Brief regering : Reactie op de brief van de Nederlandse Vereniging van Anesthesiemedewerkers (NVAM) over consistente en gelijkwaardige regulering van medisch ondersteunende beroepen in Wet BIG
29 282 Arbeidsmarktbeleid en opleidingen zorgsector
Nr. 627
BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANGDURIGE ZORG, JEUGD EN SPORT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 28 april 2026
Ik heb kennisgenomen van de brief van de Nederlandse Vereniging van Anesthesiemedewerkers
(NVAM) over de positionering van anesthesiemedewerkers en operatieassistenten in relatie
tot het wetsvoorstel inzake de opname van de medisch hulpverlener acute zorg (MHAZ)
in artikel 3 van de Wet BIG.
De NVAM vraagt in haar brief aandacht voor de consistentie en gelijkwaardigheid van
regulering van medisch ondersteunende beroepen, zoals de anesthesiemedewerker en de
operatieassistent en wijst daarbij op een ervaren verschil in behandeling ten opzichte
van andere (bestaande) beroepen, zoals de MHAZ. Daarmee stelt zij in feite de vraag
of het toetsingskader voor opname in de Wet BIG in alle gevallen op consistente wijze
wordt toegepast.
Besluiten over opname in artikel 3 van de Wet BIG komen tot stand door een toets aan
vaste criteria. Het eerdere verzoek van de NVAM om het beroep anesthesiemedewerker
op te nemen in artikel 3 van de Wet BIG is beoordeeld door het Zorginstituut Nederland.
Verzoeken van beroepsgroepen kunnen voor het kabinet aanleiding zijn om een dergelijke
beoordeling te laten uitvoeren, maar vormen geen recht op (her)beoordeling en betekenen
niet dat sprake is van een aanvraaggestuurd stelsel. Het Zorginstituut heeft in 2020
negatief geadviseerd en dat advies is destijds door mijn ambtsvoorganger overgenomen.
Uw Kamer is hierover geïnformeerd in de kamerbrief van 24 augustus 20201, waarin de toenmalig Minister voor Medische Zorg en Sport, mede naar aanleiding van
dit advies, gemotiveerd heeft toegelicht waarom opname van anesthesiemedewerkers in
artikel 3 van de Wet BIG niet noodzakelijk werd geacht. Deze lijn is vervolgens bevestigd
in de kamerbrief van 26 januari 20212, waarin is gereageerd op de door de NVAM aan uw Kamer aangeboden petitie.
De overwegingen daarbij hadden onder meer betrekking op de context waarin anesthesiemedewerkers
werkzaam zijn, de mate van supervisie en de bestaande waarborgen voor kwaliteit en
veiligheid, zoals professionele standaarden en de Wet kwaliteit, klachten en geschillen
zorg (Wkkgz). Anesthesiemedewerkers werken in de regel binnen een medisch specialistisch
team, onder toezicht en verantwoordelijkheid van een anesthesioloog, vaak in een gecontroleerde,
planbare operatieve setting. De patiëntveiligheid wordt in dat geval ook geborgd via
andere instrumenten, zoals professionele richtlijnen, protocollen binnen de operatieve
zorg en de Wkkgz.
In aanvulling op de hierboven genoemde correspondentie is uw Kamer in de kamerbrief
van 25 februari 20223 inzake de Bachelor Medische Hulpverlening (BMH) – de voorloper van de MHAZ – geïnformeerd
over de positionering van BMH’er met de differentiatie anesthesie. Daarbij is toegelicht
dat binnen de anesthesiesetting sprake is van planbare zorg, waarbij een anesthesioloog
beschikbaar is voor toezicht en tussenkomst. Tegen die achtergrond is ook voor de
BMH met de differentiatie anesthesie geconcludeerd dat geen aanleiding bestaat voor
opname in artikel 3 van de Wet BIG, in lijn met de eerdere beoordeling van het beroep
anesthesiemedewerker. De opleiding BMH is doorontwikkeld tot de opleiding MHAZ die
die voor de hele breedte van de acute zorg opleidt. De opleiding kent sinds 2021 geen
differentiaties meer en zijn daarmee ontwikkeld tot één algemene opleiding die voor
alle MHAZ’ers hetzelfde is.
Deze eerdere beleidsreacties benadrukken dat de beoordeling van de noodzaak tot wettelijke
regulering voor deze beroepsgroepen consistent heeft plaatsgevonden binnen het geldende
toetsingskader, en dat de context van de beroepsuitoefening daarbij steeds bepalend
is geweest.
De situatie van de MHAZ wijkt af van die van de anesthesiemedewerker. De MHAZ is inzetbaar
in de volle breedte van de acute, vaak levensbedreigende zorg en verricht nu voorbehouden
handelingen in opdracht en onder toezicht en zo nodig tussenkomst van een arts en
zal straks indien het wetsvoorstel wordt aanvaard de voorbehouden handelingen op basis
van functionele zelfstandigheid verrichten. Functionele zelfstandigheid betekent dat
de MHAZ deze voorbehouden handelingen in opdracht van een zelfstandig bevoegde BIG
beroepsbeoefenaar, doorgaans een arts, uitoefent zonder dat daarbij toezicht en tussenkomst
vereist zijn. In de acute, levensbedreigende zorg is een zelfstandig bevoegde BIG
beroepsbeoefenaar niet altijd fysiek aanwezig. Dit verschil in zorgcontext en wijze
van beroepsuitoefening leidt tot een andere uitkomst.
Ten aanzien van het verzoek van de NVAM aan uw commissie om een geactualiseerde toets
of herbeoordeling uit te voeren ga ik hieronder in op de vijf door de NVAM in haar
brief benoemde punten.
1. Gezamenlijke behandeling MHAZ en NVAM-casus
Iedere beoordeling van een aanvraag van een beroepsgroep om opgenomen te worden in
het BIG-register vindt zelfstandig plaats, op basis van de bestaande criteria en de
feitelijke beroepsuitoefening. Ook de opname van de MHAZ in artikel 3 van de Wet BIG
is op de eigen merites beoordeeld binnen de eigen context, waarbij de aard van de
werkzaamheden, de risico’s voor de patiëntveiligheid, de kwaliteit van de individuele
beroepsuitoefening en de noodzaak van wettelijke regulering leidend zijn.
2. Geactualiseerde gelijkwaardigheidstoets
Beoordeling van opname in artikel 3 van de Wet BIG vindt plaats binnen het bestaande
kader, waarbij de centrale vraag is of publiekrechtelijke regulering noodzakelijk
is ter bescherming van de patiëntveiligheid en ter bevordering van de kwaliteit van
de individuele beroepsuitoefening.
3. Gelijke of passende regulering op basis van risicoprofiel
Uitgangspunt van de Wet BIG is proportionele regulering: beroepen worden gereguleerd
wanneer dat noodzakelijk is voor de borging van patiëntveiligheid of kwaliteit van
de individuele beroepsuitoefening.
Het uitgangspunt is de vraag of wettelijke regulering noodzakelijk is, ter bescherming
van de patiëntveiligheid en ter bevordering van de kwaliteit van de individuele beroepsuitoefening.
De beoordeling is steeds context specifiek en inhoudelijk.
4. Onderbrengen van beroepen onder bestaande erkende beroepen
De Wet BIG kent een stelsel van zelfstandig geregelde beroepen met een eigen deskundigheidsgebied
en opleidingsstructuur. Het «onderbrengen» van beroepsgroepen als functie binnen een
ander erkend beroep is geen reguleringsinstrument binnen de Wet BIG-systematiek. In
de praktijk kan wel sprake zijn van taakdifferentiatie en samenwerking binnen en tussen
beroepen, maar dit verandert niet de wettelijke beroepenstructuur.
5. Betrekken van het advies van de Gezondheidsraad
Het kabinet onderschrijft dat het advies van de Gezondheidsraad relevant is bij de
doorontwikkeling van het toetsingskader voor de Wet BIG en dat dit advies wordt betrokken
bij beleidsontwikkeling. De Gezondheidsraad benadrukt een terughoudende benadering
bij het toekennen van zelfstandige bevoegdheden voor voorbehouden handelingen («nee,
tenzij»-principe), waarbij steeds moet worden beoordeeld of wettelijke regulering
noodzakelijk is ter bescherming van de patiëntveiligheid en de kwaliteit van de individuele
beroepsuitoefening.
Dit sluit aan bij het bestaande wettelijke stelsel van de Wet BIG, waarin opname in
artikel 3 en het toekennen van (zelfstandige) bevoegdheden niet automatisch volgt
uit de aanwezigheid van risicovolle handelingen, maar uit de noodzaak van aanvullende
wettelijke waarborgen voor de patiëntveiligheid en de kwaliteit van de individuele
beroepsuitoefening. Het advies bevestigt daarmee het uitgangspunt van de Wet BIG dat
terughoudend moet worden omgegaan met regulering in het algemeen, en het toekennen
van (zelfstandige) bevoegdheden in het bijzonder.
Tot slot
Gelet op het voorgaande concludeer ik dat het wettelijke kader van de Wet BIG in dit
geval op consistente wijze is toegepast. Daarbij zie ik, in het licht van de patiëntveiligheid
dan wel de kwaliteit van de individuele beroepsuitoefening, geen aanleiding om te
komen tot wettelijke regulering van anesthesiemedewerkers.
Onnodige regulering kan leiden tot extra administratieve lasten, beperkingen in de
inzetbaarheid van zorgprofessionals en hogere kosten.
De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, W.R.C. Sterk
Indieners
W.R.C. Sterk, minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport