Brief regering : Rapport Voedselexporten Afrika ECDPM-WUR
29 237 Afrika-beleid
Nr. 258
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE HANDEL EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 12 mei 2026
Hierbij biedt het kabinet uw Kamer het onderzoek van het European Centre for Development
Policy Management (ECPDM) en Wageningen Social & Economic Research naar mogelijke
structurele effecten van Nederlandse agrifood-exporten naar kwetsbare Afrikaanse landen
aan. Dit onderzoek is uitgevoerd naar aanleiding van de motie van de leden Thijssen
en Amhaouch c.s. van 26 oktober 2023 (Kamerstuk 29 237, nr. 196) en de motie van het lid Boswijk c.s. van 31 januari 2024 (Kamerstuk 36 410 XVII, nr. 32). Hiermee wordt tevens voldaan aan de toezeggingen gedaan aan het lid Boswijk.1
Het onderzoek bestaat uit twee delen: een literatuurstudie en twee case studies naar exporten van specifieke producten. Voor het onderzoek hebben de onderzoekers,
overeenkomstig de motie, zich gericht op sub-Sahara Afrika (zonder Zuid-Afrika), om
de focus te leggen op markten die worden gekenmerkt door een hoge structurele kwetsbaarheid
en een laag niveau van industriële landbouwontwikkeling. De selectiecriteria voor
de twee geïdentificeerde cases zijn de exportwaarde, het Nederlandse marktaandeel
in de totale invoer van het betreffende land en de kwetsbaarheid van het lokale voedselsysteem.
Met deze criteria zou een meetbaar structureel effect kunnen bestaan op de lokale
voedselproductie en de lokale markt. Op basis hiervan zijn de exporten van uien naar
Senegal (circa USD 33,3 miljoen en 71% marktaandeel) en aardappelen naar Ivoorkust
(circa USD 10 miljoen en 84% marktaandeel) naar voren gekomen als de meest relevante
gevallen. De onderzoekers stellen dat door juist deze «maximale» gevallen diepgaand
te onderzoeken, deze case studies het beste inzicht geven in mogelijke structurele
effecten van Nederlandse voedselexport. Als in deze gevallen weinig of geen structurele
effecten worden gevonden, ligt het in de rede dat eventuele effecten bij kleinere
en minder dominante exportstromen nog beperkter of afwezig zullen zijn.
Op basis van het onderzoek komen ECPDM en Wageningen Social & Economic Research tot
de volgende bevindingen. Allereerst komt slechts twee procent van de totale voedselimport
van kwetsbare markten in sub-Sahara Afrika uit Nederland. Deze importen vertegenwoordigen
een waarde van ongeveer één miljard Amerikaanse dollar per jaar, en laten de laatste
jaren een afnemende trend zien.
In de eerste case studie is gekeken naar de export van Nederlandse uien naar Senegal.
Nederland neemt met een marktaandeel van 71% daar het grootste deel van de uienimport
voor zijn rekening, maar de onderzoekers laten zien dat deze uien vooral buiten het
Senegalese oogstseizoen het land binnenkomen. De Senegalese overheid voert namelijk
een actief handelsbeleid met seizoensgebonden importverboden en hoge tarieven tijdens
de oogstperiode om lokale telers te beschermen. Op basis van de uitgevoerde econometrische
analyses vinden de onderzoekers geen statistisch bewijs dat Nederlandse exportvolumes
of -prijzen de binnenlandse uienprijzen structureel drukken. De importen worden door
betrokken partijen vooral gezien als aanvulling op de lokale productie in perioden
van schaarste, en niet als verdringing van lokale boeren. Daarnaast laat het onderzoek
zien dat Nederlands uienzaad wordt beschouwd als een belangrijke input om de lokale
uienproductie verder te versterken.
De tweede casestudie richt zich op de export van Nederlandse aardappelen naar Ivoorkust.
De consumptie van aardappelen neemt daar toe, maar de binnenlandse productie is vrijwel
afwezig, waardoor de markt nagenoeg volledig afhankelijk is van import, met Nederland
als belangrijkste leverancier. De beschikbare data laten zien dat lagere Nederlandse
exportprijzen samenhangen met hogere importvolumes, maar door de kleine omvang van
de lokale aardappelsector en beperkte prijsinformatie kunnen de onderzoekers geen
duidelijke negatieve prijseffecten voor lokale producenten vaststellen. In de huidige
situatie is er nauwelijks directe concurrentie met Ivoriaanse telers en worden de
importen vooral gezien als het invullen van een vraag waarin lokaal niet wordt voorzien.
Ook hier spelen Nederlandse pootaardappelen een rol als belangrijk uitgangsmateriaal
voor de mogelijke opbouw van een eigen aardappelsector op langere termijn.
Op basis van de twee case studies naar geselecteerde product-land-combinaties concluderen
de onderzoekers dat er geen statistisch bewijs of andere aanwijzingen zijn dat de
onderzochte Nederlandse exportstromen structureel negatieve effecten op lokale productie
en markten hebben. In beide casussen wordt de bestaande handel door de betrokken (lokale)
partijen vooral gezien als complementair aan, en niet als concurrentie voor, de lokale
productie. Ook zijn er geen aanwijzingen gevonden dat de Nederlandse exporten de prijzen
die lokale producenten ontvangen negatief zouden beïnvloeden.
Daarnaast laten de onderzoekers zien dat één van de onderzochte landen een actief
handelsbeleid voert en het beschikbare handelsdefensieve instrumentarium bewust inzet
om de eigen markt te beschermen, onder meer via seizoensgebonden importbeperkingen
en tarieven. Daarmee maakt de overheid eigen afwegingen over de inrichting van de
markt en de bescherming van lokale producenten tijdens de oogstperiode. Dit onderstreept
dat het ontvangende land zelf in belangrijke mate bepaalt hoe handelsstromen uitwerken
op de lokale markt.
De onderzoekers benadrukken dat de effecten van handel op lokale markten complex en
sterk contextafhankelijk zijn, en mede worden bepaald door lokale beleidskeuzes en
andere actoren. Daarom kunnen in afzonderlijke gevallen negatieve effecten van Nederlandse
exporten naar kwetsbare landen niet geheel worden uitgesloten. Tegelijkertijd achten
de onderzoekers het zeer waarschijnlijk – gezien de beperkte relatieve omvang van
de totale Nederlandse export en de hoge marktaandelen in de onderzochte casussen –
dat de eventuele effecten van kleinere en minder dominante exporten op lokale markten
zeer beperkt zijn.
Het kabinet verwelkomt de hoofdconclusies van de onderzoekers, die in belangrijke
mate inzicht geven in het functioneren van kwetsbare markten in Afrika en de mogelijke
invloed daarop van Nederlandse agri-food exporten. Daarbij onderkent het kabinet ook
het belang van de rol van Nederlandse exporten van uitgangsmateriaal, zoals zaaizaad
en pootgoed, die in het onderzoek worden aangemerkt als essentiële input voor de versterking
van de lokale landbouwproductie en concurrentiekracht. Het kabinet constateert op
basis van het onderzoek dat Nederlandse voedselexport in de beschouwde gevallen niet
leidt tot structurele verdringing van lokale boeren, maar veeleer bijdraagt aan het
opvangen van seizoens- of aanbodtekorten en aan het verbeteren van productiviteit
en kwaliteit.
Het onderzoek schetst een genuanceerd beeld van de relatie tussen handel, voedselzekerheid
en lokale ontwikkeling. De onderzoekers laten zien dat de effecten van handel sterk
contextafhankelijk zijn en mede worden bepaald door lokale beleidskeuzes, vraag- en
consumptiepatronen en agro-ecologische omstandigheden. Dit genuanceerde beeld sluit
aan bij de inzet van het kabinet om handels- en ontwikkelingsbeleid in samenhang te
bezien. Het kabinet zal de bevindingen en de onderliggende nuanceringen betrekken
bij de verdere vormgeving van het Nederlandse handels- en voedselzekerheidsbeleid,
met bijzondere aandacht voor situaties waarin handel daadwerkelijk complementair is
aan lokale productie en bijdraagt aan duurzame versterking van voedselsystemen.
De Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking,
S.W. Sjoerdsma
Indieners
S.W. Sjoerdsma, minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking