Brief regering : Bodem en ondergrond
30 015 Bodembeleid
Nr. 144
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 11 mei 2026
Met deze brief informeer ik u over een aantal onderwerpen met betrekking tot bodem
en ondergrond. De volgende onderwerpen komen aan de orde:
• Staalslak;
• Motie Kostić/Soepboer: stevig borgen principe «vervuiler betaalt»;
• Verlengen overgangsrecht voor diepe plassen;
• Monitoring spoedopgave en locaties PFAS.
Staalslak
Op 23 juli 2025 is de Tijdelijke regeling verbod en vergunningplicht toepassing LD-
en ELO-staalslak (verder: «tijdelijke regeling») van kracht geworden. Daarmee geldt
een verbod voor toepassing van niet vormgegeven bouwstoffen met daarin meer dan 20 massaprocent
LD- en/of ELO-staalslak op land in lagen dikker dan 0,5 m en op locaties waar direct
contact met het materiaal of het stof daarvan mogelijk is. Voor de overige toepassingen
op land van de desbetreffende materialen voorziet de tijdelijke regeling in een vergunningplicht.
In de Kamerbrief van 2 april heb ik aangegeven dat ik gebruik maak van de optie om
de regeling te verlengen met een half jaar tot 23 januari 2027.
Om ervoor te zorgen dat er op dat moment een regeling is die effectief, proportioneel,
voldoende wetenschappelijk onderbouwd en juridisch houdbaar is bekijk ik op dit moment
welke scenario’s realistisch zijn. Hierin worden ook toepassingen in water meegenomen.
Ik bekijk hoe de gebruikelijke tijdpaden zoveel mogelijk kunnen worden ingekort, ben
in gesprek met RIVM hoe tijdig zoveel mogelijk informatie op tafel te krijgen en heb
in juni wederom een gesprek met Zeeland. Ik informeer u voor de zomer welke opties
ik in beeld heb en wat de overwegingen zijn van de keuze die ik wil maken voor de
periode na 23 januari. In die brief geef ik invulling aan de toezeggingen aan het
lid Zalinyan (TZ202604-072) en het lid Wiersma (TZ202604-084) gedaan op 2 april 2026
tijdens het Commissiedebat Leefomgeving.
Daarnaast is de Taskforce Bestaande Toepassingen Staalslak in maart van start gegaan.
Inmiddels is de heer J. Wienen, burgemeester van Haarlem, bereid gevonden om de rol
van onafhankelijk voorzitter van de Taskforce op zich te nemen.
Ook wordt er hard gewerkt aan een advies voor een haalbare oplossing voor de situatie
in Spijk.
Motie Kostić/Soepboer: stevig borgen principe «vervuiler betaalt».
Tijdens het Commissiedebat Leefomgeving heb ik toegezegd dat ik op verzoek van het
lid Kostić schriftelijk terugkom op de uitvoering van de motie Kostić/Soepboer over
de borging van het principe dat vervuilers zelf de kosten van de schade betalen als
gevolg van PFAS-verontreiniging en de onjuiste toepassing van staalslak.1 Mijn voorgangers hebben in brieven aan uw Kamer op 17 april en 7 november vorig jaar
aangegeven dat het beginsel «de vervuiler betaalt» behelst dat de kosten van milieuverontreiniging
zoveel mogelijk op de veroorzaker verhaald worden en hoe dit principe in de praktijk
wordt toegepast.2 Ik beschouw de motie daarmee als afgedaan.
Verlengen overgangsrecht verondieping diepe plassen
In Nederland liggen ongeveer 500 diepe plassen die ontstaan zijn door een zand-, grind-,
of kleiwinning of door een dijkdoorbraak. Ongeveer 30 van deze plassen worden verondiept
als daarmee natuur, recreatie of waterveiligheidsdoelen gehaald kunnen worden. Hiervoor
is nodig dat er grond of bagger wordt toegepast om de plas ondieper te maken. De afgelopen
jaren is er maatschappelijk en vanuit de media veel aandacht geweest voor diepe plassen.
Reden hiervoor was de zorg over de kwaliteit van het toegepaste materiaal en het effect
op de leefomgeving.
In juli 2022 is aan de hand van een bestuurlijke dialoog gestart met een verbetertraject
voor het diepe plassen beleid3. Het doel van het verbetertraject is te organiseren dat het verondiepen van diepe
plassen regionaal kan worden afgewogen, dat de betrokkenheid van burgers beter geborgd
is en dat verondiepen leidt tot een verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving.
Dit heeft onder meer geleid tot de introductie van een nieuwe vergunningplicht en
een MER beoordelingsplicht voor het toepassen van grond en bagger in een diepe plas.
Beide zijn op 1 januari 2024 in werking getreden. Vanuit de vergunningplicht wordt
een expliciete toetsing aan de doelstellingen van de Kaderrichtlijn Water (KRW) en
de Grondwaterrichtlijn (GWR) gevraagd. Deze maatregelen leiden tot meer transparantie
in de besluitvorming, duidelijke regels toegespitst op de specifieke situatie en betere
betrokkenheid van de omgeving bij de voorbereiding van een initiatief dat wordt gerealiseerd4. Voor verondiepingen die voor 1 januari 2024 zijn gestart geldt daarnaast gedurende
drie jaar een overgangsrecht. Dit overgangsrecht is geïntroduceerd om in te kunnen
spelen op de nieuwe eisen. Partijen mogen daarmee grond en baggerspecie tot 1 januari
2027 nog volgens het oude recht toepassen.
De methodiek om te toetsen of een initiatief voldoet aan de eisen van de KRW en de
GWR zal in de loop van dit jaar gereedkomen. Dat betekent dat verondiepingen, die
onder het overgangsrecht vallen, dan kunnen starten met de procedure om een nieuwe
vergunning te verkrijgen. Verondiepingen duren gemiddeld tien jaar en het gehele vergunning
traject, inclusief de nieuwe vergunning en de MER beoordelingsplicht, neemt ongeveer
2 jaar in beslag. Deze overwegingen hebben er ook toe geleid het overgangsrecht met
3 jaar te verlengen. Op deze manier hebben initiatiefnemers voldoende tijd om het
vergunningtraject te doorlopen. En zo is ook geborgd dat de natuur en recreatie die
met deze verondiepingen beoogd wordt, tot stand kan komen en dat niet voortijdig wordt
gestopt met de projecten.
Het overgangsrecht is niet van toepassing op verondiepingen die na 1 januari 2024
starten.
Monitoring spoedopgave en PFAS
Vanaf 2015 wordt jaarlijks de aanpak van bodemverontreiniging met onaanvaardbare risico’s
gemonitord (de zogenaamde spoedlocaties). Op basis daarvan wordt een rapportage opgesteld.
Daarvoor worden de gegevens gebruikt die de 41 bevoegde overheden – 12 provincies
en 29 aangewezen (grotere) gemeenten – op grond van de voormalige Wet bodembescherming
(Wbb) beschikbaar stellen. Het aantal afgeronde saneringen is in 2025 verder gestegen
naar 1.046 (2024: 1.008) op een totaal van 1.742. In 578 gevallen is de sanering in
uitvoering en op 118 locaties is de sanering nog niet gestart (2024: 136). De overheden
geven aan dat met de sanering van het grootste deel van deze 118 voor 2030 zal worden
begonnen. De rapportage is net als de rapportages van voorgaande jaren beschikbaar
op de website van het Informatiepunt Leefomgeving.5
PFAS
Het kabinet werkt via verschillende sporen aan de aanpak van PFAS. Het kabinet wil
voortvarend aan de slag met een Europees PFAS verbod. In de uitvraag naar de voortgang
van de aanpak van de spoedlocaties, is ook gevraagd naar de stand van zaken van het
beeld van locaties met mogelijke PFAS-verontreiniging. Hierbij is het van belang een
onderscheid te maken tussen een potentieel verdachte locatie, een potentieel verontreinigde
locatie en een PFAS-aandachtlocatie.
• Een potentieel verdachte locatie is een locatie op een groslijst met locaties waar mogelijk sprake kan zijn van bodemverontreiniging
met PFAS omdat er mogelijk een bodembedreigende activiteit heeft plaatsgevonden (bijvoorbeeld
op basis van de bedrijfscategorie die bij de Kamer van Koophandel geregistreerd is).
Deze groslijst is het vertrekpunt van de inventarisatie en via bureaustudie en historisch
onderzoek wordt bekeken welke locaties potentieel verontreinigd zijn.
• Een potentieel verontreinigde locatie is een locatie waarvan op basis van bureaustudie en historisch onderzoek is bevestigd
dat er vermoedelijk sprake is van bodemverontreiniging met PFAS. Deze potentieel verontreinigde
locaties komen op een lijst voor nader onderzoek om vast te stellen in welke mate
de locatie verontreinigd is met PFAS. Daaruit kan blijken dat het een PFAS-aandachtlocatie
betreft.
• Een PFAS-aandachtlocatie is een bronlocatie waar met bodemonderzoek is vastgesteld dat er PFAS in hoge concentraties
aanwezig is, waarbij sprake is van onaanvaardbare risico’s voor mens, ecologie en/of
verspreiding en waarbij aanpak om die reden niet kan worden uitgesteld tot een natuurlijk
moment van ontwikkeling.
40 van de 41 voormalige Wbb-bevoegde gezagen hebben aangegeven te zijn gestart met
de inventarisatie van potentieel verontreinigde locaties met PFAS.
Op dit moment is de stand van zaken dat er 3.917 potentieel verontreinigde locaties
met PFAS zijn geïnventariseerd. Hiervan zijn er 2.328 bekend en worden er 1.589 aanvullend
geschat. Het gaat vooral om locaties waar PFAS is gebruikt in het productieproces,
waar PFAS-houdend afval is verwerkt en waar brandblusschuim is gebruikt. Zoals gezegd, gaat
het hier om potentieel verontreinigde locaties waarbij nader onderzoek nodig is. Of
er daadwerkelijk sprake is van verhoogde PFAS-concentraties en of er humane of verspreidingsrisico's
zijn, zal alleen bodemonderzoek ter plaatse kunnen uitwijzen. Pas dan kan worden bepaald
of er eventueel maatregelen nodig zijn. De overheden geven aan 576 locaties als eerste
verder te gaan onderzoeken. Bij deze prioritering wordt rekening gehouden met de aanwezigheid
van gevoelig gebruik in de omgeving, zoals waterwingebieden en de kans dat er een
sterke verontreiniging is opgetreden. Op die manier worden naar verwachting de meest
urgente locaties als eerste in beeld gebracht.
Het aantal van 3.917 zal verder oplopen als meer inventarisaties afgerond worden.
Het aantal locaties zegt op zich nog niets over de risico’s of over de te nemen maatregelen.
Ter vergelijking: de hierboven genoemde spoedopgave startte aan het begin van deze
eeuw ook met een nulmeting van ruim 600.000 potentieel verdachte locaties die na verder
onderzoek ingeperkt kon worden tot de 1.742 locaties waar sanering spoedig nodig bleek
te zijn.
Zoals in december vorig jaar aan uw Kamer is gemeld, wordt met de medeoverheden een
gezamenlijke aanpak ontwikkeld.6 Inzet is om in 2028 een scherper beeld te hebben van het aantal PFAS-aandachtlocaties
en de totale kosten van de aanpak daarvan, de inventarisatie in 2030 af te ronden
en vervolgens te starten met een programmatische aanpak van de geïdentificeerde PFAS-aandachtlocaties.
Ondertussen wordt al gestart met het aanpakken van de locaties met de hoogste prioriteit
die nu al in beeld zijn. Uit de inventarisatie blijkt dat er op dit moment 57 geïdentificeerde
PFAS-aandachtlocaties zijn. Op vier locaties is de sanering afgerond, op acht locaties
is de sanering in uitvoering en op 45 locaties moet de uitvoering nog starten. Om
de medeoverheden ook financieel te ondersteunen bij de inventarisaties en de aanpak
is er een Tijdelijke regeling uitkering Bodem (SPUK Bodem). In februari 2026 kon hiervoor
weer een aanvraag gedaan worden. De bevoegde overheden hebben van deze mogelijkheid
gebruik gemaakt zodat ze vervolgstappen kunnen zetten bij de inventarisatie van de
PFAS-aandachtlocaties.
Aangezien de inventarisatie van PFAS-aandachtlocaties in volle gang is, kan nog geen
inschatting worden gemaakt van de kosten die gepaard gaan met sanering van deze locaties.
Met de bevoegde overheden is afgesproken om de uitvraag naar locaties met mogelijke
PFAS-verontreiniging jaarlijks tegelijk met de monitoring van de spoedlocaties uit te vragen.
De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat,
A.W.H. Bertram
Indieners
A.W.H. Bertram, staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat