Brief regering : Doorontwikkeltraject uitgebreide producentenverantwoordelijkheid (UPV)
32 852 Grondstoffenvoorzieningszekerheid
Nr. 402
BRIEF VAN DE MINISTER VAN KLIMAAT EN GROENE GROEI
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 21 april 2026
Voor het realiseren van een circulaire economie is het van groot belang dat grondstoffen
langer in de keten blijven en opnieuw worden ingezet in de economie. Een van de instrumenten
die hiervoor wordt ingezet is «uitgebreide producentenverantwoordelijkheid» (UPV).
De Kamer is met de brief van 16 oktober 20231 geïnformeerd dat het instrument UPV wordt doorontwikkeld, zodat het klaar is voor
de toekomst en een nog waardevollere bijdrage kan leveren aan de transitie naar een
circulaire economie. Hiervoor zijn vijf verbeterrichtingen geïdentificeerd. Met deze
brief geef ik de Kamer een overzicht van de huidige stand van zaken in de uitwerking
van deze verbeterrichtingen en welke keuzes daarin worden gemaakt om het instrument
UPV te verbeteren, evenals de keuzes die in de komende periode zullen worden uitgewerkt.
Met deze brief wordt tevens invulling gegeven aan een aantal moties en toezeggingen2. Enkele andere moties worden meegenomen in de verdere uitwerking van dit doorontwikkeltraject3.
UPV in een circulaire economie
UPV is een belangrijk beleidsinstrument om te komen tot een meer circulaire economie.
Met UPV worden degenen die een product op de markt brengen (producenten en importeurs,
hierna: producenten) verantwoordelijk gemaakt voor het financieren en veelal ook organiseren
van de afvalfase van hun producten, conform het principe dat de vervuiler betaalt.
Zo moeten producenten – al dan niet gezamenlijk middels een producentenorganisatie
– zorgen voor inzameling, voorbereiding voor hergebruik, recycling of enige andere
vorm van afvalverwerking. Daar worden doelstellingen voor opgelegd of er wordt een
handelwijze voorgeschreven, bijvoorbeeld het gratis terugnemen van een huishoudelijke
apparaat na plaatsing van een nieuw apparaat. Zo krijgen de producenten een belang
om de hoeveelheid afval die hun producten veroorzaken te reduceren, om de verwerkingskosten
laag te houden.
Doordat UPV een instrument is voor afvalbeheer, brengt dit wel (juridische) beperkingen
met zich mee voor de inzetbaarheid van het instrument. Voor het bereiken van een circulaire
economie zullen er naast UPV ook andere instrumenten moeten worden ingezet. Zo is
het essentieel om producten duurzamer te ontwerpen, wat kan door in Europese productregelgeving
eisen te stellen aan bijvoorbeeld de recyclebaarheid en repareerbaarheid van een product,
de afwezigheid van zorgwekkende stoffen of het toepassen van gerecyclede materialen.
Ook is het van belang om instrumenten in te zetten die de levensfase van een product
(helpen) verlengen, door bijvoorbeeld reparatie en hergebruik te stimuleren. Een circulaire
productketen wordt alleen bereikt wanneer er aandacht is voor alle fasen van het product:
van ontwerp en productie, via gebruik en verhandelen, tot de afvalfase.
Figuur 1. Overzicht UPV’s (donkerblauw = in werking, lichtblauw = in ontwikkeling).
Op Europees niveau worden enkele UPV’s voorgeschreven, die de Europese Unie (EU) ofwel
rechtstreeks aan producenten oplegt of aan de lidstaten om verder uit te werken. Daarnaast
zijn er ook nationale UPV’s. Ook kan er op initiatief van de sector een UPV worden
gestart.
Het doorontwikkeltraject UPV
Het instrument UPV wordt voor steeds meer productstromen toegepast (zie figuur 14), de vraag naar verbreding van het instrument groeit en de detaillering ervan in
de Europese regelgeving neemt toe. Tegelijkertijd wordt geconstateerd dat het instrument
nog bepaalde tekortkomingen kent en dat er mogelijkheden liggen voor versterking van
de werking van het instrument. In gesprekken met een brede groep belanghebbenden5 zijn verschillende behoeften en wensen geuit om het instrument UPV verder te verbeteren.
Op basis van deze brede input is het doorontwikkeltraject vormgegeven. De groep belanghebbenden
is ook bij de verdere uitwerking betrokken door middel van een uitgebreid stakeholdertraject
met regelmatige bijeenkomsten en veel bilaterale gesprekken.
In het doorontwikkeltraject staan vijf verbeterrichtingen centraal:
(1) Het bevorderen van circulariteit
(2) Het stroomlijnen van uitvoering, toezicht en handhaving
(3) Het moderniseren van het UPV-kader
(4) Het verduidelijken van de rolverdeling tussen ketenpartijen in een UPV
(5) De werking van producentenorganisaties
Per verbeterrichting worden hieronder kort de probleemanalyse, potentiële oplossingsrichtingen
en, waar relevant, beleidskeuzes om het instrument UPV te verbeteren geschetst. De
verbeteringen die zullen worden doorgevoerd zijn op dit moment vooral technisch van
aard en dienen om het nationale UPV-kader beter aan te laten sluiten bij de Europese
UPV-regelgeving. Voor een aantal zaken geldt dat nog meer tijd en onderzoek nodig
is om tot een weloverwogen beleidskeuze te komen.
(1) Het bevorderen van circulariteit
UPV is een succesvol instrument gebleken voor het financieren en organiseren van het
inzamelen en recyclen van producten wanneer deze in de afvalfase terechtkomen, maar
geeft nog beperkt prikkels voor hoogwaardige recycling of stappen hoger op de R-ladder
zoals hergebruik en reparatie. Het instrument UPV heeft de potentie om nog meer bij
te dragen aan de transitie naar een circulaire economie6. Daarom is onderzocht op welke manier binnen de reikwijdte van het instrument UPV
meer circulaire prikkels kunnen worden opgenomen.
Het onderzoek van CE Delft, Universiteit Utrecht en Witteveen+Bos (bijgevoegd) bevestigt
dat er meer kan op het gebied van circulariteit in UPV dan tot nu toe in de meeste
UPV’s gebeurt. Zij hebben de juridische, technische en economische haalbaarheid van
een aantal circulariteitsmaatregelen – zoals tariefdifferentiatie en een reparatiefonds
– onderzocht die binnen het UPV-kader kunnen worden ingezet. Voor vrijwel alle onderzochte
maatregelen worden op voorhand geen juridische, technische of praktische belemmeringen
gezien om deze in te voeren. Wat precies mogelijk en (juridisch) haalbaar is, verschilt
echter wel per productstroom. Het is daarom belangrijk om per UPV te kijken welke
maatregelen het meest effectief kunnen bijdragen aan het realiseren van een circulaire
productketen. En daarbij rekening te houden met de economische effecten en mogelijkheden
die de Europese kaders bieden om additionele maatregelen in te zetten binnen UPV voor
die productstroom.
Het voornemen is dan ook om – zowel Europees als nationaal – in te zetten op het optimaal
benutten van het UPV-instrument ten behoeve van circulariteit, met oog voor strategieën
hoger op de R-ladder. De conclusies en aanbevelingen uit het onderzoek zullen worden
meegenomen in aankomende (Europese en nationale) herzieningen van UPV-regelingen en
nieuw op te stellen UPV’s.
In aanvulling op bovenstaande is door Sufficiency en de Universiteit Utrecht nader
onderzocht welke (financiële) prikkels kunnen worden ingevoerd binnen het UPV-instrument
om het aandeel UPV-stromen in het restafval te verminderen. Er is gekeken naar het
verwachte effect op het aandeel UPV-stromen in het restafval van het invoeren van
retourpremies, tariefdifferentiatie en het financieel verantwoordelijk maken van producenten
voor hun producten in het restafval.
De conclusies en overwegingen uit dit onderzoek worden meegenomen in het vervolg en
worden onder andere betrokken in de verbeterrichting over het verduidelijken van de
rolverdeling tussen ketenpartijen in een UPV. Ook wordt verkend hoe het gescheiden
inzamelen van afvalstromen voor inwoners zo vanzelfsprekend mogelijk kan worden gemaakt,
bijvoorbeeld door oud-voor-nieuwregelingen uit te breiden naar meerdere productgroepen.
(2) Het stroomlijnen van uitvoering, toezicht en handhaving
Uitvoering
Om zicht te hebben op wie onder een UPV vallen, moeten producenten7 zich volgens de huidige regelgeving melden bij Rijkswaterstaat (RWS). Meldingen bevatten
basisinformatie over de producent, zoals over welke producten het gaat en een algemene
omschrijving van hoe de producent aan de verplichtingen wil gaan voldoen. Bij de beoordeling
van de melding wordt slechts gecontroleerd of de informatie volledig is aangeleverd.
Producenten moeten vervolgens jaarlijks vóór augustus verslag doen bij RWS over de
naleving van de UPV in het vorige kalenderjaar. Daarna vindt de inhoudelijke beoordeling
van het verslag plaats, op basis waarvan vervolgens eventuele handhaving kan volgen.
Het gevolg van dit systeem is dat de controle op naleving van de inzamel- en verwerkingsdoelstellingen
van een UPV vaak pas plaatsvindt lang nadat de feiten zich hebben afgespeeld.
De invoering van een registratie- en goedkeuringssysteem kan hiervoor een oplossing
bieden. Het hebben van zo een systeem wordt in recente EU-regelgeving voor specifieke
producten al van EU-lidstaten verlangd. In een registratie- en goedkeuringssysteem
moet een producent zich elektronisch registreren en – al dan niet via een producentenorganisatie
– een goedkeuring aanvragen om te onderbouwen hoe aan de UPV-verplichtingen zal worden
voldaan. Op beide aanvragen volgt een besluit van de bevoegde autoriteit, waardoor
een inhoudelijke beoordeling aan de eisen voor de organisatie van het afvalbeheer
in een vroeg stadium mogelijk wordt (in plaats van louter achteraf via de verslagen).
Na een positief besluit op de registratieaanvraag komt de producent in een online
openbaar register. Producenten mogen enkel producten op de Nederlandse markt aanbieden
als zij geregistreerd staan in het producentenregister. Ook worden er expliciet intrekkingsgronden
geregeld, in tegenstelling tot het huidige systeem, waardoor in het uiterste geval
producenten geen producten meer op de markt mogen brengen. Dit beschermt bedrijven
tegen oneerlijke concurrentie (o.a. uit het buitenland) van producenten die de UPV-verplichtingen
niet naleven en die dus niet financieel bijdragen aan het afvalbeheer.
Vanwege de gewenste uniformiteit van het UPV-kader en de voordelen van een registratie-
en goedkeuringssysteem voor de uitvoering en handhaving, zal registratie en goedkeuring
stapsgewijs in alle wettelijke UPV’s worden geïntroduceerd. Voor batterijen is dit
al in gang gezet op basis van de nieuwe Batterijenverordening en later zullen conform
EU-regelgeving ook verpakkingen en textiel volgen. Vervolgens wordt gekeken naar wanneer
het systeem ook in andere wettelijke UPV’s kan worden geïmplementeerd. De uitrol zal
gepaard gaan met de realisatie van één functioneel, gedigitaliseerd systeem, waarin
de aanvragen voor registratie en goedkeuring, en de jaarlijkse verslagen samenkomen
en waarmee de administratieve lasten voor producenten tot een minimum beperkt kunnen
blijven.
Met bovengenoemde stappen wordt gewerkt aan de professionalisering van de uitvoering.
Dit is van groot belang bij de groeiende hoeveelheid en complexiteit van UPV’s, wat
betekent dat ook de uitvoeringscapaciteit en -expertise aan overheidszijde moet meegroeien.
Met de invoering van financiële UPV’s voor zwerfafval en medicijnen en cosmetica komen
er bovendien extra financiële taken bij in de uitvoering. In het licht van bovenstaande
wordt verkend hoe de uitvoering verder kan worden versterkt en vereenvoudigd, bijvoorbeeld
door het opzetten van een centrale uitvoeringsorganisatie. Daarbij wordt ook geleerd
van ervaringen in andere lidstaten en wordt gekeken naar de mogelijkheden om de kosten
voor de uitvoering en toezicht en handhaving (deels) te verhalen op producenten.
Toezicht en handhaving
Naast het verbeteren van de uitvoering is het ook belangrijk te kijken naar de handhaving.
De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) heeft de afgelopen maanden haar handhavingsinstrumentarium
voor UPV’s doorgelicht en verbetermogelijkheden geïdentificeerd. Veel van de controles
vinden plaats aan de hand van de verslaglegging. Vanwege de benodigde onderzoekstijd
en het handhavingstraject kan het zo’n 2 jaar duren voordat er door de producenten
gestart wordt met het corrigeren van een geconstateerde overtreding. Het hierboven
genoemde registratie- en goedkeuringssysteem zal bijdragen aan meer tijdige naleving,
omdat ook ex ante wordt beoordeeld of het afvalbeheersysteem van de producent of producentenorganisatie
naar verwachting zal voldoen aan de eisen. Ook ervaart de ILT moeilijkheden om van
producentenorganisaties de benodigde data te krijgen en data te ontvangen van voldoende
kwaliteit. Een van de bevindingen uit het doorontwikkeltraject is daarom dat aanvullende
vereisten moeten worden gesteld aan de rapportageverplichtingen en aangeleverde data.
Om te bezien of het handhavingsinstrumentarium van de ILT kan worden vergroot met
betrekking tot UPV, worden de komende tijd de mogelijkheden onderzocht voor het instellen
van een bestuurlijke boete, bijvoorbeeld voor het niet-registreren, en de bevoegdheid
tot het uit de handel nemen van producten.
(3) Het moderniseren van het UPV-kader
UPV wordt sinds de jaren ’90 toegepast. Sinds die tijd is er veel veranderd: van hoe
producten worden aangeboden aan consumenten tot hoe producenten uitvoering geven aan
hun uitgebreide producentenverantwoordelijkheid. Opdat het instrument UPV deze veranderingen
goed weerspiegelt, wordt het kader op de volgende punten aangevuld en gemoderniseerd.
Online platforms
Alle producenten van producten waarvoor een UPV geldt, moeten aan hun UPV-verplichtingen
voldoen, ook als de producent verkoopt via een onlineplatform. In de huidige praktijk
voldoen verkopers die via een onlineplatform een product in Nederland aanbieden, niet
altijd aan hun UPV-verplichtingen. Gezien de toename van onlineverkoop is het belangrijk
om duidelijk vast te leggen wat de rol en verplichtingen zijn van onlineplatforms
in het UPV-kader.
Ook in de EU is er aandacht voor de rol van onlineplatforms in het kader van UPV’s:
in de Batterijenverordening, Verpakkingenverordening en de herziene Kaderrichtlijn
afvalstoffen (UPV textiel) is nu geregeld dat onlineplatforms moeten controleren of
de producenten die via hun platform producten aanbieden wel voldoen aan hun UPV-verplichtingen.
Pas na controle hierop, mag het platform producenten toestaan van hun diensten gebruik
te maken.
De inzet is om deze aanpak geharmoniseerd uit te rollen over andere UPV’s, zodat op
onlineplatforms producenten alleen producten kunnen aanbieden als zij aan de UPV-verplichtingen
voldoen. Bij voorkeur wordt dit op Europees niveau geregeld in het kader van de Circular Economy Act8. Daarbij heeft het de voorkeur om niet te opteren voor een pay on behalf systeem, waarbij een onlineplatform namens de producent aan de eisen mag voldoen.
Dit in verband met de uitvoerbaarheid, toezicht en handhaving, en het belang van een
zuivere rolverdeling waarbij de verplichtingen bij de producent blijven liggen. Producenten
verkopen vaak via verschillende onlineplatforms op de Europese markt. Met pay on behalf wordt het erg ondoorzichtig voor welke verkopen een producent nu wel of niet voldoet
aan de UPV-verplichtingen. Ook draagt het toestaan van pay on behalf bij aan een ongelijk speelveld tussen kleine platforms, die financieel niet in staat
zijn om dit aan te bieden, en grote platforms, die dit wel kunnen. De verantwoordelijkheid
voor het voldoen aan de UPV-verplichtingen moet bij de producent blijven liggen. De
rol van onlineplatforms zou beperkt moeten zijn tot controleren of verkopers dit hebben
gedaan, en hen de toegang tot het platform weigeren indien dit niet het geval is.
Dit draagt ook bij aan eenduidigere toezicht en handhaving door de ILT.
Collectieve uitvoering
In de dagelijkse uitvoeringspraktijk van UPV blijken producentenorganisaties9 cruciaal. Hoewel individuele nakoming momenteel het juridische vertrekpunt is in
het UPV-kader, is dat in de meeste gevallen uit praktisch oogpunt lastig uitvoerbaar:
het ligt bijvoorbeeld niet voor de hand dat iedere individuele producent een eigen
inzamelsysteem opzet. Daarnaast maakt individuele nakoming de uitvoerings-, toezichts-
en handhavingslast groot en complex. Voor alle producenten moet dan namelijk individueel
worden nagegaan of aan de verplichtingen is voldaan.
Collectieve uitvoering door een producentenorganisatie daarentegen maakt het door
schaalvoordelen voor bedrijven makkelijker, minder belastend en meer kostenefficiënt
om aan de UPV-verplichtingen te voldoen. Ook maakt het de inzameling overzichtelijker
voor de burger, met een eenduidig inzamelsysteem. In de praktijk zien we dan ook dat
producenten bijna altijd collectief uitvoering geven aan hun UPV-verplichtingen. Daarnaast
beperkt het de uitvoerings- en handhavingslast voor RWS en de ILT doordat de handhaving
gericht is op een of enkele producentenorganisaties. Ook sluit dit aan op de Europese
ontwikkelingen, waarbij steeds vaker gekozen wordt voor verplichte collectieve uitvoering.
Daarom is het voornemen om in principe voor alle UPV’s die in wetgeving zijn verankerd
collectieve uitvoering te verplichten en zo aan te sluiten bij de uitvoeringspraktijk
en de nieuwe Europese standaard.
De komende maanden wordt uitgezocht hoe, rekening houdend met de bestaande (Europese)
juridische kaders, collectieve uitvoering het beste juridisch verplicht kan worden.
Daarbij is het belangrijk dat er wel ruimte blijft om voor specifieke productstromen
af te wijken van deze keuze, bijvoorbeeld in een situatie waar sprake is van een beperkt
volume en/of een beperkt aantal producenten, die reeds eigen inzamel- of terugnamesystemen
hebben. Ook is er in het bijzonder aandacht voor situaties waarin er nog geen producentenorganisatie
is voor een bepaalde productstroom. Dat wordt meegenomen in de uitwerking10.
Verplichte collectieve uitvoering betekent niet per definitie dat er slechts één producentenorganisatie
per productgroep is. Er kunnen er ook meerdere zijn. Het bestaan van meerdere producentenorganisaties
heeft het voordeel dat het de keuzevrijheid voor producenten vergroot, maar het nadeel
is dat er een risico dat de concurrentie met name op kosten is, in plaats van op de
resultaten. Ook brengt het de nodige afstemmingsuitdagingen met zich mee. Op dit moment
is in het UPV-kader zeer beperkt geregeld hoe het werkt in het geval dat er meerdere
producentenorganisaties zijn. Als onderdeel van het doorontwikkeltraject wordt nader
in kaart gebracht wat de implicaties zijn wanneer er door meerdere producentenorganisaties
uitvoering wordt gegeven aan de UPV-verplichtingen en wat er geregeld zou moeten worden
in het UPV-kader om deze situatie werkbaar te maken voor producentenorganisaties,
andere ketenpartijen zoals gemeenten en voor de uitvoering door RWS en toezicht en
handhaving door de ILT. Op basis hiervan kan een uitspraak worden gedaan of het wenselijk
is dat er meerdere producentenorganisaties actief kunnen zijn voor een bepaalde productgroep
en, zo ja, wat dit vergt aan vereisten in het UPV-kader.
Het instrument AVV
Binnen UPV’s wordt veel gebruik gemaakt van de mogelijkheid om om een zogeheten «algemeen
verbindend verklaring» (AVV)11 van een afvalbeheerovereenkomst12 te verzoeken. Met een AVV komen de voorwaarden uit de overeenkomst, waaronder de
afvalbeheerbijdrage, voor alle producenten van een product te gelden. Met AVV moeten
dus álle producenten van dat product voor maximaal vijf jaar verplicht worden om een
afvalbeheerbijdrage aan één producentenorganisatie te betalen.
Het werken met een AVV heeft voordelen omdat het afvalbeheer wordt gecentreerd bij
één producentenorganisatie. Dit levert schaalvoordelen op voor producenten en de Rijksoverheid
en voorkomt dat producenten niet meebetalen aan de afvalverwerking van hun producten
(free-riding). Tegelijkertijd wordt er met een AVV flink ingegrepen in de markt en bestaan er
risico’s voor de continuïteit van het afvalbeheer doordat de uitvoering van het afvalbeheer
bij één partij is belegd. Als deze ene partij – om welke reden dan ook – stopt te
bestaan, valt ook de organisatie en de financiering van het afvalbeheersysteem weg
en vallen de kosten hiervoor terug op de samenleving. Ook kan een AVV innovatie door
circulaire koplopers in de weg zitten, doordat ook zij verplicht mee moeten betalen
aan het door de AVV-houder ingerichte afvalbeheersysteem.
Daarom wordt in het doorontwikkeltraject gekeken naar hoe de risico’s voor het afvalbeheer,
die ontstaan door de afhankelijkheid van een enkele partij, kunnen worden beperkt
door het creëren van een vangnet, en of het wenselijk is om meer flexibiliteit voor
circulaire koplopers in het instrument in te bouwen en, zo ja hoe. Hier wordt bijvoorbeeld
gekeken of de bestaande mogelijkheid voor een ontheffing op de AVV hier een rol in
kan spelen. Ook wordt een helder beoordelingskader voor AVV-aanvragen uitgewerkt,
zodat voor eenieder transparant is aan welke eisen moet worden voldaan en hoe de beoordeling
werkt13.
(4) Het verduidelijken van de rolverdeling tussen ketenpartijen in een UPV
Een ander belangrijk onderwerp in het doorontwikkeltraject UPV is de rolverdeling
tussen producenten, gemeenten en andere ketenpartijen. Ook in de Kamer is dit onderwerp
regelmatig opgekomen. Soms werd daarbij gevraagd om een stevigere positie van gemeenten,14 soms juist om meer ruimte en sturing voor producenten en producentenorganisaties15. Ook is gevraagd om een centrale regierol van het Rijk om de samenwerking in de keten
soepeler te laten lopen16 en om het inbouwen van meer checks and balances in UPV-systemen.17
Rol van gemeenten
Gemeenten dragen zorg voor de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen en het schoonhouden
van de publieke ruimte18. Daarbij moeten gemeenten een aantal afvalstromen apart inzamelen, zoals onder meer
metaal, kunststof, papier en textiel19. Tegelijkertijd worden producenten met een UPV financieel en/of organisatorisch verantwoordelijk
voor de afvalfase van hun producten. Het is in geval van een UPV dan ook aan de producent
om deze keten te organiseren en afspraken te maken met andere ketenpartijen over inzameling,
recycling of (voorbereiding voor) hergebruik. Deze verplichting voor twee verschillende
partijen om de inzameling te organiseren zorgt in de praktijk voor onduidelijkheid
over de vraag waar de verantwoordelijkheden van gemeenten en producenten beginnen
en eindigen.
Het is belangrijk dat er helderheid komt over hoe de juridische taken en verantwoordelijkheden
van producenten en gemeenten zich tot elkaar verhouden. Het uitgangspunt daarbij is
dat de verantwoordelijkheid voor het afvalbeheer binnen UPV primair bij producenten
ligt. Dit is ook belangrijk voor de handhaafbaarheid. Een ander uitgangspunt dat we
niet uit het oog mogen verliezen, is dat de afvalinzameling als geheel – van alle
stromen – goed moet blijven werken. Optimalisatie van individuele stromen mag er niet
toe leiden dat het geheel niet meer werkt.
Om tot een goede afweging te komen hoe de juridische taken en verantwoordelijkheden
van producenten en gemeenten zich tot elkaar verhouden, is nog nadere uitwerking nodig.
Zo wordt een analyse gemaakt van wat de huidige rol- en verantwoordelijkheidsverdeling
is voor de inzameling van verschillende afvalstromen en zal bekeken worden of er aanleiding
is om deze aan te passen en/of nader voor te schrijven hoe producenten en gemeenten
invulling geven aan die verantwoordelijkheid.
Rol van andere ketenpartijen
Producenten werken niet alleen samen met gemeenten maar ook met andere partijen in
de keten zoals inzamelaars en recyclers. Aangezien producenten veelal samenwerken
in een producentenorganisatie en hiertoe in de meeste gevallen ook zullen worden verplicht
(zie Het moderniseren van het UPV-kader), concentreert zich veel marktmacht en invloed op één punt in de keten. Enerzijds
helpt dit producentenorganisaties hun rol goed te vervullen: je hebt invloed op deze
keten nodig om de inzameling, recycling en andere UPV-activiteiten goed te organiseren.
Anderzijds maakt dit samenwerking in de keten soms ingewikkeld, door de ervaren machts-
en informatieverschillen.
