Brief regering : Landenbeleid Syrië
19 637 Vreemdelingenbeleid
Nr. 3554
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ASIEL EN MIGRATIE
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 22 april 2026
De Minister van Buitenlandse Zaken heeft op 30 januari jl. een nieuw algemeen ambtsbericht
Syrië gepubliceerd. Aan de hand hiervan wordt het landenbeleid Syrië op enkele punten
gewijzigd. Hierover informeer ik u bij deze brief. Op de overige punten blijft het
landenbeleid Syrië ongewijzigd. Via deze brief informeer ik u ook over de wijze van
afdoening van een tweetal moties. Met deze brief doe ik deze moties gestand.
Veiligheidssituatie
Gedurende de verslagperiode bleef er sprake van aanhoudende geweldsincidenten in verschillende
provincies. Hoewel in de verslagperiode sprake was van geweldsuitbarstingen en het
ambtsbericht spreekt over een gebrek aan stabiliteit, vinden er geleidelijk minder
incidenten plaats in Syrië buiten de incidentele escalaties in bijvoorbeeld Suweida
en in het noordoosten om. Ook was er over de volle breedte van het land in het algemeen
een afname zichtbaar van dodelijk geweld. Dit werd ook gereflecteerd in de afname
van dodelijke burgerslachtoffers gedurende de verslagperiode in de tweede helft van
2025.
Om deze reden zie ik geen aanleiding om de huidige vaststelling of sprake is van willekeurig
geweld in het kader van een gewapend conflict in het kader van artikel 15c, te wijzigen.
Voor heel Syrië blijft de laagste gradatie aangewezen. Dit houdt in dat door de vreemdeling
individuele, risicoverhogende omstandigheden moeten worden aangevoerd en betrokken
om te onderbouwen dat er ondanks het lagere niveau van willekeurig geweld, in zijn
individuele geval toch sprake is van een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer.
Risicoprofielen
Uit het ambtsbericht blijkt dat veel druzen zich bedreigd voelden door de overgangsregering.
Dit was onder meer de aanleiding voor de lokale druzische gewapende groepen om samen
op te trekken in de provincie Suweida. In deze provincie vonden gedurende de verslagperiode
verschillende geweldsescalaties plaats waarvan de grootste in de zomer, vanaf 13 juli
2025. Dit betrof geweld tussen lokale druzische gewapende groepen en lokale gewapende
bedoeïenen. Ook raakten de druzische gewapende groepen in gevecht met troepen van
het Syrische leger die naar de provincie Suweida waren gestuurd om de orde te herstellen.
Op 18 juli 2025 werd bericht dat er een staakt-het-vuren was overeengekomen. Van augustus
tot en met november 2025 bleven echter schermutselingen plaats vinden.
Er waren berichten over verdwijningen en ontvoeringen van druzische vrouwen en meisjes
tijdens de geweldsescalaties in Suweida in juli en augustus. Gedurende deze escalaties
werden ook sommige druzische heiligdommen vernield. Ook na de grootste geweldsescalatie
in juli en augustus en na het sluiten van de staakt-het-vuren overeenkomst vonden
er meerdere incidenten plaats waarbij druzische burgers door geweld om het leven kwamen.
De polarisatie ten aanzien van druzen werd verder vergroot doordat Israël zich opwierp
als beschermer van de druzen. Deze polarisatie uitte zich in haatspraak tegen druzen
op sociale media. Hierbij werden zij geportretteerd als ongelovigen, verraders of
agenten van Israël. Deze negatieve houding ten aanzien van druzen hield aan, ook na
de geweldsescalaties van vorig jaar. Gelet hierop worden druzen als risicoprofiel
opgenomen in het landenbeleid Syrië.
Binnenlands beschermingsalternatief
De huidige tekst in de Vreemdelingencirculaire inzake het binnenlands beschermingsalternatief
hanteert als algemeen uitgangspunt dat voor vreemdelingen die een gegronde vrees in
hun plaats van verblijf hebben niet de mogelijkheid bestaat om zich veilig in een
ander deel van Syrië te vestigen. Gelet op de actuele landeninformatie ligt het echter
in de rede om dit uitgangspunt los te laten en voortaan per zaak op basis van individuele
omstandigheden de beoordeling te maken. Om deze reden zal ten aanzien van Syrië het
reguliere beleid inzake een binnenlands beschermingsalternatief worden gehanteerd
en zal de Vreemdelingencirculaire hier op worden aangepast.
Landenbeleid Syrië
De voorgaande twee beleidswijzigingen met betrekking tot Druzen en het binnenlands
beschermingsalternatief zullen in de Vreemdelingencirculaire worden opgenomen.
De inzet van dit kabinet blijft, in lijn met de keuze van mijn voorganger, om over
te gaan tot het herbeoordelen van al afgegeven verblijfsvergunningen zodra dat kan,
waarbij ik rekening houd met de uitvoerbaarheid en juridische houdbaarheid. Uit de
EU Kwalificatierichtlijn en de jurisprudentie van het EU Hof van Justitie volgt dat
de internationale beschermingsstatus enkel mag worden verleend aan en voortgezet bij
personen die aan de voorwaarden voor internationale bescherming voldoen. Aan de herbeoordelingen
van een verblijfsstatus worden echter andere juridische voorwaarden gesteld dan de
voorwaarden die gelden voor de beoordeling van asielaanvragen. Uit art. 11 en art.
16 van de Kwalificatierichtlijn, geïmplementeerd in artikel 3.37g Voorschrift Vreemdelingen,
volgt dat bij veranderde omstandigheden in het land van herkomst beoordeeld wordt
of de wijziging van de omstandigheden een voldoende ingrijpend en niet-voorbijgaand
karakter heeft om de gegronde vrees voor vervolging dan wel het reële risico op ernstige
schade weg te nemen.
Uit het ambtsbericht blijkt dat de positieve ontwikkelingen die reeds zijn ingezet
inzake de ruimte om kritiek te leveren tegen de overgangsregering zich door bleven
zetten. In algemene zin komt dan ook een beeld naar voren uit het ambtsbericht van
een mensenrechtensituatie die, met name in het controlegebied van de overgangsregering,
voldoende ingrijpend verbeterd lijkt te zijn ten opzichte van de situatie ten tijde
van het Assad-regime. Tegelijkertijd wijzen de geweldsuitbarstingen in de kuststreek
in maart 2025 en in Suweida gedurende deze verslagperiode op een gepolariseerde samenleving
waar nog veel spanning heerst. Ook de recente ontwikkelingen in het noordoosten van
het land wijzen op een situatie die nog niet aangemerkt kan worden als «van niet-voorbijgaande
aard». Aangezien op basis van de landeninformatie niet kan worden geconcludeerd dat
aan de voorwaarde dat de veranderde omstandigheden in het land van herkomst een niet-voorbijgaand
karakter hebben is voldaan, is herbeoordeling conform de voorwaarden van het Unierecht
thans niet aan de orde.
Bij een volgend ambtsbericht zal opnieuw bezien moeten worden of dit wel het geval
is. Ik heb de Minister van Buitenlandse Zaken verzocht om in Q4 een nieuw ambtsbericht
te publiceren, mits de zorgvuldigheid van het onderzoek dit tijdpad toelaat.
Motie van Dijk/Boomsma
In de motie Diekerik van Dijk en Boomsma1 wordt het Kabinet verzocht om de EUAA Country Guidance niet bepalend te laten zijn in de asielprocedure ten aanzien van personen die worden
gezien als het hebben van banden met ISIS. Anderzijds wordt in de motie verzocht om
deze doelgroep te schrappen uit de Country Guidance en om te borgen dat dit geen grond kan zijn voor asiel. De EUAA Country Guidance is een handreiking waar beslissers van Europese asieldiensten gebruik van kunnen maken
bij de beoordeling van asielaanvragen. Dit document is niet juridisch bindend en er
kunnen dan ook geen rechten aan ontleend worden. In de Nederlandse praktijk vormt
dit dan ook niet het beslissingskader van de IND, maar wordt uitgegaan van het landgebonden
asielbeleid en wordt de Country Guidance waar relevant betrokken bij de beleidsvorming.
In de meest recente Country Guidance Syrië wordt ten aanzien van personen die worden gezien als het hebben van ISIS-banden
niet gesteld dat zij op voorhand recht hebben op asielbescherming. De precieze formulering
stelt dat personen die worden gezien als het hebben van banden met ISIS in het algemeen
waarschijnlijk een gegronde vrees voor vervolging zouden hebben. Dit ontslaat een
beslisser niet van een individuele beoordeling. Met deze beschrijving wordt volgens
de EUAA bijvoorbeeld gedoeld op familieleden van ISIS-strijders of individuen die
afkomstig zijn uit gebied waar ISIS de controle had. Daarbij moet duidelijk onderscheid
gemaakt worden met personen die wél banden hebben met ISIS. Ook wordt er expliciet
vermeld dat bij personen die behoren tot dit profiel een sterke focus behoort te zijn
op mogelijke uitsluitingsgronden van artikel 1F en gevaar voor nationale veiligheid
c.q. openbare orde. In het Nederlandse beleid is dit risicoprofiel niet opgenomen.
Wel is er in deze gevallen extra aandacht in het kader van artikel 1F Vluchtelingenverdrag,
nationale veiligheid en openbare orde indicaties.
De EUAA Country Guidances worden periodiek herzien en de eerstvolgende herziening is voorzien voor eind 2026.
Nederland zal bij de eerstvolgende actualisering van de Country Guidance Syrië die voorzien is voor tweede helft 2026 aandacht vragen voor het mogelijk achterwege
laten van deze categorie. Hierbij dient wel gezegd te worden dat er niet uitgesloten
kan worden dat een persoon die ten onrechte in verband wordt gebracht met ISIS nog
altijd een beschermingsbehoefte kan hebben.
Motie van der Plas
In de motie Van der Plas2 verzoekt de Kamer de regering om personen uit het al-Hol-kamp die Nederland willen
binnenkomen om asiel aan te vragen geen toegang te verlenen op basis van artikel 1F
van het Vluchtelingenverdrag en om bij personen met de Nederlandse nationaliteit het
Nederlanderschap in te trekken.
De regering onderschrijft dat Nederland geen veilige haven mag zijn voor personen
die met ernstige misdrijven in verband worden gebracht of een bedreiging vormen voor
de nationale veiligheid. De inzet van het kabinet is er onverminderd op gericht om
te voorkomen dat uitreizigers onopgemerkt naar Nederland terugkeren.
Hiertoe zijn verschillende maatregelen getroffen. Het Openbaar Ministerie heeft waar
opportuun tegen alle onderkende uitreizigers met een Nederlandse link een strafrechtelijk
onderzoek lopen. De betreffende uitreizigers waar sprake is van een lopend strafrechtelijk
onderzoek staan ook internationaal gesignaleerd. Daarnaast is ten aanzien van alle
onderkende uitreizigers op verschillende momenten bekeken of het Nederlanderschap
kon worden ingetrokken op grond van artikel 14, lid 4 Rijkswet op het Nederlanderschap
(RWN). Daarvoor is nodig dat uit de gedragingen blijkt dat betrokkene zich heeft aangesloten
bij een door de Rijksministerraad aangewezen organisatie die deelneemt aan een nationaal
of internationaal gewapend conflict en een bedreiging vormt voor de nationale veiligheid.
Daar waar de wettelijke voorwaarden zijn vervuld, is het Nederlanderschap ingetrokken
en zijn deze personen ongewenst verklaard.
Alle betrokken veiligheidspartners zijn alert en wordt voortdurend onderzocht waar
en op welke wijze eventuele aanvullende maatregelen getroffen kunnen worden.
Artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag is een uitsluitingsgrond bij de inhoudelijke
beoordeling van een individueel asielverzoek. Indien er ernstige redenen zijn om te
veronderstellen dat iemand zich schuldig heeft gemaakt of persoonlijk verantwoordelijk
kan worden gehouden voor internationale misdrijven, wordt de aanvraag voor asielvergunning
afgewezen. De regering hanteert een zorgvuldig beleid bij de toepassing van artikel
1F in de asielprocedure.
Gelet op het bovenstaande acht de regering de strekking van de motie geborgd binnen
de bestaande toepassing van het strafrechtelijke, vreemdelingenrechtelijke en nationaliteitsrechtelijke
instrumentarium. Met deze toelichting beschouwt de regering de motie als afgedaan.
De Minister van Asiel en Migratie,
G. van den Brink
Indieners
G. van den Brink, minister van Asiel en Migratie