Brief regering : Kabinetsreactie op het eindverslag van de rapporteur over het kennisthema Implementatie van EU-wet- en regelgeving (Kamerstuk 21109-272)
21 109 Uitvoering EU-Richtlijnen
Nr. 277
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 17 april 2026
In navolging van het verzoek van de Vaste Kamercommissie voor Europese Zaken d.d. 30 september
2025 bied ik u hierbij de kabinetsreactie aan op de bevindingen en aanbevelingen die
voortvloeien uit het rapporteurschap over de implementatie van EU-wet- en regelgeving.
Het eindverslag van de rapporteur, vastgesteld op 16 september 2025 (Kamerstuk 21 109, nr. 272), bevat belangrijke inzichten en aanbevelingen die het kabinet ter harte neemt. In
deze brief zal ik ingaan op de vier aanbevelingen aan het kabinet en de wijze waarop
het kabinet hieraan gevolg geeft.
Het kabinet vindt de kwaliteit van EU-wet- en regelgeving belangrijk en zet zich in
voor verbetering van de wijze waarop die regelgeving tot stand komt, wordt uitgevoerd
en gehandhaafd. Het kabinet hecht tevens grote waarde aan een tijdige, zorgvuldige
en uitvoerbare implementatie van Europese regelgeving, met goede betrokkenheid van
medeoverheden en uitvoeringsorganisaties. De implementatie van EU-wetgeving vraagt
in toenemende mate om een overheidsbrede en samenhangende aanpak, waarbij kennis,
capaciteit en oplossingen beter worden gedeeld en benut. Het terugdringen van onnodige
regeldruk is zowel voor Nederland als voor de Europese Commissie een prioriteit.
De Nederlandse inzet is verwoord in het Actieprogramma «Minder Druk Met Regels».1 In algemene zin sluiten de aanbevelingen uit het rapport Dassen aan bij de inzet
van het kabinet om medeoverheden en uitvoeringsorganisaties eerder en beter te betrekken
bij de nationale standpuntbepaling en de Europese besluitvorming, en bij het beleid
gericht op het tegengaan van knellende EU-regelgeving en implementatiedruk, in lijn
met artikel 9 van de Code Interbestuurlijke Verhoudingen.2 Onze ambitie blijft, conform het coalitieakkoord3, om onnodige nationale koppen op Europese regels te schrappen. Europese richtlijnen
en regelgeving worden sneller en zoveel mogelijk 1-op-1 geïmplementeerd. We onderschrijven
de Europese Omnibus-wetgeving. We maken afspraken met toezichthouders om regels niet
strenger te interpreteren dan nodig is en administratieve lasten te beperken.
Ook in EU-verband blijft het kabinet zich inzetten voor betere regelgeving. Zo dringt
het kabinet er bij de Commissie op aan bestaande regels systematisch tegen het licht
te houden om regeldruk te verminderen en een gelijk speelveld te waarborgen, met nadrukkelijke
aandacht voor wat lidstaten, medeoverheden, uitvoeringsorganisaties, burgers en vooral
ondernemers in de praktijk als meest knellend ervaren. Nederland volgt het EU-initiatief
voor Betere Regelgeving4 nauwgezet. De Commissie heeft daarin aangekondigd in meer gevallen de effecten van
voorgenomen gedelegeerde en uitvoeringshandelingen te toetsen, uitvoeringsstrategieën
op te stellen en meer te willen samenwerken met stakeholders door het organiseren
van uitvoeringsdialogen en door bij consultaties en in effectbeoordelingen meer aandacht
te besteden aan de praktische aspecten van de uitvoering. Het kabinet blijft erop
aandringen dat de Commissie het uitgangspunt hanteert dat er steeds een deugdelijke
effectbeoordeling wordt gemaakt. Het kabinet heeft ook oog voor het behoud van de
kwaliteit in de fase van de trilogen waarin de kwaliteit van wetgeving door compromisvorming
onder druk kan staan.
Tot slot blijft versterking van de Regulatory Scrutiny Board (RSB) een aandachtspunt. Het kabinet pleit voor een sterker mandaat en een volledig
onafhankelijke samenstelling van de RSB, vergelijkbaar met de positie van het ATR
op nationaal niveau, zodat de RSB ook kan toetsen wanneer de Commissie geen effectbeoordeling
opstelt.
Aanbeveling I: Vroegtijdige betrokkenheid van uitvoeringsorganisaties en medeoverheden
Het kabinet deelt de conclusie dat medeoverheden en uitvoeringsorganisaties vanaf
een zo vroeg mogelijk stadium bij EU-trajecten moeten worden betrokken. Hun praktijkkennis,
zowel in de consultatiefase als de BNC-fase, is essentieel om tot uitvoerbare en handhaafbare
regelgeving te komen. Bij het BNC-overleg is standaard om deze reden een stoel gereserveerd
voor vertegenwoordigers van het Interprovinciaal Overleg (IPO), de Vereniging Nederlandse
Gemeenten (VNG) en de Unie van Waterschappen (UvW). Daarnaast vindt interbestuurlijke
afstemming plaats in onder meer het jaarlijkse Bewindsliedenoverleg Europa, waarin
de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties samen met de Minister van
Infrastructuur en Waterstaat, de Minister van Buitenlandse Zaken en de koepelorganisaties
de gezamenlijke Europese agenda en inzet bespreekt.
Ook op specifieke beleidsterreinen zet het kabinet in op een sterkere verbinding tussen
Europese beleidsvorming en nationale uitvoering. In dat kader organiseert het Ministerie
van Justitie en Veiligheid bijvoorbeeld jaarlijks de «Maand van de Uitvoering», waarin
Nederlandse uitvoeringsorganisaties en hoogambtelijke vertegenwoordigers op het JBZ-terrein
met elkaar in gesprek gaan over Europese dossiers, implementatievraagstukken en praktijkervaringen,
om zo de brug te slaan tussen beleid en uitvoering. Ten slotte zijn er diverse ad-hoc
processen en netwerken waarin uitvoeringsorganisaties vroegtijdig worden betrokken,
zoals kennissessies over de implementatie van digitale wetgeving. Hiermee sluit de
huidige praktijk nauw aan bij de aanbeveling en is vooral sprake van verdere verfijning
en borging van een reeds bestaande aanpak.
Een ander voorbeeld van hoe medeoverheden en uitvoerders in een vroeg stadium goed
betrokken worden is het cohesiebeleid. Zowel tijdens de positiebepaling, de onderhandelingen
als de implementatie in Nederland worden deze organisatie doorlopend betrokken. Het
kabinet verkent daarnaast met de Nederlandse Digitaliseringsstrategie hoe een meer
structurele, gezamenlijke aanpak voor de implementatie van EU-wetgeving op het gebied
van digitalisering kan worden ingericht, waarbij departementen, uitvoeringsorganisaties
en medeoverheden worden ondersteund bij de vertaling naar de uitvoering. Hierbij wordt
nadrukkelijk aangesloten op bestaande structuren en initiatieven.
Aanbeveling II: Uitvoerigere informatie over uitvoeringsaspecten in het BNC-fiche
proces
Het kabinet onderschrijft dat uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van EU-voorstellen
moeten worden meegewogen. Het BNC-fiche gaat daarom ook expliciet in op uitvoeringskosten,
regeldruk en administratieve lasten. Mochten aan de hand hiervan vragen ontstaan of
verdere verduidelijking nodig zijn, dan kan de Kamer daarover in gesprek met de verantwoordelijke
Minister. Bovendien kan bij de voorbereiding van de Raden waarin de desbetreffende
voorstellen worden besproken, vragen worden gesteld om zaken te verduidelijken.
Per 1 januari 2026 is de Instellingswet Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR)5 in werking getreden. Het ATR heeft sindsdien ook een rol bij de beoordeling van de
regeldruk voortkomend uit wetgevende Europese Commissievoorstellen. Op basis van de
regeldruktoets adviseert het ATR of het kabinet in haar beoordeling (BNC-fiche) voldoende
inzichtelijk maakt wat de gevolgen zijn voor uitvoering, handhaving en toezicht6 en wat het Europees Commissievoorstel op deze thema’s betekent voor Nederland.
Aanbeveling III: Meer gezamenlijke verantwoordelijkheid en meer ruimte, middelen en
capaciteit voor uitvoerders van EU-trajecten
Het kabinet begrijpt de wens om uitvoeringsorganisaties meer ruimte, middelen en capaciteit
te geven om EU-regelgeving zorgvuldig en tijdig te kunnen uitvoeren. Tegelijkertijd
streeft het kabinet ernaar de overheid toekomstbestendig te maken en het aantal ambtenaren
te beperken, boven op de reeds lopende taakstellingen. Dit vraagt om zorgvuldige keuzes
bij de inzet van schaarse middelen.
Binnen deze randvoorwaarden zal het kabinet, waar nodig en mogelijk, aandacht geven
aan de versterking van de uitvoering in EU-trajecten, het vroegtijdig betrekken van
uitvoerders in de beleidsvoorbereiding en het benutten van al bestaande interbestuurlijke
structuren. Daarbij wordt ook gekeken naar het beter delen van kennis en capaciteit
tussen ministeries en uitvoeringsorganisaties, zodat de gezamenlijke verantwoordelijkheid
voor een goede uitvoering beter tot uitdrukking komt.
Aanbeveling IV: Periodieke overlegmomenten en interbestuurlijke samenwerking
Het kabinet onderschrijft het belang van structurele en periodieke overlegmomenten
tussen ministeries, medeoverheden en uitvoeringsorganisaties over EU-ontwikkelingen.
Naast de eerdergenoemde BNC-structuur, het Bestuurlijk Overleg Europa en thematische
interbestuurlijke dossierteams, zal het kabinet blijven investeren in communities of practice en thematische overleggen waarin beleidsmakers, uitvoerders en toezichthouders gezamenlijk
optrekken bij belangrijke EU-dossiers.
Zo kent het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat goede ad hoc en vaste overleg-
en uitwisselingsstructuren op lopende, te verwachte en verdere informatie-uitwisseling
op EU-ontwikkelingen en wet- en regelgeving. Deze uitwisselingstructuur wordt gezien
als een belangrijke schakel, waarin tot gezamenlijke prioriteiten wordt gekomen.
Het kabinet is voornemens deze bestaande structuren waar nodig verder te versterken
en beter te benutten, onder meer door tijdige agendering van aankomende EU-voorstellen,
systematische terugkoppeling over de verwerking van input van medeoverheden en uitvoeringsorganisaties
en het delen van best practices tussen beleid en uitvoering.
Conclusie
Het kabinet is vastbesloten de aanbevelingen uit het eindverslag zo goed mogelijk
te betrekken bij de verdere versterking van de Nederlandse inzet in EU-trajecten en
de implementatie van EU-wetgeving. Interdepartementale samenwerking, nauwe interbestuurlijke
afstemming en het beter benutten van de kennis en ervaring van uitvoeringsorganisaties
staan daarbij centraal.
Wij vertrouwen erop dat de in deze brief geschetste aanpak bijdraagt aan een effectieve,
uitvoerbare en goed gedragen implementatie van EU-wetgeving in Nederland.
De Minister van Buitenlandse Zaken,
T.B.W. Berendsen
Indieners
T.B.W. Berendsen, minister van Buitenlandse Zaken