Dit vraagt om meer, gestructureerd overleg in de keten. De inzet is dat er in het
kader van iedere productgroep waarvoor een UPV geldt, een ketenoverleg plaatsvindt.20 Voor de prioritaire productgroepen zal, zoals in de actualisatie van het Nationaal
Programma Circulaire Economie is aangekondigd, dit in de vorm van een Ketentafel zijn.
In een ketenoverleg is de hele keten zo goed mogelijk vertegenwoordigd: van producent
tot inzamelaar en recycler. Dit is ook iets waar expliciet aandacht voor is in het
kader van de verbeterrichting over hoe de werking van producentenorganisaties kan
worden verbeterd (zie hieronder).
Uiteindelijk is het doel om in het UPV-kader te zorgen voor een goede balans tussen
ketenpartijen waarbij iedere partij haar eigen verantwoordelijkheid en rol kan pakken,
en dat dit bij elkaar bijdraagt aan een meer circulaire productketen. Hoe dit er uitziet,
wordt in de komende periode in samenspraak met alle ketenpartijen verder uitgewerkt.
(5) De werking van producentenorganisaties
Producentenorganisaties spelen een belangrijke rol in het instrument UPV. Die rol
gaat gepaard met een bepaalde machtspositie én verantwoordelijkheid in de keten. In
de eerdergenoemde Kamerbrief over het doorontwikkeltraject is geconcludeerd dat in
de bestaande wettelijke kaders beperkt aanwijzingen worden gegeven over de werkwijze
en het functioneren van producentenorganisaties. Ook werd in deze brief aangekondigd
dat in het doorontwikkeltraject zal worden onderzocht of en hoe meer randvoorwaarden
kunnen worden meegegeven aan producentenorganisaties. Dit heeft twee doelen: ten eerste
om de werking van producentenorganisaties beter te waarborgen, en ten tweede om bij
te dragen aan een goede balans tussen ketenpartijen. Daarmee draagt het ook bij aan
de verduidelijking van de rollen van die ketenpartijen, zoals hierboven beschreven.
Keuzes over de rolverdeling in de keten hebben invloed op de werking van producentenorganisaties
en daarmee aan de vereisten. Tegelijkertijd zijn er ook zaken die hoe dan ook verbeterd
kunnen worden aan de werking van producentenorganisaties, los van de keuzes ten aanzien
van de rolverdeling, zoals meer transparantie over financiën en behaalde resultaten.
Komende periode worden de vereisten verder uitgewerkt in samenhang met de andere verbeterrichtingen.
Vervolg
Met het doorontwikkeltraject wordt toegewerkt naar een geharmoniseerd kader voor alle
UPV’s, waarin de uitvoering is gestroomlijnd, de rolverdeling tussen ketenpartijen
helder is en wordt toegewerkt naar het circulair maken van de productketen. De afgelopen
periode is het instrument grondig doorgelicht en zijn de eerste oplossingen uitgewerkt,
zoals hierboven toegelicht. Deze brief schetst daar de huidige stand van zaken van
en laat zien op welke punten verbeteringen worden doorgevoerd en welke zaken nog verder
moeten worden uitgewerkt.
Bij aankomende wetgevingstrajecten in het kader van UPV worden de beleidskeuzes die
reeds helder zijn waar mogelijk al doorgevoerd, zoals het verplichten van collectieve
uitvoering, gebruik maken van registratie en goedkeuring en effectief inzetten van
tariefdifferentiatie. Dit geldt bijvoorbeeld voor de nationale implementatie van Europese
UPV-regelgeving zoals voor textiel en verpakkingen, de ontwikkeling van nieuwe nationale
UPV’s zoals voor meubels en de ontwikkeling van de Circulaire Economie-wet. Ook worden
de inzichten uit het doorontwikkeltraject bij relevante Europese beleidstrajecten
ingebracht, zoals de aangekondigde Circular Economy Act.
De bovengenoemde punten worden de komende periode nader vormgegeven en geïmplementeerd.
Enkele punten, met name de rolverdeling tussen ketenpartijen en de werking van producentenorganisaties,
vereisen nadere studie en uitwerking voordat besluitvorming kan plaatsvinden. Ik hoop
de Kamer hier nog voor het einde van dit jaar nader over te informeren.
De Minister van Klimaat en Groene Groei,
S. van Veldhoven-van der Meer
Indieners
S. van Veldhoven-van der Meer, minister van Klimaat en Groene Groei