Brief regering : PBL-rapport over klimaatrisico's in Nederland
32 813 Kabinetsaanpak Klimaatbeleid
Nr. 1559
BRIEF VAN DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 4 mei 2026
Hierbij ontvangt de Kamer het rapport «Voorbij de risico’s: keuzes voor een klimaatbestendige
leefomgeving», dat het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) op verzoek van het Ministerie
van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) heeft opgesteld. Hiermee wordt ook tegemoetgekomen
aan het verzoek van de kamercommissie Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening om
een reactie op dit rapport te mogen ontvangen.1 In het rapport zijn de belangrijkste toekomstige klimaatrisico’s en -impacts voor
Nederland benoemd. Het is het vervolg op het rapport «Klimaatrisico’s in Nederland,
de huidige stand van zaken» uit 2024, waarin het PBL de risico’s heeft beschreven
die we nu al lopen.2
Daarnaast ontvangt de Kamer bij deze brief de inbreng van de Rijksoverheid op de publieke
consultatie van de Europese Commissie (hierna: Commissie) over het «Europees initiatief
inzake klimaatveerkracht en risicobeheer». Met dit initiatief, dat de Commissie in
oktober 2026 verwacht te publiceren, wil zij de EU beter voorbereid laten zijn op
en beter bestand zijn tegen klimaateffecten.
De belangrijkste bevindingen uit het PBL-rapport
De klimaatscenario’s van het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI)
uit 2023 laten zien dat Nederland in de toekomst warmer, droger en natter wordt.3 Het PBL heeft in samenwerking met andere kennisinstituten bekeken wat de mogelijke
impact en risico’s daarvan zijn voor Nederland in 2050 en 2100. Daarbij is ook rekening
gehouden met veranderingen in de samenleving zoals beschreven in de WLO-toekomstverkenning
2025 (Welvaart en Leefomgeving).4
Het onderzoek van PBL laat zien dat als Nederland zich niet beter voorbereidt op het
veranderende klimaat, iedereen vroeg of laat te maken krijgt met overlast, hinder
of extra kosten. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om een toename van gezondheidsrisico’s,
meer schade in de landbouw door mislukte oogsten, een toegenomen druk op de natuur,
het vaker voorkomen van stroomuitval en verlies van cultureel erfgoed. Hitte, droogte
en wateroverlast leiden tot stijgende kosten van levensonderhoud omdat voedsel, drinkwater
en energie duurder worden.
De klimaatrisico’s raken niet iedereen evenveel. Bewoners van steden krijgen bijvoorbeeld
te maken met een grotere hitte dan mensen buiten de stad, vooral in de oudere, meer
versteende wijken. De impact is het grootste bij mensen met een kwetsbare gezondheid
of een kwetsbare financiële positie, aangezien zij minder mogelijkheden hebben om
zich aan te passen. Dit sluit ook aan bij de bevindingen van de Wetenschappelijke
Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) in haar rapport «Mens en klimaat; de kracht van
sociale infrastructuur bij adaptatie» uit 2025.5
Het PBL benoemt twee richtingen die kunnen worden gebruikt om Nederland voor te bereiden
op het veranderende klimaat: intensiveren en transformeren. Onder intensiveren vallen
technische maatregelen en het handhaven van huidige activiteiten, zoals het installeren
van airco’s en zonneschermen tegen hitte. Bij transformeren gaat het om het aanpassen
aan de natuurlijke omstandigheden en het veranderend klimaat, zoals wijziging van
de ruimtelijke inrichting door de aanleg van meer parken, bomen en waterpartijen als
middel tegen hitteoverlast. Vaak is een mix van verschillende typen maatregelen nodig
om zowel op de kortere als de langere termijn bescherming te bieden tegen klimaatdreigingen.
Welke aanpak geschikt is, is afhankelijk van de plaats, de tijd en het probleem dat
moet worden aangepakt, maar ook van de risico’s die we acceptabel vinden, welke mate
van bescherming we willen hebben, en hoe we om willen gaan met verschillen en ongelijkheden.
Het is echter onmogelijk om alle effecten en risico’s van het veranderende klimaat
te beheersen, zodat we voorbereid moeten zijn op vaker optredende overlast en schade.
Daarom zal de maatschappelijke weerbaarheid moeten worden vergroot, zodat iedereen
– overheid, bedrijven, mensen en gemeenschappen – weet hoe ze moeten handelen, voor,
tijdens, en na dat soort gebeurtenissen. Het PBL concludeert dat nu al rekening moet
worden gehouden met de effecten van klimaatverandering, om later extra lasten en kosten
te voorkomen.
Vervolg
De tussentijdse bevindingen zijn regelmatig gedeeld met de departementen die parallel
werkten aan de herziening van de Nationale Klimaatadaptatiestrategie (NAS). Daardoor
is een deel van de resultaten reeds meegenomen in deze herziening. De ontwerp-NAS
wordt op korte termijn ter inzage gelegd en zal ook met de Kamer worden gedeeld.
Voor wat betreft maatschappelijke weerbaarheid geldt dat door de weersextremen van
de afgelopen jaren dit onderwerp al op de beleidsagenda van de Rijksoverheid is geplaatst.
Zo is afgelopen jaar het publiekscommunicatieprogramma Leven met Water van start gegaan
om inwoners aan te zetten tot waterbewust handelen om daarmee onder andere de waterweerbaarheid
te vergroten. Met betrekking tot hitte worden gemeenten met de Menukaart hitte6 op weg geholpen om te komen tot een samenhangende aanpak die in tijden van hitte
ervoor zorgt dat er zo min mogelijk slachtoffers vallen.
Publieke consultatie Europese Commissie over klimaatweerbaarheid
Ook de EU moet beter voorbereid zijn op het veranderende klimaat. De Europese Klimaatrisicoanalyse
(EUCRA) uit 2024 heeft laten zien dat beleid en uitvoering op het gebied van klimaatweerbaarheid
in de EU achterblijft bij de snelheid waarmee het klimaat veranderd.7 De Commissie heeft daarom het «Europees initiatief inzake klimaatveerkracht en risicobeheer»
aangekondigd. Met dit initiatief dat zij in oktober 2026 verwacht te publiceren, wil
de Commissie de EU beter voorbereid laten zijn op en beter bestand zijn tegen klimaateffecten.
Van december 2025 tot en met februari 2026 heeft de Commissie in dit kader een publieke
consultatie gehouden. Het Ministerie van IenW heeft hier op 20 februari 2026 namens
de Rijksoverheid op gereageerd. Conform de vaste afspraken tussen kabinet en Kamer
hierover, ontvangt de Kamer een afschrift van deze inbreng.
De inbreng is gebaseerd op de Nederlandse standpunten zoals aan de Kamer meegedeeld
in de BNC-fiches «Mededeling beheersing van klimaatrisico’s»8, «Mededeling EU Klimaatadaptatiestrategie»9, en «Mededeling Europese strategie voor waterweerbaarheid en aanbeveling over leidende
beginselen inzake waterefficiëntie eerst»10.
De Minister van Infrastructuur en Waterstaat,
V.P.G. Karremans
Indieners
V.P.G. Karremans, minister van Infrastructuur en Waterstaat