Brief regering : Eindrapportage van het TNO-programma (post) COVID-19
25 295 Infectieziektenbestrijding
Nr. 2272
BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 13 mei 2026
Hierbij stuurt het kabinet de Kamer de eindrapportage van het TNO programma (post)
COVID-19 (zie bijlage 1). Hiermee voldoet het kabinet aan de toezegging van de voormalige
Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport om de volledige resultaten
van het TNO onderzoeksprogramma aan de Kamer aan te bieden.1
In 2023 is gestart om in voorbereiding op, en ter voorkoming van, een nieuwe pandemie
kennis en inzichten in beeld te brengen waarmee de juiste beleidskeuzes voor de lange
termijn gemaakt kunnen worden. Om zicht te krijgen op welke kennis concreet is vereist,
en welke kennis prioriteit heeft, is toentertijd een zogenaamde kennisprioritering
COVID-19 uitgewerkt. Hierbij werden, onder andere, de onderzoeksdomeinen post-COVID,
gedrag, immuniteit, monitoring en effectiviteit van maatregelen geïdentificeerd. Deze
prioritering is vervolgens aan experts en kennispartners (zoals ZonMw, het RIVM, de
Gezondheidsraad en TNO) ter validering voorgelegd, alsook om deze aan te laten sluiten
bij lopende programma’s. Op 25 april 2023 is deze kennisprioritering aan de Kamer
gestuurd.2 TNO heeft op 25 september 2023 naar aanleiding hiervan de opdracht gekregen van VWS
om een (post) COVID-19 onderzoeksprogramma op te zetten. Dit programma is eind 2025 afgerond.
TNO programma (post) COVID-19
Het TNO programma bestond uit vijf deelprogramma's waarin negen deelonderzoeken aan
de orde kwamen. Hieronder worden de belangrijkste bevindingen en aanbevelingen uiteengezet.
1. Inzicht in post-COVID
1.1 De invloed van leefstijl op vatbaarheid, beloop en herstel van post-COVID
TNO heeft een uitgebreide kennisinventarisatie gedaan (zie bijlage 2) over de invloed
van leefstijlfactoren op post-COVID. Op grond daarvan lijkt het bevorderen van een
gezonde leefstijl van belang om de vatbaarheid voor post-COVID te verminderen. Relevante
elementen zijn dan in ieder geval niet roken, voldoende slaap en bevorderen van mentaal
welbevinden. Daarnaast vindt TNO revalidatieprogramma's met gecombineerde leefstijlfactoren
zoals cognitieve gedragstherapie en/of body-mind therapie en voeding kansrijk. Ook
adviseert TNO om het effect van een gecombineerde leefstijlinterventie op beloop en
herstel van post-COVID te onderzoeken.
1.2 De rol van het microbioom in post-COVID
In deze verkennende studie, die bestond uit een literatuurstudie, het onderzoeken
van fecaal materiaal van post-COVID patiënten en het testen van het darmmicrobioom
in het i-screen fermentatieplatform, is een eerste stap gezet om de rol van het microbioom
bij post-COVID klachten onder de loep te nemen. TNO beveelt vervolgonderzoek aan om
de impact van het microbioom op post-COVID patiënten verder te onderzoeken.
1.3 Ondersteunende tool voor mensen met post-COVID
TNO verkende een monitoring-app als middel om post-COVID klachten in beeld te brengen.
Deze app monitorde onder andere dagelijkse klachten, triggers en energiebronnen van
mensen die langdurige klachten ervaren na een COVID-19 infectie. Er was onder patiënten
een hoge bereidheid om de app te gebruiken. Deze gaf patiënten inzicht in het eigen
klachtenpatroon. De dagelijkse data over klachten zijn volgens TNO een aanvulling
op meer biomedisch gericht onderzoek. TNO beveelt aan om deze Postcovid App verder
te optimaliseren en de toegankelijkheid te vergroten.
2. Vergelijking van modellen en model infrastructuur
De tijdens de pandemie ontwikkelde modellen van TNO en RIVM voor COVID-19 prognoses
voor IC opnames zijn met elkaar vergeleken. De modellen en de gebruikte aannames zijn
gedocumenteerd en geborgd, zodat in een toekomstige pandemie gebruik gemaakt kan worden
van beide modellen. TNO geeft aan dat het gebruik van verschillende onafhankelijke
modellen bijdraagt aan het verbeteren van toekomstige prognoses. TNO beveelt aan om
afspraken te maken over de input en output van modellering, zodat het makkelijker
wordt om modellen te vergelijken tijdens uitbraken. Daarnaast wordt in het rapport
het belang aangegeven van het ontwikkelen van een model infrastructuur die directe
vergelijking en benutting van verschillende modellen mogelijk maakt.
3. Effectiviteit van maatregelen – Internationale vergelijking gericht op gezondheid
van werkenden
De maatregelen die genomen zijn om de coronapandemie te bestrijden hebben direct effect
gehad op werk en werknemers. In het TNO onderzoek is de Nederlandse situatie vergeleken
met zes andere Europese landen, de Nederlandse situatie is beschreven in het een apart
rapport (zie bijlage 3). TNO beveelt aan om bij een eventuele volgende crisis experts
op het terrein van veilig en gezond werken te betrekken bij besluitvorming over maatregelen.
