Brief regering : Reactie op verzoek van het lid Keijzer, gedaan tijdens de Regeling van Werkzaamheden van 7 april 2026, over het beheer van de Nederlandse goudvoorraad
36 800 IX Vaststelling van de begrotingsstaat van het Ministerie van Financiën (IXB) en de begrotingsstaat van Nationale Schuld (IXA) voor het jaar 2026
Nr. 48
BRIEF VAN DE MINISTER VAN FINANCIËN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 4 mei 2026
Uw Kamer heeft mij tijdens de regeling van werkzaamheden van 7 april jl. gevraagd
een brief te sturen over het beheer van de Nederlandse goudvoorraad. De aanleiding
voor het verzoek was het besluit van de Franse centrale bank om haar goudreserves
voortaan volledig in eigen land op te slaan. Vooropgesteld is het belangrijk om te
benoemen dat de Franse centrale bank al in 2005 heeft besloten om haar oude goudstaven
geleidelijk te vervangen voor nieuwe die aan de internationale standaarden voldoen.1 De Franse centrale bank heeft ervoor gekozen om het goud in New York te verkopen
en nieuw goud in Frankrijk te kopen. De president van de Franse centrale bank heeft
aangegeven dat deze besluiten niet politiek gemotiveerd zijn.2
Ik begrijp goed dat er vragen leven over de goudvoorraad. Dit onderwerp is ook in
andere Europese landen, zoals Duitsland en Italië, onderwerp van publiek en politiek
debat. De afgelopen maanden heb ik meermaals schriftelijke en mondelinge vragen over
dit onderwerp beantwoord.3,
4,
5 Goud vervult van oudsher een bijzondere rol als anker voor financiële stabiliteit
en als buffer in tijden van economische onzekerheid. Zeker in tijden van geopolitieke
spanningen is het dan ook begrijpelijk dat de vraag rijst of de huidige spreiding
van onze goudreserves over verschillende landen nog aansluit bij de eisen van deze
tijd. Om die vraag goed te kunnen beantwoorden, is het belangrijk eerst te schetsen
hoe het beheer van de goudvoorraad juridisch en institutioneel is ingericht.
Nederland beschikt over een goudvoorraad van 612,5 ton. Het goud is gespreid over
vier locaties: 31% ligt in Nederland in het DNB Cashcentrum bij Zeist, 31% bij de
Federal Reserve Bank in New York, 20% bij de Canadese centrale bank in Ottawa en 18%
bij de Bank of England in Londen. Deze geografische spreiding is een bewuste keuze
van De Nederlandsche Bank (DNB), ingegeven door overwegingen van risicospreiding,
liquiditeit en veiligheid.
Het beheer van deze reserves, en daarmee ook de beslissingen over de spreiding ervan,
is een taak van DNB. DNB vervult haar taken als onderdeel van het Europees Stelsel
van Centrale Banken (ESCB; verder: de stelseltaken) in onafhankelijkheid.6 Daaronder valt ook het beheer van de goudvoorraad. De onafhankelijkheid vloeit voort
uit het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie: het is regeringen verboden
om centrale banken instructies te geven voor de uitoefening van die taken, en omgekeerd
is het centrale banken verboden om instructies van derden te aanvaarden (met uitzondering
van instructies die door de ECB worden uitgegeven).7 Dat draagt bij aan de prijsstabiliteit en voorkomt monetaire financiering.
Hoewel ik als Minister dus geen bevoegdheden heb om dit beleid te beïnvloeden, benadruk
ik graag de expertise van DNB en mijn vertrouwen in de beslissingen van DNB op dit
terrein. DNB maakt voortdurend risicoanalyses en weegt daarbij alle relevante factoren
zorgvuldig af. Op basis daarvan kan zij eventueel de beslissing nemen om (een deel
van) de goudreserves te verplaatsen of elders op te slaan. Verder laat ik mij door
DNB regelmatig informeren over de uitvoering van haar stelseltaken. Onder meer op
mijn reguliere overleggen met de president van DNB, maar ook bij de jaarvergadering,
die ik als enig aandeelhouder bijwoon. In haar jaarverslag rapporteert DNB over de
waarde en de aanwezigheid van de goudvoorraad.8 Deze financiële verantwoording wordt gecontroleerd door een onafhankelijke accountant,
die voor elk jaarverslag een controleverklaring aflegt. Daarmee is sprake van een
samenhangend en onafhankelijk stelsel van checks and balances dat de juistheid en volledigheid van de informatie over de goudvoorraad borgt. Gezien
deze verdeling van verantwoordelijkheden is het niet aan mij om nader in te gaan op
het beheer van de goudvoorraad. Dat zou geen recht doen aan de verdragsrechtelijke
onafhankelijkheid van DNB als centrale bank. Niettemin begrijp ik de wens van uw Kamer
om over deze kwestie te spreken. Ik wijs uw Kamer in dat verband op het aanbod om
een vertrouwelijke technische briefing over het beheer van de Nederlandse goudvoorraad
te organiseren9 en op de mogelijkheid om in gesprek te gaan met de president van DNB.10
Ik vertrouw erop dat het bovenstaande een helder beeld geeft van de wijze waarop de
goudvoorraad wordt beheerd en de mogelijkheden voor uw Kamer om daarover het gesprek
te voeren.
De Minister van Financiën,
E. Heinen
Indieners
E. Heinen, minister van Financiën