Brief regering : Voortgang spoorveiligheid
29 893 Veiligheid van het railvervoer
Nr. 285
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 13 mei 2026
Het spoor is een vitaal onderdeel van ons mobiliteitssysteem om de samenleving te
laten functioneren en te zorgen voor een sterke economie. Het is daarom van belang
dat de infrastructuur veilig is en het vervoer van goederen en personen veilig plaatsvindt.
Vele mensen werken daar dagelijks aan.
Met deze brief wordt de Kamer geïnformeerd over de voortgang van het spoorveiligheidsbeleid.
Daarbij wordt ingegaan op het nieuwe Beleidskader Spoorveiligheid, de opvolging van
aanbevelingen van de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OvV), de maatregelen om het spoor
weerbaar te houden en over dat wat wordt gedaan om de militaire mobiliteit op het
spoor te verbeteren.
De veiligheid op en rond het spoor kent verschillende aspecten: 1) de zorg voor een
veilige infrastructuur, zodat treinen, personeel en reizigers veilig van A naar B
komen, 2) sociale veiligheid gericht op de veiligheid in het openbaar vervoer en stations,
3) omgevingsveiligheid voor een beheersing van de restrisico’s die er zijn rondom
het vervoer van gevaarlijke stoffen, 4) nationale veiligheid ten behoeve van de weerbaarheid
van de spoorsector en het vervoer van militair materieel. Deze aspecten beïnvloeden
elkaar. Deze brief richt zich evenwel specifiek op spoorveiligheid.
Spoorveiligheid is voor al het gebruik een basisrandvoorwaarde: als dit niet op orde
is, kan geen enkele trein rijden. Daarbij gaat het om de infrastructuur, het voorkomen
van ontsporingen en treinbotsingen, het borgen van de veiligheid op overwegen en het
inzetten op het zoveel mogelijk voorkomen van suïcides op het spoor. Nederland doet
het internationaal gezien goed op het gebied van spoorveiligheid. Het niveau ligt
hoog en het aantal incidenten op het spoor is de afgelopen 15 jaar sterk gedaald.
Toch laten incidenten ons zien dat spoorveiligheid niet vanzelfsprekend is en continu
aandacht en investeringen behoeft.
Met het Beleidskader Spoorveiligheid, dat met deze brief met de Kamer wordt gedeeld,
kiest het kabinet ervoor het hoge spoorveiligheidsniveau in Nederland te handhaven.
Hiervoor zijn gerichte maatregelen nodig om risicoverhogende, autonome ontwikkelingen
(bijv. toename van het wegverkeer op overwegen, krapte op de arbeidsmarkt voor technisch
geschoold personeel, etc.) op te vangen. Voor het handhaven van het huidige spoorveiligheidsniveau
worden de middelen ingezet die al voor spoorveiligheid geraamd waren.
Beleidskader spoorveiligheid 2026–2035
De Beleidsagenda Spoorveiligheid 2020–2025 loopt af en wordt opgevolgd door een drieslag
van een Beleidskader, Beleidsagenda en Actielijnen Spoorveiligheid, die in nauwe samenwerking
met de spoorsector tot stand komt. Hiermee wordt langjarig invulling gegeven aan de
beleidsprioriteiten en -aanpakken op het gebied van spoorveiligheid, ter aanvulling
op de geldende regelgeving en ter ondersteuning van de spoorsector. Ter voorbereiding
op dit beleidstraject is een evaluatie uitgevoerd, die in december 2025 met de Kamer
is gedeeld.1
Beleidskader Spoorveiligheid
Het Beleidskader is het bovenliggende document uit de drieslag, waarin het ambitieniveau,
de doelstellingen en uitgangspunten voor het spoorveiligheidsbeleid voor tenminste
tien jaar worden vastgesteld. Hierdoor is de kern van het spoorveiligheidsbeleid op
langere termijn voorspelbaar en robuust en dat is wat een veilig spoor en de sector
die daar dagelijks aan werkt nodig heeft.
De spoorveiligheid in Nederland ligt op een hoog niveau, ook in Europese en internationale
context. Het hoge veiligheidsniveau komt mede door de investeringen die de afgelopen
decennia zijn gedaan, bijvoorbeeld in overwegveiligheid en het reduceren van stop-tonend-sein-passages.
In die periode zijn er grote verbeteringen in het veiligheidsniveau gezet. Daarmee
staat het Nederlandse spoor op een punt waarin het aantal significante2 ongevallen per spoorwegkilometer lager ligt dan in vergelijkbare Europese landen
als Duitsland, België, Denemarken en Zwitserland. Tegelijkertijd vlakt de veiligheidswinst
per genomen maatregel af en gaan eventueel volgende significante stappen in spoorveiligheid,
bijvoorbeeld bij maatregelen ten behoeve van overwegveiligheid, vaker gepaard met
disproportioneel hoge kosten.3
De in het beleidskader opgenomen spoorveiligheidsambitie is om dit hoge veiligheidsniveau
in Nederland beheerst te handhaven. Dit betekent dat er ingezet wordt op het opvangen
van autonome ontwikkelingen die risico’s toevoegen zoals een toename van het weg-
en spoorverkeer.
Het Beleidskader Spoorveiligheid is als bijlage bij deze brief gevoegd. Het kader
wordt per spoorveiligheidsdeelonderwerp uitgewerkt in de Beleidsagenda Spoorveiligheid
met daarin de stappen die de komende vijf jaar nodig zijn om het hoge veiligheidsniveau
te handhaven. De concrete acties daartoe komen in de kortcyclische Actielijnen Spoorveiligheid.
Momenteel wordt aan beide deelproducten gewerkt met sectorpartijen en worden ze naar
verwachting dit najaar met de Kamer gedeeld.
Opvolging aanbeveling OvV-onderzoek overwegongeluk Hooge Zwaluwe
OvV heeft eind 2025 het onderzoek gepubliceerd naar de aanrijding op een overweg op
de goederenlijn bij Hooge Zwaluwe.4 OvV herhaalt hierin een eerder gedane aanbeveling aan de Staatssecretaris van Infrastructuur
en Waterstaat om vast te leggen wie welke verantwoordelijkheid draagt voor overwegveiligheid,
ook buiten het reizigersnet.
Zowel de wegbeheerder als de spoorbeheerder hebben invloed op overwegveiligheid. Het
is daarom ook een gedeelde verantwoordelijkheid van beide beheerders. Zo ook in Hooge
Zwaluwe, waar de wegbeheerder de weg die naar de overweg toe leidt verbreedde zonder
ProRail bij deze wijziging te betrekken. Daardoor ontstond ter plekke van de overweg
een vernauwing in de weg, wat afleidde van het waarnemen van een naderende trein.
De verantwoordelijkheid en afbakening voor de veiligheid van overwegen is gedeeld,
conform de verantwoordelijkheid van wegbeheerders voor de veiligheid van openbare
wegen en de verantwoordelijkheid van ProRail voor de veiligheid van het spoor. De
wegbeheerder is verantwoordelijk voor wijzigingen aan de openbare wegen, uiteraard
in samenspraak met ProRail in de nabijheid van het spoor. De noodzaak voor afstemming
tussen infrastructuurbeheerders is geen uniek probleem: ook bij kruising tussen wegen
in beheer van verschillende wegbeheerders is afstemming noodzakelijk.
Wegbeheerders zijn zich niet altijd bewust van hun invloed en verantwoordelijkheid
op overwegveiligheid. Het Ministerie van IenW zet in op het verbeteren van de kennisuitwisseling
tussen wegbeheerders en ProRail. Onderdeel daarvan is een onderzoek naar een signaalwaarde
voor wanneer specifieke overwegen een maatschappelijk onaanvaardbaar risico op zouden
kunnen leveren. Dit onderzoek start naar verwachting voor de zomer en zal eind dit
jaar zijn afgerond en met de Kamer worden gedeeld.
OvV heeft aan ProRail aanbevolen om overwegen buiten het reizigersnet te beveiligen,
en als alternatief om alternatieve vormen van actieve beveiliging te onderzoeken.
IenW heeft ProRail opgeroepen om goedkopere vormen van beveiliging uit te zoeken voor
deze overwegen. Dit is mogelijk omdat er op deze overwegen met relatief lage treinsnelheid
wordt gereden. Voor het ontwikkelen van innovaties zijn middelen beschikbaar binnen
de Structurele Overwegverbeteraanpak (SOVA).
Opvolging aanbeveling OvV-onderzoek spoorwegongeval bij Voorschoten
In haar onderzoek naar het spoorwegongeval bij Voorschoten van 4 april 2023 heeft
OvV een aanbeveling aan de Staatssecretaris van IenW gedaan. Deze ziet op het opdrachtgeverschap
aan ProRail, namelijk zorgen dat veilig werken en rijden langs werkzaamheden daarin
een plek krijgen. Verder beveelt OvV aan om barrières voor ProRail weg te nemen rondom
innovaties voor veilig werken en het opzetten van registratiesysteem voor (bijna-)ongevallen.
Hieronder wordt per afzonderlijke delen ingegaan op hoe het Ministerie van IenW hier
sinds de laatste voortgangsbrief spoorveiligheid verder stappen in heeft gezet.
Beleggen van onder meer veilig werken en veilig rijden langs werkzaamheden in het
opdrachtgeverschap aan ProRail.
Het ministerie heeft het afgelopen jaar ingezet op het versterken van de in de aanbeveling
genoemde waarden in het opdrachtgeverschap aan ProRail. In de beheerconcessie staat
veiligheid centraal. Veiligheid, waaronder veilig werken en veilig rijden langs werkzaamheden,
is daarbij een expliciete randvoorwaarde voor de uitvoering van alle werkzaamheden
door ProRail.
Daarnaast is in het kader van het basiskwaliteitsniveau spoor afgesproken om onderhoudswerkzaamheden
vaker overdag uit te voeren. ProRail werkt aan een implementatieplan voor deze maatregel.
Als eerste uitwerking implementeert ProRail momenteel de verlenging van de nachtelijke
buitendienststelling waardoor de effectieve werktijd wordt vergroot en werkzaamheden
beter beheerst en veiliger worden uitgevoerd. Deze maatregel draagt bij aan het versterken
van veilig werken aan het spoor en draagt bij aan borging van de waarden in het opdrachtgeverschap
aan ProRail.
Verder heeft het ministerie contact met het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
de Nederlandse Arbeidsinspectie, ILT, ProRail en stichting railAlert om te kijken
naar hoe de balans tussen dag- en nachtwerk veranderd kan worden, welke knelpunten
daarbij een rol spelen en hoe die aangepakt zouden kunnen worden. Zodra hiervoor meer
concrete plannen zijn, zal de Kamer hierover worden geïnformeerd.
Barrières wegnemen voor innovaties ten aanzien van veilig werken aan het spoor.
Dit onderwerp wordt betrokken bij het opstellen van de beleidsagenda spoorveiligheid
waar op dit moment aan wordt gewerkt. Het ministerie is in gesprek met ProRail over
wat de behoeftes van de sector zijn, wat ProRail nu al doet en waar een eventuele
bijdrage van het Rijk van toegevoegde waarde is. In het najaar wordt de uitwerking
van de beleidsagenda spoorveiligheid en de bijbehorende acties met de Kamer gedeeld.
Barrières wegnemen voor het creëren van een systeem voor het registreren, analyseren
en delen van informatie over (bijna-)ongevallen.
De specifieke aanbeveling aan het ministerie is om eventuele barrières weg te nemen
bij het opzetten van het registratiesysteem. Het opzetten van het registratiesysteem
zelf is een aanbeveling van OvV aan ProRail. In het rapport van ILT over de opvolging
van de aanbevelingen van OvV wordt nader ingegaan op de stand van zaken hiervan (zie
verder in deze brief). In de voorjaarsbrief spoorveiligheid van 2025 is de Kamer geïnformeerd
over de toenmalige stand van zaken.5 Sindsdien zijn de gesprekken tussen het ministerie, ProRail en ILT voortgezet.
Onderdeel van deze gesprekken was het gewenste toekomstbeeld voor het registratiesysteem.
Op dit moment hebben zowel ProRail als ILT een database waarin ongevallen en incidenten
worden bijgehouden. In de database van ILT komen de ongevallen en incidenten die vervoerders
verplicht zijn om te melden op basis van de bestaande spoorwetgeving. De database
van ProRail is breder en bevat meer incidenten, ook bijvoorbeeld op het gebied van
arbeidsveiligheid bij werkzaamheden.
Het ministerie heeft de afgelopen tijd een verkenning gedaan wat mogelijke opties
zijn voor het beheer van het registratiesysteem. Daarvoor is in de afgelopen maanden
onder andere gesproken met België en Noorwegen. Die hebben elk hun eigen model waarbij
in Noorwegen de nationale veiligheidsinstantie (in Nederland ILT) het registratiesysteem
beheert, terwijl dit in België de nationale onderzoeksinstantie (in Nederland OvV)
is. Er is dus geen standaard werkwijze en de nationale context bepaalt hoe het systeem
is ingericht.
Op basis van de verschillende gesprekken ziet het ministerie twee varianten om de
registratie en database toekomstbestendig te organiseren. De eerste variant is dat
de huidige database van ProRail wordt doorontwikkeld. De tweede optie is om een centrale
onafhankelijke database bij de ILT onder te brengen. Beide opties hebben aanzienlijke
organisatorische en financiële consequenties voor respectievelijk ProRail en de ILT.
De komende periode zal dan ook met deze partijen een verkenning worden gemaakt om
de consequenties in beeld te brengen en ook met de sector in gesprek gegaan om het
draagvlak voor de verschillende varianten te bespreken. Als deze verkenning is afgerond
zal op basis van de uitkomsten gekomen worden tot een voorstel hoe incidentregistratie
in de toekomst efficiënt, onafhankelijk en op een manier wordt georganiseerd waardoor
zoveel mogelijk geleerd kan worden van incidenten en ongevallen. De verplichting op
basis van de Arbeidsomstandighedenwet om meldingsplichtige arbeidsongevallen door
de werkgever te melden bij de Nederlandse Arbeidsinspectie blijft daarnaast gelden.
Vanuit de Europese Commissie wordt gewerkt aan een verordening die voorschrijft welke
ongevallen en incidenten moeten worden gemeld. Die komen dan in een centrale Europese
database te staan. Onderzocht moet worden hoe een nationale database aan deze Europese
database gekoppeld kan worden zodat ongevallen en incidenten die nationaal worden
gemeld niet ook nog apart in het Europese systeem hoeven worden gemeld.
Aangezien het vanuit Europa straks een verplichting wordt om meldingen van ongevallen
en incidenten te doen, betekent dat ook dat er handhaving mogelijk is als partijen
die meldingen niet doen. ILT ziet daarop toe en kan haar gebruikelijke handhavingsinstrumentarium
inzetten. Om die reden ziet het ministerie geen toegevoegde waarde van het opnemen
van boetebepalingen voor het niet melden van ongevallen en incidenten in contracten
die ProRail afsluit met spoorpartijen. Hiermee wordt de motie van Van Kent die hierover
ging als afgedaan beschouwd.6
Naar aanleiding van de aanbeveling van OvV aan ProRail, is ProRail op dit moment bezig
om hun database uit te breiden. ILT constateert in haar monitoringsrapport van de
aanbevelingen dat ProRail met aannemers en spoorwegondernemingen gesprekken voert
om tot een werkwijze te komen voor het melden en registeren. Mochten er uit deze gesprekken
bepaalde barrières komen waardoor het laten melden en registeren van ongevallen en
incidenten niet voldoende geborgd kan worden, dan gaat het ministerie kijken in hoeverre
zij deze barrières weg kan nemen.
Concluderend gaat ProRail, samen met IenW en ILT de komende tijd onderzoeken of de
voorkeursoptie van het ministerie haalbaar is. Hierover zal de Kamer in het voorjaar
van 2027 worden geïnformeerd.
Monitoring ILT opvolging aanbevelingen OvV
ILT heeft een wettelijke taak bij het monitoren van de aanbevelingen van OvV over
voorvallen op het spoor die zijn gericht aan niet-bestuursorganen zoals spoorwegondernemingen of ProRail. Als bijlage is de rapportage van ILT
meegestuurd over het jaar 2025. Deze rapportage gaat in op de uitvoering van de aanbevelingen
uit het OvV-rapport naar de aanrijding bij Voorschoten in 2023.
In het rapport van OvV staan vier aanbevelingen aan niet-bestuursorganen. Al deze
aanbevelingen zijn aan ProRail gericht. ILT concludeert hierover dat ProRail heeft
laten zien opvolging te geven aan de aanbevelingen. Dat stond in 2025 nog in het teken
van het zoeken naar de samenwerking met de branche, het doen van onderzoeken en het
inventariseren en bepalen van oplossingsrichtingen. Voor een deel van de maatregelen
geldt dat het meerdere jaren gaat duren voordat die afgerond kunnen worden, waardoor
ILT deze dus in 2026 zal blijven monitoren.
Het ministerie constateert dat ProRail met alle aanbevelingen hard aan de slag is
gegaan en stappen heeft gezet. Het uitvoeren van de aanbevelingen is complex omdat
het medewerking van de hele sector vraagt. Afgelopen periode is ProRail daarom voornamelijk
bezig geweest met onderzoeken uitvoeren en draagvlak organiseren. De komende periode
moet dit leiden tot concrete, zichtbare stappen, die de ILT blijft monitoren. Indien
ProRail bij de uitvoering van de aanbevelingen belemmeringen ziet die het ministerie
eventueel weg kan nemen, dan zal hierover het gesprek gevoerd worden.
Via de monitoringsrapportage over het jaar 2026 wordt een volgende update voor de
aanbevelingen voor Voorschoten gegeven. Deze monitoringsrapportage wordt voor de zomer
van 2027 met de Kamer gedeeld.
Weerbaarheid
Vanwege de huidige onzekere geopolitieke ontwikkelingen en het daarmee gepaard gaande
verhoogde dreigingsbeeld, neemt de urgentie om de weerbaarheid van het spoor te verhogen
steeds meer toe. Het OFL-rapport uit oktober 2025 doet hiertoe enkele aanbevelingen
en mijn ministerie bekijkt momenteel – samen met ProRail – hoe deze gerealiseerd kunnen
worden.
Op dit moment is er geen dekking voor aanvullende maatregelen.
In 2026 zal de focus vooral liggen op de implementatie van de Wet weerbaarheid kritieke
entiteiten en Cyberbeveiligingswet. In samenwerking met de NCTV en de kritieke entiteiten
binnen de spoorsector werkt mijn ministerie momenteel aan de sectorale risicobeoordeling,
waarin dreigingen, kwetsbaarheiden en risico’s voor de gehele spoorsector in beeld
gebracht worden. Deze risicobeoordeling zal samen met de risicobeoordeling die kritieke
entiteiten voor hun eigen organisatie moeten uitvoeren landen in de Samenwerkagenda
Vitaal Spoor 2026–2029, die zal dienen als actieprogramma voor het verhogen van de
weerbaarheid van de spoorsector.
Militaire mobiliteit
Met de impactanalyse, die door het Overlegorgaan Fysieke Leefomgeving is opgeleverd,7 is de impact van meer militair vervoer op het spoornetwerk, en op civiel vervoer,
in beeld gebracht. In het verlengde van de aanbevelingen uit dit rapport wordt gewerkt
aan het verder aanscherpen van de exacte opgave. Om de Nederlandse spoorinfrastructuur
te toetsen aan de Europese militaire vereisten stelt ProRail in opdracht van het Ministerie
van Defensie een «Delta Analyse Spoor» op. De oplevering van dit onderzoek is eind
2026 voorzien.
Een belangrijk onderdeel van de Europese militaire, en ook TEN-T, vereisten is het
geschikt maken van spoorinfrastructuur voor treinen tot 740 meter lang. Met de voorjaarsnotabesluitvorming
is er € 39 miljoen aan extra middelen voor het 740 meter programma beschikbaar gemaakt.
Hiermee kan de scope van het programma worden verbreed met locaties in Tilburg en
Deventer en zijn zo alle projecten gefinancierd die nodig zijn om de drie drukste
corridors geschikt te maken voor het rijden met 740 meter lange treinen. Deze investering
komt bovenop de eerder vrijgemaakte middelen voor het vergroten van de spoorcapaciteit
op Maasvlakte en dual-use gebruik van het emplacement Kijfhoek.
Naast het analyseren en wegnemen van infrastructurele knelpunten worden ook mogelijke
procesmatige optimalisatiemogelijkheden op het gebied van militaire mobiliteit onderzocht.
Zo richt het onderzoek «simulatie van de reis van de militaire trein» zich op mogelijkheden
om processen te optimaliseren bij de voorbereiding op en uitvoering van Host Nation Support (HNS) transporten via Nederland. De oplevering van dit onderzoek is voor de zomer
voorzien.
Bij militaire mobiliteit is ook internationale samenwerking van belang omdat voorkomen
moet worden dat een trein bij de grens stil komt te staan. In samenwerking met de
lidstaten van de North Sea Baltic Freight Corridor wordt gekeken naar gezamenlijke
opgaven en oplossingen. Op 23 maart 2026 vond in Mainz de eerste «Expertmeeting Military
Mobility» plaats, met vertegenwoordiging van de Ministeries van Transport en Infrabeheerders
van deze lidstaten. De basis voor de ambitie om nauwer te willen gaan samenwerken
op het gebied van militair transport is toegevoegd aan de nieuwe «joint declaration»,
die alle negen lidstaten hebben ondertekend.8
Overige onderwerpen in relatie tot spoorveiligheid
Het CLU+-convenant bevat afspraken met veiligheidsregio’s over interventies bij incidenten
op de HSL en de Betuweroute, waaronder het spanningsloos maken van de bovenleiding
(«Complete Lijn Uitschakeling», CLU) en de inzet van 25kV-teams van de veiligheidsregio’s.
De evaluatie van het CLU+-convenant is afgerond en is bij deze brief gevoegd. Uit
de evaluatie blijkt dat de oorspronkelijke uitgangspunten van het convenant op onderdelen
aanleiding geven tot nadere beschouwing, onder andere ten aanzien van de gehanteerde
normen en de inrichting van de afspraken. De komende periode zullen de uitkomsten
van de evaluatie nader worden bezien. In het najaar wordt de Kamer hierover geïnformeerd.
ILT heeft in 2025 een last onder dwangsom (LOD) opgelegd aan ProRail. Deze is opgelegd
omdat volgens de administratie van ProRail enkele stukken spoorstaaf waren vernieuwd,
terwijl dit in werkelijkheid niet was uitgevoerd. ILT vindt dat op dit punt het veiligheidsbeheersysteem
van ProRail tekortschiet in het borgen van de veilige berijdbaarheid. ILT kan een
LOD opleggen als ProRail hier niet aan voldoet. In 2024 had de inspectie al eenzelfde
soort constatering gedaan en hierover een waarschuwingsbrief aan ProRail verstuurd.
ProRail is het niet eens met de opvatting van ILT dat in deze casus sprake is van
strijdig handelen met het veiligheidsbeheersysteem en heeft tegen het opleggen van
de LOD beroep bij de Rechtbank ingesteld. Zodra de rechter uitspraak heeft gedaan,
wordt de Kamer hierover geïnformeerd in een volgende voortgangsbrief spoorveiligheid.
In de Tijdelijke regeling specifieke uitkering Landelijk Verbeterprogramma Overwegen
2022–2028 is aangekondigd dat een evaluatie van deze specifieke uitkering voor 1 april
2026 gepubliceerd zou worden. Omdat de regeling al is uitgeput maar de realisatie
nog niet gereed is, wordt deze evaluatie later uitgevoerd en breder getrokken over
de gehele overwegveiligheidsmaatregelen.
In een separate brief wordt de Kamer geïnformeerd over het vervoer van gevaarlijke
stoffen, waarin ook ingegaan zal worden op het vervoer van gevaarlijke stoffen per
spoor.
Het ministerie blijft zich, samen met ILT, ProRail en vervoerders, inspannen om het
vervoer over het spoor veilig te houden. Zodat het spoor mensen, de omgeving en de
economie zorgeloos blijft verbinden.
De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat,
A.W.H. Bertram
Indieners
A.W.H. Bertram, staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat