschap
1. Algemene gegevens
a) Titel voorstel:
Proposal for a Regulation of the European Parliament and of the Council on the European
Union Space Services Agency and amending Regulation (EU) 2021/696
b) Datum ontvangst Commissiedocument:
7 april 2026
c) Nr. Commissiedocument:
COM (2026) 152
d) EUR-Lex:
EUR-Lex – 52026PC0152 – EN – EUR-Lex
e) Nr. impact assessment Commissie en Opinie Raad voor Regelgevingstoetsing
Niet opgesteld
f) Behandelingstraject Raad
Raad voor Concurrentievermogen (COMPET)
g) Eerstverantwoordelijk ministerie:
Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, in nauwe samenwerking met het Ministerie
van Economische Zaken en Klimaat
h) Rechtsbasis:
Artikel 189, lid 2 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU)
i) Besluitvormingsprocedure Raad:
Gekwalificeerde meerderheid
j) Rol Europees Parlement
Medebeslissing
2. Essentie voorstel
a) Inhoud voorstel
De Europese Commissie (hierna: de Commissie) heeft een voorstel gepubliceerd voor
een verordening inzake de European Union Space Services Agency en een wijziging van Verordening (EU) 2021/696 (hierna: het voorstel). Met dit voorstel
beoogt de Commissie een zelfstandige en langdurige grondslag te creëren voor het huidige
agentschap (huidig: European Union Agency for the Space Programme – EUSPA) van het ruimtevaartprogramma van de Europese Unie (hierna: EU). Volgens
de Commissie is dit nodig omdat de huidige grondslag van het agentschap is opgenomen
in Verordening (EU) 2021/696, die is gekoppeld aan het Meerjarig Financieel Kader
(MFK) 2021–2027, terwijl het agentschap zelf niet aan die tijdsduur is gebonden. Het
voorstel hangt nauw samen met het voorstel voor een Europees Concurrentievermogenfonds
(ECF), dat op moment van schrijven in onderhandeling is in raadsverband als onderdeel
van de onderhandelingen voor het MFK 2028–2034, en met het voorstel voor een verordening
voor Veiligheid, Weerbaarheid en Duurzaamheid van Ruimtevaartactiviteiten in de Unie
(hierna: EU Space Act), welke eveneens nog in onderhandeling is. Tevens wijzigt het
voorstel Verordening (EU) 2021/696 door de bepalingen over het agentschap daaruit
te verwijderen.
Het voorstel voorziet in een naamsverandering van European Union Agency for the Space Programme naar European Union Space Services Agency.
Het voorstel beoogt voortzetting van een aantal huidige kerntaken en toevertrouwde
(«entrusted») taken, en daarnaast het toevoegen van een aantal nieuwe taken, verdeeld in drie
categorieën.
De eerste categorie betreft eigen kerntaken van het agentschap. Hieronder vallen beveiligingsaccreditatie
via de Security Accreditation Board (SAB), het beheer van de Plaatsbepaling, Navigatie- en Tijdsbepaling-onderdelen (hierna:
PNT, te weten, Galileo en EGNOS) en, in bepaalde gevallen, van aardobservatieonderdelen.
Verder omvatten deze taken het beheer van de structuur voor beveiligingsmonitoring
en van een gebruikersgemeenschap voor geautoriseerde gebruikers, activiteiten op het
gebied van marktontwikkelingen gebruikersadoptie, technische ondersteuning aan de
Commissie, en taken rond de toegang tot de Public Regulated Service van Galileo.
De tweede categorie betreft taken die de Commissie direct aan het agentschap toevertrouwt,
waaronder het beheer en de exploitatie van de PNT-component, het beheer van de GOVSATCOM1 Hub, en activiteiten voor de ontwikkeling van toepassingen op basis van ruimtevaartdata
en -diensten, geïntegreerde toepassingen en data-ecosystemen. Nieuw zijn taken rond
ontvangers en terminals ten behoeve van EU-ruimtevaartdiensten.
Een derde categorie betreft taken die de Commissie aan het agentschap toevertrouwt
zodra het agentschap daarvoor operationeel gereed is. Deze omvatten beveiligingsondersteuning
voor aardobservatie, contractbeheer voor de aardobservatiedienst voor overheidsgebruikers,
het beheer en het verstrekken van beveiligde satellietcommunicatiediensten, en coördinatie
van gebruikersaspecten binnen Secure Connectivity. Verder omvat dit diensten rond ruimteweer, Space Surveillance and Tracking, radiointerferentiemonitoring, het beheer van delen van subsidieovereenkomsten met
het EU Space Surveillance and Tracking (EUSST)-partnerschap en operationeel beheer van de dienstencentra ervan, en ondersteuning
rond toegang tot de ruimte, ruimtecommercialisering, technologische soevereiniteit,
onderzoek en innovatie, en cyberbeveiliging. Ten slotte kan de Commissie later aanvullende
taken toevertrouwen aan het agentschap, mits deze geen doublures vormen en de efficiëntie
verbeteren. Verder bevat het voorstel bepalingen over de organisatie en werking van
het agentschap. Nieuw zijn de functie van «plaatsvervangend uitvoerend directeur»
en het uit kunnen roepen van een crisisregime.
Het voorstel scherpt procedurele bepalingen aan voor de SAB, die de rol van de Commissie
op onderdelen versterkt. Over personeelszaken en financiën zal de SAB niet langer
zelfstandig kunnen beslissen zonder instemming van de Commissie, en de SAB kan niet
zonder deelname van de Commissie bijeenkomen, tenzij de Commissie hier van tevoren
mee instemt.
In het licht van dit gegroeide takenpakket voorziet dit voorstel in een aanzienlijke
groei van het agentschap in budget (van ~€ 525 mln. naar ~€ 980 mln.) en personeel (van ~300 naar meer dan 500 FTE).
b) Impact assessment Commissie
Er is voor dit voorstel geen impact assessment uitgevoerd door de Commissie, omdat
een uitvoerig impact assessment reeds is uitgevoerd voor het voorstel voor het ECF,2 wat de grondslag vormt voor de inhoudelijke activiteiten van het EU-ruimtevaartprogramma
en daarmee voor de impact van de voorgestelde taken voor het agentschap. Het voorstel
bouwt daarnaast in belangrijke mate voort op de bestaande rechtsgrondslag en huidige
taken van het agentschap. Bij de oprichting van EUSPA als onderdeel van de EU Ruimtevaartverordening
van 2021 heeft destijds ook een impact assessment plaatsgevonden.3
Het kabinet kan zich vinden in de keuze om geen afzonderlijk impact assessment uit
te voeren ten behoeve van dit voorstel, omdat de implicaties van het voorstel sterk
verband houden met de EU-ruimtevaartinzet vanuit bijvoorbeeld het ECF, en aldaar de
impact van de activiteiten reeds beoordeeld is. Het voorliggende voorstel voorziet
daarbovenop slechts beperkt in additionele implicaties en lijken meer administratief
en organisatiegericht van aard.
3. Nederlandse positie ten aanzien van het voorstel
a) Essentie Nederlands beleid op dit terrein
Het Nederlandse ruimtevaartbeleid richt zicht op het voor Nederland maximaliseren
van de maatschappelijke, wetenschappelijke, economische en veiligheids-meerwaarde
van het gebruik van het ruimtedomein. In de kabinetsreactie op de Lange-termijn Ruimtevaartagenda4 heeft het kabinet onderstreept dat ruimtevaart van wezenlijk belang is voor de welvaart,
veiligheid en open strategische autonomie van Nederland en Europa, en dat de ruimte
een strategisch, operationeel en betwist domein is. Het kabinet onderschrijft daarom
de noodzaak van een samenhangend en toekomstbestendig ruimtevaartbeleid, met aandacht
voor veiligheid, innovatie, wetenschap, verdienvermogen en internationale positionering.
Met de inzet op zes missies levert de ruimtevaartsector een cruciale bijdrage aan
meerdere Nederlandse maatschappelijke opgaven, waaronder economie, innovatie, energietransitie,
digitalisering, internationale veiligheid, en klimaatadaptatie. Nederland beschouwt
internationale, en specifiek Europese, samenwerking als een belangrijk onderdeel in
het verwezenlijken van de ruimtevaartambities.
Het kabinet hecht aan een sterk Europees ruimtevaartbeleid en aan een optimale benutting
van de toegevoegde waarde van het EU-ruimtevaartprogramma, waaronder satellietnavigatie,
aardobservatie, beveiligde connectiviteit en omgevingsbewustzijn in de ruimte. Daarbij
zet het kabinet in op een goed functionerende Europese interne markt voor ruimtevaart,
op versterking van de technologische en industriële basis, op het stimuleren van innovatie
en marktontwikkeling, en op goede toegang voor Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen
tot Europese programma’s en instrumenten. Het kabinet hecht daarbij in het bijzonder
aan de complementariteit tussen het EU-ruimtevaartprogramma en het European Space Agency (ESA), dat Nederland beschouwt als belangrijke internationale organisatie voor technologische
ontwikkeling, innovatie, industriële participatie en de versterking van de Europese
en Nederlandse ruimtevaartcapaciteiten. Het kabinet acht het daarbij van belang dat
de uitvoering en ontwikkeling van het EU-ruimtevaartprogramma gepaard gaat met heldere
governance, een duidelijke taakverdeling tussen de Europese Commissie, ESA, het EU-agentschap
en de lidstaten met voldoende ruimte voor nationale bevoegdheden en verantwoordelijkheden
en waarbij doublures voorkomen worden.
Het kabinet ziet ruimtevaart als kritische en enabling technology dat niet op zichzelf staat, maar juist oplossingen mogelijk maakt voor verschillende
maatschappelijke opgaven rond o.a. veiligheid, weerbaarheid, klimaat, energie, mobiliteit
en landbouw. Uitgangspunt voor het kabinet blijft dat Europese beleidsontwikkeling
proportioneel moet zijn, moet aansluiten bij bestaande nationale en internationale
kaders en dat onnodige overlap, regeldruk en institutionele onduidelijkheid moet worden
voorkomen.
b) Beoordeling + inzet ten aanzien van dit voorstel
Het kabinet verwelkomt het voorstel van de Commissie om te komen tot een zelfstandige
en toekomstbestendige grondslag voor het agentschap voor het EU-ruimtevaartprogramma.
Het kabinet onderschrijft het belang van continuïteit, rechtszekerheid en een stabiele
institutionele basis voor de uitvoering van ruimtevaartactiviteiten van de Unie, mede
gelet op het strategische belang van het ruimtedomein voor veiligheid, weerbaarheid,
innovatie en het Europese concurrentievermogen. Dit sluit nauw aan op de Nederlandse
ambities op ruimtevaartgebied, waarin Europese samenwerking op dit vlak dienend is
voor het optimaal benutten van de meerwaarde voor Nederland. Dit voorstel raakt binnen
het Nederlandse ruimtevaartbeleid aan het gebruik van satellietdata voor maatschappelijke
opgaven en het verzilveren van groeikansen voor Nederlandse bedrijven.
Tegelijkertijd is het kabinet van oordeel dat het voorstel op onderdelen verduidelijking
en aanscherping behoeft om te komen tot een evenwichtige governance van het Europese ruimtedomein.
Het kabinet kan zich vinden in het uitgangspunt om de rechtsbasis van het agentschap
los te koppelen van de EU-programmaperiodes. Het kabinet zet zich er voor in dat de
taken van het agentschap duidelijk worden afgebakend en dat nieuwe taken alleen worden
toevertrouwd indien daarvoor een voldoende duidelijke beleidsmatige, juridische en
financiële basis bestaat, en het agentschap hiervoor over de juiste faciliteiten en
competenties beschikt, in het bijzonder voor taken die nieuw of uitgebreid zijn. Het
kabinet zal zich ervoor inzetten dat de criteria die de Commissie hiervoor hanteert
meetbaar, transparant en doelmatig zijn.
Het kabinet benadrukt het belang van een duidelijke taakverdeling tussen de Europese
Commissie, het EU-agentschap, de ESA en de lidstaten. Het voorstel kent het EU-agentschap
een bredere rol toe rond uitvoering, operationele veiligheid, gebruikerscoördinatie,
marktontwikkeling, beveiligde connectiviteit, ruimtesurveillance, ruimteweer en radiointerferentiemonitoring.
ESA bezit aanzienlijke expertise op het gebied van technologieontwikkeling. Het kabinet
benadrukt de noodzaak van een duidelijke afbakening van taken van het EU-agentschap
ten opzichte van ESA en zal zich daarom inzetten voor een scherpere afbakening van
verantwoordelijkheden en voor een wederzijds versterkende samenwerking tussen beide
organisaties, elk binnen hun eigen mandaat zonder duplicaties en overdracht van technologieontwikkelingstaken
naar het EU-agentschap.
Het kabinet onderstreept ten sterkste de noodzaak van de onafhankelijkheid van de
SAB, in het bijzonder omdat een toenemend aantal onderdelen van het EU-ruimtevaartprogramma
een hoge mate van beveiliging vereisen. Het kabinet acht het van belang dat de onafhankelijkheid
van de beveiligingsaccreditatie, alsmede een zorgvuldige institutionele balans tussen
het agentschap en de Commissie, voldoende gewaarborgd blijven. Het kabinet zal zich
inzetten voor verduidelijking van de bepalingen over de besluitvorming van de SAB,
de gestelde eisen aan informatiedeling vanuit de SAB, en de gevallen waarin instemming
van de Commissie vereist is. Het kabinet is kritisch over de inperking van de mogelijkheid
van SAB-leden om bijeen te komen zonder de Commissie, tenzij de Commissie daar uitdrukkelijk
vooraf mee instemt, en over de nieuwe bepaling dat in gerechtvaardigde situaties het
uitblijven van een besluit van de SAB na 3 maanden wordt beschouwd als instemming.
Deze aanpassingen kunnen naar het oordeel van het kabinet op gespannen voet staan
met de onafhankelijkheid van de SAB. Het kabinet zal zich inzetten voor een nadere
specificering van de situaties waarin deze bepaling mag worden ingeroepen. Het kabinet
constateert dat het voorstel refereert aan een beveiligingsautoriteit in plaats van de beveiligingsautoriteit. Het kabinet zal zich inzetten voor eenduidige keuzes zonder
proliferatie van nieuwe gremia op beveiligingsgebied.
Een belangrijk aandachtspunt voor het kabinet betreft de derde categorie taken die
de Commissie aan het agentschap toevertrouwt mits het agentschap daar operationeel
gereed voor is. Het voorstel bevat hiervoor geen uitgewerkte criteria, en over de
precieze invulling van deze activiteiten wordt nog onderhandeld in ECF-verband. Het
kabinet zal zich er voor inzetten dat de voorwaarden voor operationele gereedheid
voldoende concreet zijn voor rekenschap, dat duidelijk is hoe dit besluit tot stand
komt, en dat de wijze van toetsing van de randvoorwaarden voor continuïteit van de
dienstverlening duidelijker in procedures worden verankerd.
Voor zover de Commissie in de toekomst aanvullende taken wil toevertrouwen aan het
agentschap, is het kabinet van mening dat de Commissie in deze gevallen duidelijk
moet aantonen hoe duplicatie met activiteiten elders wordt vermeden, dat efficiëntie
wordt verbeterd, en dat dit niet leidt tot aanvullende kosten of regels. De vereiste
middelen voor deze diensten dienen gevonden te worden binnen de kaders van de EU-begroting.
Ook dienen voor deze nieuwe taken duidelijke criteria te worden gehanteerd over de
afbakening van de opdracht, en ten aanzien van competenties en faciliteiten van het
agentschap.
Het kabinet constateert dat het agentschap in het voorstel in toenemende mate een
rol krijgt in operationele civiele dienstverlening. Het kabinet benadrukt dat de governance en inrichting van die dienstverlening robuust moet zijn, met duidelijke verantwoordelijkheden,
goede mechanismen voor continuïteit en crisisbeheersing, en een transparante wijze
waarop behoeften van gebruikers worden verzameld, gewogen en verwerkt. Het kabinet
wijst daarbij op het belang van het verzamelen en implementeren van gebruikersfeedback
vanuit lidstaten, in het bijzonder vanuit de verschillende aangewezen nationale competente
autoriteiten. Deze competente autoriteiten verrichten voor een aantal EU-ruimtevaartdiensten
een cruciale rol in de verstrekking van toegang tot die diensten aan de gebruikers
hun land.
In onder meer de Raad van Bestuur en de SAB is Nederland vertegenwoordigd door een
nationaal gedelegeerde. Het voorstel stelt zonder verdere onderbouwing dat een gedelegeerde
slechts eenmalig herbenoemd kan worden. De maximale zittingsduur bedraagt daardoor
acht jaar. Het kabinet is van mening dat de keuze voor een gedelegeerde en diens zittingsduur
een nationale keuze is en is kritisch ten aanzien van beperkingen hierin, in het bijzonder
omdat ervaring en kennis van het agentschap en het dossier van waarde zijn om Nederland
effectief te vertegenwoordigen, in het bijzonder op het complexe veiligheidsdossier.
Het kabinet acht tevens goede samenhang noodzakelijk met andere lopende EU-onderhandelingstrajecten,
zoals de EU Space Act5 en in het bijzonder het ECF.6 Het kabinet acht het van belang dat het voorstel niet vooruitloopt op keuzes die
in andere wetgevingstrajecten nog niet zijn afgerond. Het kabinet zet zich in voor
meer duidelijkheid over de samenhang tussen deze ontwikkelende regelgeving, en voor
het voorkomen van onnodige voorsortering in het voorstel op nog onbesliste onderdelen
van andere voorstellen.
Verder benadrukt het kabinet dat de bredere rol van het agentschap rond marktontwikkeling,
gebruikersadoptie, downstream toepassingen, data-ecosystemen, ontvangers, ruimtecommercialisering
en technologische soevereiniteit in lijn wordt gebracht met de Nederlandse inzet op
een sterk ruimtevaartecosysteem. Het kabinet verwelkomt dat deze elementen in het
voorstel zijn opgenomen, omdat zij kunnen bijdragen aan het concurrentievermogen en
het gebruik van ruimtevaartdata en -diensten. Het kabinet zal zich ervoor inzetten
dat de uitwerking hiervan niet leidt tot onduidelijke overlap of belemmeringen met
andere Europese of nationale initiatieven rond onderzoek en innovatief gebruik van
ruimtevaartdiensten. Het kabinet ziet een kans in versterkte Europese samenwerking
en kennisuitwisseling op dit vlak, en benadrukt tegelijkertijd dat het agentschap
in deze gevallen de samenwerking dient te zoeken met nationale activiteiten.
Het kabinet wijst op kansen voor de Nederlandse internationale positionering op ruimtevaart-gebied,
o.a. het Galileo Reference Center van het agentschap in Noordwijk, nabij ESA ESTEC.
Per saldo beoordeelt het kabinet het voorstel als een in beginsel positieve stap naar
meer continuïteit en een stabielere institutionele basis voor het agentschap, maar
met aandachtspunten op het gebied van governance, taakafbakening, operationele gereedheid, samenhang met activiteiten elders en de
onafhankelijkheid van de SAB. Het kabinet zal zich in de onderhandelingen constructief
inzetten om deze punten te verduidelijken en waar nodig aan te scherpen, zodat het
voorstel aansluit bij de Nederlandse inzet voor een sterk, samenhangend en proportioneel
Europees ruimtevaartbeleid.
c) Eerste inschatting van krachtenveld
Er is nog geen informatie bekend over de opvatting over dit voorstel in andere lidstaten.
Het Europees parlement heeft zich nog niet formeel uitgesproken. Naar verwachting
zal het voorstel worden behandeld in de ITRE-commissie (Industrie, Onderzoek en Energie).
De rapporteur is nog niet benoemd.
4. Beoordeling bevoegdheid, subsidiariteit en proportionaliteit
a) Bevoegdheid
Als onderdeel van de toets of de EU mag optreden conform de EU-verdragen toetst het
kabinet of de EU handelt binnen de grenzen van de bevoegdheden die haar door de lidstaten
in de EU-verdragen zijn toegedeeld om de daarin bepaalde doelstellingen te verwezenlijken.
Het oordeel van het kabinet ten aanzien van de bevoegdheid is positief. Het voorstel
is gebaseerd op artikel 189, tweede lid, van het Verdrag betreffende de Werking van
de Europese Unie (VWEU). Het kabinet kan zich vinden in deze rechtsbasis voor het
voorstel, dat strekt tot het vaststellen van een zelfstandige grondslag voor het agentschap
van het EU-ruimtevaartprogramma en tot wijziging van Verordening (EU) 2021/696.
Op het terrein van ruimtevaart is sprake van een parallelle bevoegdheid van de EU
en de lidstaten, waarbij geldt dat het optreden van de Unie de lidstaten niet belet
hun eigen bevoegdheid uit te oefenen (artikel 4, derde lid, VWEU).
b) Subsidiariteit
Als onderdeel van de toets of de EU mag optreden conform de EU-verdragen toetst het
kabinet de subsidiariteit van het optreden van de Commissie. Dit houdt in dat het
kabinet op de gebieden die niet onder de exclusieve bevoegdheid van de Unie vallen
of wanneer sprake is van een voorstel dat gezien zijn aard enkel door de EU kan worden
uitgeoefend, toetst of het overwogen optreden niet voldoende door de lidstaten op
centraal, regionaal of lokaal niveau kan worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang
of de gevolgen van het overwogen optreden beter door de Unie kan worden bereikt (het
subsidiariteitsbeginsel). Het oordeel van het kabinet is positief. Het voorstel heeft
als doel het verstrekken van een langdurige grondslag voor het bestaande agentschap
voor het EU-ruimtevaartprogramma en omvat de inrichting, taken en governance van het agentschap voor het EU-ruimtevaartprogramma en voorziet in de wijziging van
Verordening (EU) 2021/696. Gelet op het grensoverschrijdende karakter van het EU-ruimtevaartprogramma
en de noodzaak van een uniforme institutionele en juridische basis voor de uitvoering
van ruimtevaartactiviteiten van de Unie, kunnen de doelstellingen van het voorstel
niet voldoende door de lidstaten afzonderlijk worden verwezenlijkt. Deze doelstellingen
hebben een intrinsiek landenoverstijgend karakter en kunnen, vanwege de schaal, samenhang
en het Uniekarakter van het ruimtevaartprogramma, beter op het niveau van de Unie
worden bereikt. Een zelfstandige grondslag voor het agentschap en een geharmoniseerde
regeling van diens taken en governance liggen daarom op Unieniveau in de rede. Door het centraal beleggen van meerdere operationele
aspecten van het EU-ruimtevaartprogramma bij dit agentschap worden kennis, competentie
en facilitering gebundeld, wat kan bijdragen aan een effectieve en efficiënte verrichting
van de taken ten dienste van de EU ruimtevaartinzet. Om die redenen is optreden op
het niveau van de EU gerechtvaardigd.
c) Proportionaliteit
Als onderdeel van de toets of de EU mag optreden conform de EU-verdragen toetst het
kabinet of de inhoud en vorm van het optreden van de Unie niet verder gaan dan wat
nodig is om de doelstellingen van de EU-verdragen te verwezenlijken (het proportionaliteitsbeginsel).
Het oordeel van het kabinet is positief. Het voorstel heeft als doel het verstrekken
van een langdurige juridische grondslag voor het bestaande agentschap van het EU ruimtevaartprogramma
en omvat de inrichting, taken en governance van het agentschap voor het EU-ruimtevaartprogramma en voorziet in de wijziging van
Verordening (EU) 2021/696. Het voorgestelde optreden is geschikt om deze doelstellingen
te bereiken, omdat het voorstel voorziet in een duidelijke institutionele basis voor
het agentschap en in een juridisch kader voor de toedeling en uitvoering van taken
die samenhangen met het EU-ruimtevaart-programma en daarmee verbonden diensten. Enkele
activiteiten rond het ontwikkelen van het gebruikerssegment raken aan nationale inzet,
maar vormen geen belemmering. Bovendien gaat het voorgestelde optreden niet verder
dan noodzakelijk, omdat de bestaande bevoegdheidsverdeling hier ongewijzigd blijft
en er geen onnodige administratieve lasten worden opgelegd aan lidstaten door de stapsgewijze
taakoverdracht. Verder dient het voorstel tot het borgen van de operationele continuïteit.
5. Financiële consequenties, gevolgen voor regeldruk, concurrentiekracht en geopolitieke
aspecten
a) Consequenties EU-begroting
De Commissie stelt voor de bijdrage van de Unie aan het agentschap voor de periode
2028–2034 aanzienlijk te verhogen ten opzichte van de periode 2021–2027. Uit de financiële
toelichting volgt dat het totale budget van het agentschap stijgt van circa EUR 525
miljoen in de periode 2021–2027 naar circa EUR 980 miljoen in de periode 2028–2034.
Dit voorstel voorziet daarmee in een toename van het jaarlijks budget van ca. € 114
mln. naar ca. € 167 mln. per jaar en personeel van het agentschap, van ~300 naar meer
dan 500 FTE. De Commissie koppelt deze groei aan de voortzetting van bestaande taken
en aan nieuwe of uitgebreidere taken binnen de toekomstige Europese ruimtevaartarchitectuur.
Mogelijke aanbestedingen en inkopen waarvoor het agentschap verantwoordelijk is vallen
hier niet onder. Deze middelen zullen moeten worden gevonden binnen het Meerjarig
Financieel Kader 2028–2034. Het kabinet constateert dat het voorstel een aanzienlijke
groei van budget en personele capaciteit van het agentschap voorziet. Gezien de verbreding
van taken acht het kabinet het begrijpelijk dat het voorstel budgettaire en operationele
consequenties heeft mits voldoende wordt onderbouwd.
Het kabinet is van mening dat de benodigde EU-middelen gevonden dienen te worden binnen
de in de Raad afgesproken financiële kaders van de EU-begroting en dat deze moeten
passen bij een prudente ontwikkeling van de jaarbegroting. Het kabinet wil niet vooruit
lopen op de integrale afweging van middelen na 2027. Daarnaast moet de ontwikkeling
van de administratieve uitgaven in lijn zijn met de ER-conclusies van juli 2020 over
het MFK-akkoord. Het kabinet is over het algemeen kritisch over de stijging van het
aantal EU-werknemers, maar heeft voor wat betreft dit voorstel begrip voor stijging
gelet op het groeiend aantal taken en de aard ervan, mits voldoende onderbouwd.
b) Financiële consequenties (incl. personele) voor Rijksoverheid en/ of medeoverheden:
EUSPA wordt gefinancierd vanuit het lopende MFK. Er worden op basis van het voorstel
geen directe extra kosten verwacht voor de rijksbegroting of medeoverheden. Nederland
is gastheer van twee EUSPA-faciliteiten, te weten het Galileo Reference Centre in Noordwijk en het recent geopende Galileo Sensor Station op Bonaire. In de afspraken met EUSPA levert Nederland hier een bijdrage voor het
realiseren van deze faciliteiten. Deze afspraken zijn separaat contractueel vastgelegd,
en het voorstel leidt niet tot kostenverhogende aanpassingen hierin. Eventuele budgettaire
gevolgen worden ingepast op de begroting van de beleidsverantwoordelijke departementen,
conform de regels van de budgetdiscipline.
c) Financiële consequenties en gevolgen voor regeldruk voor bedrijfsleven en burger
Het voorstel betreft in hoofdzaak de inrichting, taken en governance van een EU-agentschap en leidt daarom niet direct tot brede administratieve lasten
voor burgers.
Ook voor bedrijven lijken de directe regeldrukeffecten van dit voorstel op zichzelf
beperkt. Wel kan het voorstel indirect gevolgen hebben voor uitvoeringslasten of andere
financiële lasten voor bedrijven, bijvoorbeeld indien het agentschap in de toekomst
aanvullende taken krijgt in samenhang met andere nog lopende EU-trajecten. In het
voorstel wordt daarnaast de mogelijkheid genoemd dat het agentschap voor bepaalde
diensten vergoedingen of leges in rekening kan brengen. De precieze reikwijdte en
grondslag daarvan behoeven nog nadere verduidelijking. Het kabinet acht het van belang
dat eventuele lasten voor bedrijven, kennisinstellingen en gebruikers proportioneel
blijven en voldoende worden onderbouwd.
Reactie op advies ATR
Het Adviescollege toetsing regeldruk kwam tot de volgende adviespunten ten aanzien
van het voorstel. Het college onderkent dat het in beeld brengen van de regeldrukeffecten
van het Commissievoorstel niet goed mogelijk is vanwege het ontbreken van een impact
assessment. Het geeft aan dat meer inzicht in die effecten op de volgende manier kan
worden verkregen:
1. Dring aan bij de Commissie om voordat het voorstel in stemming wordt gebracht alsnog
een impact assessment te maken zodat de regeldrukgevolgen van het voorstel goed in
beeld zijn.
2. Maak inzichtelijk welke uitvoerende partijen, contractpartners en operators te maken
kunnen krijgen met verplichtingen die ontstaan uit hoofde van de nieuwe taken en bevoegdheden
van EUSPA.
3. Licht toe hoe wordt voorkomen dat er overlap ontstaat tussen de bevoegdheden van EUSPA
met betrekking tot contract- en overeenkomstenbeheer enerzijds en anderzijds de bevoegdheden
en werkzaamheden van andere Europese of nationale entiteiten.
4. Maak inzichtelijk welke partijen moeten voldoen aan de verplichting om crisisparaatheidsmaatregelen
te nemen en wat dit inhoudt voor deze partijen.
Het kabinet neemt deze aanbevelingen ter harte in de verdere onderhandelingen over
dit voorstel. De punten sluiten aan bij de inzet van het fiche om meer duidelijkheid
te verkrijgen over de concrete invulling van (toevertrouwde) taken, en de organisatie
van het agentschap. Het kabinet erkent de opmerking van de ATR dat ook nadere duidelijkheid
nodig is ten aanzien van regeldrukgevolgen. Het kabinet zal zich tijdens de onderhandeling
inzetten op nadere verduidelijking op dit vlak.
d) Gevolgen voor concurrentiekracht en geopolitieke aspecten
Het voorstel kan bijdragen aan het Europese concurrentievermogen doordat het agentschap
een bredere rol krijgt in de uitvoering van ruimtevaartdiensten en in aanpalende taken
op het gebied van marktontwikkeling, gebruikersadoptie, downstream toepassingen, data-ecosystemen,
ontvangers, terminals, commercialisering en technologische soevereiniteit. Daarmee
kan het voorstel bijdragen aan een sterker Europees ruimtevaart-ecosysteem en aan
een betere benutting van de economische en innovatieve waarde van het EU-ruimtevaartprogramma.
Ook kan de bundeling van krachten en het samenbrengen van kennis en expertise binnen
het agentschap bijdragen aan de slagkracht van het agentschap en daarmee van het EU-ruimtevaartprogramma
als geheel. Tegelijkertijd blijft het van belang dat de uitwerking van deze taken
goed aansluit op bestaande instrumenten en niet leidt tot onduidelijke overlap met
andere organisaties, waaronder ESA, of tot onnodige lasten voor bedrijven en kennisinstellingen.
Het voorstel heeft een duidelijke geopolitieke relevantie. Het agentschap krijgt een
prominentere rol in de uitvoering van taken op het gebied van beveiligde connectiviteit,
overheidsspecifieke diensten, ruimteweer en Space Surveillance and Tracking. Deze componenten van het EU-ruimtevaartprogramma leveren een cruciale bijdrage aan
de weerbaarheid van gebruik van de ruimte in Europa, en versterken de Europese open
strategische autonomie op ruimtevaartgebied.
6. Implicaties juridisch
a) Consequenties voor nationale en decentrale regelgeving en/of sanctionering beleid
(inclusief toepassing van de lex silencio positivo)
Het voorliggende voorstel regelt in hoofdzaak de inrichting, taken, governance en rechtspositie van het agentschap voor het EU-ruimtevaartprogramma en wijzigt Verordening
(EU) 2021/696. Het voorstel is rechtstreeks toepasselijk en brengt op zichzelf geen
noodzaak mee tot aanpassing van nationale of decentrale wet- en regelgeving in Nederland.
Ook met betrekking tot de rol die Nederland als gastland heeft voor o.a. het Galileo Reference Centre worden geen aanpassingen voorzien.
b) Gedelegeerde en/of uitvoeringshandelingen, incl. NL-beoordeling daarvan
Het voorstel voorziet niet in gedelegeerde of uitvoeringshandelingen.
c) Voorgestelde implementatietermijn (bij richtlijnen), dan wel voorgestelde datum
inwerkingtreding (bij verordeningen en besluiten) met commentaar t.a.v. haalbaarheid
De voorgestelde verordening treedt in werking op de twintigste dag na publicatie in
het Publicatieblad van de Europese Unie en is van toepassing vanaf 1 januari 2028.
Daarbij is van belang dat het voorstel overgangsbepalingen bevat waarmee de lopende
activiteiten, overeenkomsten, verplichtingen en bestuursstructuren van het huidige
agentschap onder Verordening (EU) 2021/696 worden voortgezet. Daarmee wordt voorzien
in juridische continuïteit tussen het huidige en het nieuwe kader.
Het kabinet beoordeelt de voorgestelde termijn als haalbaar en acceptabel.
d) Wenselijkheid evaluatie-/horizonbepaling
Het voorstel voorziet in een vijfjaarlijkse evaluatie van het functioneren van het
agentschap. Daarbij wordt onder meer gekeken naar de prestaties van het agentschap
in relatie tot zijn doelstellingen, mandaat, taken, governance en locaties, alsook naar de onafhankelijkheid en autonomie van de Security Accreditation Board.
Tevens omvat deze analyse de evaluatie van de noodzaak van het voortbestaan van het
agentschap, of het delegeren van taken en activiteiten eraan. Het kabinet onderschrijft
de waarde van periodieke evaluaties, mede met het oog op het lerend vermogen van het
agentschap en de Commissie, en de mogelijkheid om de governance en taakafbakening zo nodig bij te stellen.
e) Constitutionele toets
Niet van toepassing.
7. Implicaties voor uitvoering en/of handhaving
Het voorstel heeft in hoofdzaak betrekking op de interne organisatie en taakuitoefening
van een EU-agentschap en leidt daarom niet direct tot nieuwe nationale uitvoerings-
of handhavingsverplichtingen.
8. Implicaties voor ontwikkelingslanden
Geen implicaties voor ontwikkelingslanden anders dan implicaties voor derde landen
in het algemeen.
Indieners
T.B.W. Berendsen, minister van Buitenlandse Zaken