Ook adviseert TNO om aandacht te hebben voor goede communicatie en ondersteuning bij
implementatie van maatregelen in bedrijven. TNO concludeert in haar rapport dat we
na de pandemie in Nederland meer thuis zijn gaan werken. TNO geeft daarbij aan dat
het belangrijk is om de lange termijneffecten van hybride werken te monitoren.
4. Gedragsonderzoek en bereiken van kwetsbare groepen
4.1 Voorspellen gedragsfactoren voor coronabesmettingen
Gedragsdata zijn bruikbaar om tijdens een crisis inzicht te krijgen in verschillen
in naleving tussen groepen en over tijd. TNO geeft aan dat het voor toekomstig pandemiebeleid
essentieel is om gedrag én de sociale structuren waarin dat gedrag plaatsvindt beter
te begrijpen en mee te nemen in interventiestrategieën.
4.2 Coronapandemie en dalende vaccinatiegraad jonge kinderen
Op 21 februari 2025 heeft de toenmalige Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn
en Sport de Kamer over de eerste deelresultaten van dit programma geïnformeerd.3 TNO geeft aan dat transparante communicatie over de veiligheid en effectiviteit van
vaccins bij kan dragen aan meer vertrouwen in vaccinaties en overheidsinstanties.
Het lijkt zinvol om al tijdens de zwangerschap voorlichting te geven over vaccineren.
TNO beveelt verder aan om te zorgen voor zoveel mogelijk rust in het rijksvaccinatieprogramma;
dit betekent dat nieuwe wijzigingen zoveel mogelijk beperkt zouden moeten zijn, en
dat ouders en professionals eerder en uitgebreider geïnformeerd zouden moeten worden
over wijzigingen. TNO benadrukt het belang van investeren in een sterke vertrouwensrelatie
tussen ouders en JGZ-professionals, onder meer via vaste contactpersonen, scholing
en meer tijd voor gesprekken.
4.3 Q impact model om de impact van maatregelen op mentale gezondheid te schatten
In dit deelonderzoek is een zogenoemd «Q impact model» ontworpen dat de ontwikkeling
van het welbevinden tijdens de COVID-19 epidemie, en de factoren die hierin een rol
spelen, weergeeft. TNO geeft aan dat het van belang is om meer aandacht te besteden
aan het monitoren en verbeteren van het mentale en sociale welzijn van mensen. Op
grond van dit impact model beveelt TNO aan om een dynamisch systeemmodel te ontwikkelen
dat beleidsmakers kan helpen bij het nemen van geïnformeerde beslissingen tijdens
toekomstige pandemieën. In zo’n model staan vraagstukken centraal die zich ontwikkelen
gedurende de tijd. Het gebruik van het impact model in dit programma heeft waardevolle
inzichten opgeleverd, maar er is meer onderzoek nodig om de voorlopige bevindingen
te valideren en te verfijnen.
5. Biologische inzichten in COVID – Voorspellende biomarkers voor de ernst van het
ziekteverloop in kinderen
Er is nog relatief beperkt onderzoek gedaan naar COVID-19 bij kinderen. Dit terwijl
sommige kinderen, met name kinderen met obesitas, wel degelijk een risico hadden op
corona met ernstige gezondheidsklachten. In dit deelprogramma werden unieke bloedmonsters
van verschillende cohorten kinderen onderzocht om biomarkers te identificeren die
de vatbaarheid en ziekteverloop van COVID-19 kunnen voorspellen. Van de 40 onderzochte
biomarkers zijn er drie geïdentificeerd die mogelijk voorspellende waarde hebben.
Naar aanleiding van dit deelprogramma beveelt TNO aanvullend onderzoek aan om de voorspellende
waarde van deze drie geïdentificeerde biomarkers in andere cohorten te valideren.
Deze biomarkers zouden vervolgens gebruikt kunnen worden om het risico van COVID-19,
en andere infectieziekten, op kinderen te voorspellen.
Opvolging aanbevelingen
Het kabinet dankt TNO voor de uitvoering van dit onderzoeksprogramma. De resultaten
van de onderzoeken zijn gepubliceerd in verschillende artikelen en ook gepresenteerd
op een symposium op 9 april 2025 waar relevante stakeholders aanwezig waren. Een aantal
aanbevelingen is gericht aan veldpartijen. Andere aanbevelingen zijn gericht op beleid.
Een aantal hiervan is parallel aan het TNO onderzoek meegenomen in de kennisagenda
van het programma pandemische paraatheid uit 2023.4 In de recente Kamerbrief van 27 maart 20265 heeft het kabinet aangegeven dat in de VWS-begroting € 177 miljoen structureel beschikbaar
is gesteld om versterkingen van de publieke en curatieve gezondheidszorg voort te
zetten, waarbij versterkingen van de (pandemische) paraatheid voortgezet kunnen worden.
Onderdeel daarvan is een structureel bedrag voor kennis en innovatie voor (pandemische)
paraatheid. De nu beschikbare financiering is lager dan destijds was begroot voor
de kennisagenda pandemische paraatheid. Tevens zijn sindsdien diverse onderzoeken,
waaronder het TNO (post) COVID-19 onderzoek, opgeleverd en de inzichten hieruit maken
dat het kabinet de structurele kennisprogrammering zal bijstellen. Niet alleen gericht
op paraatheid tegen toekomstige pandemieën, maar binnen de bredere context van versterking
van infectieziektebeleid. Hierbij wordt onder andere geïnvesteerd in kennis en onderzoek
over gedrag en modelleren.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
S.T.M. Hermans
Indieners
S.T.M. Hermans, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport