Brief regering : Juridisch kader en reikwijdte van Kamermoties
36 800 VI Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Justitie en Veiligheid (VI) voor het jaar 2026
Nr. 141
BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 20 april 2026
Bij brief van 12 februari 2026 heeft de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid
van uw Kamer mij verzocht om een brief over het juridisch kader en de reikwijdte van
Kamermoties. Dit naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 10 februari 2026
in de zaak «Vidar», waarin de Hoge Raad is ingegaan op de juridische betekenis van
twee door de Tweede Kamer aangenomen moties met betrekking tot de inzet van criminele
burgerinfiltranten in het kader van de toepassing van artikel 126w van het Wetboek
van Strafvordering (Sv).1 Met deze brief voldoe ik aan genoemd verzoek.
In de zaak «Vidar» lag bij de Hoge Raad primair de rechtsvraag voor of artikel 126w
Sv een toereikende wettelijke grondslag bood voor het in deze zaak in de jaren 2019
en 2020 door het Openbaar Ministerie inzetten van een criminele burgerinfitrant. Door
de verdachte was in cassatie aangevoerd dat deze grondslag ontbrak, omdat de Tweede
Kamer in 1998 bij de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel Wet bijzondere
opsporingsbevoedheden, dat heeft geleid tot artikel 126w Sv, een zogeheten «spreekt
uit-motie» van het lid Kalsbeek-Jasperse had aangenomen, waarin werd uitgesproken
«dat met criminele burgerinfiltranten niet dient te worden gewerkt en dat voor de
politie en het Openbaar Ministerie een verbod geldt op het inzetten van criminele
burgerinfiltranten».2 Verder was in cassatie aangevoerd dat het gerechtshof had moeten nagaan of bij de
inzet van de criminele burgerinfiltrant in deze zaak was voldaan aan de (aanvullende)
eisen zoals die zijn verwoord in een door de Tweede Kamer in 2014 aangenomen motie
van de leden Recourt c.s., waarin (in zoverre dus terugkomend op de Kameruitspraak
in de motie-Kalsbeek-Jasperse) werd overwogen dat in hoge uitzonderingsgevallen en
onder strikte waarborgen gewerkt moet kunnen worden met inzet van een criminele burgerinfiltrant.3
In het genoemde arrest overweegt de Hoge Raad dat de tekst van artikel 126w Sv4 niet de beperking stelt dat het de officier van justitie niet zou zijn toegestaan
om toepassing te geven aan daarin geregelde bevoegdheid ten aanzien van een «criminele
burgerinfiltrant» en dat voor de toepassing van deze bepaling uitsluitend van belang
is dat het gaat om een persoon die geen opsporingsambtenaar is. Wat de twee genoemde
moties betreft, acht de Hoge Raad «daarbij van belang dat deze de (meerderheids)opvatting
van de Tweede Kamer op twee verschillende momenten in de tijd tot uitdrukking brengen
over de vraag of, en zo ja, onder welke voorwaarden door de politie en het Openbaar
Ministerie toepassing zou mogen worden gegeven aan de bevoegdheid die artikel 126w
Sv biedt om een burgerinfiltrant in te zetten». Naar het oordeel van de Hoge Raad
brengt het samenstel van deze moties niet met zich dat dat bij de toepassing van artikel
126w Sv in deze zaak de wettelijke grondslag – in weerwil van de tekst van artikel
126w Sv – ontbrak.
De rechtbank en het gerechtshof oordeelden in deze zaak eerder in soortgelijke zin.
De Hoge Raad volgt in zijn arrest ook de advocaat-generaal, die in haar conclusie
uitvoerig is ingegaan op interpretatiemethoden door de rechter, waaronder wetshistorische
interpretatie, en de juridische betekenis van aangenomen Kamermoties in het algemeen
en de twee genoemde moties in het bijzonder.5 Onder verwijzing naar staatsrechtelijke literatuur merkt de advocaat-generaal op
dat een motie is te omschrijven als een uitingsinstrument van de Kamer waarin een
oordeel of verlangen kenbaar wordt gemaakt ten aanzien van een Minister of het kabinet,
dat een tijdens het wetgevingsproces aangenomen motie een standpunt kan bevatten over
de uitleg van een (onderdeel van een) wettelijke bepaling en dat een motie juridisch
niet bindend is voor de regering (of anderen) maar wel vanwege de vertrouwensregel
een zekere politieke betekenis heeft, waarbij geldt dat een motie van wantrouwen in
zoverre als bindend moet worden opgevat dat aanvaarding daarvan de vertrouwensregel
activeert.
Ik acht de beschouwingen van de advocaat-generaal goed navolgbaar. Cruciaal lijkt
mij te zijn dat als men destijds bij de behandeling van het wetsvoorstel Wet bijzondere
opsporingsbevoegdheden in juridische zin een verbod op de inzet van criminele burgerinfiltranten
had willen bewerkstelligen, dit had gemoeten via een uitdrukkelijke wijziging van
de wettekst. Een daartoe strekkend initiatief vanuit de Tweede Kamer had dan, zoals
ook aangegeven door het gerechtshof in deze zaak, de vorm moeten krijgen van een amendement,
niet van een motie.
Dat een aangenomen motie van een andere orde is dan een aangenomen amendement, ziet
men overigens ook terug in uitspraken van andere rechtscolleges in ons Koninkrijk
en op andere rechtsterreinen, waarbij wel moet worden aangetekend dat rechterlijke
uitspraken over de betekenis van aangenomen Kamermoties dun zijn gezaaid. Een recent
voorbeeld is de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 10 september 2025,
waarin de Afdeling overwoog dat met de door de Tweede Kamer aangenomen motie waarin
de regering is verzocht om niet langer door te procederen tegen gedupeerden van de
gaswinning,6 de uit artikel 8:104, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht voortvloeiende
bevoegdheid van het Instituut Mijnbouwschade Groningen om hoger beroep in te stellen
tegen een uitspraak van de rechtbank, niet kan worden beperkt.7
De Minister van Justitie en Veiligheid,
D.M. van Weel
Indieners
D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid